Leesfragment: Kwaad bloed - Tine Bergen

Leuven, donderdagavond. Zeven studenten zitten opgesloten in de gemeenschappelijke keuken van hun kot. Zes leven. De zevende, Vinz, is dood. Zijn beste vriend Serge heeft gezworen dat iedereen pas naar buiten mag als de moordenaar zichzelf bekend heeft gemaakt. Kwaad bloed, de nieuwe thriller van Tine Bergen, beschrijft een bloedstollende confrontatie in een studentenkot. Begin hier alvast met lezen.


Kwaad bloed
Tine Bergen

ISBN: 9789464341294
Prijs: €23,50


Proloog

‘Wie zou je bellen?’ Serge kneep zijn ogen tot spleetjes. Lily-Rose zwaaide met haar telefoon. De fonkelende gsm-hoes maakte dat hij sterretjes zag. Serge greep naar de telefoon, maar miste. Hij vloekte, strekte zijn hand uit en keek naar zijn vingers die als slangen heen en weer bewogen. Ze bleven hangen rond Lily-Roses slanke pols en streken zachtjes over de strook vel tussen de dikke, gouden slavenarmband die ze altijd droeg en het begin van de zwartfluwelen mouw van haar jurk.
       Lily-Rose duwde haar roze haren naar achteren, trok zich los en klakte met haar tong terwijl ze zich weer naar Vinz draaide.
‘Wel? Wie zou je bellen als er een lijk op de grond lag? Zou je mij bellen?’
       Natuurlijk zou Vinz Lily-Rose niet bellen. Zijn beste vriend was misschien goed dronken ondertussen, maar helemaal gek
was hij niet. Serge schudde traag maar beslist zijn hoofd terwijl zijn hand weer in zijn schoot viel. Het schudden maakte dat zijn hersenen heen en weer klotsten in zijn schedel. Het was een slecht idee geweest om ook die laatste fles jenever nog te openen. Een heel slecht idee.
       ‘Nee,’ zuchtte Vinz. Iedereen in de keuken hoorde Emi een zucht van opluchting slaken. Ze zuchtte zo hevig dat de haartjes
in Serges nek ervan bewogen. Hij snoof de zoete geur van de wiet op die Emi bij elke ademteug uitstootte. Serge keek naar Vinz, die naar Emi keek en vervolgens naar hem en dan weer naar Emi en dan weer naar hem. Serge keek niet weg, ook al moest hij elke vezel van zijn lijf dwingen om niet te braken want de halve kilo bloem die zijn vriend hem net had laten opeten als uitdaging teisterde zijn maag. Als wraak had hij Vinz toiletpapier geserveerd. Met appelsap en choco. Kinderachtig. Misschien. Doeltreffend. Dat zeker. Hij begreep dus wel dat Vinz er nu voor had gekozen om de waarheid te vertellen in plaats van een uitdaging te doen.
       ‘Wie zou je bellen als je een lijk op de grond had liggen?’ herhaalde Lily-Rose haar vraag.
       ‘Serge.’
       Emi zat naast Vinz te sissen, terwijl Clara hem ongelovig aankeek. ‘Heus? Je zou Serge bellen? Hij heeft ervoor gezorgd dat je zelf zo wit als een lijk ziet op dit moment, dat weet je toch?’
       Serge hoorde niet wat Vinz antwoordde. Daarvoor begon de kamer veel te hard om hem heen te tollen. Hij sperde zijn ogen
open. Hapte naar lucht. Eieren. Bloem. Boter. Suiker. In een oven maakte dat taart. In zijn maag maakte het iets heel anders.
Met zijn ademhaling dwong hij langzaam maar zeker zijn rusteloze maaginhoud weer naar beneden en mengde zich in het
gesprek. ‘Jaloers, Clara? Vind je dat hij jou had moeten kiezen?’
       Clara trok de mouwen van haar fleecetrui over haar handen en zweeg.
       ‘Clara zou geen detail missen,’ merkte Lily-Rose op. ‘Als ik hier een lijk had liggen, zou ik haar durven te bellen. Ze is zorgvuldig en betrouwbaar.’
       Serge snoof. Hoestte. Er hing nog bloem in zijn neus. ‘En dat is wat je nodig hebt met bloed aan je handen? Iemand die de
perfecte lijstjes maakt? Nu stel je me teleur, Lily-Rose.’
       ‘Hij moet gewoon de politie bellen. Mij moet hij zeker niet bellen.’ Clara’s stem klonk ferm. Zelfs met denkbeeldige lijken
wilde ze duidelijk niets te maken hebben.
       ‘De politie moet hij zeker niet bellen!’ Serge staarde naar het wit dat samen met de woorden uit zijn mond kwam. Het dwarrelde over zijn handen en knieën. Hij sneeuwde.
       Vinz balde zijn vuisten tegen zijn slapen. Hij wilde gaan slapen.
       Serge wilde ook gaan slapen, maar dit was te belangrijk. ‘Als er één ding is dat je als student in Leuven niet mag doen, is het de politie bellen. Die zullen je nooit helpen, je hebt het al bij voorbaat bij hen verkorven, gewoon omdat je student bent.’
       ‘Alleen maar omdat ze jou één nacht in de cel hebben gezet. Voor iets dat je nog gedaan had ook!’
       Zo, zoon. Serge hoorde de woorden nog door zijn hoofd denderen. Voor hij tot drie had kunnen tellen, had zijn vader al
geweten dat hij gearresteerd was. Voor Serge had kunnen bedenken wat hij moest doen, had zijn vader al in zijn cel gestaan.
Alsof het zo allemaal nog niet vernederend genoeg was geweest. Alsof je echt niet wist dat je van elke agent weg moest blijven,
koste wat het kost, als je vader commissaris-generaal was van de federale politie en bekend stond als een hardliner.
       ‘De straf moet in verhouding staan tot het misdrijf. Dat was hier helemaal niet het geval. Er was nog niet eens bewezen dat ik iets had gedaan. Er werd gewoon afgegaan op een onbetrouwbare getuige. Zo zaag je de poten vanonder de rechtstaat. Iemand beschuldigen is een serieuze zaak, het kan ernstige gevolgen hebben. Daar zouden mensen wat meer bij stil mogen staan.’ Serges speeksel spatte in het rond.
       Twintig was hij geweest. Hij kon de pijn van de vlakke hand, achteloos bijna, op zijn linker- en rechterwang nog voelen. En
dat was niets geweest vergeleken met de blik in zijn moeders ogen.
       ‘Er is niemand die vindt dat hij mij zou moeten bellen?’ De stem van Emi snerpte dwars door Serges gedachten. Hij was
haar er bijna dankbaar voor. Vinz daarentegen sloot vermoeid de ogen. ‘Het gaat niet om wat wij vinden, Emi. De vraag was voor Vinz.’ Alleen Lily-Rose kon mensen troosten en terechtwijzen in eenzelfde zin.
       Iedereen keek nu naar Vinz, die naar de gootsteen rende. Hij spuugde zo hard dat zijn voorhoofd tegen het metaal van de
kraan knalde. Serge wilde overeind komen, maar Agathe was hem al voor. Nog iets waar Emi op de achtergrond over siste.
       Agathes handen wreven over Vinz’ rug en masseerden zijn schouders terwijl hij bleef braken. ‘Wanneer ga je dat verstand
van jou ook eens gebruiken, Vinz? Het is geen accessoire, dat besef je toch?’ Samen met Clara was Agathe de enige in de keuken
die nog een beetje nuchter was.
       ‘Niet iedereen heeft jouw brein, Agathe,’ kwam Serge zijn vriend te hulp. ‘En als Vinz echt een probleem heeft, weet hij wat hij moet doen. Dat heeft hij toch net gezegd? Dan belt hij mij.’ Over Agathes schouder legt hij zijn hand op Vinz’ arm. ‘Op mij kun je rekenen, maat. Dat weet je.’


