Leesfragment: Het mollenfeest - Dominique Biebau

In december verschijnt een nieuwe thriller van Dominique Biebau, die met Russisch voor beginners de Gouden Strop won. Het mollenfeest is een  ijzingwekkend verhaal over geheimen en schaduwen die tussen mensen en bomen hangen. Lees hier alvast een fragment uit deze literaire thriller.

Het mollenfeest
Dominique Biebau

ISBN: 9789464340655
Prijs: €21,99

 

Verschijnt begin december 2021


DEEL 1
Maeckt u ghereet

 

Toren – winter 2018

 

Ze rijdt te snel. Normaal doet ze dat nooit. Zo is ze niet. Nooit geweest. Altijd stipt met haar belastingen, nooit restafval bij haar PMD, geen kapsones. Degelijk als een Volvo. Saai als een Saab.
         De koplampen van haar auto glijden over het landschap. Ze doen bomen, velden, huizen en hagen kortstondig oplichten.
Na haar passage hervalt de wereld in duisternis. Eenmaal moet ze remmen als een hert, een mannetje met een imposant gewei, de weg blokkeert. Het dier, verblind door haar grootlichten, blijft staan, steekt de kop omhoog en verdwijnt daarna met haastige sprongen het bos in. Ze vloekt. Ze heeft geen tijd voor David Attenborough-toestanden.
         ‘Waar ben je?’ kraakt de stem uit de speaker van haar telefoon. Ze heeft het toestel op de passagiersstoel gelegd. Er zit
storing op de lijn, alsof het signaal van ver weg komt. 
         ‘Doe hem geen kwaad. Alsjeblieft.’ Er klinkt paniek in haar stem. Ze had zich eigenlijk voorgenomen kalm te blijven. Ze gunt haar belager het plezier niet haar bang te zien.
         ‘Waar ben je?’ herhaalt de stem ongeduldig.
         ‘Nog een kilometer.’
         ‘Laat me de omgeving zien.’
         Met één hand op het stuur neemt ze de telefoon en duwt hem omhoog tegen de voorruit.
         ‘Ik zie niets,’ kraakt de stem. ‘O wee… als je me belazert. Je weet waar ik sta.’
         Dat weet ze. Waar. Bij wie.
         Het is koud. Ze rilt in haar dunne jurkje. Amper tien minuten geleden zat ze thuis, in een net iets te warme woonkamer
televisie te kijken – een of andere feelgoodmovie waarvan ze de titel allang vergeten is. Eén glas wijn heeft ze gedronken, meer niet. Toch voelt ze hoe de drank als een te zware deken op haar gedachten drukt.
         Hoe kon ze zich zo vergist hebben? Hoe kon ze zo… dom geweest zijn? Ze klopt van pure frustratie op het stuur. ‘Domme gans,’ zegt ze tegen haar reflectie in de voorruit. ‘Domme, naïeve gans.’ Het geeft haar een bittere voldoening.

 

Ze had haar telefoon nooit mogen opnemen. ‘Donkere uren brengen donker nieuws,’ zei haar moeder altijd, een levenswijsheid
waarvan de volle betekenis nu pas tot haar doordringt. 
         Ze had op het punt gestaan haar bed op te zoeken toen haar telefoon rinkelde. Een video-oproep van een privénummer.
Eerst wilde ze de onbekende beller negeren. Toen bedacht ze zich. Een mens weet immers nooit wat voor noodgeval er zich op een winteravond kan voordoen.
         Een schim, het gezicht verborgen onder een kap, keek haar aan vanaf het gebarsten schermpje van haar oude Samsung.
Een grap, dacht ze, dit moet een grap zijn. Ze wilde net neerleggen toen de camera een kwartslag draaide. Toen had ze het mes gezien. Toen had ze hém gezien.
         ‘Doe wat ik zeg.’

