Leesfragment: Van onze verslaggever ter plaatse - Patrick Van Gompel

In Van onze verslaggever ter plaatse schrijft Patrick Van Gompel op meeslepende wijze over vier decennia journalistiek in Vlaanderen en de wereld. Lees hier een fragment uit deze levensles in journalistiek.

Van onze verslaggever ter plaatse
Patrick Van Gompel

ISBN: 9789464340693
Prijs: €24,95


Dit is geen voorwoord, dit is het begin

 

‘Ik ben in 1978 begonnen met een bakelieten telefoon met draaischijf en een mechanische schrijfmachine. Tussen het papier en
het doorslagpapier zat een vel carbonpapier. Naast de Scheideggerschrijfmachine stond ook nog een wit potje Tipp-Ex correctievloeistof om met een klein kalkkwastje typefouten te verbeteren. Dat stond allemaal in de studeerkamer thuis, bij mijn ouders in Weelde in de Antwerpse Kempen. Het was de tijd waarin mensen nog thuisbleven als ze wisten dat ze telefoon gingen krijgen.’
         De student marketing trekt grote ogen, hij steekt zijn onderlip wat vooruit.
         ‘Excuseer meneer Van Gompel. Wat is bakeliet? Carbon? En euh… de mensen bleven thuis omdat ze wisten dat ze telefoon gingen krijgen? Neemt u mij niet kwalijk, ik begrijp het allemaal niet zo goed. Ik ben geboren in 2000.’
         Nú ben ik op stap met een rugzak met daarin een laptop waarmee ik beelden van mijn iPhone kan monteren en doorsturen. Een kleine camera en een microfoon kunnen er ook nog in. En nog net een drone.
         In een kleine halve eeuw is er voor een verslaggever veel veranderd.
         De persen stoppen ooit, de mediawereld niet.


State Prison 84627

 

Onweerstaanbare dwang. De oprechte drift om mensen verhalen te vertellen, de waarheid te verkondigen. Ongelooflijk veel goesting om de wereld in te trekken. Je bent jong en je wilt wat. Goesting om erin te vliegen. Tot de conclusie komen dat er eigenlijk maar één oplossing is: journalist worden. Ik heb geen enkele andere verklaring. Het stond in de sterren geschreven.
         In de lagere school, de gemeentelijke jongensschool in Weelde in de Noorderkempen, was ik al zot van dictees en opstellen. De meesters Frans Caymax (1934-2013) en Jos Verhaeren (1920-2003) brachten me de liefde voor het Nederlands bij. Ze deden trouwens hun best om goed ABN te praten, Algemeen Beschaafd Nederlands. Onderwijzers van toen gaven in het begin van het schooljaar wel eens als opstelopdracht Bij ons thuis. Zo kwamen ze niet alleen te weten wat er zich in elk huishouden afspeelde, de titel gaf ook ruimte voor eindeloze fantasie. Ik verzon de verhalen bij de vleet en eindigde nogal
dikwijls met En toen schoot ik wakker, het was maar een droom. Door die zin moest ik niet uitleggen wat ik allemaal bij elkaar fantaseerde. Nederlands is altijd mijn lievelingsvak geweest. Ook in de katholieke middelbare jongensschool, het Klein Seminarie in Hoogstraten, in de volksmond het pastoorsfabriekske. Ik heb daar acht jaar in het internaat gezeten, de gevolgen zijn nog zichtbaar, het zwart kruisje van Aswoensdag op mijn voorhoofd heb ik met moeite weggekregen. Er bestond geen interessanter oord om een levenslang antiklerikaal gevoel aan te kweken, een gezond politiek wantrouwen én een latent
aanwezig gevoelige plek voor seksueel misbruik. Daarover later meer.

