Leesfragment: Een paar is twee - Toon Van Mierlo

2010. België is op weg naar het wereldrecord regering vormen, Europa verkeert in crisis. Willem, Stef en Danny zijn schoonbroers. Ze zijn getrouwd met de drie zussen Gebruers, maar elk van deze huwelijken staat onder hoogspanning. Nieuwsgierig? Lees hier de eerste twee hoofdstukken van Een paar is twee.


De aanpassingen
Toon Van Mierlo

ISBN: 9789460014932
Prijs: €19,95


1

 

Willem zat op een bank bij het Willemdok aan overspel te denken toen er een man naast hem kwam zitten. Willem had deze man in de stille nacht niet horen of zien aankomen, merkte hem pas op toen hij de kou met zijn blote handen van het hout probeerde te vegen voor hij ging zitten. De man droeg een lichte jas, geen muts of wanten. Willem rilde in zijn plaats, het kon niet warmer dan enkele graden zijn. Al hing er een filmische mist over het dok, nevelsluiers waaruit het gemakkelijk opdoemen is, toch vond Willem het maar weinig verkwikkelijk dat de vreemdeling daar opeens bij hem zat. Er was niemand anders in de buurt en het was bijna halfvier in de winternacht. Het personage was gelukkig niet vlak naast hem komen zitten, de twee mannen zaten aan de uiteinden van een twee meter lange bank. Er werd niet gesproken. Willems waarneming was weliswaar gedempt door de mist, maar de voornaamste reden waarom hij de man niet had voelen naderen, was omdat hij diep in gedachten was. Hij zat te denken aan overspel.

 

Er zijn drie voorwaarden waaraan tegelijk voldaan moet zijn, dacht Willem, en dan is het zo gebeurd. Op zich is elk van deze voorwaarden onschadelijk en alledaags. De eerste voorwaarde is de meest onschuldige: ik vind je aardig en geniet van je gemoedelijke gezelschap, ik ben gewoon graag bij je. Dat kan je vriendschap noemen, niet meer dan sympathie, of nog neutraler: compatibiliteit. Het betekent verder niets. Iedereen heeft collega’s en kennissen waarmee hij graag een glas gaat drinken, zonder daarbij meteen als een door liefde bedwelmde zot de tijd uit het oog te verliezen. Doodnormale sociale interactie, sappen blijven in het lichaam, hormonen weten van niks. Mensen praten met elkaar, ook Willem sprak dagelijks met andere vrouwen dan die ene met wie hij getrouwd was, en Greet wist dat hij dat deed. Er was geen enkele reden om voor haar te verbergen dat hij iemand als Mia dagelijks zag en sprak. Mia was zijn collega, met collega’s moet je praten, dat is volstrekt onverdacht gedrag op een werkvloer.
      Over voorwaarde nummer twee zijn de meeste mensen minder openhartig, al is ook hier niets vreemds aan. Welke man fantaseert immers nooit over een ander lichaam dan datgene waarvan hij elke ronding en oneffenheid dagelijks mag bewonderen? Terwijl Willem ’s avonds weleens terloops aan zijn vrouw meldde dat hij met zijn collega had gesproken,
gebeurde het nooit dat hij vertelde dat ze erg mooie benen leek te hebben. Een man kan best aan zijn echtgenote verklappen
dat er andere vrouwen bestaan met bekoorlijke benen, en Willem kon zich bij uitbreiding ook wel inbeelden dat er binnen een volwassen relatie ruimte zou bestaan voor een complimenteuze opmerking met betrekking tot een buitenechtelijke boezem. Het was zijn stijl niet, maar hij kon het zich inbeelden. Niet voorstelbaar vond hij dat hij met zijn vrouw zou delen dat hij altijd naar het achterste van Mia keek wanneer ze koffie haalde bij de automaat, die op hun verdieping pal tegenover zijn werkplek opgesteld stond. Er zijn grenzen aan de openheid. Greet wist natuurlijk ook niet dat Willem vaak aan Mia dacht wanneer hij masturbeerde. Hij had in het begin van hun relatie, toen ze na het vrijen nog wat in elkaars warmte lagen op te drogen, een keer het volkomen verkeerde antwoord ‘Niet altijd’ gegeven op de vraag ‘Denk je aan mij als je je aftrekt?’ Dat was hem niet meer overkomen. Zulke misplaatste ontboezemingen zouden zijn vrouw alleen maar nodeloos verontrusten, want al kon hij geweldig opschieten met Mia en was ze een fraaie vrouw die bovendien vier jaar jonger was dan hij, hij had haar tot nog toe enkel in gedachten anders dan collegiaal bejegend, en tot vanavond had hij ook nog nooit enige serieuze intentie gekoesterd om zijn fantasieën in tastbare werkelijkheid om te zetten.
      Aan de derde voorwaarde was immers niet voldaan: Willem was niet ontevreden. Zijn huwelijk met Greet was niet onbevredigend, uitgeblust of leeglopend. Het ging goed, meende hij, en hij had er geen rekening mee gehouden dat Greet, zijn Greet, het daar niet mee eens zou zijn. Als je optimaal of zelfs maar voldoende gelukkig bent met je wederhelft, is er geen plaats voor bevliegingen, meende Willem. Je zou wel gek zijn.