 

Voor haar doemt het silhouet op van haar eindbestemming. Ze parkeert haar auto aan de rand van het bos.
         ‘Moet dit echt?’
         De ander ontwijkt de vraag.
         ‘Neem je telefoon. Zorg dat je in beeld blijft. Een seconde uit beeld en…’ Een snijdende beweging.
         Haar hersenen draaien overuren. Ze doorloopt alle mogelijke scenario’s en verwerpt ze een voor een. Ze staat schaakmat.
         Ze legt haar hand op haar bovenbeen en voelt de pijn. Het herinnert haar aan hoe dit allemaal begon. Met houterige
bewegingen stapt ze uit en strompelt ze als een dronkenlap tussen de bomen. Wortels haken zich om haar enkels, takken
zwiepen in haar gezicht.
         ‘In elk bos woont iets dat ons het wandelen benijdt.’ De zin, uit een of ander oud gedicht, bonkt als een mantra door
haar hoofd. Dan ziet ze de watertoren die met zijn glanzende kop boven de kale bomen uitsteekt.

 

‘Waarom laat je je gezicht niet zien? Ik wéét dat jij het bent.’ Dat denkt ze toch. ‘Ja, toch?’ Dan noemt ze een naam.
         ‘Wie ik ben maakt niet uit. Wáár ik ben, dat is belangrijk. Location, location, location.’ Een klokkend geluid als een flesje
dat wordt leeggegoten. Haar belager lacht. 
         ‘Doe hem niks,’ prevelt ze. ‘Alsjeblieft. Hij heeft al genoeg afgezien, door mijn schuld. Doe hem niks. Het is mijn schuld.
Ik…’
         Ze stopt even. Tussen de bomen beweegt een schaduw. ‘Is daar iemand?’ Haar stem klinkt schril. Geen antwoord. Haar
verbeelding speelt haar parten.


De trap is steil en kronkelt als een tentakel om de watertoren heen. De wind snijdt door haar jurkje. Bovenaan is er een klein
platform dat voor de onderhoudstechnici bedoeld is. Ze houdt zich krampachtig aan de reling vast. Ze beseft hoe absurd dat
wel niet is. Vallen is haar doel.

 

Het is een rustige nacht. Zelfs nu merkt ze de schoonheid op van het landschap dat zich onder haar ontvouwt. De duisternis
die als zwarte zijde over het woud en de velden ligt. Licht dat uit verre ramen lekt. In de verte, tegen de horizon gekleefd, de huizen en kamers waarin haar leven zich heeft afgespeeld. De kerk, oplichtend als een toorts.
         In de verte raast de autosnelweg als een kolkende rivier. Dit stukje aarde is haar thuis. Hier heeft ze geleefd.

 

Ze neemt haar smartphone en richt die op haar gezicht, alsof ze een selfie neemt.
         ‘Zo goed?’ vraagt ze.
         ‘Naar de rand.’
         ‘Je doet hem niks. Beloofd?’
         ‘Waarom zou ik? Hij heeft me niks misdaan. Hij niet.’
         Het mes schiet vooruit, zodat het lemmet even het hele beeld vult.
         ‘Ik tel tot vijf.’
         Ze zet een stap vooruit. Het landschap lijkt met haar mee te bewegen. Een avondbries, loom als een kat, blaast haar haren alle kanten op. Ze duizelt en denkt aan het kind dat ze ooit was. De herinnering maakt haar opstandig.
         ‘Moet dit echt?’
         Er komt geen antwoord.
         ‘Het is niet eerlijk.’
         ‘Wat is dat wel?’
         Ze kijkt recht naar beneden. De duisternis is een bodemloos gat.
         ‘Komt er nog wat van?’ krast het uit de speaker. Het mes flikkert opnieuw in beeld.
         ‘Laat me ten minste je gezicht zien.’
         ‘Spring.’
         Nu pas dringt tot haar door hoe hoog ze staat.
         Ze balanceert op de rand van het uitkijkplatform, als een meeuw op een te dunne tak. Ze spert haar mond open alsof ze iets wil roepen. Dan beseft ze dat er niemand in de buurt is om haar te horen. Ze kantelt de duisternis in.
         Breekt alles.


