Leesfragment: Lissabon - Bart Stouten

In het slotdeel van zijn essaytrilogie, dat een apologie is van de poëzie in zijn leven, dringt Bart Stouten zijn slaapbewustzijn binnen. Dit boek is voor mensen die een 'ander' Lissabon willen ontdekken. Lees hier een fragment.


Lissabon
Bart Stouten

ISBN:9789464341386
Prijs: €24,50


In het slotdeel van zijn essaytrilogie, dat een apologie is van de poëzie
in zijn leven, dringt Bart Stouten zijn slaapbewustzijn binnen. Hij
markeert het begin van zijn pensioen met een reis naar Lissabon. Een
droomtekst vol verbeelding voert ons naar het hart van de stad van
Pessoa en Herman de Coninck. Hij denkt na over zijn beminde dichters
en poëtica’s, ontmoet ook een Iraanse jongen met de naam van een groot
dichter: Nima. We komen bij de bron van Stoutens liefde voor de poëzie.
Naast bekende stemmen weergalmen ook die van minder bekende
namen, zoals de Australische Jennifer Maiden. Verzen omhelzen de
kunst van het niets-laten-liggen, het nergens-aan-voorbijgaan. In deze
sensuele tekst vol Portugese coulour locale ontmoeten poëzie, essay en
roman elkaar. We bladeren met Stouten door zijn protopoëtische ervaring.
Alles is ‘in wording’ hier: ook het idee over een tekst rond poëzie
zelf. Het pure leesplezier blijft over.


Ten geleide

Dit is een boek voor mensen die graag een beetje dichterlijk denken, een beetje dromen terwijl ze lezen, terwijl ze verlangen naar Lissabon. Het is een boek voor mensen die een ‘ander’ Lissabon willen vinden, een stad waar je verliefd kunt worden op iemand die je er toevallig ontmoet, een stad die de aanleiding wordt om terug te blikken op je leven of, zoals in mijn geval, op je carrière die net voorbij is, op dichters die meereizen in je hart.

Ik heb dit boek geschreven omdat ik er jarenlang van gedroomd heb. Een boek dat aanvoelt als een droom, over liefde voor een taal die uit haar voegen barst nadat ze ons, meanderend naast ons, heeft meegenomen op een rustige wandeling door de vertrouwde werkelijkheid.

Het is een boek dat inspireren wil, met namen van plaatsen en gebouwen en dichters. Als er één gebouw is dat de lezer intrigeren zal, één plaats, één dichter, zal ik blij zijn dat ik het boek geschreven heb. Ik zal me herinneren waartoe dromen dienen en me bij het wakker worden uit de ogen wrijven om zeker te zijn dat de realiteit blijvend veranderd is. Dankzij Lissabon.


Deel 1: Het gewicht van Lissabon

Als ik de pijn van de bevalling wil ervaren, moet ik dit boek voltooien.
       De tekst, ‘het ding’, is gegroeid, langzaam, heimelijk, in het vruchtwaterduister van de poëzie van mijn leven. Ik ben klaar om het snoer door te knippen. Om het boek los te laten op u, de lezer. Het boek, een proces-verbaal van mijn ervaring hier in
Lissabon. De ervaring van een liefde die ook een pijn is. Een liefdespijn. Kluwen van onzekerheden en twijfels die me naar de rand van een afgrond hebben gebracht. Nog maar eens. Een mislukking die ik eerst niet, en dan weer wel, benoemen wil. Want ik ben een dichter.

Ik schrijf deze woorden in Lissabon, op een afgelegen, intiem en prachtig doodlopend plein in de decadente Mourariawijk. Ik heb buiten op het woonplein een tafeltje gekregen. Het leunt aan tegen de grote vierkante stenen trappen die uitlopen op een muur met een grote inktvismonstergraffiti. Ik zit aan het geïmproviseerd tafeltje van de piepkleine Food Temple tapasbar, aan het godvergeten, klimmende, oude, melancholische saudade ademende Beco do Jasmim-straatje. De chefe de cozinha is een no-nonsense Canadese dame die jarenlang restaurants gerund heeft in Australië. Ze wijst op mijn kombucha, de mysterieuze thee die ik ronddraai in het glas.

