Leesfragment: Madeleine - Louis van Dievel en Britt Droog

Madeleine vertelt het ongehoorde en avontuurlijke leven van een poetsvrouw. Maak hier alvast kennis met Mrs Madeleine Verboven en lees de eerste hoofdstukken uit dit hilarische boek van Louis van Dievel en Britt Droog.


Madeleine
Britt Droog & Louis van Dievel

ISBN: 9789460019722
Prijs: €20,-


1

Okselaar, gelijk okselhaar maar zonder h

 

Kijk maar eens goed rond. Ge moet u niet generen. Er is niemand anders in huis, behalve Olga.
      Wat denkt ge? Niet slecht hé. Antieke meubelen, echte Chinese vazen. Handgeknoopte matten waar vrouwen en kinderen
ginderachterver hun vingers kapot op hebben gewroet. Als ik u zeg wat ze gekost hebben, zult ge me niet willen geloven. Naar de schilderijen moet ge niet kijken. Echt niet. Dat is pure brol. Elfride heeft ze geschilderd. Vroeger, enfin, nog geen jaar geleden zou ik gezegd hebben: die schilderijen zijn van ons madame. Maar nu zeg ik gewoon Elfride. Ik leg u dat nog wel uit. Elfride is de vrouw van Jacques, met een c en een q. Dat zegt hij er altijd bij. Jacques met een c en een q, gelijk in mijn achternaam. Hij heet Leclercq. En ik ben Madeleine uit Okselaar, gelijk okselhaar, maar dan zonder h, heb ik er de eerste keer uitgeflapt. Daar moesten ze heel hard mee lachen, Elfride en Jacques. Nog altijd. Het is een joke geworden tussen ons.

 

Jacques is directeur van een fabriek in Overpelt. Hij rijdt met een Porsche Cayenne. Eigenlijk heeft Jacques als grote directeur
recht op een chauffeur, maar hij rijdt altijd zelf omdat hij anders direct misselijk wordt. Dat is wel spijtig, vindt ge niet? Elfride doet niks, behalve schilderen. Ze is rijk van haar eigen. Rijker dan haar vent, beweert ze. Of haar echtgenoot, gelijk ze zelf zegt. Ze is in het Frans opgevoed, bij de nonnen, ergens in de Walen. Ik hoop dat haar Frans beter is dan haar schilderijen, want die trekken echt op niks. Allez, kijk naar dat schilderij met fruit. Dat heet een stilleven, omdat er niets beweegt, verstaat ge? Maar herkent gij dat fruit? Het ding daar links, dat zoudt ge eventueel, met veel goede wil, een banaan kunnen noemen. Die andere vruchten zijn precies drollen van een onbekende diersoort. Pas op, dat heb ik niet verzonnen, dat heeft Jacques met zoveel woorden gezegd toen ik eens naar dat stilleven stond te kijken en mij afvroeg of ik op school niet beter had moeten opletten.
      Vindt ge het schoon? vroeg hij met dat rare lachje van hem. Vroeger was ik niet op mijn gemak als hij zo lachte, zo heimelijk.
Nu weet ik wel beter. Hij lacht alleen zo als het over Elfride gaat.
      Ik ken er niks van, heb ik veiligheidshalve geantwoord.
      Dat was toen ik pas bij Elfride en Jacques met ge weet wel werkte. Ge kunt in het begin niet voorzichtig genoeg zijn. Nu
moet ik niet meer op mijn woorden letten. Ik leg u dat ook nog wel uit.
      Elfride heeft vele talenten, zei hij, maar in de annalen van de schilderkunst zal ze niet worden opgenomen.
      Bijna had ik ‘Viezerik!’ geroepen, echt waar. Ge moet niet met uw seksleven te koop lopen tegen iemand die ge amper
kent. Ik heb gezwegen, en maar goed ook. Ik heb dat woord ’s avonds thuis toch maar eens gegoogeld. Ge kunt anaal dus
ook met een dubbele n schrijven. Wat een letter verschil al niet kan doen.

 

Ik ben precies wat aan het afdwalen.

