Leesfragment: De dokter is uw kameraad niet - Louis van Dievel

De dokter is uw kameraad niet vertelt het turbulente levensverhaal van Guust Van Mol - een pseudoniem. Lees hier het voorwoord en de eerste hoofdstukken van deze biografictie.


De dokter is uw kameraad niet
Louis van Dievel

ISBN: 9789460018602
Prijs: €22,50


Voorwoord

Over Guust Van Mol

 

Based on a true story is de aankondiging van een film die (min of meer) gebaseerd is op de werkelijkheid. Ook deze roman verdient dit predicaat. Guust Van Mol heeft echt bestaan, zij het niet onder die naam. Hij en ik kennen mekaar al lang, al van
toen hij nog wel en ik allang niet meer bij klein links militeerde. Guust was een volgeling van Marx, Engels, Lenin, Stalin en
Mao, ik van Trotski. Ik ken dus het milieu, de kleine leefwereld van de zuiveren van geest. Gefascineerd was ik door de
spanningsboog die door zijn leven snijdt, van heel links naar stevig rechts: Amadees, proletaar, doktoor, sociaaldemocraat,
politieke paria, emigrant, aanhanger van Theodore Dalrymple, rechtse conservatief, bestrijder van het marxisme en de ‘linkse
leugen’ van de solidariteit. Die evolutie wilde ik graag in een boek gieten. Guust is namelijk niet de enige student die door
‘de partij’ (toen nog Amada) naar de fabriek werd gestuurd om het leven van de arbeiders te delen. De revolutie was immers
nakend. Vele, vele tientallen jongelieden lieten zich ompraten door de partijleiding, die zelf meestal buiten schot bleef. Sommigen gingen aan hun ‘proletarisering’ ten onder, anderen ontworstelden zich met of zonder trauma aan de sekte die Amada en later de jonge PVDA was, sommigen konden zich een leven buiten de partij niet voorstellen en bleven de beweging trouw, namen de soms ridicule en pijnlijke koerswijzingen voor lief. Wie de partij verliet, al dan niet onder dwang, schoof op naar rechts, in al zijn varianten. Het lijkt een wet van Meden en Perzen. Wie de partij verliet, achtte het ook tot zijn of haar
taak of roeping het marxisme-leninisme voortaan te bestrijden. Legio zijn de blogs en columns en websites van oud-kameraden
die de huidige PVDA argwanend beloeren. En ze kennen elkaar allemaal nog, ze lezen elkaar, ze linken elkaar via de
sociale media. De ex-kameraden kennen overigens de truken van de foor, ze laten zich niet verblinden door de schoonheidsoperaties van de huidige partij.

 

Guust Van Mol stond eerst nogal weigerachtig tegenover mijn voorstel om zijn leven in een boek te gieten. Tot een medische
routinecontrole een aneurysma bij hem vaststelde, een gevaarlijke uitstulping van de slagaderwand, een tikkende tijdbom.
Een erfelijke aandoening, ook dat nog: zijn grootvader stierf eraan, zijn vader leed er ook aan. De diagnose dwingt hem met
de neus op de feiten. Al veel langer liep hij zelf rond met het idee om zelf zijn leven uit te schrijven, voor zijn kinderen, om
uit te leggen hoe het gelopen is zoals het gelopen is. Hoe hij marxist-leninist werd en in die hoedanigheid gruwelijke misdaden
van dictatoriale regimes heeft goedgekeurd of tenminste goedgepraat, bijvoorbeeld. Maar het kwam er niet van. Mijn
herhaalde vraag betekende een kans om ‘op te ruimen’, de confrontatie met zichzelf aan te gaan, voor het te laat zou zijn.
Kwam daarbij de kanker waartegen zijn broer vocht, zijn broer die op nog jongere leeftijd dan hij het marxisme-leninisme
omarmde en de partij – op een enkele periode van twijfel na – altijd trouw bleef. De partij waarin hij opklom, de partij waardoor
hij bekend werd als de ‘kiwidokter’. Guust leed daaronder, onder die onbegrijpelijke trouw.