       ‘Gemaakt op basis van groene thee,’ zegt de vrouw, met een accent dat Vancouver verraadt. Ze zitten in mijn oude reisherinneringen, die afgeronde samengevoegde klinkers die me achtervolgden in het zuidwesten van Brits-Columbia. ‘Ik voeg er geraffineerde suiker aan toe. Die laat ik twee weken fermenteren met een soort theeschimmel.’
       ‘O,’ zeg ik. Ik probeer neutraal te kijken, denk aan mijn liefde, die ook wat fermentatie met schimmels van twijfel zal moeten trotseren.
       ‘De schimmel is eigenlijk een symbiotische cultuur van azijnzuurbacteriën en gist,’ specifieert ze, terwijl ze het tafeltje schoonmaakt omdat mijn bord en bestek in aantocht zijn.

Ik zit in het hart van Lissabon, maar mijn hart verloor ik aan een nieuwe liefde. De liefde voor een jonge dichter. Misschien ga ik over hem vertellen, misschien ook niet. Ik heb mezelf beloofd te zwijgen over hem. Hoewel dat idee me tegelijk ook absurd
voorkomt, nu ik hier alleen zit na te genieten ondanks alle weeën van verlatingsangst. Want kijk, daar zijn de woorden al.

 

Mijn hart zit in een herboren liefde,
een nieuwe liefde voor de oude woorden.
Ze loopt rond in de spleen
die mijn taal geworden is.

 

‘De energie van Lissabon is helemaal jouw energie,’ zei Nima gisteren nog, ‘maar de energie van Teheran is niet die van mij.’

Vancouver veegt het tafeltje driemaal, linnen loper over de arm. Driemaal draait ze haar natte doek om, dan komt de droge. Perfectie om een smoezelig straatje wat status te schenken.

Nima, zo heet mijn vriend, of vriend-in-wording, want we kennen elkaar amper een paar dagen, is uit het zuidwesten van Iran afkomstig. Hij heeft geen Perzisch bloed. Hij is een uitgeweken Irakees. Stel het je voor. Een uitgeweken Irakees, een allochtoon
uit Iran die ik hier in Lissabon ontmoet. Gisteren zat ik nog op dezelfde stenen trap met hem, een paar geërodeerde treden hoger.

‘Mijn restaurantje heeft verschillende levens gekend,’ vertelt de Canadese vrouw terwijl ze mijn bestelling opneemt. Eerst had ze gevraagd wat ik van de kombucha vind. Ik heb mijn duim opgestoken, een wenkbrauw opgetild, een glimlach tevoorschijn
getoverd. Ik weet zeker dat ze mijn tevredenheid nodig heeft. De coronapandemie heeft haar zaak aan de rand van de afgrond gebracht. Ze zegt het niet, maar ik lees het in haar gezichtsmimiek, waar allerlei zorgen zich meten met elkaar. Eigenlijk vind ik de kombucha helemaal niet lekker, al hoop ik dat die indruk een beetje verder wijken zal met elke nieuwe slok.

‘Waar is Nima?’ polst ze plots.
       Ze kent hem. Hij is een vaste gast hier. Maar nu is hij weg. Ik weet niet waarheen. De jongen die ik een paar dagen geleden heb leren kennen, en met wie ik hier gisteren nog zat te lunchen, is met zijn moeder vertrokken, ze zijn op visite bij vrienden in Cascais.
      ‘Cinco galinhas e meia deve o Senhor de Cascais…’ grapt Vancouver. Daarna legt ze uit dat het verzen zijn van Luís Vaz de Camões, om aan te geven dat een man uit Cascais hem vijf kippen verschuldigd was voor zijn op bestelling geschreven poëzie.
       Het geluid van een krijsende baby op de achtergrond probeert ook iets op te eisen, iets belangrijkers dan de mooie zang van troostende Portugese woorden waarmee zijn moeder de nood probeert te lenigen.