Brise-Tout – najaar 1986

 

Ze waren met z’n vieren. Vier nichten die in dezelfde hete zomer van ’76 geboren waren en daardoor tot elkaars lief en leed waren veroordeeld. De meisjes speelden in de kleine boerderij van hun grootouders, in de schaduw van het bos. Hun moeders, sterke vrouwen met gegroefde gezichten, waren hier opgegroeid.

 

‘Brise-Tout’ heette de hoeve. Hun opa had de naam op een oude kaart gevonden en was direct verliefd geworden.
         ‘Het is een naam die klinkt als een kus,’ zei hij als mensen hem ernaar vroegen – wat ze zelden deden. Opa stond bekend
om zijn wijdlopige verhalen.
         De boerderij lag tussen twee uitlopers van het bos ingeklemd. Oude eiken en beuken omsingelden het tuintje dat opa eigenhandig gerooid had, hun takken in de lucht gestoken alsof ze de goden smeekten hun gevallen vrienden te wreken.

 

De nichten leken op elkaar, als waren ze door dezelfde oude meester gebeeldhouwd, een kunstenaar die halfweg het kappen
moe geworden was en de details aan zijn leerlingen had uitbesteed. Wie hen van dichtbij bekeek, zag dat hun gezichten slechts variaties waren op hetzelfde ontwerp. Alle vier hadden ze immers hetzelfde fijne gezicht, met dezelfde donkere ogen, in diepe kassen verscholen, die hun eigenaressen een melancholische, soms gevaarlijke, aanblik gaven.
         Griet was de oudste. Lang en mager, altijd met een plechtige blik in haar ogen, was ze de leidster van de groep. Anna, twee weken jonger en zo nuchter als de directrice van een nonnenschool, was haar adjudant. Dan kwam Carla, geboren op de dag dat Lucien Van Impe de Tour de France won, kwetterend als een straatmus, vol kattenkwaad. Isabelle vervolledigde het kwartet, stil als een schaduw, zo onopvallend dat iedereen haar vergat.

 

Ze speelden altijd samen. Meestal deden ze dat binnen. Het bos rond het huis was immers verboden terrein. ‘Mollendaal’ heette het, een andere oude naam die op een kaart gevonden was. Naast het bos lag het gelijknamige dorpje, een gehucht van enkele straten groot.
         Opa beweerde dat hij op een van zijn wandelingen ooit de Mollenkoning, de oude heerser van het bos, was tegengekomen.
‘Hij draagt een mantel van mollenvel en een kroon van witte berkentwijgen,’ vertelde hij de nichtjes. ‘Je kunt hem nooit zien, alleen als een schaduw in een hoekje van je gezichtsveld. Hij besluipt kleine kinderen en neemt hen mee naar zijn ondergrondse rijk.’ Dan trok opa een gekke bek en lachte zijn valse tanden bloot – tot zijn vrolijke gehinnik in hoesten overging en oma zei dat het genoeg was geweest.
         Opa had als vrijwilliger in Korea gevochten. Het was pas sinds zijn terugkeer van de oorlog dat hij in de Mollenkoning
geloofde. Dat hij soms vreemd deed. 
         Oma geloofde niet in de Mollenkoning. Zij hield van het bos. Elke ochtend, wanneer de nevel als een groot wit dier tussen de bomen sloop, trok ze eropuit om paddenstoelen te verzamelen: oesterzwammen, morieljes, doodstrompetten en
cantharellen die ze aan enkele restaurants uit het Leuvense verkocht. Het geld dat ze daarmee verdiende vond tijdens familiefeesten zijn weg naar de spaarpotten van de kleinkinderen.
         De boerderij zelf was niet zo groot, maar in de herinneringen van de nichten was het een waar paleis, een eldorado waar
ze als conquistadores over heersten. 