 

Ik werk hier van maandag tot vrijdag, van ’s middags tot een uur of zeven. Soms al eens op zaterdag, als ik met Jacques en
Elfride ga shoppen, maar dan kom ik ’s maandags niet. Goed betaald, ge moogt het weten. En in het wit! Met een echt contract.
Ik heb het ingekaderd en thuis in Okselaar boven de schouw gehangen. Volgens dat papier ben ik namelijk geen kuisvrouw maar huishoudelijk manager. Wat denkt ge daarvan! In het begin ben ik nog wel eens met een stofzuiger door het huis gegaan, maar lang heeft dat niet geduurd. Ik leg u dat nog wel uit. Ja, er valt een en ander te vertellen. Alles op zijn tijd.

 

Heb ik al gezegd dat ik afkomstig ben van Okselaar, gelijk okselhaar maar zonder h? Grapje! Zijt ge daar al eens geweest?
Ik denk het niet. Ge moet het al weten liggen. Als ge in Veerle de baan naar Diest neemt, passeert ge aan uw rechterkant dancing Heideroosje. Dat is in de streek een bekend etablissement. Daar heb ik mij door de Ronny laten doen. Och, ik wil eigenlijk niks over de Ronny zeggen. Later misschien. Ge rijdt voorbij dancing Heideroosje, altijd maar rechtdoor, en als ge coiffeur Mario ziet, of het Dierenparadijs, dan zijt ge in Okselaar. Er is niks te zien. Mijn straat zijt ge voorbij voor dat ge het weet. De Molenvijver. Op de hoek van de grote baan en café Den Oxo neemt ge de Tessenderlobaan. Een dikke kilometer rechtdoor
blijven rijden, en dan rechtsaf. Daar heb ik dus altijd gewoond. Of bijna altijd, want toen ik nog met de Ronny getrouwd was…

 

Ik ging over de Ronny zwijgen.

 

Ik heb altijd heel graag aan de Molenvijver gewoond. Vooral toen ik nog klein was. Als kind kunt ge niet beter wonen. Bossen en struiken, wildernis waar ge u kunt verstoppen en waar ge kampen kunt maken. In de vakantie speelden wij ’s morgens rap ons boterhammen binnen en haalden wij buiten deugnieterij uit tot onze buik begon te grollen van de honger. Na de noen van ‘t zelfde tot als ons moe ons riep voor het warm eten. Wij waren met twee thuis, ons Anita en ik. Ons Anita is onder een camion gelopen op de grote baan toen ze sigaretten ging kopen voor onze va. Ze was nog maar twaalf. Ik ben twee jaar ouder, enfin, ik was twee jaar ouder. Onze va is toen beginnen drinken. ’t Is te zeggen, hij dronk al heel veel maar na de begrafenis van ons Anita is hij niet meer nuchter geweest. Ge overdrijft, Madeleine, zeggen de mensen. De mensen waren er niet bij als hij op minder dan een uur tijd een fles goedkope jenever soldaat maakte. Als hij ons moe afroste met de keuterhaak. Als hij de meubels kapotsloeg en het servies aan gruzelementen smeet. Als hij mij probeerde te pakken.
      Dat is ‘m nooit gelukt. Ik ben een rappe, altijd geweest. Meer wil ik daar niet over zeggen. Hij is allang dood, onze va. Doodgezopen, wat hadt ge gedacht.
      Ons moe zit in een home in Scherpenheuvel. Ze kent haar voorkant niet meer van haar achterkant, verstaat ge. Ik woon nu al jaren alleen in Okselaar. Officieel woont onze Lou bij mij. Onze Lou is mijn zoon. Hij zit in ’t gevang. Het is gelijk het is. Natuurlijk schaam ik mij daarvoor. In Okselaar lachen ze mij uit achter mijn rug. Behalve mijn gebuur Marcel. Die lacht mij uit in mijn gezicht. De klootzak.


2

Een truitje van de Zeeman

 