Ik kan geen vierkante paaseieren leggen

 

Spreekbeurten geven en opstellen schrijven, heerlijk! Geef me een titel en ik pen vier of acht bladzijden bij elkaar. Opstellen schrijven vond ik in mijn jeugd het heerlijkste tijdsverlies. Van turnleraar Eddy Sabbe moest ik ooit voor straf een opstel schrijven omdat ik iets had mispeuterd in de klas. Gebabbeld, waarschijnlijk. De titel van het opstel was Ik kan geen vierkante paaseieren leggen. Zalig. Ik moest vier bladzijden maken en heb er acht afgeleverd.
         Zelf een titel verzinnen was net iets boeiender. Ik had ooit een pennenzak met als opschrift State Prison 84627. De letters en de cijfers in grote witgekalkte letters op een kakigroene achtergrond. Een beetje stoere pennenzak. Ik vond het een ideale titel om mijn internaat te vergelijken met een gevangenis. De gelijkenissen lagen voor het oprapen: de zieke regels over opstaan en gaan slapen, de eeuwig vaste etenstijden, in de breedte van de speelplaats voetballen en niet in de lengte, leerkrachten voorstellen als cipiers en de schooldirecteur als gevangenisdirecteur. Geen idee hoeveel punten ik ervoor heb gekregen
destijds, in opstellen schrijven was ik goed.
         Ik deed het zo graag dat ik met plezier opstellen schreef voor andere jongens in de klas. Ze konden een titel voorstellen en als ze er geen konden bedenken, verzon ik zelf wel een titel die bij hen paste. Na een korte babbel natuurlijk, een klein interview eigenlijk. Van een boerenzoon wilde ik weten welke dieren ze hadden op de boerderij, wat de belangrijkste bron van inkomsten was en of er ook plezante beesten op het erf rondliepen. Een paar steekwoorden, enkele zinnen en ik was vertrokken. Ik probeerde die opstellen ook te schrijven in de stijl van mijn klasgenoot, ik hield goed in de gaten hoe hij sprak en schreef. Ik deed echt mijn best om het opstel te schrijven in de levenssfeer van die jongen. Uiteraard met de bedoeling de leerkracht te misleiden. Mijn klasgenoot moest het opstel alleen maar overschrijven. Het liefste schreef ik opstellen voor externe klasmakkers, die konden van thuis als beloning snoep voor me meebrengen. Sterke interne leerlingen bewaakten hun eigen voorraad snoep als koene ridders, zwakke internen waakten als zenuwachtige hamsters. Internen bleven een week op school, externen gingen na de les naar huis. 
         Uiteraard is er in de jaren ’70 in het Klein Seminarie ook een schoolkrant gemaakt. Eigenlijk waren er twee: ZaKa en EngelenbroodZaKa, de ZaalKrant, was het min of meer officiële schoolblad dat vooral in elkaar werd gestoken door interne leerlingen, die ’s avonds in de speelzaal nog iets anders wilden doen dan dammen, schaken of pingpongen. Voor die ZaKa verzamelde ik geestige en ondeugdzame citaten van leerkrachten. En daar maakte ik een mooi lijstje van. Leraar Walter Vrelust, heerlijke man, heeft me er trouwens ooit op gewezen dat ik toch voorzichtig moest zijn. Zo heeft hij eens in de klas gezegd: ‘Mobutu is een kool’. Mobutu (1930-1997) is een voormalige dictator in Congo. Vrelust had dat ook werkelijk gezegd. Ik begreep
nadien dat de schooldirectie hem daarvoor op de vingers heeft getikt omdat je destijds een bevriend staatshoofd niet mocht beledigen. Wat mij toen niet veel kon schelen eigenlijk, ik had zijn citaat letterlijk weergegeven.
         Het bij elkaar geniete Engelenbrood was een stout, schunnig, ondergronds antiklerikaal blad dat sporadisch verscheen. De inhoud had alles te maken met wat flink studerende pubers in een jongensschool bezighoudt. Lang leve de vrije gedachte in een katholieke school, was zowat het leidmotief van Engelenbrood. Eén van de bezielers van dat blad was jaargenoot Ivo Van Hove, die later een werkelijk briljante internationale carrière zou uitbouwen als toneel- en operaregisseur. Ivo bundelde losse bijdragen van wie het aandurfde om er iets voor te schrijven. De pastoors lazen het met verbazing en moffelden het weg als ze konden. Het was redelijk gevaarlijk om met dat blad rond te lopen. Fatsoenlijke jongens lazen dat niet.
         Ik vond het goddelijk en ik stond toen al wel eens stil bij het feit dat je met stukken tikken voor de krant je kost kon verdienen. Mijn oudste broer Huug was uitgever, mijn oudere broer Omer was drukker. Het gedrukte woord heeft altijd iets magisch gehad in de familie.