De man naast hem had een sigaret gerold en rookte die nu langzaam op. Willem hoorde hem de rook telkens met een
langgerekte zucht uitblazen. Ook hij zat natuurlijk te piekeren, begreep Willem, want wat heeft een mens hier anders midden in een novembernacht verloren? Ze hadden elkaars mannen deden alsof ze helemaal alleen waren, en daar was Willem blij om. Hij keek nog eens naar de ander. Misschien had hij hem al eerder gezien. Dat was best mogelijk, Willem werkte hier vlakbij en de man zou hier wel ergens wonen, hoe komt iemand op dit uur anders in dit deel van de stad terecht? Hij probeerde zich voor te stellen hoe hij hem hier ooit ontmoet zou hebben, een vuurtje gegeven misschien, of ’s middags in de broodjeszaak naast elkaar gestaan, maar hij kon hem niet thuisbrengen, wat hij vervelend vond. Willem hield niet van raadsels, maar had geen zin om de man aan te spreken. Hij was hier om rustig na te denken. Waarom had die vent geen ander bankje gekozen?
      De man lichtte een bil op en trok een rood notitieboekje uit zijn achterzak. Hij sloeg het open, bladerde er even in alsof hij iets opzocht, sloot het weer, legde het op de bank en schoof het naar het midden, precies tussen Willem en hem in.

 

Voortbordurend op de voorwaarden voor overspel, probeerde Willem een ander klassiek vraagstuk op te lossen: is vriendschap
tussen mannen en vrouwen mogelijk? Hij meende van wel, maar enkel wanneer aan één van twee voorwaarden was voldaan.
      Een man en een vrouw kunnen bevriend zijn en het daarbij laten wanneer beiden optimaal of zelfs maar voldoende
gelukkig zijn met hun gekozen levensgezel, of wanneer de een veel lelijker is dan de ander, zodat, zelfs wanneer het gaat om twee vrijgezellen, ze stilzwijgend beseffen dat een seksuele relatie sociaal ondenkbaar is. Hier, bij deze tweede voorwaarde, moet als uitzondering vermeld worden: wanneer de lelijkerd een stinkend rijke lelijkerd is. Enkel dan komen in het menselijke reservaat paren voor waarbij het verschil in fysieke schoonheid meteen in het oog springt.
      Willem was gelukkig bij Greet en hij had Mia nooit horen klagen over haar Michiel. Aan de tweede voorwaarde was niet voldaan: Mia is een mooie vrouw, maar ik mag ook nog altijd gezien worden, vond Willem. Zij waren dus niet meer dan vrienden, zelfs al fantaseerde hij soms dat zij hem bereed als een rodeostier, het hoofd in de nek, één arm in de lucht, zijn eigen handen graaiend naar haar stuiterende borsten. Vriendschap moet, net als een relatie, ruimte laten voor dit soort geheimen.
      Zo was het: hij en Mia waren bevriend en daar zou het ook bij gebleven zijn, maar wat er vanavond gebeurd was, veranderde
de situatie. Grondig.
      Willem had samen met zijn vrouw gekeken naar Plan B, een reportage van Panorama waarin een dozijn divers gepluimde deskundigen ondervraagd werd over hun kijk op een mogelijke splitsing van België. Bijna zes maanden na de verkiezingen waren de onderhandelingen om een nieuwe Belgische regering te vormen, verworden tot een kluchtig feuilleton waarvan de ontknoping zo veraf leek dat de openbare omroep de tijd blijkbaar gekomen achtte om een eventuele scheiding van de landsdelen openlijk en in alle ernst te onderzoeken.
      Politiek was geen twistpunt in hun huwelijk. Het was nauwelijks een onderwerp. Ze zagen de kranten, hoorden de soundbites en bemerkten de debatten. Ze hadden de reportage van Panorama samen bekeken omdat televisie op zondagavond een gewoonte was. Willem vond, wanneer het om politieke hangijzers ging, dat hij niet genoeg verstand van

