Leesfragment: Crossroads - Walter van den Broeck

Wat Macondo was voor Gabriel García Márquez is Olen voor Walter van den Broeck. Sinds Brief aan Boudewijn (1980) spelen heel wat van zijn romans zich af in dat magische dorp, waarvan het centrum aan de buitenkant ligt. Crossroads is daar het jongste, raadselachtige hoofdstuk van. Hier lees je een eerste fragment.


Crossroads
Walter van den Broeck

ISBN: 9789460017681
Prijs: €17,95


 

Onmiddellijk na de big bang ging het snel mis. Het voorlaatste mankement was: Het Leven; het voorlopig laatste: De Mens.
         Ieder mens maakte een geluid – later zou men dat taal noemen. Degenen die hetzelfde geluid maakten, schurkten zich tegen elkaar aan en hokten bijeen in kleine horden van om en bij de 150 eenheden.
         Horden die andere geluiden dan het eigen geluid voortbrachten, beschouwden elkaar als een potentieel gevaar.
         Algauw kwam het tot vijandigheden: handgemeen of debat. Beide resulteerden in een grotere horde waarvan de delen een stuk van hun vrijheden hadden ingeleverd.
         Zo versmolten horden tot gehuchten, gehuchten tot gemeenten. Die groeiden op hun beurt uit tot baronieën,
graafschappen, markizaten, hertogdommen, vorstendommen en ten slotte naties. Men kon ook op gemaakte afspraken terugkomen en weer onafhankelijk worden, maar nooit zonder geweld, reëel of structureel. Zo verging het ook onze contreien.
         In 1794 waren ze door Frankrijk aangehecht, maar na de Slag bij Waterloo in 1815 stelde het Congres van Wenen orde op zaken. Ons lapje grond dat het slagveld van Europa werd genoemd, omdat menige Europese oorlog op ons grondgebied werd uitgevochten, werd losgemaakt van Frankrijk en bij Nederland gevoegd. Vijftien jaar later scheidde het zich weer af van dat land, wellicht omdat Nederland een ander geluid maakte dan het onze, en met goedkeuring van de ons omringende landen werd een onafhankelijk staatje opgericht met koning en al.
         Het werd het ideale bufferstaatje dat de andere naties moest beletten de hand op Antwerpen te leggen, dat ‘pistool gericht op de borst van Albion’, zoals de Engelsen de havenstad noemden. België verhinderde dat Frankrijk, Engeland en Pruisen elkaar voortdurend in de haren vlogen door er gewoon te zijn. Het werd met rust gelaten zolang het zelf geen partij koos voor een of andere natie. Neutraliteit was verplicht.
         Iets meer dan 3 528 vierkante kilometer groot was het, en het noemde zich La Belgique. Het telde negen provincies. We noemden de bewoners die Frans, Vlaams of Duits spraken Belgen. Alsof ze een volk vormden.
         De Belgen vormen geen volk.
         België is een constructie, een verzameling van overeenkomsten. Een Belg is iemand die zich aan alle wetten en reglementen houdt.
         België is een bufferstaatje met een geïmporteerd vorstenhuis dat bestaat uit stadstaatjes, maar geen hechte natie vormt door zoiets als nationale trots. Als een streekgenoot in een of andere sport excelleert, of als een andere, een wetenschapper of kunstenaar, een belangrijke prijs heeft gekregen, dan is de Belg trots om Belg te zijn. Daags nadien is hij weer Gentenaar, Brusselaar of Olenaar.
         Als België geen natie is, wat is het dan wel?
         België is een manier van leven.
         Vivre à la façon de la Belgique.
         De Belgische cultuur is een mercantiele. Geen wonder dat in 1834 de allereerste trein die op het vasteland reed van Mechelen naar Brussel tufte. Spoedig hadden we het dichtste spoorwegennet van heel Europa. Dat net heeft vandaag op zijn 3 500 vierkante kilometer oppervlakte niet minder dan 3 500 kilometer spoor. De Belgen drijven handel met al wie kan betalen. Wat die voorts uitvreet, van wereldverbeteraar tot seriemoordenaar, zal hem aan de reet roesten.
         In plaats van L’union fait la force zou onze wapenspreuk beter wel Pecunia non olet kunnen luiden. De Belgen zijn de uitvinders van het sjoemelen.
         Sjoemelen komt van het Duitse Schummeln, wat betekent: snel heen en weer bewegen. Een handelwijze die je meester dient te zijn als je iets in het verborgene wil doen. Denk aan die goochelaars die op de markt met drie bekertjes en een balletje de toeschouwers in de maling nemen.
         Antwerpen werd de hoofdstad van de provincie Antwerpen. Het is de enige Vlaamse provincie wier hoofdstad dezelfde naam draagt als de hele provincie zelf. 
         Aan de havenstad heeft het land zijn onafhankelijkheid te danken. De stad is niet alleen wereldvermaard om zijn haven, maar ook om zijn kathedraal, Rubens, Plantijn e tutti quanti.
         De Antwerpenaar zelf is bekend om zijn eigendunk.
Hij vindt dat de nulmeridiaan lijnrecht door zijn reet loopt. De rest van de provincie, de Kempen, noemt hij schamper ‘de parking’.
         Ook gaat hij zonder meer voorbij aan het feit dat de provincie evenveel inwoners telt als de trotse stede zelf, al helemaal geen oog hebbend voor het feit dat van de cultuursubsidies die Antwerpen te beurt vallen, er 95 procent in de schoot van de hoofdstad terechtkomen en slechts vijf procent in die van de provincie.
         Ook kreeg die pretentieuze stad het mooiste station ter wereld. Vanuit Antwerpen kan je alle richtingen uit, zelfs naar het uiterste oosten van de Kempen, waar keuterboertjes eertijds hun leven lang de zandgrond dienden te bemesten om op hun sterfbed een laag van één spade diep vruchtbare landbouwgrond op de natuur te hebben gewonnen.


