Leesfragment: Straatkat - Yasmina El Messaoudi

Straatkat is een ontroerende zoektocht naar een nieuwe thuis: van België over Marokko en Den Haag tot in Brussel. Maar bovenal is het een getuigenis van liefde, zelfreflectie en dat je je eigen plek onder de sterren moet creëren. Lees hieronder de eerste hoofdstukken.


Straatkat
Yasmina El Messaoudi

ISBN: 9789464340587
Prijs: €21,99

Voorwoord

 

Fundamenteel verdriet is een veelkoppig monster dat mensen – zonder enige kans op echt verweer – met huid en haar verslindt, inslikt en weer uitspuwt. Als je daar een beetje van bekomen bent, probeer je met de stukken die er liggen zo goed en zo kwaad als het gaat een nieuwe versie van jezelf bij elkaar te puzzelen. Want na verlies en verdriet ben je niet meer wie je ooit was. Dat kan ook niet. Er is met een sloophamer geprobeerd om je onderuit te halen. Van mensen die uit ervaring spreken, heb ik begrepen dat het verlies van een kind en een ouder – in die volgorde van intensiteit – schokgolven veroorzaken waardoor het woord tsunami wél nog eens van toepassing is: allesverwoestend. Misschien, bedenk ik me nu, heb ik daarom geen kinderen. Ouders kies je niet. Die héb je. In het beste geval zijn ze ook alles waar je niet op had durven hopen. En als ze er niet meer zijn: alles waar je ook niet van dacht het ooit te moeten missen.

Toen mijn beste vriendin me op een donkere decemberdag belde – en dat doet Yasmina niet vaak, dus dan wéét ik dat ik maar beter kan opnemen – om te zeggen dat het
niet goed ging met haar mama, stond mijn wereld stil. Ik vond die uitdrukking altijd overtrokken, maar er zijn dus daadwerkelijk momenten in het leven waarop je stilstaat en verdoofd bent, maar iedereen rond je vrolijk verdergaat. En gelukkig maar, want de hele wereld op je schouders dragen, is vermoeiend en onnodig.

Yasmina’s mama, Mim voor de vrienden, was een vrouw die je had willen kennen. Ze kon − net als haar dochter, maar dat zal u zelf nog ontdekken − een aardig pakje schrijven. Ze leek alles te begrijpen zonder dat ze daar moeite voor moest doen. Ze was het soort vrouw waar je tegenaan wilde kruipen en je hart bij uitstorten. Dat daar een einde aan zou komen, had ik op die decemberdag meteen begrepen. Ik kon alleen maar (mee)huilen.

Al vrij snel drong het tot me door dat ik dit samen met Yasmina zou moeten ondergaan. Dat elk woord dat ik probeerde te verzinnen hol zou zijn, want het proces van de dood is onomkeerbaar. Ik kon haar niet bemoedigend zeggen dat alles goed zou komen, want we wisten allebei dat ik dan zou liegen. Voor iemand als ik die leeft in de overtuiging dat er voor elk probleem een oplossing is, was het ruw ontwaken.

Door de kleine verdrietjes die het leven van Yasmina en dat van mij hebben getekend in de vijftien jaar dat we elkaar kennen, wist ik meteen dat ik haar met die hoop verdriet op haar rug bij momenten zou kunnen verliezen. Dat ze zou vluchten in een wereld waar ze niemand kent en aan niemand verantwoording moet afleggen. Dat heeft ze nodig om in dat andere universum, waar haar mama nog altijd dood is en de wereld dat niet schijnt te begrijpen, te blijven functioneren. En net zoals in het verleden bij gebroken harten of misgelopen carrièrewendingen was gebeurd, zag ik haar ook nu vertrekken.

Ik kon niet anders dan haar loslaten en aan de zijlijn roepen dat ik er altijd zal zijn, en meer onzinnige dingen die mensen uitspreken als iemand even niet gered wil worden. Mim zou gezegd hebben: laat haar maar doen, ze is een straatkat en straatkatten komen altijd terug. Maar het is niet omdat je wéét dat iemand terug zal komen, dat je er op dat moment ook op wil vertrouwen. Maar dat deed ze wel. Met vallen en opstaan, baande ze zich even vaak met als zonder mij een weg naar een nieuw leven, waarin niet elke gedachte aan Mim pijn doet.

