Leesfragment: Dromenvanger Dino - Raf De Bie

Begin oktober verscheen Dromenvanger Dino en het verhaal van de Vespa, de debuutroman van Raf De Bie. Lees hier de eerste twee hoofdstukken.


Dromenvanger Dino en het verhaal van de Vespa
Raf De Bie

ISBN: 9789464340563
Prijs: €21,99


1

 

Hij noemde me Dino. Dat was niet mijn echte naam. De chef-kok van het restaurant was een autofreak en vernoemde iedereen in de keuken naar Italiaanse wagens. Voor mij had hij de Fiat Dino uitgekozen. ‘Een sportwagen,’ zei hij, waarna hij eraan toevoegde dat het een sportwagen was die de verwachtingen niet had kunnen inlossen. Hij vond dat grappig.
      Onze gesprekken kon je beschouwen als eenrichtingsverkeer. Hij zei iets. Ik antwoordde met: ‘Ja, chef.’
      ‘Dino, je bent een stuk onbenul. Ik hou je alleen maar in dienst omdat je ook de afwas doet.’
      ‘Ja, chef.’
      ‘Je hebt geen talent, Dino.’
      ‘Ja, chef.’
      ‘Dino, ga jij maar wat groenten snijden. Meer heb je niet te bieden. Aan het vuur verknoei je het alleen maar.’
      ‘Ja, chef.’
      Het was een eenvoudig systeem. We wisten wat we aan elkaar hadden.
      Ik was op de wereld gezet met een aangeboren gevoel om de exacte hoeveelheid bloem in een deeg te strooien en een taart op het juiste moment uit de oven te halen. Ik ontdekte dat op jonge leeftijd. Eigenlijk was ik daar niet zo blij mee want er viel weinig faam mee te halen. Mensen juichen niet om een gebakje zoals ze dat doen om een doelpunt in het voetbal, dat is de realiteit. Toch wist ik altijd dat ik in een professionele keuken zou eindigen. Waarom weet ik niet. Het zat zo in mijn hoofd.
      Ik werkte ondertussen vijf maanden in het restaurant. Ik maakte de desserts. Tartufo, panna cotta, cannoli, bocconotti: ze stonden allemaal op de kaart en gingen een voor een door mijn vingers. Elke dag room, boter en bloem. Ik droomde ervan.
      Het tempo in de keuken lag hoog. Soms zelfs te hoog. De chef vroeg van ons de volle honderd procent en nog een beetje extra. Excuses telden niet. Er waren dagen waarop ik alles verknoeide en er waren dagen waarop ik mijn ontslag wilde geven. Maar ik werd elke dag beter in wat ik deed. Daarom gedroeg ik me zoals een held in een actiefilm. Zelfs wanneer alles tegenzat, zette ik dapper door.
      Op een dag mocht ik er even tussenuit. De chef gaf me een opdracht. ‘Dino, kom hier,’ riep hij.
      Binnen de twee seconden stond ik voor zijn neus. ‘Ja, chef.’
      Hij overhandigde me een kartonnen doosje. Sinds enkele weken gebruikten we die doosjes wanneer klanten hun dessert niet meer op konden. Zo konden ze het overschot mee naar huis nemen. Het had lang geduurd voor de manager van het restaurant had toegegeven aan de vraag. Hij vond het te commercieel, terwijl ik het juist heel natuurlijk vond. Mensen bewaren graag dingen voor later. Het geeft ze iets om naar uit te kijken.
      De chef knipte met zijn vingers voor mijn ogen. ‘Dino. Dessert voor mijn dochter. Ze verjaart vandaag. Jij moet het brengen.’
      ‘Ja, chef.’
      ‘Ze moet studeren. Over enkele weken heeft ze examens. Dus lever het af en kom meteen weer terug.’
      ‘Ja, chef.’
      Hij gaf me het adres. Het was een kamer midden in de studentenbuurt, een heel eind hiervandaan. Ik zou twee trams moeten nemen en nog een heel eind moeten stappen. Ik dacht aan de Vespa van de chef waarmee hij naar het werk kwam. Heel soms, als het echt belangrijk was, leende hij hem uit. Maar die eer was enkel weggelegd voor de betere krachten onder het personeel: de Testarossa’s en de Murcielago’s. Misschien wilde hij deze keer een uitzondering maken.
      ‘Chef?’
      De chef hoorde me niet, hij bevond zich al aan de andere kant van de keuken. Hij verspilde nooit tijd. Volgens hem was dat het recept voor succes. Volgens mij was dat lasagne. Wie was ik om hem tegen te spreken?
      ‘Chef?!’ herhaalde ik, nu wat luider.
      ‘Wat?’ riep hij, zijn ogen op een sauspan gericht.
      Ik schuifelde dichterbij. ‘Mag ik de Vespa gebruiken?’
      Hij keek me aan met een blik vol ongeloof, alsof hij niet begreep waarom ik dacht dat hij me hiervoor ooit toestemming zou geven. Als ik hem had gevraagd of we vanaf nu het menu omgekeerd zouden serveren, eerst het dessert, dan het hoofdgerecht, het warme voorgerecht, de soep en tenslotte de antipasti, zou hij me diezelfde blik hebben gegeven.
      Ik kende zijn antwoord al voordat het over zijn lippen kwam. Ik draaide me simpelweg om en riep: ‘Ja, chef!’