 

Om een lang verhaal kort te maken: in september 2018 hebben Guust en ik voor het eerst samengezeten, om het terrein af te tasten, om elkaar af te tasten, te zoeken naar wederzijds vertrouwen. Dat kwam er, dat groeide gestaag. Daarna heeft Guust niet alleen zijn archief opengesteld, maar ook zijn ziel op tafel gelegd voor mij. Uren en uren hebben wij gepraat, in Turnhout en op het eiland El Hierro. Over zijn jeugd, zijn privéleven, zijn studietijd, zijn fabriekswerk, zijn dokterspraktijk in Turnhout en Rotterdam, zijn tijd als parlementslid voor de SP.A, zijn afkeer van partijleiders Patrick J. en Steve S. Uren en uren heeft Guust besteed aan het graven in zijn geheugen, hoe pijnlijk dat proces ook was, aan het opzoeken van lang vergeten en vergeelde partijdocumenten, aan het opsnorren van notities, brieven en later mails. Guust heeft mij duizenden pagina’s aan
documentatie bezorgd en ik heb die allemaal doorploegd. Naar schatting tweehonderd vragen van mij heeft hij plichtsbewust
en uitvoerig beantwoord. Allicht heb ik vaak op zijn zenuwen gewerkt.
      Toen ik uitgevraagd was, heb ik uit de enorme hoeveelheid informatie gekozen wat mij relevant leek voor de reconstructie
van het ongemeen boeiende leven van Guust Van Mol, overigens zijn schuilnaam bij de partij. De afspraak tussen ons is om zijn echte naam niet te vermelden.
      Ik heb een persoonlijke keuze gemaakt uit het overvloedige materiaal. Dit boek is dus een roman, geen biografie. De uitgever
heeft daar een handige term voor bedacht: biografictie. Het boek laat één klok luiden, die van Guust. Daarom worden de
meeste andere personages met voornaam en beginletter van de achternaam aangeduid; ze hebben niet om een rol in dit verhaal gevraagd.


1

Het dorp Gierle

 

‘Gierle is een deelgemeente van Lille in de Antwerpse Kempen.
Het grenst aan de dorpen Vosselaar, Tielen, Beerse en
Lille. Volgens de volkstelling van 1976 woonden er toen
3161 mensen. Wijlen zanger Louis Neefs was afkomstig
uit Gierle.’ (Wikipedia)

 

Het dorp Gierle in de Kempen, op een goede boogscheut van Turnhout, is ons vertrekpunt, tevens ons ijkpunt. Een anderszins
rustig boerendorp dat lokaal geschiedenis maakt door de strijd tussen witten en zwarten. Een strijd die ook en vooral ná de Tweede Wereldoorlog nog wordt uitgevochten, en jaren later zelfs eindigt in bestuurlijke chaos. Tijdens de bezetting wordt
Gierle bestuurd door een ‘zwarte’ burgemeester. Hij treedt niet op of durft niet op te treden tegen de weerstand, de ‘witten’,
die neergehaalde geallieerde vliegtuigbemanningen opvangen, verbergen en via een grote omweg naar Engeland smokkelen.
Een moedige vrouw, Gusta V.S., rijdt eens ongegeneerd met een zwarte Amerikaanse soldaat achterop haar fiets over de landwegen van Gierle. Dat moet zijn opgevallen, dat moet zijn gezien. Maar niemand verraadt haar. Er wordt gezwegen. Gusta krijgt later hoge Amerikaanse én Britse onderscheidingen voor haar verzetswerk en dat van haar man Tony N. – ze heeft daar nooit mee te koop gelopen.
      Na de Bevrijding volgt er in Gierle geen echte bijltjesdag. Het is zo al erg genoeg geweest, lijkt men in het dorp te denken. Tien inwoners hebben de oorlog en de bezetting niet overleefd. Maar iedereen weet – en onthoudt – wie wit en wie zwart
was tijdens de bezetting.

 

Jarenlang gebeurt er niets in het dorp.

