Leesfragment: Bot mes - Dieter Rogiers

België is gesplitst. Brussel blijft achter als een verstoten kind, ten prooi gevallen aan vrijbuiters en lijkenpikkers. In een spannend verhaal vol moreel ambigue personages en verrassende plotwendingen gidst de Brusselse auteur Dieter Rogiers de lezer door een surreële stad waarin afkeer en liefde keerzijden zijn van dezelfde medaille. Lees hier een fragment uit Bot mes.

Bot mes
Dieter Rogiers

ISBN: 978 94 6434 202 4
Prijs: €20,-


1

De stad was al dood, maar men was vergeten het haar te vertellen. Zoals elk rottend lijk vertoonde ze nog wat wilde stuiptrekkingen, dat wel, maar de rigor mortis was al ingezet. De steen was besteld, de grafrede geschreven. Het moeras dat Brussel ooit had opgerocheld, zou haar gulzig weer opslokken.
      Toen ik twintig jaar geleden de deur van onze bel-etage aan de kaaien voorgoed dichttrok, was dat met reden. Ik verachtte de stad. Haar hardnekkige besluitloosheid. Haar frustrerende gave om mensen die haar willen omarmen genadeloos af te stoten. Haar onvermogen om etterende kankers weg te snijden. De jaren hadden geen beterschap gebracht.
      Brussel was in volle ontbinding na de splitsing van het land. Vrijbuiters, opportunisten en lijkenpikkers hadden lang daarvoor al vakkundig haar absurdistische bestuurlijke labyrint van binnenuit ontmanteld. Maar toen eenmaal de moegestreden Vlamingen vertrokken waren en de Walen voor het Franse geld geplooid, brokkelde het Brusselse bastion helemaal af. 
      Alleen Europa bleef nog achter. Een wantrouwige voogd over een stad die haar met onverschillige ogen bekeek. Maar
ook Europa wierp nu de handdoek in de ring. Over een maand zou het hele circus voorgoed naar Straatsburg verkassen. De EU, het Hoog Commissariaat, de diplomaten: ze namen allemaal de vlucht vooruit. Voordat het zinkgat onder hun voeten ook hen meesleurde.
      Mijn tram dook er waggelend in, in dat zinkgat. De 44 liet de brede beboomde lanen van Tervuren achter zich en reed blind de tunnel in. Het licht van de late winterzon kromp ineen tot een klein puntje in de verte en verdween dan volledig. Enkel flikkerende blauwe lampen tegen de bakstenen wand doorbraken nog het duister.
      De 44 was de laatst overgebleven lijn die Vlaanderen met enige regelmaat met haar oude hoofdstad verbond. De enige legale lijn. Voor drank, narcotica en mensen bestonden er honderden smokkelroutes, klein en groot. De bekendste liep dwars door het Zoniënwoud. De meest gegeerde maakte gebruik van de nooit in werking gestelde metrotunnels onder Schaarbeek. Soms werden ze gebruikt om mensen of goederen Brussel binnen te sluizen. Vaker dienden ze een urgenter doel. Ontsnappen.
      Ariane was dat niet gelukt. Dat wist ik sinds zes uur deze ochtend, toen de politie me uit bed belde. Of ik zo snel mogelijk naar Brussel kon komen. Een lijk diende geïdentificeerd te worden. De politie zou voor de nodige reisdocumenten zorgen. Correct afgestempeld. Goedgekeurd door de juiste mensen.
      Haar naam hadden ze niet één keer genoemd, maar de jonge vrouw die de agenten vier dagen eerder uit het kanaal
hadden gevist, kon maar één iemand zijn. De enige voor wie ik mijn belofte om nooit meer een voet in Brussel te zetten,
zou verbreken. Mijn dochter was de stad geworden die ik verachtte: een lijk in ontbinding. De kans dat zij nog wilde stuiptrekkingen vertoonde, was zo goed als onbestaand.


