Leesfragment: Onvoltooid - Gie Bogaert

Onvoltooid is een delicaat en tegelijk indringend verhaal – gebaseerd op ware gebeurtenissen – over afkomst en verwantschap, waarheid en leugen, hoop en teleurstelling, maar vooral is het een hartroerende geschiedenis over de herinnering aan dat altijd weer ongrijpbare verlangen dat we intimiteit noemen. Lees hier alvast het eerste hoofdstuk.


Onvoltooid
Gie Bogaert


ISBN:9789464341089
Prijs: €22,50


Alle begin is moeilijk

 

Ik zou deze geschiedenis zo kunnen beginnen.
         ‘Jij mag mijn verhaal schrijven,’ zei de vrouw die aan het ronde tafeltje in het stationscafé tegenover mij was komen zitten. Ze schoof haar vingers in de mouwen van het mannenhemd dat ze droeg en keek me aan alsof ze twijfelde of ze met die zin het interview dat we zouden doen niet te voortvarend had aangevangen. Ik legde mijn opgevouwen krant naast me op de terrazzovloer en probeerde mijn ergernis over de eindredacteur, die de titel van mijn stuk had gewijzigd, te vergeten.
         De vrouw heette Hennie Zeeger, al stond op haar identiteitskaart een andere naam, had ze in haar mail geschreven. Ze had gereageerd op de laatste oproep voor de lopende reeks in het Mens&Maatschappij-katern van onze krant, waarvoor ik om de twee weken een reportage leverde. 
         Ze bestelde kamillethee en een chocoladecroissant, de huisspecialiteit van Le Royal Café, die op een foto op de menukaart in de houder op de tafel schreeuwerig werd aanbevolen en door de oudste kelner binnen de kortste tijd coulant bij mijn nog dampende cappuccino werd gezet.
         Dat de vrouw me tutoyeerde had vermoedelijk te maken met mijn relatieve naambekendheid – ik schreef al veertig jaar voor Metropool, een van de weinige kwaliteitskranten van het land, waar ik op de buitenlandredactie had gewerkt – maar het kwam vast ook door de vertrouwelijkheid die mijn rubriek in de afgelopen twee jaar bij het lezerspubliek had opgewekt en die door het specifieke doel van de serie ook werd verondersteld.
         Onder elk artikel gaf ik onveranderlijk aan dat namen en locaties ofwel fictief ofwel veranderd waren en bijna altijd bood dat de geïnterviewden de vrijheid en het comfort om hun verhaal breedvoerig, gedetailleerd en zonder veel schroom te vertellen, alsof we samen waren opgegroeid of een jarenlange warmhartige vriendschap koesterden. Ik heb in mijn lange journalistieke loopbaan geleerd dat mensen onophoudelijk op zoek zijn naar iemand die naar hen wil luisteren, wat hun verhaal ook is en ongeacht welke ingrijpende, onvermoede wendingen hun leven heeft genomen.
         Hennie Zeeger droeg een roomgele winterjas toen ze binnenkwam, met een dubbele rij bruine knopen waarvan er een ontbrak. Ze had een wollen plooimuts op en een lange sjaal om haar hals gewikkeld, zodat het even duurde voor ze zichzelf had uitgepakt en aan mijn tafel kwam zitten. Er zat een scheur in een van haar handschoenen, die ze samen met haar muts achteloos in een van de zakken van haar jas propte. Ze had een jeanssalopette over haar veel te grote, gestreepte hemd aangetrokken, waarvan ze de half opstaande kraag met een weifelende beweging gladstreek.
         Ze was lang niet onaantrekkelijk. Ze had een strak, bijna scherp gezicht met volle lippen en fijne wenkbrauwen boven innemende, donkerbruine ogen. Haar sluike haar hing precies even lang langs beide zijden op haar schouders. Ze had een klein, nauwelijks merkbaar littekenstreepje onder haar linkeroog en in een neusvleugel blonk een ringetje. Ik schatte haar geen veertig.
         Ik dacht: ook zij zou mijn dochter kunnen zijn.
         In het midden van het café stond een kerstboom opgetuigd met een aantal ballen, slingers en een lampjesdraad, en ook met houten miniatuurlocomotieven en reizigerwagonnetjes erin. Rond de voet onder de boom lagen dozen in glanzend geschenkpapier gestapeld, alsof die voor een groep onbekende klanten waren bestemd en wachtten op een vooralsnog onbepaald moment om te worden uitgepakt. Tegen de zijmuur van het etablissement was een decorateur met raamstiften aan het werk. Hij had op een van de spiegels boven de lambrisering een dennenboom en een lachende sneeuwpop getekend en schreef de laatste letters van het woord Gelukkig er precies tussenin.
         De meeste stoelen waren leeg. De ochtendspits was voorbij en met het verdwijnen van de laatste gehaaste reizigers in de wachtende treinen was in de stationsruimte een bedaardheid aangebroken die ook in het café merkbaar was. Drie tafels verder zaten enkele late ontbijters over hun koffies gebogen. Op de tuigleren banken onder het marmer tegen de zijmuur becommentarieerden twee vrouwen en sourdine hun wederwaardigheden. De kale man achter het laatste tafeltje bij de bar verorberde de resten van de sandwich die hij bij zijn espresso had besteld. Zijn hond lag onder zijn stoel te kijken naar iets wat alleen hij leek te kunnen zien.
         De tweede kelner stond met de armen gekruist werkloos tegen de vestiairewand geleund. Bing Crosby croonde I’ ll Be Home For Christmas door de luidsprekers boven de glazenrekken achter de bar, maar niemand leek te luisteren.