 

Tot in Gierle de pastoorskwestie losbarst. Een kwestie waarvoor wie het zich herinnert, zich nog altijd schaamt. Meer dan zestig jaar later begrijpt niemand hoe het zo ver is kunnen komen. Het zit zo. In 1954 wordt priester D. als nieuwe pastoor ingehaald. Hij maakt zich snel populair, maar twee jaar later al raakt bekend dat hij moet vertrekken uit Gierle, dat hij door het bisdom wordt overgeplaatst. Wie of wat zit daarachter? Is het de onderpastoor die een promotie aan zijn neus voorbij ziet gaan? Heeft D. een misstap begaan? De vraag blijft ook nu nog onbeantwoord. De overplaatsing van de pastoor is alleszins niet naar de zin van het dorp en dat is een understatement.
      Wit en zwart herleven. Wie zich achter pastoor D. schaart wordt wit genoemd, wie kiest voor de Vlaamsgezinde onderpastoor
wordt een zwarte.
      De onvrede uit zich voor het eerst spectaculair bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1958. In plaats van de
traditionele katholieke eenheidslijst worden er twee lijsten ingediend. Dat is nooit eerder gebeurd. De nieuwe lijst met
aanhangers van de pastoor die moet vertrekken behaalt met acht van de negen zetels een klinkende overwinning. Van de
oude lijst raakt maar één man verkozen, een sympathisant van de onderpastoor. Wie de nieuwe pastoor zal worden is nog niet
eens bekend. Het dorp staat in rep en roer. Het parochiale leven valt stil. De misvieringen worden geboycot of verstoord. Er wordt een betoging naar het aartsbisschoppelijk paleis in Mechelen georganiseerd om tegen de overplaatsing van D. te
protesteren. De betogers worden niet ontvangen en keren na wat rumoer per trein terug naar huis. Op 20 februari 1959 verlaat
D. de parochie van Gierle, zoals bevolen. Een goede week later maakt de nieuwe pastoor, Herman V.T., er zijn opwachting,
samen met zijn meid Fien. V.T. was tot dan een gewaardeerde onderpastoor in het naburige Kasterlee.
      Aanhangers van de oude pastoor hebben de ingang van de parochiekerk en de pastorie versperd met prikkeldraad en
weidepalen. De rijkswacht dient eraan te pas te komen. Wanneer Fien de meid in de dagen daarna boodschappen wil gaan
doen, wordt ze niet bediend in de winkel. Iedereen in Gierle moet partij kiezen, er is geen middenweg. Een handelaar die
de verkeerde kant kiest, wordt als zwarte geboycot en moet zijn nering op den duur sluiten.
      Uiteindelijk vindt de nieuwe parochieherder zijn plaats in Gierle, maar het sociale weefsel van het dorp is en blijft grondig
verstoord. Zodanig verstoord zelfs dat er bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1970 in Gierle geen enkele lijst meer wordt ingediend. De Antwerpse provinciegouverneur doet wat hij wettelijk moet doen: hij stelt zelf een burgemeester, een
gemeenteraad en een commissie van openbare onderstand aan, waarbij hij kiest uit een lijst van vooraanstaande burgers. Zes
jaar later lost het probleem zichzelf op, administratief althans, wanneer Gierle opgaat in een fusie met Lille, Poederlee en
Wechelderzande.

 

In dat eigenzinnige dorp strijken de Van Mols neer, na een zwerftocht die begint in Denemarken, in de eerste helft van de 
zeventiende eeuw. De Van Mols zijn molenbouwers én katholieken. Ze slaan op de vlucht voor de godsdienstoorlogen in het
noorden van Europa, tussen de roomsen en lutheranen. Later mengen ook de calvinisten zich in de bloedige strijd. De tocht
gaat naar Nederland, waar een hele tak van de familie zich voorgoed vestigt in Helmond. Maar nog is de omzwerving niet voorbij. Verder gaat het, naar Antwerpen, en van daaruit, om schimmige redenen, naar Gierle, ter plekke uitgesproken als Giel.
      Johannes Van Mol houdt er het aloude café In den Eik open. We spreken over het einde van de negentiende eeuw. De
herberg in het centrum van Gierle bestaat nog altijd. Johannes verhangt er zich aan een balk in de gelagzaal. Hij is nog geen
vijftig en laat getrouwd.
      Hij verdoet zich uit verdriet om de dood van zijn vrouw in het kraambed, luidt de vergoelijkende uitleg binnen de familie.
Er is ook een andere uitleg mogelijk. Johannes Van Mol verhangt zich vijf jaar ná de dood van zijn vrouw. Mogelijk was hij in zware financiële problemen gekomen. Van Mol combineert de herberg met een jeneverstokerij. Maar hij kan niet concurreren
met de stokerij van de familie S.