‘Adem! Hij heeft adem nodig, we moeten hem lucht geven!’ Serge kijkt naar het strakke, bleke gezicht. De glanzende lippen. Hij buigt zich voorover. Hij blaast en blaast en blaast en probeert niet te voelen hoe koud de lippen onder de zijne zijn.
       ‘Het is geen ballon die je moet opblazen, Serge!’ Jona duwt Serge ruw opzij en buigt zich over het lichaam. Zijn bewegingen
zijn afgemeten en precies. Zijn handen wrijven over de borstkas. Zijn mond zoekt de levenloze mond.
       ‘Ademen! Hij moet ademen! Wanneer gaat hij weer ademen?’ Serge ijsbeert door de keuken. Beent van het kastje naar de muur. Zijn voeten glijden over de tegels, hij moet zich vastgrijpen aan het aanrecht om niet onderuit te gaan.
       Jona leunt achterover op zijn enkels. ‘Hij ademt niet! Ik kan hem ook niet doen ademen! Waar blijft de ambulance?’
       Iedereen kijkt naar Clara, die in de deuropening in haar telefoon staat te roepen. ‘Het is dringend! Jullie hadden al hier
moeten zijn! Het adres is…’
       Serge staart naar het levenloze lichaam op de vloer. Het angstzweet breekt hem uit. Het druppelt langs zijn voorhoofd, over zijn schouderbladen naar beneden. Tegelijkertijd heeft hij het ijskoud. Zijn tanden klapperen.
       Zo, zoon. Zijn vader schreeuwt het in zijn gezicht.
       Ik zou Serge bellen als ik een lijk op de grond had liggen. Serge kijkt in de ogen van zijn vriend. Kan niet meer wegkijken. Het
duurt maar een fractie van een seconde om de beslissing te nemen. In één kordate beweging heeft hij de telefoon uit Clara’s
handen getrokken en afgeduwd.
       ‘Serge? Wat doe je? Agathe, bel een ambulance, nu!’ schreeuwt Clara. In de deuropening schokt Agathe van de ene naar de andere kant.
       Een paar seconden heeft hij nog, meer niet. Een paar seconden moeten genoeg zijn.
       Serge grijpt Agathe bij de schouders en sleurt haar de keuken in. De deur slaat achter haar dicht en Serge gaat ervoor staan. Zijn ogen glijden door de keuken. Met zes zijn ze. Of met zeven. Hij slikt. Tot het bonken van zijn hart mindert. Hij bokst twee keer per week. Hij gaat om de andere dag naar de fitness. Elke avond gaat hij hardlopen. Serge voelt de spieren onder zijn vel bollen en strekken. Ze zullen kwaad zijn. Maar daar kan hij tegen. Misschien is het zelfs goed als ze kwaad zijn. Dan denken ze minder na over wat ze zeggen. Dan is liegen niet zo evident. Misschien moet hij hen gewoon zo kwaad mogelijk maken.
       ‘Iedereen zitten! Nu!’