Ziet ge die foto op de kast achter mij? Allez, ik noem dat een kast. Het is naar het schijnt – efkes diep ademhalen – een Franse
empire commode uit 1810. Heeft maar vierduizend euro gekost, een echte occasie, volgens Elfride. Gevonden bij een brocanteur ergens in de Walen. Als Elfride niet schildert, stroopt ze rommelmarkten, antikeirs en brocanteurs af. Tegenwoordig zelfs kringwinkels. Verstaat gij dat? Ik zeg, allez, Elfride, zijt daar toch voorzichtig mee, voor ge het weet doet ge een ziekte op
want wie er allemaal in die zetels heeft gezeten of in die bedden heeft gelegen of wat er in die kasten heeft gehangen, dat
weet ge niet. Ik heb zelf ook een kleerkast van de kringwinkel van Scherpenheuvel, maar ik heb die plank voor plank proper
gemaakt met Cif en javel. Ik heb er ook eens een zetel gekocht voor tien euro maar die staat nu vanachter in het kot te vergaan
want er zaten oornijpers in de vulling van de zitting. Enfin, het kwam erop neer dat haar vriendin Lucie een spiegel van Lowie
Kators had gevonden in de kringwinkel van Diest. Ge kondt er u wel niet meer in spiegelen, zo versleten was hij, maar het was
echte antiek en ze had er maar vijf euro voor betaald en nog een merci bovenop gekregen van de kringwinkel omdat ze het
geval had willen meenemen. En als Lucie iets op de kop kan tikken, wilt Elfride dat ook. Kinderachtig, maar ja.

 

Waarom vertel ik dat nu allemaal?

 

Ah ja, de foto op de commode. Wacht, ik pak ‘m efkes, dan kunt ge beter zien. Voilà, hier sta ik te blinken tussen Elfride zomer gemaakt.
      Weet ge waar ik nu goesting in heb, zei Elfride op een zaterdagmorgen.
      Het was tien uur, Jacques was juist de tafel aan het afruimen. We zouden naar Brussel gaan, naar een tentoonstelling van schilderijen. Ik ben vergeten van welke schilder. Het heeft in feite geen belang want we zijn niet gegaan. Elfride wilde
naar Parijs, dat was zeker al een jaar geleden, kloeg ze.
      Geen probleem, chouchou, zei Jacques, we springen in mijn Porsche en we zijn vertrokken. Als Madeleine ook goesting
heeft, natuurlijk.
      Dat vroeg Jacques dus echt! Als ik nee had gezegd waren we naar Brussel gegaan. Natuurlijk heb ik ja gezegd. Wordt gij
door uw bazen gevraagd of ge mee naar Parijs wilt? Om twee uur ’s middags zaten we op een terras aan een van de grote boulevards pastis te drinken. Ik had nog nooit pastis geproefd, ik wist ervan. Elfride heeft aan een Japanner gevraagd of hij een
foto van ons wilde nemen met haar smartphone. Zie ons daar staan, ik in het midden, met mijn arm rond de lee van Elfride
en Jacques. Jacques in zijn lichtgrijs kostuum. Hij draagt altijd kostuums van een Italiaans merk, altijd. Elfride koopt haar
kleren bij een rare modeontwerpster, een Hollandse. Elfride is bruin van vel en mager, ze heeft bijna geen borsten. Ik wel, ge
kunt er niet naast kijken. Ze staat wel met die speciale kleedjes die eruitzien als moderne schilderijen. Niet mijn smaak maar
kom. Ik draag wat ik altijd aanheb: een jeans en een truitje van de Zeeman. Ik werk nu wel bij chique mensen, maar ik weet
waar ik vandaan kom. Van Okselaar, ge weet wel. Ik schaam mij niet voor mijn afkomst. Wat niet wil zeggen dat ik geen
ander leven zou gewild hebben. Maar spijt, dat is wat de koe schijt.

 

Ik was een lastig kind, enfin, puber of tiener of wat zijt ge als ge vijftien, zestien jaar zijt. In Okselaar, bovendien. Zeker nadat
ons Anita verongelukt was, hadden ze thuis of op school geen zeggen meer aan mij. Onze va was altijd zat, dat heb ik al verteld.
Ons moe was bezig met overleven, denk ik nu. Ik ging naar school in Diest, naar de Voorzienigheid, een strenge katholieke
school. Ik volgde de afdeling Handel. Met dat diploma kunt ge later secretaresse worden. Daar zaten mijn vriendinnen en
ik niet op te wachten. We brosten veel. Niet voor de bossen maar voor ons eigen. Over de middag aten we ons boterhammen
op in de Max, het stamcafé van de Scabs. Kent ge die, de Scabs? Dat café is nu een koekenbakkerij, stel u voor. We hingen
rond. We smoorden shit. Die kregen we voor niet van het lief van Melody, de Farid. Dat was een weirde gast. Hij wou dat
Melody het ook met zijn maten deed. Wij waren in alle staten toen ze dat vertelde. Die wilt van u een hoer maken! riepen
wij in koor. Ik zie de Farid zo graag, zei Melody. Tot ze ineens bont en blauw geslagen bij Tamara thuis aan de deur stond. In
Kaggevinne, nog zo’n gat. Hoe ze daar geraakt was, god mag het weten. Wat ik wel weet is dat de pa van Tamara haar naar
de kliniek heeft gebracht. Dat de politie erbij is geroepen. Dat Melody daarna verhuisd is naar Leuven. Nooit meer teruggezien.