Dag van de arbeid

 

Over mijn hogere studies kan ik, zoals Urbanus, bijzonder kort zijn. Na enige twijfel koos ik niet voor Geschiedenis maar voor Politieke en Sociale Wetenschappen – Pol & Soc heette dat toen – aan de UFSIA (Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen), nu gewoon Universiteit Antwerpen. Na acht jaar internaat was het wennen aan de vrijheid in een grote stad. Jaargenoten hebben toen geprobeerd me mee te sleuren naar de doop van de schachten maar dat is niet gelukt. Aan onnozelheden doen we niet mee. Het studeren verliep moeizaam. Het vak statistiek was niets voor mij. De meeste vakken waren droge blokmaterie, dacht ik toen. Ik zat in een verkeerde richting. En ik had nogal veel belangstelling voor buitenschoolse activiteiten. Zo ging ik geregeld cultureel op stap met oud-leraar Theo Quistwater en Ivo Van Hove, die toen rechten studeerde en al toneelstukken in elkaar stak. Ik vergeet nooit van mijn leven dat we in Eindhoven zijn gaan kijken
naar Het Liefdesconcilie, het imposante godslasterende theaterstuk van de Duitser Oskar Panizza (1853-1921). Het stuk, dat grotendeels naakt werd gespeeld, kwam niet in Belgische theaters omdat de podia nergens groot genoeg waren, dat was het excuus, niemand durfde het blijkbaar aan.
         In het populaire jongerencafé skal’den in Hoogstraten vertelde een mooie interessante vrouw dat ik misschien, net zoals zij, beter moraalfilosofie kon studeren in Gent. Ik vond dat ze gelijk had. Helaas is die studie niet zo geweldig afgelopen en ook over die vrouw kan ik bijzonder kort zijn. Aan de Rijksuniversiteit Gent doceerden midden jaren ’70 nochtans buitengewoon interessante professoren, zoals vrijzinnig en marxistisch filosoof Jaap Kruithof (1929-2009), filosoof en ethicus Etienne Vermeersch (1934-2019) en wijsgeer Rudolf Boehm (1927-2019). Ik heb met open mond naar hen geluisterd en ik denk dat ik geen enkele les van hen heb gemist. En toch liep het mis. Jaap Kruithof verwelkomde bij de start van het academiejaar iedereen hartelijk in zijn aula. Hij beschreef klaar en helder het pijnlijke van studeren. Zo moest elke student in de aula beseffen dat wie er links of rechts van hem of haar zat, er volgend jaar niet meer zou bij zijn. Ik zat verkeerd.
         De richting moraalfilosofie boeide me echt wel maar veel vakken waren allemaal zo theoretisch. Ik wilde iets doén.
         Op 1 mei 1978, dag van de arbeid, heb ik mijn cursussen bij elkaar gepakt en tegen het plafond gesmeten met de woorden: ‘Ik word journalist!’ 
         Ik heb mijn papieren netjes opgeruimd, mijn valiezen gepakt en ik ben in de trein gesprongen naar huis. Een schrift met eigen gedichten, dat ik aan een medestudent had uitgeleend, is in de brand gebleven, ik heb het nooit meer teruggezien. Misschien is dat ook niet zo erg. Mijn ouders hebben me niet met applaus onthaald. Ik besefte toen niet dat er bij ons thuis zo weinig geld was. Mijn vader was een karig betaalde boswachter, officieel een Technisch Beambte van Waters en Bossen, een staatsambtenaar. Mijn moeder was huisvrouw, ze had de handen vol met een gezin van vijf kinderen. Als middelste van vijf
mocht ik als eerste naar de universiteit en ik had het verknoeid. Ik heb mijn ouders zwaar ontgoocheld maar zelf was ik blij met mijn beslissing: ik wist wat ik wilde worden. Anderhalf jaar verloren aan de universiteit maar wel goed rondgekeken en veel geleerd. Nu moest ik me wel bewijzen.