 

‘Ik herkende in de loop der jaren de onbestemde angst bij mijn vader Louis voor van alles en nog wat. Zelf heeft hij nooit een woord gerept over de zelfmoord van zijn grootvader. Ik ben het onrechtstreeks en via via te weten gekomen. Nochtans kwam hij in zijn jeugd in de oorlog zeer vaak in café Den Eyk, dat dan werd uitgebaat door een nicht van zijn vader. Hij beweerde altijd dat waanzin en zelfmoord bij mensen in de familie zat – hij had een sterk geloof in de genetische voorbeschiktheid in deze. Maar dan bleek het in feite in zijn eigen familie een grote rol te hebben gespeeld.’

 

De kinderen van Johannes Van Mol – ze zijn nu weeskinderen – worden uitbesteed bij boeren in de omtrek. Dat is geen prettig
vooruitzicht. De uitbesteding van wezen komt al te vaak neer op een vorm van slavernij en op seksueel misbruik. De oudste
zoon Jef, ook wel Piet of Jean genoemd, heeft een ander leven in gedachten en neemt de benen naar Antwerpen. Hij wordt
biljarter van beroep en schopt het aan het begin van de twintigste eeuw tot tweemaal toe tot wereldkampioen kader 45/2,
in 1905 en 1906. Er wordt zelfs een Belgische postzegel aan Jean Van Mol gewijd. De Kempenaar reist de wereld rond en
verdient sloten geld, allicht ook door op zijn eigen wedstrijden te gokken. Samen met zijn ‘rivaal’ en latere opvolger als
wereldkampioen, Pierre of Piet S., gaat hij in zaken. Hij richt een biljartballenfabriek op in Zuid-Amerika en Barcelona. Hij
investeert in immobiliën aan de Turnhoutsebaan in Antwerpen. Zo bouwt hij onder meer Cinema Century aan de Drink in Borgerhout. Hij vestigt zich ook in Antwerpen. Het personeel voor zijn ondernemingen en het huispersoneel laat hij uit
het eigen Gierle overkomen. Familie en bekenden, voornamelijk. Stadslui zijn immers niet te vertrouwen.
      Zijn jongste broer Victor leert bij hem zijn latere vrouw kennen. Ludovica of Lewis Mariën ‘dient’ bij de familie in Antwerpen.
Lewis is de dochter van een hengstenboer uit Gierle. Ze heeft een jonggestorven broertje en vier zusters, van wie de jongste
extra aandacht verdient. Octavie Marïen werkt in de bekende slagerij Bolsius, alias ‘den Bols’, in de Paterstraat in Turnhout,
tegenover het Heilig Graf Instituut, een begrip in de Kempen. Ze laat zich op negentienjarige leeftijd bezwangeren door stadsontvanger Florent D., gehuwd en vader van vijf kinderen, die naast de slagerij woont. Het koppel vlucht naar Brussel, zoals
in de stuiverromans. Maar algauw worden de tortelduifjes door de bittere werkelijkheid achterhaald. Zodra Octavie bevallen is,
wordt het kind in de Brusselse vondelingenschuif gedeponeerd. Stadsontvanger D. keert met hangende pootjes naar huis terug.
De arme Octavie wordt door haar schoonbroer Victor Van Mol in de auto van ‘den Bols’ opgehaald en vierklauwens naar het
klooster van de grauwzusters in Zoutleeuw, in Brabant, gevoerd. Daar zal ze zich als zuster Benedicta opwerken tot mère supérieure en in de loop der jaren grote rijkdom vergaren. Wanneer ze familiebijeenkomsten met haar aanwezigheid vereert, laat ze zich voeren in een chique auto met chauffeur. Chauffeur Jules draagt bij die gelegenheden een uniform en een pet. Het uitpakken met haar rijkdom lijkt op wraak – wraak om wat haar als jong meisje door haar familie is aangedaan.
      Victor of Fik blijft niet lang in Antwerpen hangen. Hij wordt diamantslijper en handelaar in boort ofte diamantgruis in Gierle, zijn geboortedorp en dat van zijn echtgenote Lewis. Hij boert goed. Het echtpaar bouwt een eigen woning met werkhuis in wat toen Den Dijk heette, wat later de De Nefstraat zou gaan heten. Ze hebben twee kinderen. Eerst komt Marie, elf jaar later volgt Louis.