zaken had om er een uitgesproken mening op na te houden. Zijn twee politiek onverzoenbare schoonbroers hadden dat
verstand evenmin, maar toch vlogen zij elkaar bij elke familiebijeenkomst in de haren. Willem hield zich dan afzijdig.
      Na de reportage werd er nog een debat op gang getrokken met wat men in de politiek graag kopstukken noemt. Willem
stelde voor om naar bed te gaan. Dat was het moment waarop zijn vrouw, die de reportage evenmin met volle aandacht had
gevolgd, maar op een volstrekt apolitiek niveau mogelijk wel geïnspireerd was door de inhoud ervan, had bekend dat ze
verliefd was op een ander, en wat meer was: hij was ook verliefd op haar, en wat nog meer was: ze hadden al vier maanden
een affaire, en wat het toppunt was: hij heette Ronald en dat sprak je uit op zijn Engels. Wanuld. Het kon niet op. Ze kon het niet meer aan om tegen hem te liegen, had ze gezegd. En maar huilen. Willem wist niet wat hij moest doen, hij had haar zwijgend en verbijsterd zitten aanstaren.
      ‘Zeg dan toch iets,’ had ze gesmeekt, maar hij bleef stom. Ze was toen zelf maar blijven praten. Willem had er amper de
helft van gehoord, zijn gedachten bleven afdwalen, hij vroeg zich af wat de gevolgen voor hem waren. Hij had moeite om
zich in te leven in de gevoelens van zijn vrouw, die wanhopig leek.
      ‘Ik wil je niet kwijt, Willem, maar ik kan het niet tegenhouden,’ had ze herhaaldelijk gezegd. ‘Probeer dat alsjeblieft te begrijpen, het is sterker dan mezelf.’
      Willem had niet geantwoord en na een eenzijdige vertoning van bijna twee uur zonder pauze was hij opgestaan, had zijn jas genomen en was de straat op gegaan.
      ‘Waar ga je heen?’ had Greet aan de deur gefluisterd. ‘Blijf hier, Willem, ga nu niet lopen. Praat met mij.’
      Ze stond achter hem en probeerde hem tegen te houden, maar meer dan een bruusk ophalen van zijn schouders was niet nodig geweest om haar handen ervan af te laten glijden. Hij had een stap voorwaarts gezet, was blijven wandelen en merkte na een tijdje dat hij in de richting van zijn werk wandelde, dus besloot hij daarheen te gaan. Hij werd er de volgende ochtend toch verwacht. 
      Sterker dan mezelf, had ze gezegd. Dat vond Willem vreemd, zulke dingen gebeuren natuurlijk niet vanzelf. Je wordt niet zomaar verliefd, eerst moet aan bepaalde voorwaarden voldaan zijn. Zo was hij tot het onvermijdelijke besluit gekomen dat zijn vrouw niet gelukkig meer was met hem. Hij was voorlopig bereid om te geloven dat ze dat wel geweest was, maar nu was ze het niet meer, anders zou ze niet verliefd zijn geworden op iemand anders, zou ze niet verliefd kunnen zijn geworden, leerde hem de logica. Een direct gevolg hiervan was dat hij zelf plots ook geen deel meer uitmaakte van een gelukkige relatie, want je kan niet in je eentje gelukkig zijn met een ander en dat liefde noemen. Samengevat: de bekentenis van Greet had zijn huwelijkse staat aan het wankelen gebracht, waardoor een heleboel dingen opnieuw overdacht moesten worden, en dat probeerde hij te doen op een bank bij het Willemdok, waar het rustig was. Stilstaand water.