* * *


Commissaris Fugain wachtte me op aan Montgomery, in het intimiderende douanekantoor voorbij het overwelfde perron. Ze was twee koppen kleiner dan ik, maar compenseerde haar gebrek aan gestalte met een stel priemende blauwe ogen. Drie ranke dobermanns flankeerden de commissaris. De dieren rechtten hun rug even gedisciplineerd als hun piekfijn in het uniform gehesen baasje.
      Fugain reikte me de hand.
      ‘We hebben elkaar gesproken aan de telefoon,’ zei ze.
      Ook haar andere hand pakte de mijne vast. Afstandelijke troost, of was het meer dan dat?
      ‘Het is belangrijk dat we de procedures volgen. Dat wil niet zeggen dat ik niet met u meeleef. Formaliteiten horen er nu eenmaal bij.’
      ‘U bent zeker dat zij het is?’
      ‘Laten we niet vooruitlopen op de feiten. Ik wil u echter ook geen valse hoop geven.’
      Ik kende de procedures voor identificatie. Normaal gezien was dat een klusje dat de laagste in de pikorde afhandelde. Een groentje. Een uitgerangeerde wijkagent. Geen commissaris. Misschien was het in Brussel anders. Of misschien was er een goede reden dat Fugain er zelf haar tijd in stak.
      Ze leidde me het drukke douanekantoor binnen en gaf de reisdocumenten aan de grijzende ambtenaar achter het glas. De man nam zijn tijd. Hij schoof zijn bril naar het puntje van zijn neus en ging met zijn benige vinger elke stempel en handtekening zorgvuldig na. Het leek hem niet uit te maken dat het proces een eeuwigheid duurde. Ik moest de eerste ambtenaar die dat wél een bal kon schelen nog tegenkomen.
      ‘U bent het toch?’ vroeg Fugain. ‘De man van de doodsberichten? Ik herkende uw naam.’
      ‘Levensbeschrijvingen,’ corrigeerde ik. ‘Ik noem ze levensbeschrijvingen.’
      Ik schreef ze al bijna vijfentwintig jaar. Eerst voor de Brussels Post, onder de titel Tranches de vie. Daarna voor een Vlaamse krant. Nu heette de rubriek Levensloop. Bekende namen deed ik niet. Alleen pas gestorven, gewone Vlamingen. Ik interviewde hun familie en vrienden. Ook hun vijanden, als ze die hadden. Ik doorworstelde archieven en knoopte losse eindjes van lang vergeten verhalen aaneen. Elke week, in de weekendeditie, verscheen dan hun levensbeschrijving. Eén volledige krantenpagina. Drie pagina’s als hun leven oprecht uitzonderlijk was. Geen foto’s. Nooit foto’s.
      De eerste was Sandrine Duplasse, een studente van vierentwintig. Ze was met haar fietswiel klem komen te zitten
tussen de tramsporen aan de Oeverpoort, in het centrum van Brussel. De tram had niet tijdig kunnen remmen. Zij had één pagina gekregen. Op dit moment lag Eugène Devreese op mijn bureau, een circusartiest. Hij was de halve wereld afgereisd met zijn duizelingwekkende trapeze-act. Een week geleden struikelde hij over een stoeptegel in Oostmalle. Hij brak zijn nek. Voor Eugène had de krant drie pagina’s vrijgehouden. Eugène zou moeten wachten.
      ‘Ik lees ze graag, uw levensbeschrijvingen,’ zei Fugain. ‘U geeft me altijd het gevoel dat ik hen echt heb gekend, de mensen waarover u schrijft.’
      Was Ariane drie pagina’s waard? Het is erg als een vader zich die vraag over zijn dochter moet stellen. Maar ik kende
haar amper. Met alles wat ik met zekerheid over mijn kind wist, zou ik nog geen paragraaf kunnen vullen. Laat staan een
hele Levensloop.
      Met een doffe bots zette de ambtenaar opnieuw een stempel op mijn reisdocumenten. De inkt was zo droog dat de blauwe, modernistische iris amper een afdruk achterliet.
      ‘In orde,’ zei hij stuurs. ‘Prettig verblijf in Brussel.’
      Hij schoof de papieren onder het glas door en trok dan het gordijntje van het loket naar beneden. Achter ons schoven
tramreizigers inmiddels twee rijen dik aan. Van de drie resterende loketten was er maar eentje open.
      ‘Hiermee mag u achtenveertig uur op het grondgebied verblijven,’ verklaarde Fugain. ‘Verlies de documenten niet. We
voeren regelmatig controles uit. Te veel personen hier die hier niet mogen zijn.’
      ‘Waarom belde u me vandaag pas?’ wilde ik weten. ‘U zei dat het lichaam vier dagen geleden al in het kanaal gevonden werd. Maakt dat het niet moeilijker om haar te identificeren?’
      Fugain zuchtte.
      ‘Ik had u ook liever vroeger naar hier laten komen. Dat was efficiënter geweest. Brussel is onderbemand, helaas. Niet alle informatie stroomt even vlot door. Vier dagen valt nog aan de goede kant van de meetlat. Volgt u mij.’
      De commissaris en haar honden gidsten me door de metaaldetector. De sensor piepte, het groene licht sprong op rood. De keuvelende militairen naast de detector deden alsof ze niets gezien hadden.
      Achter mij ging nu ook het laatste loketgordijn omlaag. De rijen wachtenden waren nog geen voetstap verder.