Het zette mij aan het denken over hoe ik me op de donkerste dagen probeer recht te houden en wat ik zou doen als fundamenteel verdriet snoeihard aan de voordeur zou kloppen. Zou ik me laten dragen door anderen? Zou ik al die goedbedoelde woorden van al die lieve mensen vervloeken? Zou ik nog iemand graag durven of willen zien? Ondanks de frustratie die ik gevoeld heb doordat ik niets kon doen, zou ik net als Yasmina op de vlucht slaan. De straat op, waar ik niemand lastigval met mijn verhaal. Als een hond die zich laat aaien door een vreemde en koekjes krijgt van de oude man op het terras van de kroeg op de hoek van de straat. Als een straathond, die op zoek is naar liefde en bevestiging, maar die ’s avonds wel bij zijn baasje op de bank gaat liggen.

Daar heb je dus groots verdriet voor nodig: om te snappen waarom de fundamenten van een vriendschap zo stevig verankerd zijn. Omdat we zo slim zijn elkaar te laten doen – ook als dat niet verstandig lijkt − omdat we altijd weer bij elkaar uitkomen. In die momenten pakken we de problemen van het leven aan met de wijsheid die Mim ons heeft bijgebracht. De mantra die ik, sinds ik er het bestaan van ken, altijd met me meedraag: geluk of gelijk. Wil je geluk kennen? Of gelijk hebben? Het zal je verbazen hoe vaak je daar keuzes door kan maken.

Deze straathond, beste lezer, heeft ontzettend veel geluk dat hij die straatkat in zijn leven heeft. Dat zal u na het lezen van dit boek wel begrijpen.

 

Xavier Taveirne


Proloog

 

Als ik terugkijk op het pad dat ik sinds je dood, en misschien al eerder, heb bewandeld, zie ik één verwoestend spoor. Alles wat ik ooit heb opgebouwd, is mee met jou ten onder gegaan. Niet één keer heb ik me afgevraagd waarom. Het was de enige manier om te overleven. Alles stukmaken, tot er geen splinter meer overbleef. Alleen zo kon ik mezelf voorbereiden op de grootste pijn van mijn leven. En dus gaf ik alles op. Het huis, de man, de kat en het leven waar jij zo blij om was.

Een goed leven voor je prinses, zodat je rustig kon gaan, zonder zorgen over waar ik terecht zou komen: dat was het mooiste cadeau dat ik je kon geven voor je dood. En toch heb ik dat niet gedaan. Liever zocht ik de destructie op, verloor ik mezelf omdat ik wist dat het toch ging gebeuren als jij er niet meer was. De navelstreng werd niet doorgeknipt toen ik geboren werd, hij werd doorgeknipt toen jij naast me lag en niet meer wakker werd.

Je bent degene die me het leven gaf. In de letterlijke zin van het woord, maar ook in zoveel meer. Je leerde me liefhebben zonder angst, toonde me de schoonheid van woorden. Je maakte eindeloze wandelingen met me terwijl je geduldig naar mijn dromen luisterde. Je troostte me toen ik alweer ontgoocheld werd in de liefde, en maakte me duidelijk dat een leven samen ook niet altijd over rozen ging. Je leerde me vergeven. ‘Zolang je niet kan vergeven, ben je een gevangene van je eigen haat.’ Het werd je mantra en later ook de mijne. Je liet me los vanaf de eerste dag dat ik geboren werd, tot het einde, toen ik zo nodig naar Den Haag moest, omdat het leven in België me verstikte. Je begreep het niet, maar dat hoefde niet. Je had me vleugels beloofd en zou me altijd laten vliegen. Je liet me zo vaak je kon gaan, maar ik kwam altijd terug. ‘Je bent een straatkat,’ zei je altijd tegen me. Maar wel eentje die je doodgraag zag. Eentje die de wijde wereld in trok, niet kwam toen je riep, niet luisterde naar je waarschuwingen, maar altijd weer aan de deur kwam krabben.