***

 

Het was Allerzielen. Op de gelijkvloerse verdieping zaten de volwassenen in het salon – de mannen aan de cognac, de vrouwen
aan de cointreau. Straks zouden er wafels zijn, die oma stomend uit haar gietijzeren wafelijzer zou toveren, maar de uren daarvoor liepen de werelden van volwassenen en kinderen uit elkaar. Beide groepen genoten van de aldus herwonnen vrijheid.
         De nichtjes speelden in de oude kamers waarin hun ouders opgegroeid waren, gooiden met kussens verzadigd van tranen
om eerste liefdes en laatste vakantiedagen. Ze droegen kleren die hen decennia later in lachen zouden doen uitbarsten (na
enkele glazen cava, grasduinend in fotoalbums, een haardvuur op de achtergrond).
         De kledingkast in de grootouderlijke slaapkamer bevatte ware schatten, ook al moest je er de verschaalde geur van
oudemensenlijven bij nemen om eraan te raken. Zo was er oma’s trouwjurk, die – hoewel hij in niets leek op de frivole creaties die voorkwamen in Amerikaanse reeksen als Dynasty of Dallas – de nichtelijke fantasie wist te prikkelen.
         Daarnaast, op de bovenste plank, lag opa’s hoge hoed. In tegenstelling tot het trouwkleed verliet die wel nog regelmatig
de kast om bij speciale gelegenheden het hoofd van zijn eigenaar te sieren. De nichten droegen de hoed zo mogelijk nog liever dan het trouwkleed. Het gewicht van het hoofddeksel voelde goed, als een hand die geruststellend op je schedel rustte.
         Die middag in november droegen ze de hoed om de beurt. Even ontstond er ruzie toen Griet hem niet langer wilde delen.
Carla griste de hoed uit haar handen en sprong ermee op bed. 
         ‘Straks maak je hem kapot!’ riep Anna. Carla liet de hoed op de grond vallen.
         ‘Je bent al net zo saai als Isabelle,’ pruilde ze. De nichten lachten. Isabelle was inderdaad saai.

 

Isabelle was net daarvoor naar beneden gegaan. Ze had buikpijn en lag dramatisch ziek te wezen op de sofa in de eetkamer.
De andere nichten installeerden zich op de overloop en speelden een zelfverzonnen kaartspel, met regels die even vloeibaar
waren als het wafelbeslag dat in een kookpot naast de kachel stond te rijzen.
         Toen sloeg de meest gevreesde van alle kinderlijke vijanden toe. Verveling. Minutenlang zaten ze elkaar aan te kijken, in een cirkel gezeten, in stilte wachtend op een nieuwe inval die de lusteloosheid tijdelijk zou verjagen. Uiteindelijk zorgde Griet voor wat broodnodige actie.
         ‘Ik heb postzegels nodig,’ zei ze plotseling.
         ‘Postzegels?’ vroeg Carla. ‘Ga je een brief schrijven of zo?’
         Griet gaf haar een vernietigende blik.
         ‘Voor op Jeroens graf,’ verduidelijkte ze.
         Griets broertje hield van postzegels. De kleurrijke prentjes hadden hem mateloos gefascineerd. Griet kleefde ze op zijn
rolstoel en soms – als niemand keek – op zijn voorhoofd. In haar herinnering had hij dat grappig gevonden. Sinds zijn dood legde Griet zegels op zijn grafzerk. Op de een of andere manier leek haar dat gepast. De kleurrijke papiertjes doorbraken de granieten grijsheid van het kerkhof.
         Toen hij nog leefde had ze meerdere keren geprobeerd om haar broertje te leren praten. Dan herhaalde ze hetzelfde woord wel twintig keer, tot Jeroen haar aankeek en haar een brede, onwetende glimlach schonk.
         Jeroen was amper zes jaar geworden, na een kort leven dat hij voor de helft in het ziekenhuis doorgebracht had. ‘Jeroentje
kijkt van boven op ons neer,’ zei haar moeder altijd. ‘Doe dus maar je best.’ Griet wist niet of ze dat moest geloven, maar
nam het zekere voor het onzekere. Ze deed altijd haar best.
         Straks, na de wafels, zouden ze zijn graf bezoeken.