2

Een regenboogplafond keek neer op de lange roltrap die de commissaris en mij schokkend uit de onderbuik van het station trok. Vroeger waaide het chaotische getoeter van in- en uitvoegende wagens je hier al halverwege toe. Nu bleef het onnatuurlijk stil.
      De bronzen Britse veldmaarschalk blonk nog steeds fier op een hoek van het plein, maar uit de centrale fontein kwam
geen druppel water meer. De imponerende bomen eromheen waren gereduceerd tot stronken. Op de vier rijstroken brede rotonde slalomden fietskoeriers tussen stilstaande auto’s door. In de stoflagen op de voertuigen hadden kinderen een vervolgverhaal met striphelden getekend. Nee, geen onschuldige Jommekesbelevenis waarvan je wilde dat je eigen kind het las.
      Deze taferelen zag je al lang niet meer op het journaal. Wanneer haalde Brussel hoe dan ook nog eens het nieuws? De
schandalen verkochten geen kranten meer. En voor de menselijke miserie in de stad haalde je hoogstens eens de schouders op. In mijn tijd was het niet anders geweest. Tot het moment kwam dat ik niet langer bereid was ervan weg te kijken. In mijn eigen belang. En in dat van Ariane.
      ‘Ik sta wat verderop,’ zei Fugain.
      Met een druk op haar autosleutel lichtten de richtingaanwijzers van een irisblauwe combi op. De honden renden voor
ons uit. Kwispelend met hun afgeknotte staart wachtten ze geduldig tot de commissaris hen achter in de combi liet.
      ‘Kent u Brussel een beetje?’ vroeg Fugain.
      ‘Ooit, lang geleden.’
      ‘U zou ervan versteld staan hoe erg Brussel nog lijkt op de stad van voor de splitsing.’
      Zij beschouwde het als een compliment aan de stad, zo leek het wel. Ik niet.
      We stapten de combi in. Ik trok de veiligheidsgordel naar het klikslot langs mijn zetel, maar vond daar enkel een gescheurde voering.
      ‘Bezuinigingen,’ verzuchtte Fugain. ‘En geen geld voor niet-essentiële reparaties.’
      Ze boog zich voorover en trok de gordel uit mijn hand. In een flukse beweging knoopte ze de riem aan een metalen stang onder de zetel. De krappe opening tussen de leuning en de gordel gaf me net voldoende ruimte om te ademen.
      ‘Comfortabel?’ vroeg de commissaris.
      ‘Prima,’ loog ik.
      Behendig manoeuvreerde Fugain haar combi langs de geparkeerde wagens op het plein, de Jubelparktunnel in. Door
de tralies achter mijn zetel besnuffelden de natte neuzen van de dobermanns nieuwsgierig mijn nekhaartjes.
      ‘Waren jullie close, u en uw dochter?’ vroeg Fugain.
      ‘Al eventjes niet meer,’ zei ik.
      Vijf jaar geleden had ik Ariane voor het laatst gezien. Vluchtig, op een verjaardagsfeest. Zodra ze mij vanuit een ooghoek zag, had ze het hazenpad gekozen. Er kon zelfs geen ‘hey, pa’ vanaf.
      ‘Alleen achter uw naam stond ICE in haar telefoon. In case of emergency. Daarom belden we u.’
      ‘Ze heeft geen moeder meer,’ zei ik. ‘Nooit broers gehad, of zussen.’
      ‘Had ze veel vrienden in Brussel? Collega’s met wie ze soms afsprak? Mensen die ze vertrouwde?’
      Ik wist niet eens dat ze in Brussel woonde. Waarom had ze net dit hellegat uitgekozen om te sterven? Ze had mijn verhalen toch gehoord, haar hele jeugd lang. Even eng en moraliserend als de sprookjes van Grimm. Ze wist verdomd goed hoe ik over deze stad dacht. Misschien had ze het daarom gedaan. ‘Mijn tegendraadsheid,’ had ze ooit geantwoord toen ik haar vroeg welke eigenschap van zichzelf ze het meest bewonderde. Tegendraads. Nog steeds. Tot in het graf.
      De combi kwam weer bovengronds aan het Berlaymontgebouw. Aan de gevels hingen indrukwekkende banieren.
‘Brussel: uw stad, onze stad’ stond er in alle EU-talen. Het gebouw werd omcirkeld door tientallen vrachtwagens van
verhuisfirma’s. In colonne stonden ze dubbel geparkeerd langs de stoepranden. Toch was er niet een man of vrouw te zien die met kantoormeubilair sleurde.
      ‘Het merendeel zit al in Straatsburg,’ wist Fugain. ‘Iedereen boven een bepaalde loonschaal dan toch. Stagiairs en pennenlikkers houden de boel hier draaiende nu.’