 

Eigenlijk moet ik niet veel zeggen.

 

Ik ben in de Max aan de Ronny blijven plakken. Hij was tien jaar ouder. Een bokser. Hij werkte als rekkenvuller in de Alvo. Voor achttienduizend frank in de maand, ik spreek van de jaren negentig hé. Dik tegen zijn goesting, maar ja, hij was al eens van de dop gesmeten. En hij woonde opnieuw thuis, omdat hij schulden had. Hij was verslaafd aan gokken, onder andere. In het weekend verdiende de Ronny in het zwart bij als portier in dancing Heideroosje op de Turnhoutsebaan. Geen vetpot trouwens, want het Heideroosje is een dancing voor oude mensen en die geven geen drinkgeld. Hij moest van de baas van de dancing zo’n debiele portiersklak opzetten. Als ge hem daarmee uitlachte, werd hij agressief. De Ronny had in het geniep een sleutel van de achterdeur van het Heideroosje bij laten maken. Daar heb ik mij op de maandagse sluitingsdag laten doen door hem. Op een cafétafel. Hij was niet gaan werken en ik was niet naar school. Het was er koud en het stonk er naar bier en naar de afloop. Ik dacht dat het geen kwaad kon maar ik had het zitten. Van de eerste keer. Ik was zestien jaar. Dat het niet van hem was, beweerde de Ronny. Ik wist niet wat ik hoorde. Van wie dan wel, heb ik hem gevraagd, mijn stem bibberde van kwaadheid, ge zijt de eerste en de enige met wie ik het gedaan heb. We zaten in de Max aan een tafeltje helemaal vanachter. Ik had mijn Predictortest bij. Ik heb die zelfs in zijn pint gegooid, zo razend was ik. Ik ben beginnen roepen tegen hem, dat hij een lul was en een rotzak. Hij probeerde zijn hand op mijn mond te leggen. Moet iedereen het horen, Madeleine? Ik heb in zijn hand gebeten, mijn tanden stonden er een week later nog altijd in. Gij bitch! Ik heb moeten duiken of ik had zijn vuist in mijn gezicht gekregen. Hij is met veel kabaal weggelopen. Maar ‘s anderendaags stond hij mij aan de school op te wachten. Het moet weg, zei hij. Natuurlijk moest het weg. Dat wist ik ook wel. Maar hoe? En waar? Ik heb Tamara in vertrouwen genomen. Zij was mijn beste vriendin toen. Ze is juist gelijk ik in Okselaar blijven hangen. Ze woont op de grote baan, ze kuist bij Familiehulp. Gescheiden, twee kinderen. Als we elkaar op straat zien knikken we eens, lachen we eens, meer niet. Tamara is met mij meegegaan naar Antwerpen, naar de kliniek van haar ziekenkas waar ze abortus deden. Haar ouders waren socialisten. Zeer dat het deed. Omdat ik van een andere ziekenkas was, kostte het zevenduizendvijfhonderd frank. Drieduizend frank van mij, mijn hele spaarpot. De Ronny heeft de rest betaald. Ik heb bij wijze van spreken zijn arm moeten omwringen. Ik heb ermee moeten dreigen dat ik het tegen zijn ouders zou zeggen. Zijn vader las voor in de kerk van Okselaar, verstaat ge.
      Ge moet het mij terugbetalen, zei hij toen hij het geld in mijn handen duwde.
      Ik heb hem een klinkende klets rond zijn oren gegeven.
      Hij spuwde in mijn gezicht, kunt ge u dat voorstellen? Zo’n vieze dikke fluim.
      Hoer, zei hij.
      Ik wil u nooit meer zien, heb ik gezegd.
      Het is wel anders gelopen.


3

Waar zijn de stoute katten?