 

‘Marie zat op internaat in Gierle, ook al woonde het gezin pal naast de school van het Ursulinenklooster. Een klasgenote omschreef haar als een erg eenzelvig meisje dat altijd tegen de muur stond op de speelplaats en nooit meespeelde met de andere kinderen.’

 

Victor Van Mol sterft voor zijn tijd aan de gevolgen van een aneurysma, een uitstulping in de aortawand. Het is een erfelijke
aandoening, zo zal blijken. Zijn echtgenote Lewis is een kille, gierige vrouw. Dochter Marie Van Mol zal haar hele leven bij de eerdergenoemde slagerij Bolsius werken. Bolsius heeft inmiddels zijn assortiment uitgebreid en biedt ook traiteurdiensten
aan. Marie is hulp, koksmaatje en ‘serveuse’ op de feesten die ‘den Bols’ verzorgt.

 

‘Ze bracht altijd overschotjes mee, petitfours en zo. Zoveel en zo vaak dat ik die nog altijd niet kan rieken of zien.’

 

Marie zal nooit trouwen. En ook al blijft ze na uitgelopen feesten vaak in Turnhout overnachten, wonen doet ze bij haar moeder
in Gierle. Daar werpt ze haar schaduw op eerst de jeugd en vervolgens het huwelijk en het hele verdere leven van haar jongere broer Louis.


2

Gefrustreerde ouders

 

‘Daar ik als groepsoverste van de plaatselijke weerstandsgroepering BNB gedurende de bezetting werkzaam ben geweest en verscheidene keren mijn leven gewaagd heb voor ons vaderland en voor de zaak van de geallieerden, hoop ik, Mijnheer de Minister, dat mijne aanvraag een gunstig verloop zou mogen hebben.’

 

Louis Van Mol wordt geboren in 1922. Hij is een prima student, maar mag van thuis niet voortstuderen aan de universiteit. Zijn moeder Lewis verwijst bij haar weigering naar het afschrikwekkende voorbeeld van haar neef Jos, de zoon van een van haar zusters. Jos mag als allereerste binnen de familie in Leuven gaan studeren, maar doet daar twee jaar lang niets anders dan – we citeren Lewis Mariën – ‘oarigheid en drank verstouwen’. Door de schuld van kozijn Jos moet Louis zich tevredenstellen met een ‘regentaatstudie’ aan Pius X in Antwerpen. De Tweede Wereldoorlog is inmiddels uitgebroken en België wordt bezet.
      Als jongeman is Louis Van Mol actief in de KSA, de Katholieke Studenten Actie. Hij brengt het zelfs tot gouwleider van de KSA in de Kempen. Louis is een overtuigd katholiek en zeer Vlaamsgezind. Aanvankelijk sympathiseert hij met de Duitse agressor. Wanneer de Duitsers de Sovjet-Unie binnenvallen, wil hij zelfs aansluiten bij de Vlaamse SS om aan het Oostfront tegen de bolsjewiek te gaan vechten. Zijn moeder steekt er een stokje voor. Merkwaardig genoeg volgt daarop een totale ommekeer. Waarschijnlijk door zijn omgang met Tony N., die ‘den Amerikaan’ werd genoemd omdat hij in Chicago geboren was. Louis gaat in het verzet, sluit zich aan bij de BNB, de Belgische Nationale Beweging. Dat het verzetswerk in Gierle voornamelijk neerkomt op het in veiligheid brengen van neergestorte geallieerde piloten wisten we al.
      Na de bevrijding is hij thuis zeer zwijgzaam over zijn rol binnen de weerstand. Maar in een brief van 15 augustus 1945 aan het ministerie van Nationale Opvoeding, vermeldt hij uitdrukkelijk zijn werk in het verzet om een vaste benoeming in het onderwijs te bemachtigen.