      ‘En als die vertrokken zijn?’
      ‘De baronieën. De Smet in Vorst. Diallo in Elsene. En Walbeq natuurlijk, de zonnekoning van Schaarbeek.’
      De namen verschilden, maar de etter bleef dezelfde. Had het dan toch een verschil gemaakt als we op de Post de wond grondig hadden schoongemaakt?
      Pauvre Bruxelles,’ zei ik. Ik had al die tijd onbewust Frans gesproken tegen de commissaris. De taal paste me als een oude jas, met een laagje hardnekkig stof op de mouwen.
      Fugain dwarste de Kleine Ring. Via de kasseien van Sint-Michiel en Sint-Goedele hobbelden we het hart van de
vijfhoek binnen. Zo leeg als de voetpaden van de Europese wijk waren, zo vol stonden ze hier met mensen. Afrikanen en
Aziaten voornamelijk, in bosjes van vijf of zes gegroepeerd. Zodra ze de combi zagen, zetten ze twee stappen achteruit en trokken ze de capuchon van hun winterjas over hun hoofd, zo ver mogelijk, tot enkel hun ogen nog oplichtten in het duister. Op dat vlak was Brussel inderdaad nog geen haartje veranderd. Iedereen wantrouwde de politie hartsgrondig.
      ‘Klein grut,’ las Fugain mijn gedachten. ‘Zakkenrollers. Handel in namaakhorloges. De echte criminelen zijn het witteboordengespuis. Cryptomijners. Mensensmokkelaars. De opportunisten die onze musea leegroven voor Russische oligarchen. Door hen bloedt Brussel leeg, niet door dit straatvolk.’
      ‘Hoe hoog staan moordenaars op uw lijstje?’ vroeg ik. Mijn maag wrong zich in een wrange knoop. Ik had de vraag veel eerder moeten stellen, maar pas nu het mortuarium op een steenworp lag, sijpelde de ontnuchterende realiteit tot me door.
      ‘U weet dat ik u daar niets over kan zeggen,’ antwoordde Fugain.
      ‘Ik wil gewoon weten of mijn dochter zelf in het kanaal gesprongen is. Of kreeg ze een zetje?’
      ‘Zolang u haar niet heeft geïdentificeerd, is ze niemands dochter. Tot dan geldt het geheim van het onderzoek.’
      ‘Procedures en formaliteiten?’
      ‘Respect voor het slachtoffer en haar familie. We zijn er.’
      De combi kwam tot stilstand voor de slagboom van de parkeergarage onder de Sint-Janskliniek. Fugain hield haar politiepenning voor het elektronische oog. De slagboom gaf geen krimp, ook niet na een tweede poging.
      ‘Niets werkt hier nog in deze rotstad,’ foeterde Fugain.
      Alsof er ooit iets had gewerkt in Brussel. Alsof eender wat je probeerde er ooit iets toe deed.
      Ze stapte uit en maande mij aan hetzelfde te doen. Terwijl ik met enige moeite de strakke knoop rond de metalen stang ontwarde, sprak de commissaris haar honden toe.
      ‘Braaf zijn, schatjes. We zijn zo terug.’
      ‘Laten we de auto hier gewoon staan?’ vroeg ik verwonderd. ‘Wat als iemand naar binnen wil rijden?’
      ‘Mij laat dat Siberisch koud, dus waarom zou u zich er iets van aantrekken?’ klonk het droog.
      We bukten ons onder de slagboom door en stapten de steile helling naar de parkeergarage af. De koude had het asfalt zo glibberig gemaakt dat mijn schoenen schaatsen werden. De commissaris had een lager zwaartepunt. Zij bewaarde haar evenwicht schijnbaar zonder veel problemen.
      ‘De lift doet het ook niet,’ zei ze. ‘Het zijn twee verdiepingen met de trap. Dat lukt u wel, neem ik aan?’
      Fugain bokste de deur naar de trappenhal open.
      ‘Bent u al eerder in een mortuarium geweest?’
      Mijn schrijfwerk had me op de meest vreemde plekken gebracht. Een mortuarium was zo ongewoon niet. Sommigen
zouden het een tweede thuis noemen. 
      ‘Bereid u niettemin goed voor,’ zei Fugain. ‘Het is toch altijd anders als er familie in het spel is.’
      Mij hoefde ze daar niet van te overtuigen. De knoop in mijn maag had zich de voorbije minuten nog strakker gespannen. Hij kon elk moment knappen nu.
      Ik hapte wat duffe lucht naar binnen en volgde de commissaris de trappen op. Een kille tocht droogde de condens van
natte hondenneuzen in mijn nek.