 

‘Hebben jullie toevallig postzegels?’ Griet keek haar nichten een voor een aan. Carla trok een bedenkelijk gezicht.
         ‘Wat heeft Jeroen nu aan postzegels? Hij is toch dood.’ Griet kromp ineen alsof iemand haar in de maag gestompt had. Anna schraapte haar keel.
         ‘In opa’s werkkamer liggen vast massa’s oude brieven,’ opperde ze. Het was eruit voor ze er erg in had. Griet stond op.
         ‘Ik ga eens kijken.’ Haar nichtjes reageerden geschokt.
         Opa’s werkkamer was verboden terrein, het donkere hart van hun fantasiewereld. Daar binnendringen voelde als heiligschennis. Bovendien was de deur op slot en was er geen sleutel te zien, praktische bezwaren die Griet wegwuifde.
         ‘Daar weet ik wel wat op.’ Ze tilde een van de bloempotten op die een deel van oma’s ruime cactuscollectie bevatte. Daaronder lag een kleine, roestige sleutel die ze tussen haar vingers nam en, voorzichtig als een chirurg, in het slot stak. De deur ging geruisloos open.
         De nichtjes zetten zich schrap. Elk moment verwachtten ze een dreigend gegrom of tot de tanden gewapende Indianen
die plotseling tevoorschijn zouden springen. 
         ‘Kom,’ zei Griet en wenkte Anna en Carla. ‘Wie durft?’ Het klonk als een uitdaging. Niemand verroerde een vin. Griet stond al met een been in de kamer. Met een glimlachje stelde ze de lafhartigheid van haar toehoorders vast. Ze draaide zich om en stapte de kamer binnen. Toen sloot ze de deur.
         De seconden stolden als koud kaarsvet. Anna en Carla stonden aan de grond genageld. Elk ogenblik verwachtten ze een ijselijke gil of een ander onheilspellend geluid. Zo bleven ze minutenlang staan. Toen elk onheil uitbleef, waagde Carla zich naar voren. Ze stak haar hand uit naar de klink.
         Net op dat ogenblik zwaaide de deur weer open. Griet stapte naar buiten, haar gezicht wit als oma’s trouwjurk.
         Nog voor een van de andere kinderen naar binnen kon kijken, trok ze de deur vlug achter zich dicht en draaide de sleutel in het slot.
         ‘Wat heb je gezien?’ vroeg Anna.
         ‘Niets,’ zei Griet. ‘Alles is er oud en kapot.’
         Op dat ogenblik verscheen tante Germaine, Carla’s moeder, aan de voet van de trap en kondigde ze de wafels aan. Carla en Anna stormden naar beneden. Alleen Griet bleef boven achter.

 

De weken daarop ging Griet niet naar school. Haar stoel bij het raam, naast die van Carla, bleef leeg.
         ‘Ze is ziek,’ beweerden haar ouders, ook al bleven ze uiterst vaag over welke aandoening hun dochter ineens getroffen had.
De nichtjes wisten wel beter. Wat er ook in opa’s kamer verborgen lag, het had Griet ziek gemaakt.
         Dat hun ouders hen sindsdien verboden nog op de bovenverdieping van Brise-Tout te spelen, versterkte hun vermoedens.
         Toen Griet zich uiteindelijk weer bij de nichtenbende aansloot, was ze onomstotelijk veranderd. Ze was stiller geworden,
met een zorgelijke trek die zich blijvend om haar mond genesteld had en ogen die altijd elders stonden.

 

Later kwamen er nog veel familiefeesten, etentjes en gezamenlijke uitstapjes, maar hoezeer de nichten ook aandrongen, hoe hard ze Griet ook met vragen belaagden... Nooit praatte ze over wat ze die dag in opa’s kamer had gezien.

 

Tot het te laat was.