 

In elk land wordt sinds ’s mensenheugenis één dorp als het domste van allemaal beschouwd door alle andere.
         Het toeval wil dat ik in het domste dorp van Vlaanderen ben geboren. Klopt dat? Kunnen Olenaars amper tot tien tellen? Onzin natuurlijk. Dat het verschijnsel zich overal ter wereld voordoet, bewijst dat het in een behoefte voorziet. De behoefte om zelf niet als kop van Jut te worden beschouwd. Of is het omdat er een verzameling van oude verhalen bestaat waarin de Olenaars als oliedomme sujetten worden geportretteerd? In een handvol ervan speelt Karel V, die in de zestiende eeuw de plak zwaaide over onze contreien, de hoofdrol.
         Heb geen vrees, ik ga ze niet navertellen.
         Volgens mij moet er iets in de Olense lucht hangen waardoor het dorp tot op heden hardnekkig als domste wordt aangemerkt.
         Op een dag ontdekte ik dat ik niet in de lucht, maar op de grond moest zoeken. Googel Olen en lees onder ‘geschiedenis’ dat ten noorden van het centrum van Olen een aantal kleinere, agrarische gehuchtjes ontstonden die op den duur tezamen ‘Achter-Olen’ werden genoemd, en dat door de industrialisatie van het noorden in het begin van de twintigste eeuw een derde kern ontstond: Olen-Fabrieken.
         De oudste kern werd Sint-Martinus-Olen genoemd, de tweede Onze-Lieve-Vrouw-Olen, de jongste Sint-Jozef-Olen.
         Olen moet het enige dorp zijn waarvan het centrum helemaal aan de buitenkant ligt. Men zou voor minder voor dom worden gehouden.
         Olen-Centrum is van Achter-Olen gescheiden door het Albertkanaal; Achter-Olen van Olen-Fabrieken door de spoorlijn Antwerpen-Hasselt. In de fabriekswijk van Olen-Fabrieken werd ik geboren. Ik woonde 24 jaar lang op het nummer 45 van de Koperstraat.
         Dat gescheiden zijn mag letterlijk worden genomen: het centrum van Herentals ligt dichter bij Olen-Fabrieken dan bij dat van Olen. 
         Ik was al achttien toen ik voor het eerst voet zette in Olen-Centrum en er het gemeentehuis betrad om een paar kopieën van een diploma te laten wettigen. 
         Ik waande me in een vreemd land, een andere eeuw.
         Pas eind negentiende eeuw begon er de industrialisatie. In 1912 bereikte ze ook Olen, mijn geboortedorp.