Cascais. Ik moet even denken. Herberto Helder woonde er. Ik zie een dichter de grote Pessoa-prijs weigeren. Hé, denk ik, waarom heeft hij dat gedaan? De dichtende dagdromer die ik ben, krijgt een idee.

Ik zie een onooglijk klein ding, besmeurd met bloed en hulpeloos zwaaiend met zijn rubberachtige ledematen in het felle eerste licht en de drukkende, bedwelmende lucht. Mensen komen af en aan en zeggen ‘Ooh’ en ‘Aah’, ze barsten in hulpeloos gelach
uit, ze wijzen met trillende vingers en zeggen iets dat ik niet verstaan kan, maar ik zie hen denken: Is dit het muisje waar we zo lang op hebben gewacht? Is dit het muisje dat de berg heeft voortgebracht?

Er zullen altijd mensen zijn die niet houden van poëzie. Er zullen ook altijd mensen zijn die niet houden van Lissabon. En ook helemaal niet van Pessoa of Herman de Coninck. Dit is geen boek voor hen, tenzij ik ze verrassen kan met een paar ideeën die
hen anders naar poëzie gaan doen kijken. Waardoor ze anders naar Lissabon zullen kijken. Anders naar dichters die de Pessoa-prijs weigerden.


Anders kijken naar de gekke jongens,
de buitenbeentjes van woorden.
Rebellen zijn het, onruststokers.
Ronde pinnen in vierkante gaten.
Poëzie is anders zien.
Woorden houden niet van regels.
Die brengen hen buiten zinnen.

 

Ik geef het toe. Ik heb geprobeerd niet gratuit, in dooddoeners, te schrijven over wat mijn hart beweegt. Zo was het vroeger en zo is het vandaag nog steeds. Altijd.

Ik probeerde de makkelijke liefdes, de kant-en-klare gedachten, de woorden te negeren die zonder voorbereiding in mijn mond kwamen wanneer iemand me in het verleden uitvroeg over mijn verzen.

Ik had genoeg van gesprekken over poëzie alsof er een vooropgezette theorie was die weliswaar niemand kende, maar die toch gerespecteerd moest worden. Zoveel van wat ik over poëzie had gelezen, had gewoon nooit voor mij gewerkt. Niets van de
voorverpakte ideeën was bij machte geweest om te inspireren tot verzen die de tijd zouden overleven. Ik had genoeg van blakende ideeën en vormen waarin het tellen van lettergrepen en andere technische berekening primordiaal was.

Eén ding was zeker. Mijn poëtische bestemming, de mantra van mijn eigen verzen, zou uit een heel andere steen worden gehouwen.

Ik was hier om genoegen te nemen met een geïmproviseerde tekst over de stad die poëzie ademde, ongeacht mijn verlangen om gedichten te schrijven. Ik was in Lissabon, in de hoop een andere route te vinden die mijn bedoeling, en die van de lezer, samen zou dienen, om het raadsel te ontmoeten dat verborgen ligt in de kern van aantrekkelijke verzen.

Er woont een Indiaan in mij en die heeft ooit stiekem, het kan niet anders, een kleurrijke dromenvanger boven mijn bed gehangen.
Wanneer ik schrijf, heb ik contact met hem. Mijn teksten zijn een verslag over het leven als een aaneenschakeling van heerlijke dromen en kleine nachtmerries en nog een paar bizarre dagdromen die je elders niet kwijt kunt.

Vreemde nachten ga ik bundelen. Maar ook zalige dagen. Laten we ervan uitgaan dat ze poëzie willen worden. Fantasie, bijvoorbeeld, over mijn jongen uit Iran. Ontmoet in Portugal. Een archipelago van dromerige verbeelding. Hier in Lissabon, waar ik de hele tijd aan Pessoa denk.

Wie anders dan Pessoa, naam als een plurale tantum: dichter die de verzamelnaam is van veel verschillende dichters. Als iemand ooit een vriend was in de wereld van de poëzie, een vriend die ik nooit ontmoet heb maar naar wie ik altijd ben blijven zoeken, dan Pessoa.