 

De man naast hem had een tweede sigaret gerookt en toen die op was, liet hij haar naast zich vallen, stond op, nam drie grote looppassen tot aan de rand van het dok, zette zich met de laatste pas af op de rand en sprong zeker twee meter ver het water in. Willem bleef als bevroren zitten, drie seconden lang, en begaf zich toen pas naar de rand van het dok, langzaam en zonder urgentie. Hij keek over de rand naar beneden, in het water dat drie meter lager nog duidelijk deinde op de plek waar de man het oppervlak geraakt had. Hij dacht ook een sissend geluid te horen en een pluimpje rook uit het water te zien opstijgen, maar dat zou de mist wel zijn geweest. Hij bleef een minuut staan kijken, maar de man kwam niet boven en het water werd weer glad. Willem keek rond, rechts, links, naar de ramen in het gebouw achter zich en ook even naar de hemel. Nergens bewoog iets. Toen ging hij terug naar het bankje, nam het rode notitieboekje dat daar nog lag en wandelde weg van de koude waterkant. Ik doe wat juist is, zei hij tegen zichzelf, dit is duidelijk wat de man wilde. Hij wenste niet gered te worden. Hij kon niet gered worden, hem achterna springen zou zonder enige twijfel mijn eigen dood betekend hebben; in dat ijskoude water overleef je nog geen twee minuten. Hij had een stille getuige gezocht, niet meer dan dat. Iemand zou de man morgen wel als vermist opgeven en wanneer hij binnenkort door een ongelukkige schipper werd opgedregd, was het raadsel opgelost en de zaak gesloten. Het notitieboekje had de man niet voor niets naar hem toegeschoven, hij wilde dat Willem het meenam. Hij stak het in zijn zak en keek op zijn horloge: het was tien voor vier. Hij werd pas om halfnegen op zijn werk verwacht, dan kon hij toch maar beter eerst terug naar huis.
      Greet sliep toen hij thuiskwam, mooi aan haar kant van het bed. Ze had zelfs haar nachtjapon aangetrokken, zag hij. Willem bekeek zijn echtgenote vanuit de deuropening van de slaapkamer. Hij was dus niet langer haar grootste liefde. Zijn verdwijning in de koude nacht, meer dan vier uur lang, had haar niet belet de slaap te vatten. Het mocht dan bijna vijf uur in de ochtend zijn, het viel hem toch van haar tegen. Hij ging zijn tanden poetsen, trok zijn klamme kleren uit en kroop naakt naast haar in bed. Het notitieboekje had hij veilig weggestopt in de boekenkast, achter een rij hobbyboeken over explosieven. Hij controleerde de wekker. Greet werd wakker, merkte zijn aanwezigheid, steunde slaperig op een elleboog.
      ‘Waar ben je geweest?’ vroeg ze bedeesd. 
      ‘Wandelen,’ zei hij, ‘en nu ga ik nog even slapen, we moeten dadelijk weer gaan werken.’
      ‘Ik denk dat ik thuisblijf,’ zei ze, ‘wil jij dat ook niet doen?’
      ‘Dat kan niet. We hebben morgen een vergadering over de te ontwikkelen marktstrategieën voor volgend jaar. Slaap maar verder.’ 
      ‘Willem,’ zuchtte ze, ‘we moeten praten.’
      ‘Nu niet, Greet, oké? Het is vijf uur.’ Hij draaide zich om en sloot zijn ogen. Hij hoorde haar opstaan, ze verliet de kamer en sloeg de deur achter zich dicht, harder dan nodig was. Praten, dacht hij voor hij in slaap viel, zal wel onvermijdelijk zijn.
      Om zeven uur liep de wekker af. Het kostte hem verbazend weinig moeite om op te staan, al had hij nauwelijks twee uur geslapen. De vermoeidheid zou later wel toeslaan, wist hij. Hij poetste opnieuw zijn tanden, kletste wat koud water in zijn nek, schoor zich, kleedde zich aan en ging naar beneden. Greet lag in de zetel met de koptelefoon op haar hoofd. Toen ze hem zag, schoof ze die van haar oren.
      ‘Waar luister je naar?’
      ‘Arctic Monkeys.’ Ze hadden niet dezelfde muzieksmaak. Willem hield niet erg van elektrische gitaren, Greet wel.
      ‘Mag de radio aan?’ Hij luisterde bij het ontbijt altijd naar het nieuws van halfacht. Greet kwam bij hem aan tafel zitten.
      ‘Kun je je niet ziek melden?’ vroeg ze.
      ‘Dat kan, maar ik ben niet ziek, dus kan het niet.’
      ‘Dit is belangrijk, Willem, ik kan deze stilte niet langer verdragen.’
      ‘Ik ben dadelijk weg. De Arctic Monkeys helpen je wel met de stilte.’
      Zijn echtgenote stond op, ze leek gekwetst. Daar kan ik toch niets aan doen, dacht Willem, dat haar liefde voor hem kennelijk zodanig geslonken was dat ze er niet langer in slaagde om het hoofd te bieden aan de belangstelling van een ander, zoals hij dat wel deed. Hij was er zo goed als zeker van dat Mia ook een boontje voor hem had, maar hij had besloten om niet op haar verliefd te worden. Dat vraagt een zekere inspanning en die moet je kunnen opbrengen. Willem kon dat, zijn vrouw schijnbaar niet. Als zij mocht vreemdgaan, dan hij ook. Hij zou Mia na de strategische vergadering, die een volledige werkdag in beslag moest nemen, vragen om nog even iets met hem te gaan drinken.