‘Naam?’
       ‘Agathe.’
       ‘Volledige naam?’
       Agathe staart naar haar handen op het tafelblad voor haar en likt aan haar lippen. Het puntje van haar tong blijft hangen
aan het wondje in het midden van haar onderlip. Ze kauwt er zachtjes op.
       ‘Volledige naam?’
       ‘Agathe Persoons.’ Haar vingers glijden naar haar onderlip nu. Die wordt dikker, stelt ze vast. Natuurlijk wordt die dikker.
       ‘Waarom zit je hier?’
       Agathe bijt. Proeft bloed.
       ‘Waarom zit je hier?’
       Agathe legt haar handen opnieuw op tafel. Dwingt zichzelf om ernaar te blijven kijken. En alleen daarnaar.
       ‘Er is iemand dood,’ weet ze uiteindelijk uit te brengen.
       ‘Wie is er dood?’
       Agathe rukt haar blik los van haar handen. Ze kijkt in de felblauwe ogen tegenover haar, maar slaat haar blik meteen weer
neer. Snel, maar niet snel genoeg. Haar ogen blijven hangen bij de figuur in de hoek van de keuken.
       ‘Wie is er dood?’ De blauwe ogen bliksemen.
       ‘Vinz is dood.’ Agathe slikt. ‘Vinz Quirens-Verhooghe is dood.’
       Ze haalt diep adem en kijkt dan toch weer omhoog. In de blauwe ogen. En de groene. De bruine. De nieuwsgierige. De
trieste. De walgende. De ontzette. De getraumatiseerde. Vijf paar ogen kijken haar aan. Alleen de donkerbruine met de gouden 
spikkels in niet. Met de iris die altijd lijkt te dansen als een vlammetje. De ogen die haar hebben uitgekleed. De ogen die haar hebben gewarmd. De ogen die haar zo graag hebben gezien.
       Die ogen kijken niet.
       Niet meer.


