Leesfragment: Niet mijn lichaam - Hedwig Selles

Niet mijn lichaam is een wrange maar ook hoopvolle roman, geschreven in een eigenzinnige, krachtige en poëtische taal. Lees hier de eerste hoofdstukken uit de debuutroman van Hedwig Selles.


Niet mijn lichaam
Hedwig Selles

ISBN:9789464341003
Prijs: €22,50


1

Dit was een aangekondigd bezoek. Ze hadden me op zaterdag een brief gestuurd die ik niet eerder dan maandag opende.
Vervolgens spoelde ik de brief door het toilet. 
       ‘Mag ik binnenkomen?’
       Ik knikte en nam de natte spullen van het herderinnetje aan. Een joviale bui had haar vergezeld.
       ‘Dank je, ik ben Fanny,’ vervolgde de jonge vrouw. Ze knipperde even met haar linkeroog.
       ‘Ik heet Carlotta,’ zei ik.
       De zware jas hing ik op.
       ‘Je woont hier mooi.’
       ‘Dat komt door de rivier,’ antwoordde ik zacht.
       Ze negeerde het panoramische zicht op de rivier. Haar linkeroog kwam tot rust.
       ‘Carlotta, ik heb begrepen dat je een huisdier hebt? Zelf heb ik een opleidingshond: Gijs.’
       Ze had zich voorbereid, ze deed haar best om met mij een band te smeden.
       ‘Daar,’ wees ik om verwarring te voorkomen, ‘mijn opleidingskonijn, Broodje.’
       Haar mobiel begon te jengelen in haar tas. Vluchtig keek ze naar de hoek van de kamer, waar Broodje zat, maar haar
aandacht was bij de ringtone. Een nieuw schaapje mekkerde.
       Het herderinnetje herhaalde onnozel: ‘Broodje? Je bedoelt Brood?’ Ze lachte.
       Dat was geen echte lach, het was arrogantie. Het was me een raadsel waarom ze naar mijn konijn vroeg, maar het niet wilde zien. Het uitzicht evenmin. Haar mobiel kwam maar niet tot bedaren.
       ‘Sorry, Carlotta, de telefoon. Dat neem je me toch niet kwalijk?’ Fanny keek op van haar telefoonscherm. ‘Ik moet weg.’ Er liep blijkbaar een ander schaapje kreupel. 
       Ik zweeg. Ik zou niet weten waarom ik iets zou willen zeggen als haar telefoon een beroep op haar deed en ze zelf de
beslissing nam om naar een andere wereld te vertrekken. 
       Het regende nog steeds. Stomdronken wolken hadden op haar gewacht. Bazige scooters zochten ruzie met fietsers, ik kon het allemaal zien vanuit mijn flat. Fanny haastte zich naar kantoor en daarna zou ze naar huis gaan. In de keuken zou Fanny zich volproppen. De stille stofzuiger in haar zoog alles op wat er in de koelkast stond. De plakjes rosbief, de tartaar, zelfs de lobbige kippenlevers. De rauwe structuur perfectioneerde de duikvlucht van de orgaantjes naar haar lege maag. Vervolgens dronk ze zoveel melk dat alle orgaantjes verzadigd raakten.