3

Een zweetdruppel gleed langs mijn wenkbrauw naar beneden. Opeens leek het tropisch warm tussen de steriele witte tegels van het ziekenhuis. Ik knoopte mijn hemd iets losser, maar dat hielp niet. Elke pas naar de metalen deur aan het einde van de gang reikte minder ver. Elke nieuwe hartslag bonkte sneller in mijn keel.
      Ik was gewend geraakt aan een leven zonder Ariane. Noodgedwongen. Na dat verjaardagsfeest, vijf jaar geleden, had ik haar losgelaten. Elke maand een beetje meer. Tot er dagen kwamen waarop ik helemaal niet meer aan haar dacht.
      Vandaag zou niet zo’n dag worden.
      Uit de vage mist van herinneringen stelde één specifiek moment zich scherp. Haar eerste schooldag. Stampend en tierend was ze tekeergegaan tegen de meester. Tot ze zich losrukte uit zijn handpalm en de speelplaats over rende, naar de schoolpoort waar ik stond. Huilend had ze zich tegen mijn been gedrukt. Haar kleine armpjes omknelden me in een
houdgreep waaraan een olympische judoka niet had kunnen ontsnappen.
      ‘Laat me niet gaan, papa,’ had ze gesmeekt. ‘Alsjeblieft, ik wil niet naar school. Ik ben bang. Ik wil bij jou blijven.’
      Het brak mijn hart, maar ik had haar geen antwoord gegeven. Ze had nog vijf minuten onwrikbaar rond mijn been gehangen, snikkend en tierend, zonder dat één van ons een woord sprak. En dan, toen de schoolbel een tweede keer
rinkelde, loste ze vanzelf haar grip. Ze keek me ontwapenend aan, lachte, en stapte vervolgens zelfverzekerd de speelplaats over met haar boekentas. Pas toen ze de school was binnengewandeld, liet ik mijn tranen de vrije loop. Ze dacht dat ze mij niet wilde laten gaan. Wist zij veel dat het omgekeerde waar was.
      Zodra mijn voetstappen niet meer hoorbaar achter haar echoden, had Fugain zich omgedraaid. Ze trof me aan op mijn knieën, happend naar adem. Mijn vlakke hand zocht naar steun tegen de tegelwand. De commissaris hurkte naast me neer. Ze wreef kalmerend over mijn schouder.
      ‘Ademen,’ zei ze me. ‘Blijven ademen. U bent nog te vroeg om uw dochter te begraven. Niet voor u haar met zekerheid
herkend hebt.’
      ‘Ze is niemands dochter nu,’ zei ik.
      ‘Precies. U zit met veel vragen. De politie ook. Elke kleine stap brengt ons dichter bij een antwoord. Antwoorden helpen.’
      ‘Ze brengen haar niet terug. Wie ze ook mag zijn.’
      ‘Nee,’ gaf Fugain toe. ‘Maar ze brengen troost. Ze helpen je de pijn een plek te geven. Vergeten doen ze je niet, jammer
genoeg. Vergeten doe je nooit.’ 
      Ik droeg het hart nooit op de tong, zeker niet in het gezelschap van vreemden. Verman jezelf, prentte ik me dan ook in. Sta op. Fugain had gelijk. Ariane was nog niet dood. Niet tot ik haar met mijn eigen ogen gezien had.
      Even plots als ik op de grond gezakt was, klauterde ik weer overeind. Ik knikte naar Fugain dat we verder konden en