Rupsenplaag te Weelde

 

Eind jaren ’70 hadden we thuis twee draadtelefoons met draaischijf. De ene, gewone telefoon stond beneden in de hal, dicht bij de voordeur. Die stond precies daar omdat je dan kon telefoneren zonder het storend lawaai van de andere huisgenoten. Buren zonder telefoon konden dan bij ons ook telefoneren zonder dat iedereen zat te luisteren. Er stond ook een antieke bakelieten telefoon in wat we de studeerkamer noemden. Het was de enige kamer op de bovenverdieping waar geen bed stond. Je kon er dus studeren. In die kamer stonden ook nog twee oude mechanische schrijfmachines, een antieke Remington met enkele gehandicapte letters en een draagbare schrijfmachine van het merk Scheidegger. Met plastic toetsen in verschillende kleuren. Op die typemachine hadden mijn oudere broers blind leren tikken. Dat kon ik als geen ander omdat ik dat op school had geleerd. 
         Ik had al wel een kantoor maar nog geen werk. Ik ben dan ook als een gek beginnen te solliciteren. Ik stuurde een brief naar alle kranten met de boodschap: ik wil uw correspondent worden in de Kempen! Ik kreeg al snel reactie. Jan Decorte, redacteur van Het Laatste Nieuws in Turnhout, belde me op. Of hij eens langs mocht komen. Hij heeft me uitgelegd hoe het correspondentschap precies in elkaar stak en wat ik zou kunnen verdienen. In die tijd was die job een bijbaantje voor onderwijzers of andere mensen met veel tijd. Ik maakte Jan meteen duidelijk dat ik werkloos was en dus een zee van tijd had. Ik wilde ooit fulltime journalist worden. ’s Avonds nam hij me mee naar de gemeenteraad van Ravels, een fusie van de deelgemeenten Ravels, Weelde en Poppel. Het gemeentehuis in Weelde was bij ons om de hoek. Jan legde me uit dat aan de tafel achteraan in het midden burgemeester Frans Tanghe (1916-2002) zat, met links en rechts naast hem het schepencollege. Vooraan links zaten de andere raadsleden van de meerderheid en vooraan rechts zaten er enkele raadsleden van de oppositie. Eigenlijk kwam het erop neer dat ik een verslag moest schrijven van wat in de gemeenteraad werd gezegd en besloten. Voor
de rest moest ik het verenigingsleven volgen en te weten komen wat er nog allemaal gebeurde in enkele gemeenten in de Noorderkempen. Hoe ik dat moest doen, zou zichzelf wel uitwijzen. Ik had werkelijk geen idee.
         Op 12 juni 1978 stond mijn eerste stukje in de krant. In Het Laatste Nieuws Editie Kempen, bladzijde 27 rechts onderaan: Rupsenplaag te Weelde. Ik heb het uiteraard uitgeknipt en goed bewaard, fier als een gieter. Maar ik begreep niet waarom ze van in Weelde, te Weelde hadden gemaakt, dat vond ik raar. Het moest altijd te zijn in Het Laatste Nieuws. Terwijl ik altijd zei en schreef: ik ben geboren in Turnhout, niet te Turnhout. Zo stijf. Het werkte toen op mijn zenuwen, nu nog altijd. Te Parijs, ga weg, in Parijs. Ik weet ook dat er enkele zinnen uit mijn artikel waren geschrapt en dat viel ferm tegen. Ik heb daarover toen nog gebeld met eindredacteur Ronald Cop op de gewestelijke redactie van Het Laatste Nieuws in Antwerpen. Samen met de andere
eindredacteur Roger Van Houtte (1951-2011) heeft Ronald Cop veel geduld met me gehad. Het maakte uiteindelijk niets uit, ik was vertrokken.