2

 

      Voor het eerst in mijn leven werd ik betaald om niets te doen. Althans, zo voelde het. Ik had op mijn dooie gemak twee trams genomen en stond in de lift van het studentengebouw, op weg naar de vijfde verdieping om een cadeautje af te leveren. Hier kon ik aan wennen. Terwijl ik dacht aan het hoge ritme in het restaurant, neuriede ik een reclamejingle. Tot de liftdeuren zich openden.
      De muren op de vijfde verdieping waren in oranje en wit geverfd. De kleurencombinatie voelde lukraak gekozen, alsof de schilder voor zijn werk nog een sinaasappel had gegeten en zich erdoor had laten inspireren. Als ik niet beter wist, had ik me in een goedkoop strandhotel gewaand. De studenten waren het blijkbaar met me eens. Op de muur naast de lift hadden ze met post-its en gekleurd papier een palmboom in elkaar geknutseld.
Ik liep naar de voorlaatste deur aan de linkerkant van de gang. Nu ja, deur, ik was niet zeker of ik ze zo kon noemen. Het was eerder een autobiografie. Ze hing vol met persoonlijke spullen: een examenrooster, een kalender met omcirkelde concertdatums, selfies (ze had rood haar), foto’s met vrienden, vriendinnen en een kat (grijs haar), ansichtkaarten en overal filmtickets en festivalbandjes. Nog voordat ik een woord met de dochter van de chef had gesproken, voelde het alsof ik haar kende.
      Aan de deurknop hing een bordje met NIET STOREN.
      Ik klopte aan.
      ‘Ga weg,’ zei een meisjesstem.
      Vandaar het bordje met NIET STOREN.
      Ik keek om me heen. Geen haar op mijn hoofd dacht eraan om dit doosje met Italiaans gebak op de grond bij haar deur achter te laten. Dit gebouw werd bewoond door hongerige studenten die vijf keer per week spaghetti met ketchup aten. Ze zouden het binnen de kortste keren hebben verslonden. ‘Dat kan ik niet,’ zei ik.
      ‘Waarom niet?’
      ‘Dan vermoordt je vader me.’ Ik legde mijn oor tegen de deur. Geen geluid.
      ‘Mijn vader?’
      Ik drukte mijn oor wat steviger tegen het hout. Nog steeds geen beweging. Ze nam haar studie serieus, dat moest ik haar nageven. Ze had het vast van haar vader. Als de chef een doel voor ogen had, zag hij het bij wijze van spreken als een rode vlag honderd meter voor zich uit wapperen. Hij sprintte er recht op af en vertraagde niet tot hij hem had bereikt. Ik rechtte mijn rug en trok mijn schouders wat strakker in mijn kokshemd. ‘Kijk eens. Ik praat niet graag tegen deuren. En ik heb nog werk.’
      Na nog een stilte werd de deur dan toch geopend. Voor het eerst in mijn leven zag ik de dochter van de chef.
      Het eerste dat me aan haar opviel was dat ze haar leerstof niet enkel mentaal, maar ook fysiek te lijf leek te gaan. Ze had lang rood haar dat als een waterval langs alle kanten van haar hoofd vloeide. Tussen die lokken zag ik een stel gezwollen blauwe ogen, omgeven door een veld vol inktvlekken en sproetjes. Ze droeg een grijze joggingbroek met een gaatje bij de knie en een marineblauwe trui met het logo van de universiteit op. Haar voeten waren bloot.
      ‘Mijn vader heeft je gestuurd?’
      ‘Ik moet dit bij je afleveren.’ Ik probeerde haar het doosje te overhandigen, maar ze nam het niet aan.
      ‘Oh.’ Ze keek naar het doosje. ‘Kon hij zelf niet komen?’