Tumulus – zomer 1993

 

De heksenkring was een halve grap. Ze waren zestien en ze verveelden zich. Carla had ergens een artikel gelezen over wicca, moderne hekserij. Iets over je eigen oerkracht ontdekken en het patriarchaat neerhalen. Als kind was ze mollig geweest, maar sinds haar ouders haar op dikkerdjeskamp gestuurd hadden, was ze een stuk assertiever geworden. Zij was de onbetwiste leider van de groep.
         Ook de andere nichten waren veranderd, elk balancerend op het snijvlak tussen kindertijd en volwassenheid. Griet was door de jaren heen nog stiller geworden dan ze als kind al was, met een melancholische oogopslag die haar gezicht alleen verliet als ze sliep. Anna daarentegen had zich tijdens haar puberteit een laconiek cynisme aangemeten, een houding die haar voorbestemde voor een carrière als wetenschapster of boekhoudster. Isabelle, ten slotte, was het minst veranderd. Zij was nog steeds de grijze muis die door de anderen vaak vergeten werd.
         Ondanks hun verschillende temperamenten waren ze even onafscheidelijk als in hun kindertijd. Ze zaten op dezelfde
school, spendeerden hun zakgeld in dezelfde winkels en zongen mee met dezelfde bedenkelijke Knuffelrocksongs. Niets leek ooit tussen hen in te kunnen komen.


***


De examens waren net voorbij en de avonden rolden als lome katers over de Mollendaalse velden. De omstandigheden waren, kortom, ideaal voor een braspartij. Met hun vieren bezatten de nichten zich in De Zwarte Maagd, de bruine kroeg in het hart van Mollendaal. Daarna strompelden ze onder een volle maan door de velden naar het bos. De drank had hen luidruchtig gemaakt.
         Ze zongen de hele buurt bij elkaar. Een oude man met een kleine foxterriër aan de leiband sprak hen aan. Of ze het niet wat stiller konden houden? 
         ‘Oude zak!’ riep Carla hem toe. ‘Weg met de onderdrukking van de vrouw!’ De anderen volgden haar voorbeeld. Zelfs Griet liet zich niet onbetuigd.
         ‘Lul!’ brulde ze, ongetwijfeld de eerste keer dat ze het woord gebruikte. Ook Isabelle leverde een bijdrage in de vorm van een opgestoken middelvinger. De man keek hen verbouwereerd aan.
         ‘Heksen,’ mompelde hij, voor hij snel in een zijstraat verdween.

 

Heksen. Het woord bleef als een vloek tussen hen in hangen. Ze zagen er inderdaad afschrikwekkend uit. In die tijd hadden ze alle vier krullend, lang haar dat ze los over hun schouders droegen. Het maanlicht dompelde hun ogen in diepe schaduwen. ‘De man heeft gelijk. We zijn heksen,’ stelde Carla vast.
         Enkele straten verder kwamen ze Babette tegen, een meisje uit Isabelles klas. Ze was opvallend klein voor haar leeftijd, met een gezicht als een spitsmuis.
         ‘Mag ik meedoen?’ vroeg ze gretig. Carla schudde haar hoofd.
         ‘We babysitten niet op broekschijters,’ zei ze, waarna het meisje zichtbaar ontgoocheld afdroop.
         ‘Kleine bemoeial,’ lalde Carla haar achterna.
         ‘Je moet niet zo hard voor haar zijn,’ fluisterde Isabelle. ‘Ze kan er ook niets aan doen.’
         ‘Waaraan? Dat ze dom en lelijk is? Kom,’ zei Carla. ‘Naar de tumulus.’

 

De nichten wisten wat ze bedoelde. De tumulus was een Romeinse grafheuvel die zich in het midden van het Mollendaalbos
bevond. Echt indrukwekkend was hij niet: de heuvel was amper een meter hoog en bedekt met een dikke laag mos. Voor de nichten had hij echter een speciale betekenis. Opa had er jaren geleden een dode mol gevonden. Tot aan zijn dood, zes jaar geleden, was hij ervan overtuigd geweest dat de Mollenkoning er begraven lag.