2

Zes weken eerder scheen de zon zo krachtig dat ze zelfs binnen de muren van het gerechtsgebouw vat had gekregen op de kamerplanten – streepjes bruin verschenen aan de randen van de bladeren. Het lukte me niet onzichtbaar te blijven in het felle licht tijdens de zitting. De rechter leek op mijn oude wiskundeleraar, een dunne maraboe die kaarsrecht door de klas
liep. Daaraan ontleende hij gezag, stap, stap, stop, stap, stap, stop.
       ‘Kijk naar deze vergelijking, je hoeft er niets bij te voelen.’
       Ongemakkelijk keken we naar het bord en schoven heen en weer op onze stoelen. Ik ging op mijn handen zitten.
       Mijn advocate, Janna, vond dat ik bij de rechtszaak aanwezig moest zijn, dat maakte een betere indruk. Af en toe knikte ze me bemoedigend toe, met plooitjes in haar smalle gezicht. Ze verdedigde mij, maar niet mijn daad.
       ‘Je mag verzachtende omstandigheden niet verwarren met rechtvaardigheid of vergeving,’ zei de rechter. ‘Het valt moeilijk
te rechtvaardigen. Je hebt zelf de beslissing genomen om de duivel uit te hongeren.’
       Dat laatste over de duivel zei hij niet.
       Janna, die mij al vanaf het begin bijstond, sprak over de beperktheid van een vrije wil. Dat de basaalste dingen over een vrije wil nog onbekend zijn. En dat ik een herderinnetje nodig had en geen slaag. Vroeger werd ik niet geslagen, omdat ik me
trappelend en springend had voorgenomen heel erg mijn best te doen. En omdat ik mijn aardse vader beloofde om voor het
slapengaan nogmaals de hemelse Vader vergeving te vragen. ‘Oké,’ zei God met een zware stem, ‘Ik vergeef je, maar bewijs de volgende keer dat je Mijn vergeving waard bent.’ Buiten de rechtbank was het een gekkenhuis, overal waren − ondanks de buitensporige hitte − journalisten. Ik zag geen bekenden. Wat er gevraagd werd aan de advocate fladderde bij mij vandaan, het werd een gesprek van niets. In de auto vroeg Janna me of het ging.
       Ik knikte.
       Muisstil luisterde ik naar wat Janna mij vertelde. Volgens haar was zowel de officier als de rechter diep geraakt door het
verhaal over mijn levensvatbaarheid. Evenwel hadden zij als taak de maatschappij tegen mij te beschermen. Daarom kreeg ik Fanny toegewezen, een herderinnetje.

 

Een week na haar eerste bezoek lichtte Fanny alle veranderingen toe en wat ik kon verwachten. Na een uur waren we wel uitgepraat over de resocialisatie, de begeleiding en de winkel waar ik zou gaan werken.
       Fanny liet een pragmatische, lange stilte vallen.
       ‘Carlotta, je zus Helga heeft contact met ons gezocht.’
       ‘Dat kan niet.’
       Mijn herderinnetje had moeten bedenken of het erger is om iets na te laten of om iets te doen.
       ‘Onmogelijk, mijn zus.’ Draaierig keerde ik haar mijn rug toe en zweefde gewichtsloos weg.

 

Ik zag mijn zus voor me, een ernstig meisje met bruin haar. Ze lag met haar gezicht tegen het tentdoek aan gedrukt. Tussen
onze luchtbedden stonden boeken en toilettassen. 
       ‘Helga, heb je de trampolines al gezien? En het meertje?’ vroeg ik.
       Een smal meertje, het water zo intens koud en helder dat je het kon drinken.
       Helga kende mij niet, want we hadden volgens haar nooit neus aan neus in de box gelegen. Net zoals mijn vriendin Inger borsten had gekregen en ik niet. Beiden hadden zich tegen mij gekeerd.
       ‘Zal ik een glaasje water voor je halen?’ De stem van Fanny.
       Ik wilde dat ze vertrok, ze deed alsof ze het begreep. Bijna teder legde ze haar hand op mijn hete rug. Op dat ogenblik keek Inger naar mij. Bijna brak ik door de jonge grens die onze werelden gescheiden hield.
       ‘Morgen neem ik weer contact met je op, Carlotta,’ zei Fanny zacht. Ze keek me aan met een open blik. ‘Morgen,’ herhaalde ze, alsof ze verwachtte dat over vierentwintig uur mijn begrip van tijd en ruimte hersteld zou zijn.
       ‘Fanny,’ wilde ik zeggen, ‘wat weg is, is weg of het keert zich tegen je.’ Dit wist ik omdat mijn leven keihard tot stilstand was gekomen tegen een onverzettelijke muur, een historisch oude muur die door duiven bescheten was. Giftige stront vol bacteriën en schimmels, zelfs het westnijlvirus kreeg voet aan de grond.