Zou het kunnen dat ik een tekst aan het schrijven ben over mijn zoektocht naar het ultieme gedicht als een platonisch beminde vriend? Valt mijn zoektocht naar die verzen samen met een liefde die aanschouwelijk wordt in een mystiek visioen?

Zoals Pessoa schrijf ik ’s nachts. Dan komt alles in stukken en brokken. Ik lijm ze aan elkaar tot een verhaal dat mooi is om naar te luisteren. Ik wil ontdekken of we er samen uitraken: u en ik, lezer en schrijver. De relevantie van die droom. De bestaansreden
van mijn poëzie. Die hoop ik aan het slot van deze droomwandeling samen met u te hebben gevonden.

Vroeger waren mijn dromen van mij. Als volwassen schrijver deel ik ze met u. Net zoals mijn verzen. U bént als lezer ook een belichaming van de vriendschap en liefde die ik mijn leven lang gezocht heb.

Hoe oud ben ik? Ik ben veel jonger in de meeste van mijn dromen. Veel jonger dan de oude man die ik aan het worden ben. But who cares, in verzen en dromen ben je net zo oud als je zelf wilt. Er is niemand om je te berispen.

Ook dat is poëzie. Net zo oud zijn als je zelf wilt. Zonder een vermanende vinger erbij.

 

Dertig keer heb ik een vers geschrapt
tot het woord dat overbleef
je net genoeg liet glimlachen.

 

* * *

 

Achter mij liggen vele maanden van aarzelen hoe ik mijn pensioen beginnen zou. Met een feest? Een reis? Een groot gedicht? Dat er een periode van niet- werken zou aanbreken, leek me als mogelijkheid even onwaarschijnlijk als het vooruitzicht op een gewijzigde zin in mijn leven. Ik zou geen heldere focus vinden op nieuwe richtpunten waarvan de aantrekkelijkheid mij tot hiertoe was ontgaan. Dat leek me een ijdele gedachte.

Ik kon, vond ik, veel beter trouw blijven aan mijn deugdzame strijd om de rake metafoor. Ik wilde de poëtische opdracht waar ik van hield voortzetten. Ik zou mijn handlangers van rake beelden verzorgen. Tientallen jaren lang hadden ze mijn ervaring naar
de publieke arena gedreven. Daar was ik op mijn best, had ik mezelf overtuigd, daar kon ik de vaak scherpe contrasten van mijn bestaan zien duelleren voor het loutere plezier van mijn lezer-luisteraar. Ik had driekwart van mijn carrière gepoogd een persoonlijke kleine terts naar een grote universele toonaard te tillen, daar had ik me goed bij gevoeld. Waarom mijn levensstijl, die ik toch zo benoemen mocht zonder dat ik me er schuldig over hoefde te voelen, nu opeens opgeven voor een anacreontisch bestaan van fysiek genot zonder mentale inspanning?

Een reis leek me de juiste keuze. Ik kon, zoals Xavier de Maistre, een reis door mijn kamer maken en in mijn leunstoel voor de open haard mijn lezer deelgenoot maken van vreugdevolle en melancholische herinneringen. Maar ik kon ook reizen naar de plekken waar die herinneringen aangevuurd zouden worden, verlevendigd. Overal waar ik geweest was had ik poëzie ontmoet, namen van dichters gekoesterd. Een tekst over de reis aan het begin van mijn pensioen kon een verbale party worden om hen weer te vinden.

Ik moet in dit boek alles als een reis opvatten, als een vertelling, niet als een feit.

In het hart van de drukke Chiadowijk zoek ik de zalige rust op van een huis dat gered werd van alle veranderingen die er genadeloos op inwerkten. Liefdevol tuur ik naar de antieke oude klok die in Livraria Ferin de tijd wist. De klok is de enige getuige die iedereen heeft zien komen en gaan onder de strakke arcades, bogen van oude steen die herinneren aan het klooster dat de boekhandel ooit was. Zichtbaar gemaakte tijd, dankzij het negentiende-eeuws design van de pendule.