Je hebt me het leven gegeven, in elke mogelijke betekenis van het woord. Maar je zou het ook weer afnemen. Als ik alles stuk maakte wat me ooit gelukkig maakte, zou de pijn van jou te verliezen dragelijk zijn.

Vandaag ben je drie maanden dood. Ik ook.


Deel 1

Voor haar dood

 

Begin december, de diagnose

Mijn wangen zijn zachtroze van opwinding, of dat stel ik me toch voor. In werkelijkheid zijn ze nog even olijfkleurig als altijd. De nieuwe job en collega’s passen me als een handschoen. Boeiend werk en lieve mensen met wie ik vanavond het einde van het jaar vier. Nog een beetje te vroeg, maar als de kerstvakantie eenmaal is begonnen, is het hopeloos om iedereen bij elkaar te brengen. Ik kijk naar de mensen om me heen die ik nog maar twee maanden ken, maar met wie ik intussen het grootste deel van de dag doorbreng. Stuk voor stuk verschillende karakters, maar elk getalenteerd en gedreven. En grappig, zó grappig. Als er één gemene deler is op de redactie waar ik nu werk, dan is het wel humor.

 

Voor we met z’n allen op restaurant gaan, moet er nog gewerkt worden. Met een kommetje chips en een glas bubbels op ieder bureau is het toch al een beetje feest. We grappen over de feestkilo’s die er een maand voor kerst al aanzitten, over zwangerschapsbroeken die we standaard zouden moeten dragen, en over de foutste cadeaus die we ooit hebben gekregen. Ik wil net mijn koptelefoon opzetten om een interview te verknippen als ik telefoon krijg. ‘Muttie & Vattie’ verschijnt op het scherm en ik besef dat mijn moeder me nog ging bellen om dit weekend af te spreken.

‘Slecht nieuws,’ zegt ze met een bibberige stem. Ik voel de wereld om me heen vertragen. Mensen die een auto-ongeluk hebben meegemaakt vertellen soms dat ze de klap al zagen aankomen nog voordat die plaatsvond. Dat ze zich schrap zetten voor de immense pijn die gaat komen, en dat het een eeuwigheid lijkt te duren vooraleer ze te pletter slaan. Zo gaat het ook bij mij. Ik hoor de woorden waar ik me al een heel leven op probeer voor te bereiden: slecht nieuws.

‘Hoe bedoel je?’ vraag ik luchtig. Ik maak mezelf wijs dat als ik opgewekt blijf, het niet zo erg zal zijn. Een beetje zoals je een kind sust dat net op zijn knietjes is gevallen en een lelijke wonde heeft. Niet erg, schatje, dat gaat zo over.

‘Ik heb pancreaskanker,’ antwoordt ze.

Mijn hersenen draaien op volle toeren.

‘De dokter geeft me nog een jaar. Er is niets wat hij kan doen.’

 

Ik ga zitten op de rode sofa in de inkomhal van de redactie, waar ik een jaar later nog steeds niet naar zal kunnen kijken. ‘Hoe bedoel je?’ vraag ik nog eens, in de hoop dat er sowieso een oplossing is. ‘Wat ik zeg,’ snikt ze. ‘Ik ga dood, schat, en ze kunnen er niets aan doen.’ Mijn hersenen zijn intussen gesmolten door de woordenlava. De rest van het telefoongesprek heerst er een leegte in mijn hoofd. Het enige wat ik me nog herinner, is dat ik even later in de toiletten water in mijn gezicht plens, in de spiegel kijk en vaststel dat ik voor de eerste keer in mijn leven bloos.

Den Haag, de zomer voor de diagnose

Ik denk oprecht niet dat ik mijn moeder ooit gelukkiger heb gezien dan vandaag. Ze zit naast me, op een strandstoel en met een boek op haar schoot. Haar gezicht is naar de zon gekeerd als een bloem die het licht opzoekt. Ze zucht gelukzalig, haar krullen slaan af en toe in haar gezicht, en haar handen rusten op de rug van haar boek. Ze is niet van plan om ook maar één pagina te lezen nu ze geniet van de rust en het prachtige uitzicht van het uitgestrekte strand in Den Haag. De plek die het afgelopen jaar mijn thuis was. Dat ze net nu zo gelukkig is, blijkt nadien alleen maar wreed. Want drie maanden later zal ze horen dat ze doodgaat. Misschien maar goed dat we het toen niet wisten, op dat Nederlandse strand, waar we niet meer nodig hadden dan de zon, de zee en elkaar.