 

Ik zag hoe een hoek van de krant op de vloer nat was geworden van het smeltwater dat van Hennie Zeegers schoenzool lekte. Toen de deur van het café werd opengeduwd, voelde ik hoe de kou vanaf het winterterras en de perrons verderop naar binnen tochtte en ik dacht aan wat ik op de wetenschapspagina in de krant had gelezen: dat spitsmuizen in de winter krimpen om de vorst te overleven.

 

Ik heb nooit begrepen waarom de hoofdredacteur besliste de nieuwe reeks La solitudine te noemen, alsof Italianen het
prerogatief op verlatenheid hebben. Het plan was bedoeld om het M&M-katern van de krant een boost te geven. De katerntitel kreeg tegelijk twee rode initialen, naar analogie met de kapitale M van Metropool, de gigantische, roterende letter boven op het dak van ons kantoorgebouw.
         De aanleiding voor de reeks was de dood van een jonge vrouw die de stadspolitie in een appartement vlak bij de
botanische tuin had aangetroffen. Ze lag half aangekleed op de slaapkamervloer. Op het keukenaanrecht stonden veertien lege eenpersoonsverpakkingen ravioli. De wetsdokter concludeerde dat de vrouw vier maanden eerder een natuurlijke dood moest zijn gestorven. Niemand had haar gemist.
         Ik kreeg de opdracht voor de nieuwe reportageserie toegewezen. ‘Als ik me niet vergis ben jij ook al een hele tijd alleen,’ zei de hoofdredacteur. Hij voegde eraan toe dat ik het als een compliment moest opvatten, maar in mijn oren klonk zijn argument meer als een veroordeling, of op zijn zachtst een terechtwijzing, alsof ik helemaal alleen verantwoordelijk was voor het onheil dat me had getroffen. De week daarop verscheen een advertentie in de krant waarin lezers die een bijzonder verhaal over hun eenzaamheid konden vertellen werden aangemoedigd de krant te contacteren.
         De respons was overrompelend. Mijn mailbox werd overspoeld met uiteenlopende meldingen van ontrouw, afscheid,
gemis, ontgoocheling, mislukking en andere vormen van smart. Ik las aanzetten tot verhalen over gefnuikte verlangens,
onvervulde kinderwensen, vergeefse zoektochten en onomkeerbare vergissingen, waaruit ten overvloede bleek dat we vaker niet dan wel uit onze fouten en tekortkomingen leerden en de levens van heel wat lezers aaneenschakelingen waren van proberen, verliezen en opnieuw proberen.
         Mijn eerste taak was de lotgevallen te kiezen die het publiek het meest zouden treffen of bekoren. Altijd was er de mogelijkheid dat ik me vergiste, dat ik een verhaal onverteld zou laten dat veel meer te bieden had dan een ander dat ik uit het omvangrijke aanbod had gepikt en waarvan ik de attractiviteit en de journalistieke waarde had overschat.
         Ik reed naar de geselecteerde kandidaten toe, naar hun huis of een andere plek waar ze liever met me wilden praten.
Wanneer ze in mijn stad woonden, stelde ik een afspraak voor in Le Royal Café, in de hoek op het hoogste niveau van het Centraal Station, omdat ik dat nog altijd frequenteerde. 
         Ik vroeg aan alle geïnterviewden de toestemming om het gesprek op te nemen, met de belofte het na publicatie in de
krant te zullen wissen. Ik verzocht hen ook chronologisch te vertellen, omdat mijn ervaring me had geleerd dat ik anders vaak niet wijs raakte uit hun relaas. Soms verzeilden de vertellers in lange monologen, gevuld met voor hen levendige herinneringen die hen meer dan eens emotioneerden, maar die ze onmogelijk voor mij konden verduidelijken om de eenvoudige reden dat ik geen deel had uitgemaakt van de realiteit waarnaar ze verwezen. Ze raakten verstrikt in de beelden die het graven in hun verleden voor hen opriep en ze veronderstelden dat ik de meanderende verhaallijnen ertussen kon volgen. Maar in veel gevallen werd het mij nooit helder wat de oorzaken van hun persoonlijke, meestal pijnlijke gebeurtenissen en omstandigheden waren en wat de gevolgen.
         Een vrouwelijke oogarts betwistte achteraf dat ze de dingen had gezegd die ik in mijn stuk over haar moeder had
geschreven, maar ze trok haar klacht bij de ombudsman weer in nadat ik haar de nog ongewiste opname van ons gesprek had laten horen.
         We hebben niet altijd de volle controle over alle woorden die we gebruiken. Soms gaan ze met ons op de loop en doen ze ons dingen zeggen of schrijven die in de plooien van onze uitdrukkingskracht een zwaarte krijgen die we niet hebben bedoeld. Taal is vaak een diepe valkuil en een moordend wapen en we moeten ons voortdurend behoeden voor het effect dat we ermee sorteren, waarvan de consequenties dikwijls niet zijn te vatten of te overzien.