Bijna twee eeuwen verstreken sedert de eerste bezoekers kennismaakten met de eigenares, Maria Teresa Ferin, een vrouw die haar tijd ver vooruit was. Haar verhaal begint in België, maar al snel verhuisde het gezin waarin ze opgroeide naar Portugal.
De Ferins hadden iets met boeken en openden een boekenclub die dienstdeed als bibliotheek – pas later zou die uitgroeien tot de boekhandel waar ik me nu bevind. De boekhandel heeft nog altijd die gonzende atmosfeer van een klein familiebedrijfje. In een kamer onder de geschiedenis- en genealogieboeken staat een drukpers uit de zeventiende eeuw. Ik voel me omringd door een leger van graven, markiezen en hertogen. Ooit moet de drukker een handelaar zijn geworden.

Het is aangenaam rommelen in de vreemde weemoed van deze plek, die nog bogen kan op een oude boekreparatiedienst. Ik heb er even aan gedacht de kleine en grote losse bladzijden van mijn beduimeld manuscript in te leveren met de vraag om ze keurig tot een boek te laten inbinden om achteraf thuis, wanneer ik de tekstfragmenten opnieuw kritisch doorneem, ingepalmd te worden door de geur van het oude Lissabon, dat nergens zo tastbaar wordt als hier.

Voorbij de nieuwe uitgaven staan de tweedehandsboeken. Ze herinneren de nieuwkomers aan de onwil van de handelaar om hen te dumpen. Genealogie, heraldiek, paardrijden, militaire geschiedenis, erfgoed, kunst en geneeskrachtige bomen, het zijn
onderwerpen die opgesloten zitten in kleine vitrinekasten, her en der verspreid tussen de stapels, vijftienduizend boeken in totaal. Ik ontdek ook albums van de Belgische fotograaf die in Porto woonde, Igor Sterpin, en foto’s van de zwaarste catastrofe in de recente geschiedenis van Lissabon, de grote brand die in 1988 Chiado op een haar na verwoestte.

‘Het was een wonder dat de brand naast de deur stopte,’ verzekert een man me die met mij onderweg is naar de Engelstalige vertalingen van de grote Portugese namen.

Even later staan we voor de boeken van José Saramago en Fernando Pessoa.
       ‘Vaste klanten hier,’ zegt de man.
       Dan zwijgen we een tijdje.
       ‘Ferin is een heel bijzondere boekhandel,’ herneemt hij tussen zijn tanden, ‘zozeer zelfs dat ik erover denk om kaartjes te vragen zoals Lello dat doet in Porto.’

Dus hier kwam Pessoa zelf op ontdekkingstocht door de gedrukte poëzie, komt het in me op. Hier onderbrak de getormenteerde man zijn ambtelijke job als handelscorrespondent om, zoals ik nu, door nieuwe uitgaven te snuisteren. Misschien was hij in het gezelschap van zijn platonische vriendin Ofelia, wie weet. Misschien was hij – Bernardo Soares? Alberto
Caeiro? Ricardo Reis? De vraag is maar wie ‘hij’ dan selecteert uit de afsplitsingen van zijn persoonlijkheid – gewoon alleen, zoals ik nu alleen ben. Alleen met een van mijn persona’s. Niét die van radioman.

 

Zoals een vrouw van mode verandert,
verander ik van persona. Waarom lui zijn
in dezelfde jas, als je kunt stralen
onder een das, in een hart dat verdriet
met een regenboog laat schijnen?

 

* * *

 

Ik ben geen geboren dichter, ik ben het geworden, omdat ik altijd ook een steigerende jongen ben geweest, blakend van energie en heel sceptisch, maar wel verliefd op taal. Ik ben niet zomaar verliefd geworden, ik heb in heel bijzondere omstandigheden iemand ontmoet die mijn hormonenmolen aan het draaien kreeg. Resultaat: een overdosis endorfine.
       Het was Blaise Cendrars, de Zwitsers-Franse dichter die maakte dat ik verliefd kon worden op poëzie, omdat hij alle ruimte had genomen om te zeggen wat het maar was dat in hem opkwam en zijn aandacht had opgeëist. Tegelijkertijd.