3

De dikke duif schommelde langs het raam. Ze stopte en haar oude schaduw probeerde naar binnen te glijden. Toen die niets
zag, probeerde de dikke duif met een sleutel de deur van het hoge huis te openen.
       Het duurde even voordat ze haar duivenbuik de hal in had gedraaid. Achter de jassen aan de kapstok kneep ik mijn vingers
wit. Ik hoorde het gepruts gespannen aan, want vanuit de zitkamer was ik naar de gang geslopen in de hoop ongezien naar boven te kunnen sprinten.
       ‘Wat doe jij nou daar?’ pikte ze me achter de gewatteerde parka vandaan.
       ‘Wat doet u hier?’ vroeg ik.
       Haar bolle ogen zochten een plek op het plafond. ‘Waar is je moeder?’
       Ik liet de stilte die viel groeien. Gek werd ik van de dikke duif die altijd achter mijn moeder aanjoeg. En als ze haar niet kon vinden, pikte ze bij voorkeur op mij.
       ‘Dag vader en dag moeder, dag zuster Ursula,’ zong ik treiterig.
       ‘Jij moet eens leren je mond te houden,’ zuchtte mijn oma. ‘Zeg je moeder dat ik kervel voor haar heb.’
       Aan het eind van de middag kwam mijn moeder thuis, buiten adem van het vliegen. Te druk om te gaan zitten, dronk ze staand tegen het aanrecht een beker melk. Ik draaide om haar heen en las wat er op het pak halfvolle melk stond. ‘Een
natuurlijke bron van calcium.’
       ‘Waar is de karnemelk gebleven?’ vroeg ze me.
       ‘Heb ik weggegoten, er zaten klontjes in. Mama, Inger is jarig vandaag,’ zei ik en ik keek naar mijn moeders gezicht. ‘Ik heb geprobeerd haar te bereiken, maar ze neemt niet op.’
       Natuurlijk wist ze dat Inger jarig was.
       ‘Ga je aan je huiswerk?’
       Ik gaf de lege beker op het aanrecht een zetje. Dat van de kervel vertelde ik niet. Dat moest de dikke duif zelf maar uitzoeken
met mijn moeder. Kervel en karnemelk, getver.
       Zuchtend liep ik de gang door en hees me de trap op. Ik treuzelde op de eerste verdieping en dronk te veel water bij het fonteintje op de overloop. In Ingers huis waren geen verdiepingen of trappen, daar kon je gewoon doorheen rennen. De tweede trap nam ik nog langzamer want het water klotste in mijn buik. Zwaar liet ik me op mijn kajuitbed vallen. De zure oplossing stroomde fanatiek terug en dwong me het weer weg te slikken. Klontjes in de karnemelk, kervel, Inger, de dikke duif. Ik trok mijn benen op en knelde mijn armen om mijn benen. Die liet ik niet meer los totdat ik zeker wist dat Ingers verjaardag voorbij was. Met ongevouwen handen prees ik God, dankte Hem voor alle zegeningen en vroeg of het snel morgen mocht worden.
       ‘Ere zij God, dank voor de voedzame maaltijd, morgen is nu.’
       Die nacht droomde ik over de schoolkrant en dat de redactie vol lof was over mijn kopij. ‘Uitstekend gedaan, Carlotta, we hebben jouw bijdrage nog kunnen verwerken. Het maakt voor ons geen enkel verschil dat je nog maar in de onderbouw zit, want je hebt een typediploma.’

 

Op weg naar school regende het en ik zag ze door een gordijn van druppels fietsen. Inger had een groene ribfluwelen broek aan en een spijkerjas. Ditte een spijkerbroek en houtjetouwtjejas, haar lange, blonde haren plakten aan haar rug. Ze hadden niet op mij gewacht en droegen geen regenkleding. Onder mijn gele poncho vandaan probeerde ik iets op te vangen van hun gesprek. Maar zowel hun woorden als het water vielen in de overvolle plassen, op hun gelach na. Om dat niet te hoeven horen, begon ik een gesprek met mezelf.
       ‘Hallo Carlotta uit de onderbouw. Wist je dat Inger jouw gedichten heeft ingestuurd?’
       ‘Ja, ze is mijn beste vriendin.’
       ‘Ze zei dat je een perfecte medewerker zou kunnen worden en dat je zelf een typemachine hebt.’
       Oh, wat zou Ditte balen als ik de kopij zou mogen uittypen.
       Zelf schreef ze korte, grappige verhalen. Als we ze bespraken in de klas moest iedereen altijd lachen. Ditte was goed. Ditte was beter dan ik. Daarom heeft Inger gisteren haar verjaardag gevierd samen met Ditte. Wellicht waren er ook jongens bij geweest en hadden ze ABBA-plaatjes gedraaid op Ingers kamer. Ze hadden gedanst en naar elkaar gekeken en tegelijkertijd
hadden ze elkaars dansbewegingen begrepen.
       Ik kreeg een hol gevoel vanbinnen op het moment dat ik de school binnenliep. Mijn droom had verwachtingen gewekt en op de tafel bij het grote mededelingenbord lagen stapels paarse schoolkrantjes. Schijnbaar onverschillig nam ik er een van de stapel en liep naar de wc. Ik durfde niet te kijken naar de inhoudsopgave, dus sloeg ik die over.
       ‘De zeilwedstrijd’ vormde de opening, een verhaal van Ditte Fennekotte.
       Snel bladerde ik door, het kon nog, mijn gedicht ‘Zonder titel’. Ik had het vrij vertaald uit een Frans kinderboek en het her en der wat aangepast. Dat wil zeggen: het gedicht was te lang en ik had het ingekort en geen titel gegeven om herkenning te voorkomen.
       Pagina 33. Mijn gedicht. Er was een plaatje van een zee en een ondergaande zon bij getekend.