 

Achter-Olen was een organisch gegroeide gemeenschap met een aparte parochie, een eigen kerk en een typisch Kempische boerenbevolking.
         Sint-Jozef-Olen ontstond op een kunstmatige manier.
         De Mechelse chemicus Jozef Leemans, die een tijdlang een schoensmeerfabriekje in Oud-Turnhout exploiteerde en met zijn handel naar Olen was verhuisd, werd door zijn studiegenoot Firmin van Brée, die via Jean Jadot, directeur van de holding Société Générale, dicht bij Leopold II stond, uitgenodigd om de uraanertsen die in Belgisch-Congo waren gevonden te onderzoeken. Omdat ze radium bleken te bevatten, werd Leemans’ fabriek uitgebreid tot een reusachtig emplacement. Het oudste deel kreeg de naam BIRACO, het jongste RAFOlen; in de volksmond ‘Toudfabriek’ en ‘Tnieffabriek’.
         In die parochie ben ik in 1941 geboren.

 

Sint-Jozef-Olen was op de winkelstraten na eigendom van de Société Générale de Hoboken. Langs de Lichtaartseweg en de Welvaartstraat ontwikkelde zich een florissante middenstand, waaronder zeventien cafés, die voor de bevoorrading van de tuinwijk zorgden. Die wijk – de cité – bestond uit een groep geschoolde arbeiders, bedienden en ingenieurs die uit diverse hoeken van het land afkomstig was. Zelfs uit Brussel, zelfs uit Wallonië.
         Het bisdom was bang dat deze totaal niet of slechts gebrekkig gekerstende enclave de verloedering van de hele Kempen zou veroorzaken. Daarom werd in de jaren twintig pastoor Janssens uit Niel – op dat moment collegeleraar in Herentals – uitgestuurd om de cité in de kortste keren tot een nieuwe parochie om te smeden: Sint-Jozef-Olen. Hij bouwde in geen tijd een kerk, een school en een bioscoop, en richtte het hele netwerk van katholieke verenigingen op. Hij was niet alleen dorpsherder,
maar ook componist, dirigent, pianist en orgelist. Zijn kleine gemeenschap groeide als kool, volgens ‘de wet van de stimulerende achterstand’, zou men dat later noemen. 
         In nauwelijks enkele jaren tijd had de moderniteit zich toegang tot de Kempen verschaft.

 

Hoewel Achter-Olen vlakbij lag, was het in onze kindertijd toch ook een vreemd en vooral vijandig gebied. Gewapend met houten zwaarden, lansen en als schild dienende deksels van ijzeren kookpotten, durfden we wel de berm te beklimmen, en joelend uitdagende dansjes op de sporen uit te voeren, maar we waagden het niet ze over te steken om aan de overkant veldvruchten en houtkanten te lijf te gaan, want geen tien tellen later doemden uit het struikgewas Achter-Olense horden op. Getooid met gevederde, meestal uit oma’s kleerkast geroofde hoofddeksels, boden ze een angstaanjagende aanblik, die ons
meteen op de vlucht deed slaan. 
         Onder veel gehuil en getier dreven ze ons terug de spoorberm over met zelfgemaakte handbogen, speren, knotsen en met rapen als belangrijkste projectielen. Het leek wel alsof die gozers niets anders te doen hadden dan vanuit het struikgewas het spoor te observeren. Later kwam daar verandering in. Knotsen bleven thuis, gehuil werd achter de kiezen gehouden, maar de argwaan bleef.
         Ook volwassenen bleven meestal in hun eigen parochie. Behalve als het niet anders kon.