Winkeltje

 

Mijn eerste artikelen stonden nog maar goed en wel in de liberale krant Het Laatste Nieuws of ik kreeg al telefoon van andere kranten. Toen ik voor enkele artikelen mijn eerste rekening naar de socialistische De Volksgazet stuurde, is de krant prompt failliet verklaard. Ik was amper een maand bezig en ik was meteen een klant kwijt. Gelukkig had de katholieke krant Het Nieuwsblad ondertussen ook mijn sollicitatiebrief gelezen. Of ik correspondent wilde worden? Er was maar één voorwaarde, ik moest exclusief voor Het Nieuwsblad werken, dus Het Laatste Nieuws laten vallen. Dat was geen enkel probleem. Bij Het
Laatste Nieuws ondertekende ik mijn artikelen met Rd. Die medewerker is toen in zeer verdachte omstandigheden spoorloos verdwenen en er dook plotseling een nieuwe op, Jw. De krant wees die kenletters toe, ze betekenden overigens niets. Jw, jongen uit Weelde, heb ik altijd gedacht. Ik kon meteen beginnen bij Het Nieuwsblad. Liberalen, socialisten, katholieken, ik had er allemaal geen probleem mee. Ik moest geld verdienen. En dat was niet zo simpel. 
         Omdat ik gestopt was met studeren, kon ik mij opgeven als werkzoekende. Eind jaren ’70 was er een gigantische werkloosheid in Vlaanderen en in het arrondissement Turnhout in het bijzonder. Vooral vrouwen, jongeren en ongeschoolden vonden moeilijk of geen werk. Dat ik met de tarieven van de kranten niet kon overleven, werd me snel duidelijk.
         Ik trok toen naar alle interimkantoren in Turnhout met de boodschap: ‘Ik doe elke job die iets te maken heeft met de perswereld, met uitgeverijen, drukkerijen of met boeken. Bel en ik doe het’.
         Ik zag me al boeken verkopen, of nog beter, encyclopedieën, dat was toen in. Een dag later kreeg ik al telefoon. Of ik me kon aanmelden bij een magazijn van de Standaard Uitgeverij in Turnhout. Het was goed betaald en de job zou maar enkele weken duren. Elke dag, samen met de magazijnier, acht ton papier in een container gooien. Het was beulenwerk, maar plezant. Tussen al dat oud papier, allerhande magazines en niet verkochte boeken, zaten ook kranten uit de jaren ‘30. Ik heb ze gretig gelezen tijdens de pauzes. Ik geniet nu nog als ik eraan denk.

 

Eind jaren ’70 kreeg je van de overheid gemakkelijk werklozensteun. In die tijd werd die steun procentueel berekend op je laatste werk. Toevallig was die tijdelijke job in het magazijn van de Standaard Uitgeverij heel goed betaald en dus kreeg ik ook veel stempelgeld, 17.000 Belgische frank (€ 421,00), een fortuin vond ik dat destijds. Niet omdat ik het thuis netjes moest afgeven. Om die steun te kunnen krijgen, moest je wel elke dag doppen, een stempel gaan halen. Ik moest mijn dopkaart laten afstempelen in het gemeentehuis vlakbij. Mensonterend vond ik dat, ik schaamde me diep omdat de ambtenaren van het gemeentehuis, die mij allemaal kenden, goed konden zien dat ik ook een dopper was. Ik heb gelukkig maar drie maanden gedopt, zeer treurige maanden voor een jongen van 21.
         De vaste redacteur van Het Nieuwsblad in Turnhout, José Heerman (1913-1994) ging in 1978 met pensioen en zo viel de rechtbankverslaggeving zomaar in mijn schoot. Ik had nog nooit van mijn leven een rechtbank van binnen gezien maar het schrikte me niet af. 
         Eerst moest ik voor alle zekerheid op de redactie van Het Nieuwsblad in Antwerpen een dag meedraaien. Op eigen kosten, geld kwam niet eens ter sprake, het was een proef. Redactiechef Luk Van Gastel gaf me drie artikels uit andere kranten over hetzelfde onderwerp. Daar moest ik een samenvatting van maken. Dat was niet zo moeilijk maar ik vond het wel vreemd dat ik een artikel moest maken op basis van andere kranten.
         ‘Het is maar een oefening,’ kreeg ik te horen.
         Mijn samenvatting is verschenen in Het Nieuwsblad. Naamloos.
         Gelukkig kon ik van die dag gebruik maken om mijn collega’s van  de Antwerpse redactie beter te leren kennen. En daar liepen kleppers tussen als Dirk Martens, nu een verdienstelijk schilder, Paul Staes, die mee aan de wieg stond van de groene beweging, Jan Monballiu (1951-2020) die ik later zou tegenkomen bij VTM Nieuws, redactiesecretaris Piet Verschueren en mijn eindredacteuren Paul De Clercq en Guy Van Bruyssel.