 

Wat hoor ik nu toch? God, waar zit ik met mijn gedachten? Angèleke! Kom er maar uit, beestje. Hier is ze zie, mijn vriendinneke.
Ziet ze er niet schattig uit? Precies een bolleke wol, vindt ge niet? Maar pas op, ze heeft scherpe tandjes, amai. De eerste keer dat ik haar wilde strelen, was ik bijna een vinger kwijt. Toen werkte ik nog bij Roger en Yvette van die begrafenisonderneming
in Aarschot. Daar komt ze vandaan, ziet ge. Een triestig koppel, die twee, ge kunt het niet geloven. Ik leg u dat nog wel uit. Toen heette het beestje nog Angel, op zijn Engels, maar nadat ze haar tandjes in mijn vinger had gezet, heb ik daar Angèle van gemaakt. Het is niet echt een hondennaam, ik weet het.
      Waar zijn de katten, Angèleke? Waar zijn de stoute katten?
      Als ik dat zeg, wordt ze helemaal wild. De katten van Elfride en Jacques zijn haar aartsvijanden. Lelijke beesten dat het zijn. Maar wel van een speciaal ras, het ras van de naaktkatten. Het zijn Sphynx-katten uit Canada, als ge het precies wilt weten. Ik had daar nog nooit van gehoord. Duur dat die mormels zijn. Bijna vijfduizend euro voor de twee. Daar moet ik verdorie dik twee maanden voor werken. En bezigheid dat ge met die beesten hebt. Omdat ze geen haar hebben, moet ge die dus alle dagen met crème insmeren. Anders drogen ze uit, of verbranden ze in de zon. Kunt gij dat niet doen, Madeleine? vroeg Elfride toen ik hier pas werkte. Madame – ik zei toen nog madame – heb ik geantwoord, ge moogt het mij niet kwalijk nemen maar dat zult ge toch zelf moeten doen. Ik ben er eerlijk gezegd wat vies van. Daar had ze begrip voor. Aan Jacques moet ik het ook al niet vragen, zuchtte ze. Olga de kuisvrouw moet de katten nu insmeren. Olga kan niet nee zeggen zoals ik. Heb ik al gezegd hoe de katten heten? Salvador en Pablo. Als ge u nog herinnert dat Elfride zelf schildert, enfin, of wat ervoor moet doorgaan, moet ik dat niet uitleggen zeker. Die katten, brrr, niks dan vuiligheid hebt ge ervan. Ze maken de meubels vettig met dat rare vel van hun. En dan de prut die uit hun oren komt. Angèleke wordt agressief als ze dat riekt. In het begin waren Pablo en Salvador nog curieus naar mijn hondje. Het ziet er ook zo lief uit als ge niet beter weet. Maar nu zijn ze wel geleerd. Ze laten zich niet zien als Angèleke er is. Of ze kruipen helemaal bovenop de kast van de glazen en ze blazen met een hoge rug naar mijn hondje. Om haar uit te dagen. Het enige wat Angèleke kan terugdoen is grollen met haar tandjes bloot. Want blaffen mag ze niet, ha nee!
      Het probleem is, ziet ge, dat Angèleke hier eigenlijk niet mag zijn. Geen honden in huis! Elfride werd bijna hysterisch toen ik vroeg of ik mijn hondje mee mocht brengen. Ge zult er geen last van hebben, had ik haar verzekerd. Echt niet. Maar het was nee en het bleef nee. Elfride haat honden. Ze zegt dat ze allergisch is voor hondenhaar. Of dat zo is, dat weet ik niet. Ik kan Angèleke thuis niet alleen laten. Dan breekt ze het kot af. Dus neem ik haar overal mee in mijn sacoche. Het is een slimme hond. Ze weet dat ze stil moet zijn tot ik haar eruit laat. En voor ik vertrek verwijder ik zorgvuldig alle sporen van haar aanwezigheid. Niet met de stofzuiger, geen denken aan, die raak ik niet meer aan. Ik heb altijd een kruimeldief in mijn sacoche. Als de batterijen nog nieuw zijn, zuigt dat even goed als een stofzuiger. En als er toch eens een haar achterblijft en Elfride ziet dat, dan zeg ik dat het er een van mij is. Angèleke en ik hebben dezelfde kleur van haar, verstaat ge.
      Ziet nu, mijn hondje heeft vaak. Dan kruipt ze uit haar eigen terug in mijn sacoche. Dat doet mij altijd iets.