 

Na een korte wandeling bereikten ze de rand van het Mollendaalbos. De fysieke inspanning had hen weer nuchter gemaakt. Hun enthousiasme was als ether verdampt en had plaatsgemaakt voor het verlangen naar een warm bed. Alleen Carla was onverzettelijk. Ze trok de anderen mee het bos in.
         De open plek rond de tumulus was volledig in schaduwen gehuld. Het was er opvallend kouder dan in de rest van het bos. De meisjes rilden in hun zomerjurkjes. Carla ritste haar rugzak open en haalde er vijf kaarsen uit, die ze een voor een aanstak en in een vijfhoek in de grond plantte. Daarna ging ze zitten. De anderen volgden haar voorbeeld.

 

Carla keek haar nichten indringend aan.
         ‘Wisten jullie dat deze plek vervloekt is?’
         De anderen schudden het hoofd. Meer aanmoediging had Carla niet nodig.
         ‘Hier is een moord gepleegd.’ Ze rolde dramatisch met haar ogen. ‘En niet zomaar een. Aan het einde van de oorlog heeft
een Duitse officier hier een jongen van amper zestien levend begraven omdat hij spioneerde voor het verzet.’ Ze wees naar de tumulus. ‘Sommigen zeggen dat hij daar ligt.’
         Isabelle mompelde iets onverstaanbaars. Het klonk afkeurend, maar Carla liet zich niet tegenhouden.
         ‘Het is echt waar,’ zei ze. ‘Mijn moeder heeft het verhaal van Babettes oma gehoord. En die zweert dat ze het met haar eigen ogen gezien heeft. Volgens haar duurde het wel twee uur voordat de jongen dood was. “Herr Paulsen!” schreeuwde hij
onophoudelijk. “Bitte, Herr Paulsen!” Het hielp niets. Al die tijd bleef Herr Paulsen mooi naast de kuil staan, de ene sigaret na de andere rokend. Kan je je dat voorstellen? Twee uur staan luisteren naar iemand die langzaam aan het stikken is en geen vinger uitsteken?’ Anna haalde haar schouders op.
         ‘Sommige mensen zijn nu eenmaal monsters,’ zei ze. ‘Vertel mij iets nieuws.’ Carla schudde haar hoofd.
         ‘Dat is te makkelijk. Die Paulsen had waarschijnlijk ook een vrouw, kinderen, een familie... mensen die hij graag mocht, die hem graag mochten. En plotseling... op een dag – niet anders dan andere dagen – staat Paulsen op en begaat hij een gruweldaad. Zomaar. Geen mens weet waarom…’
         ‘Misschien is het iets erfelijks,’ onderbrak Anna haar. ‘Mevrouw Sneyers van biologie zegt dat altijd: “Alles ligt vast in ons DNA. Niemand ontsnapt aan zijn genen.”’ 
         ‘Is dat echt zo? Ik heb het haar nooit horen zeggen,’ zei Carla – nu was het haar beurt om sceptisch te zijn.
         ‘Misschien moet je wat beter opletten bij biologie.’ Griet kuchte.
         ‘Kunnen we het over iets anders hebben?’ Ze had haar armen om haar schouders geslagen in een poging om het wat
warmer te krijgen. Haar gezicht zag bleek. ‘Ik houd niet van griezelverhalen.’ Carla negeerde haar.
         ‘Wat ik wil zeggen is dat… iedereen een moordenaar kan zijn. Iedereen. Jij. Of jij. Of jij.’ Carla keek haar nichten een voor een aan.
         ‘Jij ook dan?’ vroeg Anna triomfantelijk.
         ‘Ik ook,’ gaf Carla toe. ‘Iedereen.’