Clara’s ogen schieten heen en weer, van Agathe die met gebogen hoofd aan de keukentafel zit naar Vinz, die uitgestrekt op de grond ligt alsof hij daar per ongeluk in slaap is gevallen naar Serge, die tergend langzaam zijn mouwen opstroopt terwijl hij om Agathe heen cirkelt.
       Uiteindelijk haken haar ogen in die van Jona. Hij zit nog altijd naast Vinz op de grond, zijn vingers tegen zijn hals gedrukt,
alsof hij de slagader daaronder kan dwingen om weer te kloppen. Maar dat doet die niet. Niets klopt er aan dit plaatje. Niets!
       Vinz ligt alleen op de grond om zijn roes uit te slapen. Dit is een grap. Een uit de hand gelopen grap. Een heel erg uit de hand gelopen grap. Vinz heeft waarschijnlijk iets ingenomen waardoor hij nu dood lijkt. Wedden dat iemand hem gezegd heeft dat het een goede grap zou zijn? Wedden dat Vinz dat dan zonder nadenken ook gedaan heeft? Daarom ligt hij hier. Zo dadelijk komt hij overeind, met die idiote bulderlach van hem. En dan maakt hij hen belachelijk omdat ze bezorgd om hem waren. Omdat ze erin getrapt zijn. Zo zal het gaan. Zo en niet anders. Agathe moet ophouden met zeggen dat Vinz dood is.
       Clara schudt woest het hoofd. De kamer verandert in een caleidoscoop waarbij alles constant in en uit elkaar schuift.
       ‘Blijven ademen, Clara!’ De stem van Lily-Rose kletst als een zweep weer zuurstof in haar longen en hoofd.
       Terwijl ze naar adem snakt, grijpt Clara zich vast aan de klink van de keukendeur. Ze proeft metaal en bloed achter in haar mond.
       ‘GENOEG!’ Clara schrikt zelf van de kracht van haar stem. Is dit wat hysterie met een mens doet? ‘GENOEG! Ik bel nu meteen een ambulance en verwittig de politie. Jij vindt het misschien leuk om agentje te spelen, Serge, maar dit is geen spel, dit is geen grap. Er is iemand dood. Vinz is dood!’
       ‘Vertel me iets dat ik nog niet weet.’
       Clara’s vingers sluiten zich rond de deurklink waar ze nog altijd tegen rust. Ze duwt. Draait. De deur geeft niet mee. Clara
trekt nu. Duwt opnieuw, bewerkt de deur met haar schouder en vervolgens haar volle gewicht. Lily-Rose komt naast haar staan. Trekt en wringt mee. Stampt vervolgens tegen het hout.
       ‘Verdomme, Serge, wat heb je met de deur gedaan?’
       Serge is ondertussen op het aanrecht gaan zitten. ‘Ik heb de deur op slot gedaan. Waar dienen sleutels anders voor?’ Uitdagend zwaait hij de sleutel in het rond.
       ‘Geef hier!’ Voor ze beseft wat er gebeurt, hangt Clara al over Serge. ‘Dit is niet grappig, Serge! Geef de sleutel of doe die deur zelf open!’
       Serge leunt achteruit, terwijl hij Clara met een arm op afstand houdt. Het gemak waarmee hij dat doet maakt haar nog
kwader dan ze al was.
       ‘Vooruit, Serge! Doe die deur open!’
       ‘Ik dacht het niet, Clara.’
       ‘Je kunt ons niet zomaar opsluiten, daar heb je het recht niet toe!’
       ‘Natuurlijk kan ik dat, Clara, ma belle, ik heb het toch gedaan? En als je iets zomaar kunt doen, waarom heb je er dan
rechten voor nodig? Is dat waarom jij nooit iets doet? Wacht je tot je iets mág doen?’
       Clara bijt. Het gaat automatisch. Haar tanden zinken in de bleke, harige hand die haar pols omklemt. Ze proeft sigaretten en vuil. Het brandt bitter in haar mond. Het volgende moment glijdt ze door de keuken om met een doffe bons tot stilstand te
komen in Jona’s armen.
       ‘Voordat er nog mensen zijn die zich gekke dingen in het hoofd halen.’ Serge reikt achter zich en duwt het schuifraam
omhoog. Drie verdiepingen hoog zitten ze en het enige keukenraam kijkt uit op een smalle koker met een binnentuin waar de gebouwen achter hen en naast hen ook op uitkijken
       Zonder omhaal gooit Serge de sleutel naar buiten.
       Een verschrikte kreet ontglipt Clara’s mond voor ze er erg in heeft. ‘Dat kun je niet maken, Serge! We zijn je gevangenen
niet!’
       Lily-Rose en Jona beuken ondertussen met twee tegen de keukendeur, maar de oude eik geeft niet mee.
       ‘Ga maar.’ Uitnodigend houdt Serge het keukenraam open. ‘Ik houd je niet tegen.’
       ‘Je bent een zak!’ Clara klemt haar handen rond het raamkozijn en tuurt naar beneden. Kan ze de sleutel daar echt zien
blinken boven op het dakraam van het souterrain? Of is hij in het smalle stukje gazon verdwenen?
       ‘Vertel me iets dat ik nog niet weet.’ Serges ogen glijden de keuken rond. ‘Vinz zou mij bellen als hij een lijk op de grond had liggen. Het maakt niet uit dat hij dat lijk nu zelf is. Hij zou willen dat ik de zaken voor hem oplos. En dat zal ik doen ook. Ik stel mijn vrienden niet teleur. Ik stel mijn vrienden nooit teleur. Iedereen blijft hier tot ik antwoord heb op al mijn vragen.’
       Clara zwijgt. Net als alle anderen heeft ze haar gsm genomen. Wanhopig staart ze naar het scherm. Er is geen bereik in de keuken, ze weten het best. Een combinatie van een zendmast die net te ver staat en vooral: een overijverige huisbaas die de studentenkamers belachelijk goed heeft geïsoleerd. Als Vinz’ grootvader had geweten dat zijn kleinzoon daardoor nu als dood vlees in zijn keuken blijft liggen, had hij dat vast anders aangepakt, bedenkt Clara met een grimmig lachje.
       Ook al weet ze dat het niets uithaalt, ze blijft haar gsm aan en uitzetten. Alsof ze met haar gedachten de balkjes die de ontvangst aangeven kan dwingen om op te lichten. Natuurlijk werkt het zo niet. Moedeloos steekt ze haar gsm weer in haar achterzak.
       Haar handen trillen nog steeds en intussen is ze ook beginnen te klappertanden. Gelukkig merken de anderen het niet. Ze hebben het te druk met Serge. Die heeft ondertussen een sigaret opgestoken. Terwijl hij de rook uitblaast in de richting van de rookmelder waarvan de batterijen al maanden vervangen moeten worden, plaatst hij met één wijzende vinger Lily-Rose op de stoel naast Agathe.