Dat geluk zo kort kan duren, wisten we toen nog niet. Dat het zo broos is als de schelpen die kraken onder onze voeten als we in de richting van de zee stappen. Mijn moeder alleen met de voetjes in het water, want ze is bang om te zwemmen. Dat is ze altijd geweest. In een vorig leven is ze vast verdronken, zegt ze er altijd bij.

Dat geldt niet voor mijn vader. Hij duikt enthousiast en zelfverzekerd de zee in, en waant zich even weer in de Middellandse Zee. Zijn glimlach straalt in de zon, hij zwaait vrolijk en verdwijnt dan als een aalscholver in de golven, waar hij altijd leek te horen. Een kind van de zon en de zee, mijn vader. Ook al is hij duizenden kilometers verwijderd van zijn land.

Mijn moeder en ik keren terug naar onze strandstoelen, die onaangeroerd zijn gebleven. De handdoeken bollen af en toe op onder de wind, om vervolgens weer rustig te landen op de zachte ligkussens. We zijn klaar om ons te koesteren in de warmte van de zon.

 

Mijn moeder is zo blij dat ik weer naar huis keer na een jaar in een andere stad. Den Haag is niet ver, maar een jaar lang hadden we elkaar niet gezien. Omdat ik afstand wilde. Niet per se van haar, maar wel van het leven dat ik leidde. Van de druk van een carrière, de teleurstellingen die een job in de media met zich meebrengt, en de relatie waar ik tijd voor wilde afkopen. Of het afscheid eigenlijk.

Zowel mijn vriend als ik wisten al langer dat het niet werkte. Dat we niet bij elkaar hoorden. Dat we ieder een andere toekomst wilden. Maar we spraken het niet uit omdat we het naderende afscheid nog niet aan konden. Den Haag was een laatste reddingspoging. Samen op avontuur vertrekken. Hij, afkomstig van de stad, en ik, een grote liefde voor de sociale en open houding van de Nederlanders. Misschien komen zij nog het dichtste in de buurt van de mediterraanse hartelijkheid die ik onbewust mis. Het leek de perfecte plaats om onze relatie een nieuwe kans te geven.

Maar het is anders gelopen. Net voor we wilden vertrekken, kreeg hij een jobaanbieding in Brussel. Ik had mijn freelancewerk al opgegeven. Er was geen weg terug. Ik die zou thuisblijven voor zijn nieuwe carrière of hij die deze werkkans zou laten schieten voor een avontuur in Den Haag: wat we ook beslisten, het zou alleen maar voor frustraties zorgen. En dus vertrok ik alleen. Voor een jaar. Zonder vooruitzichten op een job, nieuwe vrienden, kennissen of om het even welke vorm van sociaal contact. Geen huis, vriend, kat of auto, maar alleen mezelf en een appartementje − dat had ik gelukkig wel. Maar verder was het een sprong in het duister. Ik zou vertrekken voor een jaar en niets zou ooit nog hetzelfde zijn. Niet voor mij, mijn vriend, het huis, de kat. En niet voor mijn moeder.µ

 

Dat wisten we op dat moment nog niet. Daar, op het strand van Den Haag, op wat de mooiste zondag van mijn leven zou blijken te zijn. Met mijn moeder naast mij die met gesloten ogen genoot van de zon, de zeebries en de gedachte dat haar straatkat eindelijk weer naar huis zou komen. Mijn vader die de woeste golven trotseerde, soms zo lang onder water bleef dat ik bang werd, maar dan als een dolfijn uit de zee kwam gesprongen. Zichtbaar gelukkig, ook al was zijn gezicht een speldenkop groot. Het was daar voor de laatste keer dat we genoten van een moment van onbezonnen geluk. Het zou daarna nooit meer gebeuren.


Meer leesfragmenten