 

Er viel een stilte, die onderbroken werd door een licht gekraak, alsof iemand enkele takken brak. De meisjes keken geschrokken
op. Even leek het alsof een donker silhouet zich tussen de bomen voortbewoog.
         ‘Het is tijd voor wat ontspanning,’ zei Carla abrupt. Ze haalde een fles whisky tevoorschijn. ‘Gepikt uit de collectie van mijn vader,’ zei ze. Ze draaide de dop van de fles en nam een slok. ‘Echt goor.’ Ze trok een vies gezicht. ‘Maar hé… drank is drank.’ Ze gaf de fles door aan Anna, die hem zonder blikken of blozen aan haar mond zette en enkele flinke slokken nam.
         ‘Stoer!’ riepen de anderen. De nichten gaven de fles door totdat hij leeg was. De whisky brandde in hun mond en maag.
         ‘En nu?’ Griet had het minst gedronken. Ze was duidelijk niet op haar gemak.
         ‘Nu gaan we ons verbond bezegelen.’ Carla moest duidelijk moeite doen om te articuleren.
         ‘Hoe dan?’
         ‘Met geheimen.’
         ‘Geheimen?’
         ‘Ja. Iets wat je nog nooit aan iemand anders hebt verteld.’
         ‘Ik heb ooit in het rozenperkje van de buren geplast,’ giechelde Isabelle.
         ‘Iets serieus,’ berispte Carla haar. ‘Iets wat je normaal nooit aan iemand zou vertellen.’ Ze haalde een pen uit haar rugzak,
samen met een notablokje. ‘Iedereen schrijft een geheim op. Dan steken we die in…’ Ze keek rond en raapte de lege whiskyfles
op. ‘Hierin. Daarna begraven we de fles op een geheime plek.’
         ‘Waarom zouden we zoiets doms doen?’ vroeg Anna.
         ‘Om ervan af te zijn. Het is een soort zuiveringsritueel.’
         ‘Stond dat ook in dat wicca-artikel?’
         ‘Euh… ja.’
         Iedereen kreeg een papiertje waarop ze hun geheim konden schrijven.
         ‘Serieuze geheimen,’ drukte Carla hen op het hart. ‘Geen flauwekul.’ Griet moest het langst nadenken.
         ‘Kun je niet kiezen, misschien?’ merkte Anna op.
         ‘Nee,’ zei Griet. Uiteindelijk haalde ze haar schouders op en schreef enkele regels die ze zorgvuldig afschermde van de
nieuwsgierige blikken van de rest.

 

Nadat iedereen zijn briefje in de fles had gestopt, schroefde Carla die dicht en stak hem hoog in de lucht. Een bundel maanlicht schoot door het bladerdek en deed het glas oplichten. Het was een plechtig moment. Carla schraapte haar keel.
         ‘We begraven onze geheimen hier,’ zei ze. ‘Zodat ze niet langer op ons wegen, zodat ze ons niet langer in hun macht
hebben.’
         Ze nam een van de kaarsen en liet enkele druppels kaarsvet over de flessendop lopen tot die verzegeld was. Daarna wandelde ze naar de tumulus en liet zich op haar knieën zakken. Toen ze aanstalten maakte om te graven hield Isabelle haar
tegen.
         ‘Niet daar,’ zei ze. Er klonk paniek in haar stem. ‘Je weet nooit of de Mollenkoning…’
         ‘Of die jongen van het verzet…’ vulde Griet aan.
         ‘Jullie zijn een stelletje bijgelovige kwezels,’ lachte Carla, maar toen de anderen bleven aandringen, gaf ze toe.
         ‘Wat maakt het ook uit,’ zei ze. Ze kroop enkele meters verder tot bij een zilverberk. Met haar blote handen groef ze een kuil waarin ze de fles met de briefjes plantte. Daarna gooide ze het gat dicht en bedekte alles onder een dikke laag bladeren. Het was de ideale verstopplek. 
         ‘Alleen wie geen geheimen heeft, kan echt vrij zijn,’ besloot ze.
         ‘Amen,’ zeiden de anderen. Ze stonden op en veegden het vuil van hun kleren.
         Zo eindigde de heksenkring. Zo begon de ellende.


Meer leesfragmenten


«