      ‘Het is druk in het restaurant. We zaten volgeboekt voor de lunch.’ Prompt vroeg ik me af waarom de chef me dan eigenlijk had weggestuurd. Vertrouwde hij me het meest voor deze opdracht of kon ik het makkelijkst in de keuken worden gemist? ‘Gelukkige verjaardag,’ besloot ik maar snel. Opnieuw probeerde ik haar het doosje te geven en opnieuw nam ze het niet aan.
      Ze streek een rode lok achter haar oor, die meteen weer voor haar gezicht viel. Ze kon net zo goed regendruppels proberen weg te slaan. ‘Zeg maar …’ Haar ogen knepen zich samen. ‘Hoe ben je voorbij de opzichtster geraakt?’
      ‘De opzichtster? Je bedoelt die oude vrouw?’
      Ze knikte.
      Beneden was de toegang tot de trap en lift afgeschermd met een kaartscanner. Ik had me dan maar aangemeld bij een onvriendelijke oude vrouw in een kleine kamer. Aanvankelijk had ze me niet willen helpen. Nadat ik haar een bruttibono had laten proeven, was ze bijgedraaid. ‘Ik geloof dat ik haar heb gehypnotiseerd met een koekje.’
      De dochter van de chef glimlachte. ‘Echt waar? Normaal is ze vreselijk streng.’
      ‘Iedereen heeft een zwakke plek.’ Ik opende het doosje. Een verzameling bruttiboni, cannoli en bocconotti lag keurig over elkaar heen geschikt.
      Deze keer nam ze het doosje wel aan. Met haar rechterhand ondersteunde ze de onderkant, met haar linkerhand nam ze een bruttibono tussen haar vingers en bracht deze naar haar mond. Met kleine happen, als een muisje, begon ze eraan te knabbelen. Het duurde zeker een minuut voor ze het koekje op had.
      ‘Lekker,’ besloot ze. Ze likte de kruimels van haar vingers.
      ‘Er ontbreekt er dus eentje.’
      Nu stopte ze een bocconotto in haar mond. Deze at ze sneller op. Daarna bood ze me het doosje aan. ‘Wil jij er een?’
      ‘Dat zou de chef niet op prijs stellen.’
      ‘Is mijn pa zo streng?’
      ‘Niet zo streng als de opzichtster.’ Ik keek op mijn horloge.
      Ik was al een tijd weg van het restaurant en had nog een terugrit voor de boeg. Eigenlijk maakte het niet uit of ik traag of snel zou terugkeren, de chef zou me hoe dan ook verwijten dat ik te laat was. ‘Ik moet maar eens vertrekken.’
      Ze knikte.
      Ik wilde gedag zeggen en naar de lift stappen, maar iets hield me tegen. Het was de manier waarop ze in de deuropening stond. Ze zag eruit als een geklutst ei. Er waren vast leukere dingen dan verjaren tijdens een examenperiode. Ik hoopte dat ze op een of andere manier alsnog kon vieren. ‘Je doet toch wel wat leuks vandaag?’ vroeg ik.
      Ze krulde haar onderlip over haar bovenlip en haalde haar schouders op.
      ‘Een feestje met je studieboeken?’
      ‘En een doos Italiaans gebak.’
      ‘Dat zijn wilde plannen.’
      We keken elkaar even serieus aan en begonnen dan allebei te lachen.
      Ik keek weer op mijn horloge. ‘Doe toch maar wat leuks.’
      ‘Zal ik doen, Dino.’
      ‘Prima. Tot ziens,’ zei ik.
      ‘Tot ziens, Dino.’
      Ik stapte naar de lift. Na twee passen hield ik halt. Hoe wist ze dat ik Dino werd genoemd? Dat had ik haar helemaal niet verteld. Achter me hoorde ik opnieuw haar lach. Toen ik me omdraaide, was de deur al gesloten.


Meer leesfragmenten