stapte de gang door. Als ik nu al bezweek, wat zou de confrontatie met haar lichaam dan met me doen?
      Veel geld om te investeren had Brussel niet meer. Investeren in de dood lag bovendien in de laagste schuif. Slechts een handvol tl-lampen in het mortuarium werkte. Dode vliegen plakten tegen het knipperende plastic. Stukjes losgekomen wandtegel lagen her en der verspreid op de grond. Fugain schoof de hendel van de koelcel open. Zonder de koperdraad eromheen hingen ook de rammelende schroeven daarvan amper aaneen.
      Met een krachtige snok schoof de commissaris een blinkende horizontale plank uit de cel. Op het koude metaal lag de vorm van een mens onder een chirurgisch groen laken. De geur van formaldehyde verspreidde zich door de ruimte.
      ‘Ze is gewassen,’ zei Fugain. ‘De wonden van de autopsie zijn dichtgenaaid, maar het kanaal heeft haar dagenlang van
oever tot oever geworpen. De stroming heeft haar over de bodem geschraapt, onder water tegen de muren gesmakt.’
      De samenvatting die volgde, was het ultieme understatement.
      ‘Water doet lelijke dingen met een menselijk lichaam.’
      De commissaris nam het laken vast tussen duim en wijsvinger.
      Ik was niet klaar voor wat me te wachten stond. Maar het was waarom ik naar Brussel gesommeerd was.
      Fugain trok het laken weg, tot net boven de schaamstreek.
      De vrouw op de metalen plank had geen leeftijd meer. Het water had haar huid zo verrimpeld dat ze in een veel te grote, gekreukelde jas geduffeld leek. Overal waren schrammen en krassen te zien, in de nek, boven de navel, op de borsten. De ene al dieper dan de andere. Een gebroken rib sprong onmiddellijk in het oog. Die priemde enkele centimeters uit haar borstkas. Het stompe uiteinde was niet afgeknakt, maar afgeknaagd. Hadden riooldieren er hun tanden ingezet? Ondanks de gerimpelde huid was het lichaam niet schriel, maar lichtjes bollend. Alsof iemand een ballon in haar lichaam had willen opblazen, maar het halverwege had opgegeven. De zwelling was ook zichtbaar in haar gezicht. Daarin was amper een botstructuur te herkennen.
      Ze had kort krullend haar, paarsgeverfd, met een beginnende zwarte uitgroei. In het kraakbeen van haar rechteroor
zaten drie perforaties. Niet zo lang geleden moesten daarin haar piercings gezeten hebben. Met haar verstilde ogen en haar mond op een kier oogde haar gezicht vrediger dan de rest van haar toegetakelde lijf. Misschien had ze in de dood de rust gevonden die ze tijdens haar leven zo hardnekkig had proberen te vermijden.
      Ik boog me voorover, ook al was de twijfel er al lang niet meer. Een zoute traan weigerde mijn mondhoek te lossen.
      ‘Mag ik haar ogen zien?’ vroeg ik.
      Haar ogen kregen alles van me gedaan vroeger. Eén blik en ik was onder haar hypnose. Weerloos.