2

 

Voor de middag werden de verkoopcijfers en marktaandelen van de belangrijkste klanten geanalyseerd door verkoopmanager
Micheline, die voor elk van deze partners een swot had opgemaakt aan de hand waarvan ze na de middag op maat gesneden initiatieven zouden kunnen ontwikkelen. Het moest een geleide brainstormsessie worden, die door elk van hen nauwkeurig voorbereid was en waarvan het resultaat niet meer zou zijn dan een aantal voorspelbare agendapunten voor de maandelijkse verkoopvergaderingen van volgend voorjaar.
      Willem dronk koffie en dacht aan de man die sinds enkele uren op de bodem van het Willemdok lag en weldra wellicht weer aan de oppervlakte zou verschijnen. Hij was er nog altijd van overtuigd dat hij hem eerder gezien had, en wilde graag weten waar. Mogelijk zou een nader onderzoek van het notitieboekje dat de man minuten voor zijn dood geraadpleegd had opheldering brengen, maar het zou nog wel even duren voor hij dit in alle rust kon onderzoeken. Greet zou hem de komende dagen blijven opeisen.
      Het stond vast dat de man een getuige had gezocht, en de vraag die Willem moest beantwoorden was: waarom juist hij? Toeval, was het voor de hand liggende antwoord. Hij trok mogelijk al zes weken lang elke nacht naar het dok in de hoop daar iemand te treffen die geschikt leek, tot hij gisteren Willem zag en eindelijk zijn plan kon uitvoeren. Een andere mogelijkheid was dat deze man een vooraf doordachte actie uitvoerde waar Willem doelbewust bij betrokken werd. Dan moest hij Willem hebben en niemand anders. De overtuiging dat hij de man eerder had gezien, maakte dit plausibel; alleen kon Willem zich niet voorstellen wat de man van hem kon hebben verwacht en was het hem vooralsnog een compleet raadsel wat zijn relatie, hoe vluchtig ook, met de drenkeling kon zijn geweest. De man kon tenslotte niet hebben geweten dat Willem zich op dat moment op die plaats zou bevinden. Tenzij – en dat zou wat zijn – hij Ronald de Wanuld was, en wist dat Willem precies die avond over zijn bestaan en rol in het leven van zijn echtgenote zou worden ingelicht. Hij kon zich verdekt opgesteld hebben in de buurt van hun voordeur en hem gevolgd hebben naar het Willemdok, om daar het probleem van hun driehoeksrelatie met een enkele plons op te lossen. Ronald had aangevoeld dat zijn relatie met Greet tot mislukken gedoemd was en zag geen andere uitkomst dan deze wanhoopsdaad. Willem verwierp deze hypothese meteen: onbestaande kans.
      Er werd een nieuw pakketje cijfers rondgedeeld en de deelnemers aan de vergadering werden door Micheline verzocht om het open te slaan op pagina 3 en de tabellen die ze daar aantroffen even in zich op te nemen.
