Leesfragment: Een heel dun laagje - Moya De Feyter

Een heel dun laagje is een poëtisch, filosofisch en persoonlijk onderzoek naar licht in al zijn vormen: als natuurlijk verschijnsel, als ritueel kompas, als tegenhanger van duisternis, als icoon van geluk, als deeltje, als golf. Hieronder lees je de eerste hoofdstukken.


Een heel dun laagje
Moya De Feyter

ISBN: 9789464340792
Prijs: €21,99

Waar het licht is, vult het de vlakken, ontvouwt het zijn
zwarten, legt het schaduw op vierkanten, daalt het onder het
vlak: een water misschien dat stil lag.


uit ‘Bezijden’ van Leo Herberghs (Portret van een landschap)


Proloog

Is het een mens, een varken, een aap?
     Vlees of vis?
     Het valt niet te zeggen. Het ongeboren wezentje deelt bijna al zijn genen met de chimpansee, meer dan de helft met het
fruitvliegje en een derde met de narcis. Een derde van wat een bloem tot een bloem maakt, is precies hetzelfde als dat wat een
mens tot een mens maakt.
     Dit is een wereld in een wereld. Een Russische pop van alsmaar kleinere kamers. Hier is het licht dicht en donker. Hier dicteert de hartslag. Hier vind je bloed in overvloed.
     De foetus droomt en tijdens het dromen groeien zijn hersenen. Dat is belangrijk: je hebt een goed geheugen nodig om je iets bij de toekomst te kunnen voorstellen.
     Zintuigen schieten in leven. Er gaat voor het eerst zuurstof door longen. Voor het eerst wordt pijn ervaren. Aan pijn valt niet te ontsnappen: het prille lichaam telt evenveel zenuwverbindingen als er sterren in het universum zijn.
     Wil het iets zeggen? Nu de botten nog zacht zijn, nu het nog geen voeten heeft, nog van niets is weggelopen?


1. Kiem

het vraagstuk

Ik zou kunnen beginnen met de pijn van overgave, welke overgave dan ook, aan wat dan ook. Eerst is er de overgave, dan de pijn, daarna blijven de wrakstukken over en die doen ook pijn, maar toch anders. Ik zou kunnen beginnen met de pijn die gepaard gaat met de overgave aan het licht. Want wie op zoek gaat naar licht, werpt alle bescherming af.

voor eeuwig

Het duurde tot ruim een jaar na haar dood voor ik de moed vond om het graf van mijn grootmoeder te bezoeken. Toen ik
eenmaal op weg was, kreeg ik al snel de indruk dat het graf niet bezocht wilde worden. Ik fietste door een stad waar ik al tien
jaar woon, op weg naar het kerkhof waar ik al tien jaar kom, en toch vond ik het niet. De begraafplaats leek in haar geheel te zijn opgelost. Ik fietste vijf keer in beide richtingen door een straat waarvan ik wist dat die aan het kerkhof grensde, voorbij een rij bomen die me allemaal deden denken aan de boom in de tuin van mijn grootmoeder, maar hoe die heette wist ik niet.
Ik fietste langs een school die zich op een steenworp van het kerkhof bevond, in de hoop een doorgang te vinden, een pad,
een poort, maar zonder succes. Waarschijnlijk fietste ik urenlang in steeds kleinere cirkels om het kerkhof heen, tot ik, net toen ik op het punt stond als een geslagen hond weer naar huis te gaan, een verweerd hek zag, en daardoorheen: de strooiweide.
      Zodra ik binnen de muren van de begraafplaats was, herhaalde zich hetzelfde patroon: terwijl ik me probeerde voor te bereiden op de schok – haar gezicht, gevangen in een foto, op een graf – verdwaalde ik opnieuw. Ik wandelde keer op keer langs dezelfde dode mensen; langs jonge mensen, kinderen, mensen met mijn achternaam en mensen die op dezelfde dag als mijn grootmoeder gestorven waren. Ik liep en tuurde naar de namen en voelde het gewicht van die honderden voorbijgegane mensenlevens steeds zwaarder op mijn schouders wegen, maar mijn grootmoeder was nergens te bespeuren.
Had ik me vergist? Was ze hier wel begraven?
     Ik vond haar uiteindelijk tussen Albert Vinckevogel en François De La Rue. Ik hoopte maar dat Albert en François zachtaardige mannen waren, die haar op tijd en stond aan het lachen zouden brengen, want ze lag er toch maar mooi voor de eeuwigheid.
     Tegelijk dacht ik onmiddellijk: hier is ze niet.
     Er is iets aan eeuwigheid dat me banger maakt dan alle gevaren van het tijdelijke leven. Een ijselijke onderlaag, een koude die van binnenuit verhardt.
     Het was de enige heldere, zonnige dag in een volledig dichtgrijze winter. Op het kerkhof liepen kraaien en eenden rond. Er speelden kinderen. Het gras rond de graven was hevig groen, het licht onnatuurlijk fel. Er waren verweerde graven, perfect onderhouden graven, graven vol bloemen en brieven, en lege, net niet anonieme graven.
     Ik had niets bij me. Geen chrysanten, geen kaartje, geen sleutelhanger. Op voorhand had ik ook niet nagedacht over wat ik zou gaan doen als ik het graf eenmaal gevonden had. Ik had willen huilen, maar dat gebeurde niet. Ik veegde het zand van haar foto, krabde de vogeldrek van haar naam, zakte op mijn knieën en legde mijn hoofd op de ijskoude steen.
     Ik stuurde een bericht naar mijn broer. Hij wist dat het een kastanje was, de boom in de tuin van mijn grootmoeder. Natuurlijk wist hij dat.


Meer leesfragmenten


«   »