      Fugain trok voorzichtig het rechterooglid omhoog. Daarachter verborg zich een helderblauwe iris, zonder de minste
levenstwinkeling. Meer had ik niet nodig. Dit gaf me zekerheid.
      ‘Is het uw dochter?’ vroeg Fugain.
      ‘Ja,’ zei ik, met een krop in de keel. ‘Dit is Ariane.’
      Ik liet mijn vingers door haar krullen glijden. Wie weet hoelang haar doodstrijd had geduurd. Wie weet hoe hard ze
had afgezien. Woordeloos sprak ik de belofte uit om uit te zoeken wie haar dit had aangedaan. En waarom.
      Zorgvuldig trok de commissaris het laken weer over het lichaam. De plank ging opnieuw de koelcel in.
      ‘Ze is iemands dochter nu,’ zei ik. ‘U kunt het me zeggen. Hoe is ze gestorven?’
      ‘Daar zijn we nog niet uit,’ zei Fugain.
      ‘Als ze verdronken was, dan had uw korps water in haar longen gevonden,’ zei ik. ‘Dan was u zeker geweest. Maar dat
bent u niet.’
      ‘Het sporenonderzoek loopt nog. Labo’s kosten geld. En ik zei het u al: we zijn onderbemand.’
      ‘Het politiedossier, kan ik dat tenminste inkijken?’
      Liefst van al had ik het daar, op dat moment, doorbladerd. Ergens moest er een bruikbaar spoor in staan. Iets wat de politie over het hoofd had gezien, maar dat ik niet zou missen. Een tip die leidde naar een motief, naar een dader. Naar een waar, een wanneer en vooral: een waarom. Ik zou even zorgvuldig te werk gaan als ik dat altijd deed bij mijn research. Ik zou de puzzelstukjes van haar leven bijeenzoeken. Ik zou elke vriend en vijand afgaan. Ik zou ze vinden, de mensen die aan haar dood hadden bijgedragen. Alleen wat ik met hen zou doen, kon ik nog niet zeggen.
      ‘Leg u toe op haar repatriëring,’ raadde Fugain me aan. ‘Of, als u haar hier wilt begraven, haar uitvaart. Ik ken een begrafenisondernemer. Ze werkt snel en vakkundig. Uw papieren verlopen over minder dan twee dagen. De tijd om praktische afspraken te maken is kort. Laat het speurwerk aan de politie over. U mag rouwen. U móet rouwen. U bent zonet uw dochter verloren.’
      Ze stelde me voor om de volgende ochtend Arianes spullen op te halen op het commissariaat in Molenbeek. Een agent zou er mijn officiële verklaring afnemen.
      Meer procedures, meer formaliteiten. Meer Brussel.
      Het deed niets af aan het medeleven dat oprecht doorklonk in Fugains stem. Enkel een cynicus zou eruit concluderen dat de commissaris iets verborgen hield. Toch kon ik het gevoel dat ze meer wist dan ze deed uitschijnen niet van me afschudden.
      ‘Kan ik u ergens afzetten? U heeft een hotel nodig om te slapen vanavond, neem ik aan?’ vroeg ze.
      ‘Ik vind wel iets,’ zei ik.
      Fugain kroop achter het stuur van haar combi. Een van de dobermanns had zich comfortabel op de passagierszetel genesteld. Hij blafte naar me door de kier van het openstaande raam.
      Eén gedisciplineerde blaf. Meer niet.