      De man was natuurlijk niet Ronald. Dat zou een al te voorspoedige oplossing van hun problemen zijn, hij mocht de gebeurtenissen van de voorbije nacht niet met elkaar gaan mengen, hoe aanlokkelijk dat ook was. Zijn dagdromen over een relatie met Mia hadden wel eens geleid tot voorstellingen van de dood van de mensen die hun verbintenis in de weg stonden: zijn vrouw en Mia’s man. Zo beginnen moordplannen. Na een geheime vrijpartij, de zintuigen dwaas en de zenuwen strak, sufgeneukt en opgenaaid, fluistert een man zijn clandestiene minnares toe dat hij wenste dat zijn echtgenote niet bestond. ‘Stel je voor dat haar iets zou overkomen?’ Later is niet meer duidelijk wie dit opperde, maar zodra het is uitgesproken kan het niet langer genegeerd worden.
      Terwijl Micheline het belang van de maand december met betrekking tot het behalen van de prognoses benadrukt, ziet
Willem hoe Mia even in zijn richting kijkt. Zij is verliefd op me, denkt hij weer. Mogelijk heeft ze dat gisteravond aan haar man bekend en is hij in opperste wanhoop naar het Willemdok gekomen, en toen hij Willem, het voorwerp van haar liefde, daar zag zitten, werd hem duidelijk dat het zo moest zijn en heeft hij zich voor de ogen van zijn rivaal in het water gestort. Maar Mia zit onbewogen aan de andere kant van de dure vergadertafel, dus dat zou het ook niet zijn. Genoeg gehallucineerd, hij moest er onopvallend achter zien te komen wie de man geweest was en om te beginnen het rode notitieboekje bestuderen. Maar wanneer? Greet wilde praten en hij moest bijslapen. Willem was een acht-uren-pernachtmens, altijd geweest, en dat voelde hij vandaag. Hij was met zijn hoofd niet bij de vergadering, al dacht hij niet dat het opviel. Hij was niet het type van wie het hoge woord werd verwacht.
      ‘Waarom mag ik niet van twee mannen houden?’ had Greet hem gisteren gevraagd. ‘Waarom kan dat niet? Het is toch niet logisch dat er op de wereld niet meer dan één persoon voor iedereen is? In mijn hart is plaats voor jou en voor Ronald, geloof me, ik hou toch niet noodzakelijk minder van jou omdat ik ook van iemand anders hou? Waarom mag dat niet?’
      Omdat de wereld nu eenmaal niet zo in elkaar zit, dacht Willem, en de mens ook niet. Het mag niet omdat het niet werkt. Een trio zal wel geschikt zijn als tijdelijke lustbestrijding, maar niet als stabiele levensvorm. Kijk maar naar de natuur, daar komt dat ook niet voor, behalve bij sommige promiscue kwallensoorten of scheef geëvolueerde insecten. Uitzonderingen heb je overal, en ik ben geen uitzondering, dacht Willem. Nooit geweest.