Ik geloof in beelden, maar enkel omdat alle poëzie en proza die mij onder ogen kwamen in het verleden de kracht van beelden ook daadwerkelijk hebben benut. Blaise Cendrars heeft het beslist gedaan. Hij heeft de wezenstrekken van popsongs en raps, smartlappen en theaterliederen gemixt in zijn poëzie. Hij had geen vooropgezette ideeën over rijm en metrum, hij werkte zijn eigen vrije ritmes uit. Zijn verhaal werd een beetje zijn stijl in Prose du Transsibérien et de la Petite Jehanne de France. Hij lag niet wakker van het label poëzie, nee, hij noemde zijn gedicht zelfs Prose. Ritmes, hanteerde hij, ritmes die niet strak gedoseerd
zijn, maar met de nodige panache van de ene track naar de andere glijden, zoals een trein die een wissel passeert. Uiteindelijk ging het lange gedicht ook over zijn wereldreizen per spoor. Reizen, die weer een excuus waren om zich onderweg zijn liefje
in Parijs te herinneren — een minderjarig hoertje dat continu in zijn verbeelding tevoorschijn floepte.

Voor mij was Blaise Cendrars de beste Zwitserse dichter. Ik kon hem niet lezen zonder me momenten te herinneren waarin ik me liet bedwelmen door het ritme van zijn poëzie, die mijn favoriete muziek-in-woord werd. Cendrars rockte. Ik zou zelfs vergeten wat er inhoudelijk stond. Bijna deed het er niet toe.

‘Inspiratie is een kogel,’ zegt dichter Ingmar Heytze. ‘Je voelt er niets van totdat hij inslaat, en dan heb je wel iets beters te doen dan uitleggen waar hij eigenlijk vandaan komt.’

 

* * *


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Iconen - Erik Vlaminck

Iconen geeft een ontluisterende inkijk in de gang van zaken in een psychiatrisch centrum in het Vlaanderen van de jaren zeventig. De roman toont een kluwen van machtsmisbruik en van onmenselijke bejegening. Amper vijftig jaar later dreigen de vergeetputten van toen vergeten te worden. Lees hier de eerste hoofdstukken uit de nieuwe roman van Erik Vlaminck.

Lees meer »

Leesfragment: Met de helm geboren - Dominique Deruddere

In Met de helm geboren. Memoires van een filmmaker vertelt Dominique Deruddere met een smeuïge en onnavolgbare vaart hoe hij opgroeide in de woelige jaren zestig en hoe hij aan de slag gaat met scenario’s, camera’s, castings en uiteindelijk de productie van de verhalen die hij wil brengen. Lees hier een fragment.

Lees meer »

Leesfragment: Kwaad bloed - Tine Bergen

Leuven, donderdagavond. Zeven studenten zitten opgesloten in de gemeenschappelijke keuken van hun kot. Zes leven. De zevende, Vinz, is dood. Zijn beste vriend Serge heeft gezworen dat iedereen pas naar buiten mag als de moordenaar zichzelf bekend heeft gemaakt.Kwaad bloed, de nieuwe thriller van Tine Bergen, beschrijft een bloedstollende confrontatie in een studentenhuis. Begin hier alvast met lezen.

Lees meer »

Leesfragment: Crohnisch optimisme - Antonia Mezzina

In Crohnisch optimisme vertelt Nina haar verhaal over leven met de ziekte van Crohn. Ondanks de ongemakken probeert ze positief om te gaan met haar aandoening. Ze leert het hoofd bieden aan de geniepige kwaal en wil met haar relaas steun bieden aan lotgenoten. Lees hier het voorwoord van de auteur.

Lees meer »

Leesfragment: Lissabon - Bart Stouten

In het slotdeel van zijn essaytrilogie, dat een apologie is van de poëzie in zijn leven, dringt Bart Stouten zijn slaapbewustzijn binnen. Dit boek is voor mensen die een 'ander' Lissabon willen ontdekken. Lees hier een fragment.

Lees meer »