Primeur

 

De rechtbank dus. Met knikkende knieën probeerde ik in het Kasteel van de Hertogen van Brabant in Turnhout de weg te vinden naar de rechtszaal. Aan de deur van de zaal stond een bode met papieren die vroeg wat ik daar kwam doen. Hij dacht dat ik voor de rechtbank moest verschijnen. Ik gaf mijn confraters van de andere kranten een sen de rechter, het openbaar ministerie en de griffier onderling en tussen de rechter en de verdachten waren niet of nauwelijks te verstaan. Geluidsversterking was er niet. Je moest je oren strekken om wat flarden van zinnen op te vangen. Ik heb er toen van onthouden dat er een discussie was over het feit of een roulette nu een kansspel was of een behendigheidsspel. Rond de middag was de zitting afgelopen. Ik had niets gehoord over een vonnis of een nieuwe datum. Mijn vriendelijke confraters maakten me duidelijk dat het een korte zitting was en dat ze vroeg konden gaan eten. Ik sprong op mijn fiets en reed naar huis.
         De volgende ochtend zag ik al heel vroeg zo wit als een lijk. Alle andere kranten hadden in het groot op de voorpagina een foto van een rechter die aan een roulette draaide in een Chinees restaurant in Poppel. Ik was nog maar net bekomen van mijn misser of ik kreeg een brullende redactiesecretaris Piet Verschueren aan de lijn. Hij schold me uit voor het vuil van de straat. Of ik had zitten slapen op de rechtbank? Waarom ik de krant niet had gebeld? Of ik dacht dat zoiets nog eens ging gebeuren? Ik had geen verweer, ik kon mij alleen maar troosten met de gedachte dat ik op tijd was opgestaan om de kranten van de concurrenten te lezen.
         Later werd me duidelijk dat mijn vriendelijke confraters me het bos hadden ingestuurd. Op het einde van de zitting was aangekondigd dat ze werd geschorst om een plaatsbezoek mogelijk te maken. De rechtbank wilde zelf met de roulette spelen om uit te maken of die roulette een kans- of een behendigheidsspel was, juridisch een verschil want kansspelen zijn verboden behalve wanneer ze zijn toegestaan, in een erkend casino bijvoorbeeld. De confraters hadden die nieuwe van Het Nieuwsblad goed liggen.

 

Een paar dagen later was ik op een receptie bij de gerechtelijke politie. Daar vertelde een inspecteur dat de gerechtelijke een belangrijke btw-carrousel had blootgelegd in Rijkevorsel, een zaak van 12.000.000 Belgische frank (bijna € 300.000,-). Hij wilde de affaire in de krant, meer bepaald in Het Nieuwsblad. Omdat hij thuis Het Nieuwsblad had en omdat hij de rijkswacht een peer wilde stoven. De gerechtelijke politie en de rijkswacht vochten tot aan de politiehervorming een bitse concurrentiestrijd uit. Hij wilde het ook in Het Nieuwsblad omdat hij had gezien dat ik die gokkende rechter had gemist. Een dag later belde ik met redactiesecretaris Piet Verschueren met de vraag of hij op pagina één plaats kon houden voor een dikke primeur over een
btw-zwendel. Dat kon hij.
         Toen ik een dag later met een brede glimlach in de rechtbank verscheen, staken mijn confraters hun hand uit met de woorden: ‘Welkom in de club’.