 

Carlotta Meijer.

Opgerold in de golven
Wiegen we om en om
Spoel ik niet aan
Want wij werden
Door water bedolven.

 

Verrukt staarde ik naar de regels. God is groot, dacht ik, ik geloofde dat Hij mij had gezegend.
       Ik bleef zitten op de wc, ik had er wel de hele dag willen zitten.
       Totdat iemand tegen de wc-deur schopte. ‘Schiet eens op, of moeten we de tuinkabouter halen om de deur te openen?’


4

‘Leuk, dat verhaal van onze Ditte,’ begon ik tegen Inger in het fietsenhok na het laatste uur. ‘Heb je het al gelezen?’
       Inger keek zoekend om zich heen.
       Uit mijn tas haalde ik de schoolkrant. ‘Ditte is echt grappig, vind je niet? Ik heb ook iets lolligs meegemaakt. Toen jij ziek was, ging ik alleen naar Sollie met de sax.’
       ‘Oh.’
       ‘We hebben gezoend,’ loog ik.
       ‘Ja dahag. Is niet waar.’
       ‘Wel waar, nadat ik nummer zestien foutloos heb gespeeld.’
       ‘Je liegt.’
       Helemaal waar was het niet, maar het was ook niet honderd procent gelogen. Onze saxofoonleraar Sollie en ik hadden
samen nummer zestien uit het lesboek foutloos gespeeld en daarna hadden we gekletst tot het uur voorbij was. Meneer Sollie was een spannende man die je aankeek alsof hij wist hoe groot je borstjes waren. Wat hij over ons dacht, of hij ons knap vond… Inger en ik konden er uren over doorgaan. Op haar kamer schoven we de matrassen tegen elkaar aan en dan schreven we in onze dagboeken over Sollie en onze knobbelborsten. Die deden hartstikke zeer terwijl ze onze lichamen veroverden. Je moest ze beschermen tegen de snertjongens en hun rugtassen tijdens het wisselen van lokalen. Inger kon met zwarte kohllijntjes haar ogen omtoveren tot lasers die ze afvuurde op die snertjongens. Ze bleven uit haar buurt zonder zich aan te stellen. Inger had nog iets wat ik wilde hebben naast een kohlpotlood: guppy’s en een moeder met rust en overzicht.
       Ze woonden in een flat met een fraai uitzicht over de wereld. Alles in de flat stond met elkaar in verbinding: de hal met de woonkamer, de wc, de douche, de appelshampoo, de keuken. In de keuken de koelkast, met daarin de roze gelpudding die op instorten stond. De Brintapap in de ochtend die snel opsteef, vastkoekte op het bord, waarna Ingers broer Lucas met een lepel de restjes ervan afschraapte. 
       ‘Trouwens, je krijgt een bolle kop van die saxofoon,’ zei Inger terwijl ze zich omdraaide.
       ‘Sorry dan,’ zei ik en ik keek naar de drukte in het fietsenhok. Het leek alsof iedereen op hetzelfde moment vertrok. Er werd geduwd en getrokken, met halve en hele beschuldigingen.
       De conciërge stond met zijn handen op de rug toe te kijken. Aan zijn formaat en baard ontleende hij zijn bijnaam: de tuinkabouter.
       ‘Mag ik mijn Billy Bradleyboeken terug?’
       Ditte had ons gevonden en bond haar tas op de bagagedrager van haar omafiets. Mijn fiets had ik groen geschilderd. De verf was nog altijd niet droog, omdat het verkeerde verf was. Groene buitenverf voor schuttingen en kozijnen.
       ‘Ik ben het hartstikke zat,’ wilde ik schreeuwen.
       Die vieze groene plakverf zat aan mijn vingers.