 

Willem was een, hoe moet je dat nu zeggen, een grote... fan? van zelfmoord. Klinkt zo vreemd. Een aanhanger, een fervent voorstander. Niet van de dood, wel van zelfmoord, net als van euthanasie. Een supporter van het zelfgekozen levenseinde, een wegbereider voor de zelfbeschikking als algemeen concept. Een advocaat van de suïcide. Hij vond het een buitengewoon geruststellende gedachte dat je op elk moment van je leven kan zeggen: loop allemaal schijten, ik heb er genoeg
van, dit was het, ik maak er een eind aan. Nu. Hij putte erg veel troost uit die mogelijkheid, niet alleen op dagen als gisteren. Hij wist dat hij het zelf nooit echt zou doen, maar vond het goed dat het kon, dat moest altijd zo blijven. Lang leve de vrije keuze, hiep hiep voor de zelfmoord. Zijn boodschap aan een man op de richel van de zestiende verdieping zou altijd zijn: twijfel niet meer, je helpt er niet alleen jezelf mee. Het was vannacht dan ook niet langer dan een instinctieve fractie van een seconde in hem opgekomen om de man te hulp te schieten, op welke manier dan ook. Hij had zich niet te bemoeien, zelfmoord is een privé-aangelegenheid.
      Een mens beneemt zich van het leven omdat hij ziek is, fysiek dan wel mentaal. Dat is het. Elke reden die je bedenkt om er een einde aan te maken, kan je zo samenvatten. Willem dacht na. Was dat echt zo: geen uitzonderingen? Wat te denken van dwang? Als iemand een geladen pistool in de hand van een volmaakt gelukkig en gezond mens duwt en hem dwingt in de eigen mond te schieten? Dan doodt hij zichzelf zonder dat hij ziek is. Strikt genomen is dat zelfmoord. Nee, dacht Willem, dat is het niet. Ten eerste is het moord en ten tweede is het een onzinnige denkpiste, want je kan onmogelijk iemand dwingen tot zelfmoord, want je hebt niets achter de hand. Dood jezelf, of anders… wat? Je hebt niets te verliezen door te weigeren. Als je jezelf ombrengt op dwingend verzoek van derden, dan ben je ziek, punt. Elke gezonde mens zou een dergelijk voorstel resoluut afwijzen.

 