 

Ik ben altijd zot geweest van honden, dat zit gewoon in mij, maar van mijn ouders mocht ik er geen in huis halen. Hoe dikwijls
ik niet om een hondje gevraagd en gezaagd heb. Niks van, zei onze va. Een hond doet niks dan schijten en pissen. Juist gelijk gij, zei ons moe eens en ze kreeg direct een saluwasie tegen haar oren. Omdat ik zelf geen hond mocht hebben, wilde ik alle honden die ik op straat tegenkwam strelen. Maar alle honden hadden het niet voor mij, heb ik ondervonden. Ik ben een paar keer naar de dokter moeten gaan met lelijke beten in mijn armen.
      Daarom was ik ook zo zot van de scheper van de Ronny, een lievere hond bestond er niet. De Ronny nam zijn Mechelse
scheper altijd mee op café, daar ben ik hem opnieuw tegen het lijf gelopen. Helaas, zou ik kunnen zeggen. Maar nog eens:
spijt is wat de koe schijt.
      De Ronny is voor subiet, voor straks, voor later. Ik weet niet.

 

Ik zat nog op school, in Diest, maar veel zagen ze mij daar op het laatst niet meer, en ik geloof niet dat de leraars er kwaad om waren. Ik broste denk ik om de andere dag. Ik was al eens blijven zitten in het derde middelbaar en ik zou het vijfde zeker ook moeten dubbelen. Foert, heb ik gezegd. Ik stop ermee. Oké, zeiden ze thuis, dan kunt ge gaan werken. En uw pree afgeven. Daar had ik niet op gerekend, om eerlijk te zijn. Ik had al rap spijt van mijn beslissing. In plaats van rond te hangen met mijn
vriendinnen en pinten af te bedelen en joints te smoren, stond ik na een week met de vroege bij Duracell in Aarschot. Batterijen
per twaalf in een kartonnen doos steken. Daar was een machine voor maar die was dikwijls kapot. Ik moest daar met de fiets naartoe! Dat is verdomme zestien kilometer ver. Enkel! In het donker. Door weer en wind. Onze va zat toen thuis met het pootje maar ge moet niet denken dat hij mij naar mijn werk wilde voeren in zijn auto. De loser! Drie maanden lang heb ik iedere weekdag langs die klotesteenweg naar Duracell gefietst. Zeiknat geworden. Platte band gehad. Tegengehouden omdat ik zonder licht reed. Lastiggevallen door gasten die op een koersvelo naar hun werk reden en die niet van mijn gat konden blijven als ze mij passeerden. Toen had ik eindelijk genoeg gespaard om een Toyota Starlet van twaalf jaar oud te kopen. Want ge moet niet denken dat ik mijn pree heb afgegeven aan die zatlap thuis. Ik gaf ons moe vijfduizend frank in de maand voor kost en inwoon, de rest hield ik voor mijzelf. Ik heb het een half jaar volgehouden bij Duracell. Dat vond ik al een hele prestatie want het was klotewerk. Ik ben naar de dokter in Diest gegaan en ik heb gezegd dat ik allergisch was voor het zuur in die batterijen. Hij geloofde mij niet. Ik had ook geen huiduitslag of zo, dat was wel ambetant. Die doktoor wilde mij zelfs geen week ziekteverlof geven. Ik denk dat hij door Duracell betaald werd om iedereen aan het werk te houden. Enfin, ik kon dus niet gaan doppen. Wat eigenlijk mijn plan was. Maar mijn auto bleef wel geld kosten en ons moe wilde haar vijfduizend frank. Dik tegen mijn goesting ben ik dan maar bij La Corbeille in Westmeerbeek begonnen. Kent ge die fabriek? Ze maken groenteconserven. Ik stond aan de lopende band van de erwten. Als er erwten passeerden die te klein of te groot of geblutst of bruin waren, moest ik die eruit halen. Kunt ge u onnozeler werk voorstellen? Ik droomde ’s nachts van erwten! Ik kon geen erwten meer zien. En het betaalde nog minder dan bij Duracell. Ik kwam iedere dag blètend thuis. Ja, zei ons moe, dan hadt ge maar beter uw best moeten doen op school. Wie zijn gat verbrandt… Het is al goed, moe. Onze va zei niks in die tijd, of toch niet veel meer. Volgens ons moe waren zijn hersenen aangetast door de drank. Ik heb jaren bij La Corbeille gewerkt. Tot na mijn scheiding van de Ronny. Want ja, ik ben dus opnieuw aan die gast blijven plakken.


Meer leesfragmenten