 

De kruising van de spoorlijn en de Lichtaartseweg was zowat de grenspost met stevige barelen die alleen dicht gingen als er treinen passeerden.
         Voorbij de spoorweg, in Achter-Olen, had je dan die trossel stationscafés, die vooral in het weekend veel aantrek hadden. In het najaar was er haast elke zaterdagavond een dansfeest, in de volksmond ‘bal’, in het zaaltje van Nand Neefs. Het café zelf durfde ik nauwelijks te betreden. Het had een laag plafond dat het iets unheimlichs gaf. Boven het enorme biljart hingen drie bolvormige lampen die tot stilte maanden om de spelers niet uit hun concentratie te halen. Die spelers straalden een ernst
uit, die deed vermoeden dat ze beroepsbiljarters waren, en dat met hun stille spel hoge geldbedragen te verdienen waren. Je ging daar niet even de clown uithangen. 
         Bovendien hing boven de toog een enorm gewei van een waterbuffel die op zijn beurt klanten die een uitgelaten entree maakten al op voorhand tot kalmte aanmaande. Het werd niet goed bevonden dat ik te lang bleef kijken. Daarom liep ik telkens gauw door naar de zaal waar de muzikanten hun instrumenten al aan het stemmen waren.
         Nu eens werd zo’n bal georganiseerd door een voetbalclub, dan weer door een vereniging van oud-strijders, de
boerinnenbond, de fanfare, enzovoort.
         Op het podium, waarop ook toneel werd gespeeld, zat een ‘jazz’, een eenvoudig dansorkest, bestaande uit een zanger, die zich veelvuldig van steenkolenengels bediende, een drummer, een gitarist, een trompettist en een accordeonspeler. Aan de overkant stond tegen de toog, glas in de ene, sigaret in de andere hand, het mansvolk het vrouwvolk te keuren dat keurig langs de wanden op primitieve vouwstoelen zat. Beide groepen wachtten op de eerste tonen van het orkest. De jeugd zocht elkaar op
en begon te dansen. Een meisje dat te kennen gaf dat ze niet met een bepaalde aanbidder wilde dansen, moest op haar stoel blijven zitten en een dans overslaan. Ze mocht in geen geval ingaan op de uitnodiging van een andere aanbidder. Deed ze dat wel, dan ontstond er herrie. Niet zelden liep het meisje in kwestie huilend weg, omdat de zaal de kant van de afgewezen kandidaat koos. 
         Na twee dansjes ging ieder weer naar zijn plaats. Iemand die slechts één dansje was gegund, werd scheef bekeken. Had die zijn danspartner ademnood bezorgd door haar te stevig tegen zich aan te drukken? Had hij voortdurend zijn knie tussen haar benen proberen te wurmen? Had hij haar een oneerbaar voorstel gedaan? Of had hij een niet te harden lijfgeur verspreid? Vaak ook werd de aanbidder met zachte drang verzocht nog een derde en een vierde dansje te doen. Soms een vijfde. Soms tot het
orkest inpakte.
         Dan wist je genoeg. De volgende dag ging het koppel over de tong bij de bakker, de slager, de kapper.

 

Bij kermissen en bals werd het spoor veelvuldig overgestoken. Gedeelde vreugde is dubbele vreugde. Als men zijn fatsoen maar hield, wat voornamelijk betekende dat er niet over gepiekerd diende te worden aan ‘lievenroof’ te doen. Zij de hunne, wij de onze, anders vielen er gegarandeerd klappen.
         Als kind waren we trots dat de slagbomen aan onze kant bediend werden door een stevig vrouwspersoon: Siska Beirinckx, moeder van Jefke, eeuwige vrijgezel en pierewaaier.