 

Toen ik thuiskwam, was het stil. Mijn zus, of de persoon die zich daarvoor uitgaf, zat in de serre, omringd door stenen, touw en lapjes stof. Ze droeg haar bruine lok voor haar ogen, waardoor je nooit zeker wist of ze naar je keek.
       ‘Kijk eens, ik sta in de schoolkrant.’ Het paarse blad wapperde ik voor haar gezicht.
       Mijn zus stond op en opende de serredeur naar de tuin. Het was een diepe tuin die grensde aan een verwaarloosde schutting.
       Ik liep achter mijn zus aan. ‘Zal ik voorlezen wat ik geschreven heb?’
       In de schuur zocht mijn zus naar iets wat ze niet kon vinden. Ik deed het licht voor haar aan en citeerde uit mijn hoofd:
‘Opgerold in de golven…’
       Het zinloze van wat ik deed, drong opeens tot me door. Ik liet haar met rust. Mijn zus had dringendere zaken te doen en ik had een bolle kop.
       Mijn zus zei: ‘De dikke duif ligt in het ziekenhuis, tenminste, mama is er met haar naartoe gegaan.’
       ‘Dikke duif’ zei ze niet, mijn zus toonde respect voor onze grootmoeder met de dubbele onderkin. En mijn grootmoeder liet de eerstgeborene van haar eerstgeborene met rust. Tegen haar bitste ze niet: Zus, ga eens rechtop zitten! Of: Breng me een bord linzen. Mijn afkomst zat anders in elkaar dan die van mijn zus. Helga werd afgeleverd op Eerste Kerstdag terwijl de engelen jubelden ‘Komt, verwondert u hier, mensen’ en mijn vader, een lange, ernstige man, zijn laatste pijp rookte. Anderhalf jaar later werd ik opgevangen door dezelfde lange, ernstige man die tegen mijn moeder zei: ‘Het spijt me, maar hier is er nog een. Ik kon haar niet aan de kant van de weg laten staan.’ Hij zag mij met mijn vriendinnetje Inger op de kermis muntjes verzamelen met ons dierenorkest: een tokkelende hamster op de ukelele en de twee witte konijntjes die stampten, boemboem. Totdat Inger door haar ouders meegenomen werd en ik overbleef met boemboem en de ukelele. De hamster was hem gesmeerd. De lange man nam me mee naar huis, hij wilde zijn vogelvrouwtje blij maken. Het vogelvrouwtje was een somber kauwtje dat snel last had van haar zenuwen. Het lukte haar niet om aanminnig tegen anderen aan te gaan zitten, omdat ze tussen haar zwarte veren zocht naar wat ze kwijt was.
       De boemboems maakten haar gek, ze moesten allemaal in één keer weg. Ik spuwde vuur en slikte degens, want ze hoorden
bij mij.
       Boven het kauwtje stond een dikke duif. Ze mengde zich in elk gesprek. Ze pikte naar mij, ‘ja, jij daar’, maar de dikke duif wist nog niet dat ik een geoefende degenslikker was en zelfs vuur spuwde op het moment dat niemand het verwachtte.