Meer leesfragmenten

Leesfragment: Iconen - Erik Vlaminck

Iconen geeft een ontluisterende inkijk in de gang van zaken in een psychiatrisch centrum in het Vlaanderen van de jaren zeventig. De roman toont een kluwen van machtsmisbruik en van onmenselijke bejegening. Amper vijftig jaar later dreigen de vergeetputten van toen vergeten te worden. Lees hier de eerste hoofdstukken uit de nieuwe roman van Erik Vlaminck.

Lees meer »

Leesfragment: Met de helm geboren - Dominique Deruddere

In Met de helm geboren. Memoires van een filmmaker vertelt Dominique Deruddere met een smeuïge en onnavolgbare vaart hoe hij opgroeide in de woelige jaren zestig en hoe hij aan de slag gaat met scenario’s, camera’s, castings en uiteindelijk de productie van de verhalen die hij wil brengen. Lees hier een fragment.

Lees meer »

Leesfragment: Kwaad bloed - Tine Bergen

Leuven, donderdagavond. Zeven studenten zitten opgesloten in de gemeenschappelijke keuken van hun kot. Zes leven. De zevende, Vinz, is dood. Zijn beste vriend Serge heeft gezworen dat iedereen pas naar buiten mag als de moordenaar zichzelf bekend heeft gemaakt.Kwaad bloed, de nieuwe thriller van Tine Bergen, beschrijft een bloedstollende confrontatie in een studentenhuis. Begin hier alvast met lezen.

Lees meer »

Leesfragment: Crohnisch optimisme - Antonia Mezzina

In Crohnisch optimisme vertelt Nina haar verhaal over leven met de ziekte van Crohn. Ondanks de ongemakken probeert ze positief om te gaan met haar aandoening. Ze leert het hoofd bieden aan de geniepige kwaal en wil met haar relaas steun bieden aan lotgenoten. Lees hier het voorwoord van de auteur.

Lees meer »

Leesfragment: Lissabon - Bart Stouten

In het slotdeel van zijn essaytrilogie, dat een apologie is van de poëzie in zijn leven, dringt Bart Stouten zijn slaapbewustzijn binnen. Dit boek is voor mensen die een 'ander' Lissabon willen ontdekken. Lees hier een fragment.

Lees meer »