 

Het bericht van Hennie Zeeger dat eind november in mijn mailbox zat had mijn nieuwsgierigheid gewekt, misschien door wat mij in de elf maanden die eraan voorafgingen was overkomen. Ze schreef dat ze officieel twee moeders en twee vaders had – wat wettelijk onmogelijk was – maar dat ze zich altijd alleen had gevoeld. Ik antwoordde dat ik haar wilde ontmoeten, waardoor ze op die bevroren decemberochtend in het stationscafé wachtend tegenover me zat.
         Ik tikte de dictafoon op mijn mobiel aan, schoof mijn koffiekop opzij en pakte mijn pen op om aantekeningen te maken.
         Hennie Zeeger keek naar me alsof ze niet geloofde dat ze net had gezegd dat ze me haar geschiedenis wilde toevertrouwen.
         ‘Vertel,’ zei ik.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Lissabon - Bart Stouten

In het slotdeel van zijn essaytrilogie, dat een apologie is van de poëzie in zijn leven, dringt Bart Stouten zijn slaapbewustzijn binnen. Dit boek is voor mensen die een 'ander' Lissabon willen ontdekken. Lees hier een fragment.

Lees meer »

Leesfragment: Rebels - Ann Peuteman

Oude mensen zitten het liefst in hun luie stoel voor tv met een dekentje over hun knieën. Met dat beeld voor ogen bedenken we constant allerlei theorieën en projecten om hun leven zo comfortabel mogelijk te maken. Daarbij vergeten we keer op keer aan die ouderen zelf te vragen of dat wel echt is wat ze willen. In Rebels gaat Ann Peuteman in gesprek met rebellen op leeftijd. Elk op hun eigen manier verzetten ze zich tegen betutteling, doen ze er alles aan om gehoord te worden en vertikken ze het om oud te worden. Hier lees je het woord vooraf van Rebels. Het verzet van 75-plussers.

Lees meer »