* * *


Ik kende nog mensen in de stad. Met een aantal van hen had ik nooit het contact verloren. Hen belde ik evenwel niet. In de plaats daarvan zocht ik een nummer dat al twintig jaar ongebruikt in mijn telefoonlijst stond. Ik wist niet eens zeker of het nog in gebruik was. Laat staan of ze mij wel te woord wilde staan.
      Maar de telefoon ging over. Ze nam op.
      Brussels Post, hoofdredactie.’
      ‘Hey, Zohra,’ zei ik.
      Het werd stil aan de andere kant van de lijn. Net lang genoeg om ongemakkelijk te zijn.
      ‘Hey,’ klonk het dan toch, weifelend. ‘Lang geleden.’
      ‘Ik ben in Brussel. Ik moet je spreken. Dringend.’
      Liefst op een plek waar niet te veel slechte herinneringen aan vasthingen.
      ‘Bestaat Le Coq nog?’ vroeg ik me hardop af.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Breydel - Lisa Demets

In Breydel brengt Lisa Demets de geschiedenis achter de succesvolle branding van de Brugse familie Breydel. Middeleeuwse kronieken vormen de rode draad in dit verhaal over de weg naar de macht van de beroemdste Brugse beenhouwersfamilie in de veertiende en vijftiende eeuw. Lees hier het eerste deel van de inleiding.

Lees meer »

Leesfragment: Over dit gevoel is nagedacht - Tyche Beyens

Over dit gevoel is nagedacht van Tyche Beyens is een queeste naar de liefde van vier eind-twintigers, die dat veelzijdige begrip stapsgewijs proberen te ontleden. Het is een liefdesverhaal over voelen in een eeuw waarin zo veel wordt nagedacht. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Beyens' debuut. 

Lees meer »

Leesfragment: NOU EN - Patrick Van Gompel

In NOU EN gaat Patrick Van Gompel onverdroten op zoek naar de ziel en het karakter van de Nederlanders. Hij baseert zich hiervoor op tientallen interviews met spraakmakende BN’ers en gewone noorderburen. Hij vult dit aan met een rijke voorraad aan liedjes, boeken, cabaret en media. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Van Gompels boek over het land van kaas en klompen.

Lees meer »

Leesfragment: We worden er niet jonger op - Michel Follet

We worden er niet jonger op is het vervolg van het in 2021 verschenen relaas Wanneer zien we u terug? over twee eigenzinnige negentigplussers in een woonzorgcentrum. Veel lezers herkenden zich in de petites histoires vol tragiek en humor. Nooit zwaarmoedig, wel realistisch en vaak onverbloemd. Lees hier het voorwoord van het nieuwste boek van Michel Follet.

Lees meer »