5

De dikke duif was gevallen omdat ze tijdens het stappen haar voeten niet goed optilde. Mijn moeder had haar gevonden in de natte, koude tuin en had meteen de ambulance gebeld, die oma naar de eerste hulp had gebracht.
       ‘Ik keek recht op het bot,’ vertelde mijn moeder zodra ze thuis was, haar stem hoog en schril. ‘En ze voelde er niets van!’ Dat laatste bleef ze herhalen. De ontsteking had het bot aangetast zonder dat de dikke duif er iets van voelde. Dat was het
probleem, dat ze niets voelde. Mijn moeder trok aan de losse velletjes van haar ringvinger.
       ‘Trek daar niet aan,’ zei ik, ‘dat is vies.’
       Ik zag hoe de velletjes van haar rok op de grond vielen.
       ‘Afgrijselijk, ik keek recht op het bot.’
       ‘Dat heb je al gezegd.’
       Mijn moeder begon te huilen. Het geluid dat ze maakte verspreidde zich over het hele huis. Vroeg of laat werd alles erbij betrokken. Dan kreeg zelfs de karnemelk klonten.
       ‘Neem een paracetamol en ga lekker naar bed,’ stelde mijn vader voor. ‘Carlotta kan de tas met schone was wel naar het
ziekenhuis brengen.’
       ‘Dat kan zij ook doen,’ wees ik naar mijn zus, die in een boek zat te bladeren. Natuurlijk slaagde mijn zus erin afzijdig te blijven.
       ‘Goed, Carlotta, dan zal je zus het wel doen,’ zei mijn vader.
       Mijn moeder snufte: ‘Max, Helga moet studeren.’
       ‘Dan doe ik het wel weer.’ Ik liep naar de gang om de tas te pakken. Ik had toch geen zin om aan mijn huiswerk te beginnen,
een berg biologie en aardrijkskunde. En ik was er zo.
       Een kwartier later kwam ik in het ziekenhuis aan. Op de fiets was je er sneller dan met de auto. Overal in het ziekenhuis
brandden de lichten, door de laaghangende wolken was het vroeg donker.
       De duif leunde in het kussen, ze had haar ogen dicht. Eigenlijk lag ze meer dan ze zat. Aan het voeteneind stond een
dekenboog, die ervoor zorgde dat er niets op haar voet drukte. De tas met schone was en de toiletspulletjes en de schoolkrant
schoof ik in het nachtkastje, daarna probeerde ik onder de dekenboog te gluren.
       ‘Je wilt het zien?’
       De dikke duif was heel rustig, rustiger dan ik haar ooit had gezien.
       ‘Bent u wakker?’
       ‘Ja, ik hoor alles.’
       ‘Mag het?’
       ‘Je doet het toch.’
       Om niet gestoord te worden, trok ik het scherm om het bed dicht. Ik sloeg de deken weg en zag een groot gat aan de zijkant van haar voet. Het leek op een verticale mond, met vochtige lippen en een beetje schuim. Er kwam een zuchtend geluid uit.
       ‘Heeft u het suikerverbod overtreden?’
       Overdag at de dikke duif suikervrij, maar in de nacht ging ze illegale appelflappen bakken.
       ‘Ze zetten er maden op,’ zei mijn oma, ze sprak een beetje onduidelijk, ‘van een groene vleesvlieg.’
       Had ik het soms niet goed verstaan?
       ‘Echte vliegen?’ Dit zou Inger nooit geloven. De daden van de maden. Het rijmde als een gedicht.
       ‘Wil het bezoek afscheid nemen?’ De vraag werd gesteld door iemand met een lage stem die de zaal in liep.
       Snel legde ik de deken weer op zijn plek. Net op tijd, want de zuster schoof het bedscherm weg.
       ‘Ga je naar huis, meisje?’ vroeg ze. Het was een grote zuster met hangogen. Haar verpleegstersjurk spande om haar lichaam. ‘Het bezoekuur is eigenlijk al afgelopen.’
       Ze liep weer naar het midden van de zaal, waardoor je pas goed zag hoe strak die jurk zat. Haar onderbroek tekende zich af onder de stof.
       ‘Vraag aan je moeder of ze morgenmiddag komt,’ sprak de dikke duif, die haar ogen inmiddels weer had gesloten.
       ‘Als ik het niet vergeet,’ antwoordde ik. ‘Ik heb namelijk nog een berg huiswerk liggen.’
       In het halfdonker reed ik terug naar huis. De plassen glinsterden op de weg. Ik dacht aan de maden en de daden van Gods schepping, waardoor de zuster leek op een sint-bernardshond en de dikke duif haar voet wellicht moest missen. Spannend.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Lissabon - Bart Stouten

In het slotdeel van zijn essaytrilogie, dat een apologie is van de poëzie in zijn leven, dringt Bart Stouten zijn slaapbewustzijn binnen. Dit boek is voor mensen die een 'ander' Lissabon willen ontdekken. Lees hier een fragment.

Lees meer »

Leesfragment: Rebels - Ann Peuteman

Oude mensen zitten het liefst in hun luie stoel voor tv met een dekentje over hun knieën. Met dat beeld voor ogen bedenken we constant allerlei theorieën en projecten om hun leven zo comfortabel mogelijk te maken. Daarbij vergeten we keer op keer aan die ouderen zelf te vragen of dat wel echt is wat ze willen. In Rebels gaat Ann Peuteman in gesprek met rebellen op leeftijd. Elk op hun eigen manier verzetten ze zich tegen betutteling, doen ze er alles aan om gehoord te worden en vertikken ze het om oud te worden. Hier lees je het woord vooraf van Rebels. Het verzet van 75-plussers.

Lees meer »