 

De leerschool was hard, meestal sportief.
         Omdat ik in de rechtbank nogal wat Nederlandse grensbewoners met een gevangenisstraf naar huis zag gaan, belde ik met de Brabant Pers in Tilburg.
         Of ze belangstelling hadden voor Nederlanders die in de Belgische grensstreek woonden? Jazeker. Onderwerpen met een Nederlands kantje of een Nederlandse invalshoek, een ongeval met een Nederlands slachtoffer uit Noord-Brabant, een Nederlandse geitenmelkboer in Wuustwezel, ik kon ze kwijt in Het Nieuwsblad van het Zuiden.
         Eind jaren ’70, begin jaren ’80 werkte ik zes en een halve dag per week. Op zaterdagmiddag ging ik voetballen met mijn fijne maten van F.C. De Toekomst, een veelbelovende cafévoetbalploeg in mijn geboortedorp Weelde. Achteraf dronken we een pint. Q7 op de jukebox was Make me smile van Steve Harley & Cockney Rebel.
         Ondertussen groeide mijn schrijfwinkeltje. In elke gemeenteraad zaten minstens drie onderwerpen die ik telkens voor drie kranten uitwerkte. Het begon op te tellen. Ik produceerde heel veel in de regionale reclamebladen Koerier, De Kempenaer en Turnhout Ekspres, waar schrijver Walter van den Broeck hoofdredacteur was. Ik had nog iets plezants gevonden in mijn eigen stad Turnhout: Kick, maandblad over volksmuziek, chanson, kabaret en folk. Kabaret met een k toen. Ik had fijne gesprekken met onder meer Drs. P (1919-2015), Zjef Vanuytsel (1945-2015) en Armand (1946-2015).
         Op Radio 2 Omroep Antwerpen hoorde ik allerlei regionale berichten en nieuws van rechtbanken in Antwerpen en Mechelen. Van de rechtbank in Turnhout hoorde ik nooit wat. Omdat ik dat niet begreep, belde ik de radio om mijn diensten aan te bieden. Ik kreeg al snel producer Bob De Groof (1945-2013) aan de lijn. Een bijzonder aardige, hartelijke man die mijn voorstel meteen zag zitten. Voortaan kon ik mijn rechtbankberichten twee keer verkopen, drie keer als er een Nederlandse grensbewoner bij betrokken was.
         Ik liep op een fuif de bekende radio-dj Peter Van Dam (1952-2018) tegen het lijf. Peter was een Vlaming die accentloos Hollands kon babbelen. Hij was heel goed in zijn vak. Hij had me al eens gehoord op Radio 2 en hij vroeg of we iets voor elkaar konden betekenen. Misschien had ik een klus voor hem bij de BRT-radio, misschien had hij iets voor mij. In die tijd presenteerde hij bij de KRO het razend populaire ochtendprogramma Manneke Pop op Hilversum 3. Hij zocht iemand om één keer in de week een plezant of interessant Belgisch verhaal te vertellen. Die had ik genoeg. Een voetbalinterland België-Holland, de rakettenbetogingen in Brussel, politieke verwikkelingen. Ik kon de verhalen vertellen via de vaste telefoonlijn of ik kon langskomen. Wilde ik ’s morgens om zeven uur in Hilversum zijn, moest ik, om ziekelijke files te vermijden, een gat in de nacht in Turnhout vertrekken. Ik weet nog hoe ik doodzenuwachtig met landkaarten op mijn stuur naar Hilversum ben gereden. Uiteraard was ik daar veel te vroeg. Ik ben altijd overal op tijd. Al mijn hele leven. Zo heb ik ooit al veel tijd verloren door op tijd te komen. 

 

Tussendoor had ik me gemeld bij het weekblad Panorama. Of ze nog iemand konden gebruiken om reportages te schrijven?
         ‘Wij kunnen altijd goede mensen gebruiken,’ was het antwoord van hoofdredacteur Karel Anthierens, ‘maar ze moeten zich wel bewijzen.’
         Ik trok kriskras door Vlaanderen.

 

De Reisduif, een verstandig gekozen naam voor het internationale weekblad voor de duivenliefhebber, zocht iemand om elke zondagochtend in een duivenlokaal een verhaal op te schrijven. Een wereld vloog voor me open. Ik leerde op weduwschap spelen.


Meer leesfragmenten


«   »