‘Wat vind jij, Willem, moeten we dit volgend jaar opnieuw implementeren, gezien de huidige output?’ vroeg Micheline.
      ‘Elke gezonde mens zou een dergelijk voorstel resoluut afwijzen,’ zei hij.
      Micheline leek even te schrikken, keek nog eens naar de tabellen en haar horloge, en zei toen: ‘Oké, wat mij betreft is het duidelijk. Even pauze?’
      Mia kwam naar hem toe.
      ‘Gaat het, Willem?’ lachte ze. ‘Je zit er wat afwezig bij.’
      ‘Gewoon moe, slecht geslapen vannacht.’
      ‘Hoe komt het?’
      ‘Lang verhaal. Heb je straks iets te doen?’
      ‘Niet direct.’
      ‘Ga je mee naar Het Licht der Dokken?’
      ‘Even, niet te lang, ik moet nog naar tangoles.’
      ‘Twee pintjes?’
      ‘Dat kan ik straks wel gebruiken, ik ben helemaal platvergaderd. Vragen we de anderen mee?’
      ‘Nee, voor je het weet gaat Micheline ook mee en praten we gewoon verder over cijfers. Eén glas wijn en ze schelt door het café: “Tweehonderdduizend, dat is wel 8,3 percent, vergeet dat niet.” Ik hoor het haar al roepen, en met het geluk dat ik tegenwoordig heb, zou ze nog naast mij komen zitten ook.’
      ‘We houden het stil.’
      Na de middag ging de vergadering verder, en hoewel aan iedereen was gevraagd om op voorhand na te denken over mogelijke initiatieven, speerpunten of actiedirectieven voor het komende jaar, waren het zoals gewoonlijk dezelfde collega’s die groot geluid maakten. Plichtsgetrouw knikken en geconcentreerd naar de rand van de tabellen kijken, zou wel weer volstaan om de dag naar behoren te vullen. Willem vroeg zich af wat zijn vrouw nu deed. Zij zou niet aan het werk zijn,
dat was zeker. Misschien had ze Ronald gebeld. Natuurlijk, gebeld had ze hem zeker, hij was tenslotte haar minnaar, zo iemand bel je tijdens onbespiede momenten en dan spreek je ergens af. Wie weet was hij bij haar, nu. Lagen ze te vrijen, zich af te vragen wat ze met hem zouden doen, op zoek naar een propere afhandeling van het probleem Willem.
      Als hij zijn eigen dood kon kiezen, had verdrinking zijn voorkeur, maar dan niet zoals hij het vannacht had moeten
aanschouwen. Hij had voor zichzelf een romantische onderdompeling in gedachten. Drie jaar geleden was hij met Greet twee weken lang door het noorden van Engeland getrokken met een huurauto en hadden ze op een mooie ochtend in mei een wandeling gemaakt langs het strand van Southport, een halfuur boven Liverpool. Daar stond een kunstwerk van Antony Gormley, dat bestond uit honderd levensgrote afgietsels van het lichaam van de kunstenaar die over een afstand van drie kilometer op het strand en tot ver in de branding stonden, met het aangezicht van het vasteland afgekeerd. Toen zij er waren, trok de zee zich terug en tientallen gietijzeren mannen stonden op het droge, maar een groot aantal stond nog in het water, sommigen tot aan de enkels, anderen hadden het water aan de lippen en er moesten er ook zijn die volledig aan het zicht onttrokken werden door de grijze Ierse zee. Het was een doorsnee lichaam, ongeveer even groot en met grofweg hetzelfde postuur als dat van Willem. Er lag een dromerige, gelukzalige, berustende uitdrukking op het anonieme gelaat.
      Greet had erg veel plezier in de gelijkenis tussen de kale beelden en Willem, die zijn haar toen militair kort hield. Ze had giechelend de gietijzeren penis van een van de beelden tussen duim en wijsvinger genomen. ‘Zelfs zijn piemel is ongeveer even groot. Maar die van jou is wel warmer. Ga er eens naast staan, dan maak ik een foto van jou met je naakte tweelingbroer.’
      Hij poseerde en vroeg lachend, ‘Zal ik me misschien ook uitkleden?’
      Greet keek rond, er was niemand te zien zo vroeg op de ochtend. ‘Durf je dat?’ Hij had het gedaan, al zijn kleren uitgetrokken
en was naakt naast het beeld gaan staan, de ogen gesloten en de armen los naast zijn lichaam, met het zand tussen zijn tenen en de zee voor zich had hij de lauwe wind om zijn lijf laten blazen en was hij even losgekomen van zichzelf, leek het wel.
      ‘Willem, ik denk dat er iemand staat te kijken in de duinen,’ siste Greet. Hij had zich snel weer aangekleed en ze waren arm in arm gniffelend doorgelopen.
      Zo wilde hij wel gaan, naakt de zee in, zoals je soms ziet in films, een eenzame man die vastberaden de branding instapt
terwijl de aftiteling over zijn lichaam glijdt. Hij zou, zoals de beelden in Southport, afgewend van het land en het leven, op het strand gaan staan en de getijden hun werk laten doen, de zee aan het tempo van de natuur over zich heen laten spoelen. Maar Willem wilde niet dood.


Meer leesfragmenten