 

Elk jaar werd er in Achter-Olen een ‘criterium’ georganiseerd. De renners dienden zo’n dertig tot veertig keer het café te passeren. Daar lag natuurlijk ook de eindstreep ter hoogte van het sportcafé van Nand Neefs. Daar liep ze over de kasseien. Daar hadden het vertrek en de aankomst plaats. Dat was geen toeval. Nands jongste, Gust, had de koersfiets ontdekt en had bij de amateurs al flink wat overwinningspalmen bij elkaar gefietst. Grote bossen kunstbloemen, bedekt met cellofaan om ze stofvrij te houden, bedekten de wanden van het hele café.
         Terwijl haar zoon zich de ziel uit het lijf fietste, tapte zijn moeder tegen hoog tempo pintjes die door Nand tegen hetzelfde tempo werden gedistribueerd. 
         Boven het café zat voor het open raam een commentator die aan één stuk door praatte. Als hij buiten adem was, draaide hij een plaatje, maar als hij de kop van het peloton in de gaten kreeg, schakelde hij meteen in zijn hoogste versnelling.
         Niemand begreep nog wat hij brulde, maar iedereen, pint in de hand, stormde naar buiten om Gust aan te moedigen. In een oogwenk flitste de hele troep voorbij, waarna de supporters terug het café indoken om daar de kansen van Gust te wikken en te wegen. Behalve Jefke Beirinckx. Die bleef nog even wachten, ook pint in de hand, op twee beginnelingen die pas minuten later passeerden, uitgeput, afgebeuld, zwijmelend op hun fiets, maar vastberaden de koers uit te rijden, al zouden ze pas rond middernacht aankomen.
         Als ze eindelijk over de streep reden, riep Jefke – zijn gezicht van diepe ernst verwrongen:
         ‘Allez luieriken!’ en begaf zich vervolgens mompelend en vrij onstabiel de rook in waarin de anderen al waren verdwenen.              En diep medelijden vervulde mij, een diep zelfmedelijden ook, want ik wist dat als ik coureur zou zijn, ik nog later zou passeren dan die twee.
         Maar hij riep het elke keer, zonder medelijden. Zelfs in juni 1962 naar Rik van Looy toen de tweede rit van de Tour de France door de Eerste Halfstraat van de cité racete. Nooit zal ik het vergeten.
         Met vier lagen ze voorop: Melckenbeeck, Vannitsen, Darrigade en Van Looy. Rik reed in laatste positie en Jefke schreeuwde:
         ‘Allez, luie-Rik!’ Waarna iedereen in de lach schoot.
         Aan Tnieffabriek sloeg het viertal naar links. We spoedden ons naar binnen om de aankomst in Herentals op de tv te zien.
         Ik durfde niet te kijken, voelde wat er ging gebeuren. In zijn eigen woonplaats, Herentals, sloeg Rik, van de wijs gebracht door Jefke, een verkeerde weg in, zodat Darrigade op zijn dooie gemak de eindspurt won.
         Lange tijd heb ik Jefke daarom gehaat. Die haat sloeg om in medelijden. Na dat incident ging hij zowat dagelijks zo ver mogelijk van huis zijn pinten drinken, bij Gustje Bellens aan de Vaart.
         Heel dronken, maar nog altijd dorstig kwam hij op een keer thuis.

 

Hij wilde zijn moeder niet wakker maken en zette in de keuken wat hij dacht een grote gezinsfles frisdrank te zijn aan de mond. Het was evenwel een fles vloeibare zeep van het merk Topel. ’s Ochtends ontdekte hij dat zijn beddenlaken was bedekt met zijn hoofdhaar, zijn wenkbrauwen, zijn wimpers, zijn okselhaar, zijn schaamhaar, ja zelfs met zijn neus- en teenharen. Jefke werkte op Toudfabriek en droeg voortaan winter en zomer een pet. En in het café meed hij troebele biersoorten.