 

‘Daar ik als groepsoverste van de plaatselijke weerstandsgroepering BNB gedurende de bezetting werkzaam ben geweest en verscheidene keren mijn leven gewaagd heb voor ons vaderland en voor de zaak van de geallieerden, hoop ik, Mijnheer de Minister, dat mijne aanvraag een gunstig verloop zou mogen hebben. Als voorbeelden haal ik hier aan dat we in de laatste drie weken voor de bevrijding maar eventjes zeven vliegers uit de handen van de Duitsers gered hebben, en dat we met drie man het hele kruitmagazijn van een Duitsche batterij vernietigd hebben. Dan zorgden we ook in samenwerking met de plaatselijke afdeling van het K.L. (Kempisch Legioen) voor de voedselvoorziening van een partisanengroep in onze bossen, een gevaarlijk werkje vermits deze groep aanslagen pleegde op Duitsche verbindingsofficieren en zo ook gekend was door de Duitsche Feldgendarmerie. Dit alles, Mijnheer de Minister, om de overtuiging dat ik geen would-be weerstander ben, maar reeds sedert drie en veertig lid was van de BNB. Hopend op een gunstig verloop, heb ik de eer U, mijnheer de Minister, eerbiedig te groeten.’


Hoewel hij na de oorlog nog bijstudeert en diverse pedagogische diploma’s verwerft, gaat Louis, beneden zijn niveau, aan de slag als onderwijzer in de lagere school van Gierle. Waar hij later hoofdonderwijzer zal worden, maar ook niet meer dan dat.
Om zijn bescheiden onderwijzersloon aan te vullen doet hij de boekhouding van de plaatselijke kruidenierskoning, P & G.
Met zaakvoerder Jos P. zal hij lang bevriend blijven. Hij is ook een tijdlang agent voor het toenmalige Gemeentekrediet.
      In zijn jonge jaren is Louis Van Mol een begenadigd voetballer. Hij speelt bij voetbalclub Herentals, die kort na de oorlog
opklimt tot de tweede nationale afdeling (maar daarna diep wegzakt in het moeras van de regionale afdelingen). Hij is nog
steeds zeer Vlaamsgezind en pleegt bevlogen, romantische en flamingantische poëzie. Hij zit vast verankerd in het verenigingsleven van zijn geboortedorp. Voor de lokale toneelkring schrijft hij toneelstukken en regisseert die ook. Hij is zijn leven lang voorlezer in de parochiekerk en vindt van zichzelf dat hij een mooie stem heeft.
      Maar altijd knaagt de frustratie om de gemiste universitaire opleiding. Om wat hij had kunnen bereiken als… Hij voelt zich
tegelijk lid van de Vlaamse culturele elite én tekortgedaan – het tekent een hele generatie Vlaamse onderwijzers met een
beperkte intellectuele horizont. Slechts één enkele keer overweegt hij uit te breken. Wanneer zijn oude klasgenoot en vriend
Frans Van Mechelen minister van Cultuur wordt, biedt die hem een functie op zijn kabinet in Brussel aan. Hij durft het uiteindelijk niet aan. Of zijn echtgenote gaat dwarsliggen. Of allebei.
      Louis Van Mol blijft in Gierle, verbitterd en wel. Daar schopt hij het begin jaren zeventig zonder verkiezingen tot voorzitter
van de Commissie van Openbare Onderstand, de voorloper van het ocmw. Hoe dat komt hebben we al uitgelegd. Zijn vrouw
wordt door de provinciegouverneur aangesteld tot gemeenteraadslid. Die vrouw is Margareta of Margriet Hoegaerds.

 