 

Siska, zijn moeder, met wie hij in het spoorhuis woonde, kwam op tijd en stond naar buiten om de slagbomen neer te zwengelen en ze, na het voorbijrazen van de trein, weer op te halen.
         Voorwaar een werk van gewicht dat ons aller respect wegdroeg. Dat het neerlaten en ophalen aan onze kant gebeurde, vervulde ons met een soort hovaardigheid. De meeste meisjes van mijn leeftijd wilden later ook bareelwachtster worden, terwijl ik meer voelde voor kaartjesknipper.
         Toen later de slagbomen in het station werden bediend, werd de functie van bareelwachter/-ster afgeschaft en het
spoorhuis afgebroken.
         Dat leidde niet tot wederzijdse stormlopen, zodat we ons al eens naar de overkant waagden.

 

Hoewel er zich aan de Lichtaartseweg, tussen de Kempische vaart en het spoor, zeventien cafés bevonden, en van het spoor tot aan de Laremseweg nog eens tien, zorgden vooral de drankgelegenheden aan de overweg voor iets als een nachtleven.
         De Bareel stond zowat allenig op ons grondgebied, en werd net als In de Kroon, en De Leeuw van Vlaanderen aan de overkant bezocht door mensen van een zekere leeftijd.
         Wat echter voor de opgroeiende jeugd nog veel belangrijker was dan de jaarlijkse koers, was het zaaltje met podium achter het café van Nand Neefs, dat uiterst geschikt was voor dansfeesten, muziekconcerten en toneelvoorstellingen.
         Dat alles maakte dat wij het als halfwassen vlegels waagden complexloos de grens over te steken.
         Soms drongen we zelfs door tot aan de kerk van Achter-Olen. Schuin tegenover die kerk hield Kamiel Van Lierde café, en in zijn zaaltje hadden de bals van de Achter-Olense jongeren plaats, evenals de trainingen van de boksclub waarvan mijn broer Jules lid was, wat hem in 1947 het kampioenschap pluimgewicht van het Belgisch leger opleverde.
         Verder waagden wij ons niet, want het beviel de jongens van Achter-Olen allerminst als ze de meiden, op wie zij al maanden een oogje hadden, hun jas zagen halen voor een wandeling in het donker met ons.
         Dat ik als kind broer Jules al eens mocht vergezellen naar zaal Van Lierde, maakte dat ik mij er zelfverzekerder voelde dan mijn vrienden. Onder de jongens van Achter-Olen verspreidde zich algauw het gerucht dat mijn broer op ko had gewonnen – wat niet waar was – waardoor ze afstand hielden. Niet dat ze bang van me waren, daar was ik te klein en te mager voor, maar ze vreesden dat mijn broer, die zich in het café ophield, mij voldoende technieken had aangeleerd om mijn mannetje te kunnen staan. En mocht het desondanks nodig zijn, dan zou hij mij bij het geringste teken te hulp snellen en de agressor in een
oogwenk vloeren. Dat respect voor mij verbaasde zelfs mijn vrienden, die stuk voor stuk potiger waren dan ik en mij kenden als een angsthaas.
         Achter-Olen hoefde echter niets te vrezen. Alleen nieuwsgierigheid dreef ons zo ver het binnenland in. We kwamen algauw tot de conclusie dat de bals bij Neefs ons beter lagen dan die bij Van Lierde.
         Maar het was het begin van onze verovering van de wereld. Er was nog veel werk aan de winkel, maar we schoten toch al aardig op: Olen-Fabrieken, Achter-Olen, Herentals, Lier! Wie weet waar bracht de Toekomst ons nog naartoe.


Meer leesfragmenten