Margriet Hoegaerds is afkomstig uit Nijlen, in de buurt van Lier. Ze is een van de vier dochters van Gust Hoegaerds en Jozefien De Ceuster. Gust is een welgestelde diamantslijper en -handelaar. Hij is zeer gelovig, een pilaarbijter zelfs, en schenkt volop geld aan goede doelen, te veel om op te noemen. Zijn echtgenote Jozefien van haar kant poogt die goedgeefsheid zoveel mogelijk in toom te houden. Gust Hoegaerds is ook een doodeerlijk man. Een naïeveling volgens zijn vrouw. Onder de Duitse bezetting, bij het begin van de Jodenvervolging, vertrouwt de Antwerpse diamantair Moshe hem een grote geldsom en een partij diamanten toe. Twee jaar na de bevrijding staat Moshe bij nacht en ontij bij Gust Hoegaerds aan de deur in Nijlen. Gust geeft hem netjes alles terug wat hij al die tijd bewaard heeft. Hij weigert zelfs het bewaarloon dat Moshe hem aanbiedt. Een van zijn dochters – niet Margriet – zal hem dat jarenlang verwijten en er hem om bespotten.
      Margriet Hoegaerds leert voor fröbelonderwijzeres. Veel hoger was voor een jong meisje in de jaren dertig en veertig van
de vorige eeuw niet haalbaar. Voor ze in Gierle terechtkomt, geeft ze onder meer les aan de ‘Dames de Marie’ in Antwerpen. Ze loenst aan een oog en is daardoor zeer onzeker over haar uiterlijk, al kan ze met een ferme boezem pronken. Het zijn die grote borsten die de ogen van de geestelijken uitsteken die ze op haar levenspad ontmoet. Ze kunnen er niet met hun handen
afblijven. Het bezorgt haar een levenslange afkeer van al wat een soutane of priesterboord draagt.
      Margriet kijkt neer op Gierle, voor haar een boerengat. Als kind gaat ze met de trein winkelen in Antwerpen, niet in Turnhout,
terwijl dat voor de gemiddelde Kempenaar de grootstad is. Later gaan haar eigen kinderen veel beter gekleed dan de
dorpskinderen, in haar gedacht toch.

 

‘In de nachtmis van kerst 1967 droeg ik een donkerblauwe blouson boven een witte coltrui. Dat viel dermate op dat de onderpastoor mij bij de communie toebeet: “Hewel, nog iets gevonden van een Engelse piloot?”’

 

Bij haar thuis wordt er uit verschillende borden en met mes en vork gegeten. In de meeste huishoudens gaat het er anders aan
toe. Daar krijgt eenieder een diep bord voorgeschoteld waarin eerst de soep werd opgeschept, vervolgens de aardappelen met
wat groenten en vlees of saus. Aan het eind van de maaltijd wordt het bord omgedraaid voor een kwak pudding.
      In 1951 leert Margriet op de kermis van Gierle Louis Van Mol kennen. Ze trouwen in 1952. Hij is dan al dertig jaar, zij zevenentwintig. Er vindt op de laatste dag van juli overigens een dubbele huwelijksmis plaats, want ook een zuster van Margriet trouwt die dag. Louis en Margriet trekken – voorlopig – in bij zijn inmiddels weduwe geworden moeder in de De Nefstraat, waar ook zijn oudere zus Marie inwoont. Ze wonen er op de zolder. Maar privacy hebben ze amper. De oudere zus van haar kersverse echtgenoot verdraagt niet dat ze elkaar nog maar aanraken. Ze verhuizen zo gauw ze kunnen naar een huurhuis in de Vennestraat. En bouwen later een eigen huis in de De Nefstraat, een degelijk burgerhuis met flagstones in de pui. Ook daar moet Margriet zich tegen de inmenging van haar schoonzuster verweren. Wanneer die pal naast hun nieuwe huis bouwgrond koopt, is het Margriet die kan beletten dat ze werk maakt van haar plan om daar te komen wonen. Haar man blijft zijn hele leven lang bang voor zijn zuster Marie en durft haar niet tegen te spreken.
      Tot haar grote frustratie en woede moet Margriet na haar huwelijk het onderwijs opgeven. De al genoemde pastoor V.T. vindt dat een gehuwde vrouw niet voor de klas mag staan. En als lid van de inrichtende macht van de katholieke meisjesschool heeft hij het voor het zeggen. Veel later zal ze met veel plezier interims doen in dezelfde meisjesschool van Gierle. Ze wordt alom geprezen voor haar opvoedkundige kwaliteiten. Net als haar man wordt ze in 1970 door de provinciegouverneur aangesteld om de onbestuurbaar geworden gemeente als gemeenteraadslid mee te leiden. Ze verdient bij met het rondrijden van trouwers in de gezinsauto. ‘Margriet van de meester’ geeft ook raad aan jonggehuwden. Ze haalt haar wijsheid uit het boek Het volkomen huwelijk – Physiologie en techniek van dr. Th. H. Van De Velde, wat in die tijd geldt als een vooruitstrevend werk over de lichamelijke kant van het getrouwd zijn.

 

In dat gezin wordt in 1953 Guust Van Mol als oudste zoon geboren.


Meer leesfragmenten