Leesfragment: Louise - Anne-Laure Van Neer

Met Louise heeft Anne-Laure Van Neer haar derde literaire thriller afgeleverd. Het verhaal van de hoogzwangere Anne-Laure die een verborgen manuscript vindt - een misdaadverhaal met een lijk dat maar niet wil verdwijnen -, is verrassend tot het einde. Lees hier een voorproefje.

Louise
Anne-Laure Van Neer

 

ISBN: 9789460018169
Prijs: €19,95


Mijn naam is Anne-Laure Van Neer, auteur en hoofdpersonage van dit boek. Om redenen die later duidelijk zullen worden, zijn
alle namen gewijzigd. Behalve de mijne.
       Dat mag, want ik ben de schrijfster, dus ik beslis.
       Dit verhaal gaat over de oorsprong van het boek Louise.
       Zoals iedere vertelling begon het met een situatie die het potentieel had om uit te groeien tot een tragedie.
       In mijn geval was dat die ene ochtend, zo’n zestien jaar geleden, toen ik mijn toenmalige vriend Bob met mijn beste vriendin
Griet in mijn bed betrapte.
       Driemaal het woord ‘mijn’ in één zin, niet erg literair, ik weet het. Te mijner verdediging: doorgaans ben ik vrijgevig, maar
sommige dingen deel ik liever niet.
       Omdat Bob noch Griet een logische verklaring kon geven waarom ze beiden naakt in mijn bed lagen, gooide ik wat kleren,
mijn teddybeer en de laptop in een sportzak en trok de gammele deur van het appartement aan de Mechelsesteenweg achter me dicht. Hoewel ik hoopte dat Bob achter me aan zou lopen, deed hij dat niet.
       Terwijl de tranen over de wangen liepen, zwierf ik doelloos door de grijze straten van Mortsel.
       Ik was single, dakloos en zeven maanden zwanger. Bovendien leefde ik van mijn spaarboekje, omdat ik ijverig timmerde aan een loopbaan als schrijfster, wat zich tot dan toe beperkte tot standaard afwijzingsmails voor mijn eerste manuscript.
       ‘Geweldige premisse. Hoe hopelozer, hoe beter,’ opperde Agatha.
       Agatha was een stemmetje dat af en toe in mijn hoofd opdook. Ze hielp me bij het bedenken van misdaadverhalen en was bijgevolg getraind om complottheorieën en sinistere bedenkingen te uiten. Ik had haar een naam gegeven, omdat haar gedachten soms zo bizar waren dat ik ze liever aan haar toeschreef dan aan mezelf.
       Op het oude gemeenteplein ging ik op een bankje zitten en keek naar de trams waar passagiers in- en uitstapten. De wereld
draaide genadeloos verder terwijl mijn leven stilstond.
       Waar moest ik naartoe? Bij mijn ouders intrekken was geen optie. Nadat ik, tegen hun advies in, een Master in de Taal- en
Letterkunde had onderbroken omdat ik zwanger werd, vonden ze het niet meer nodig om contact op te nemen. Een cum laude
afgestudeerde dochter paste namelijk beter bij het gemillimeterde gazon van de golfclub waar ze iedere zondag na het zogenaamde sporten een fles Veuve Cliquot kraakten met hun perfecte vrienden.
       In tijden van nood ging ik meestal naar Griet, maar omdat zij nu in mijn bed lag bovenop mijn lief, leek het me veiliger om haar niet op te zoeken. Mijn zwangerschapshormonen had ik niet altijd onder controle. Een onweerstaanbare drang naar
fetakaas om twee uur ’s nachts of iemands nek breken: het kon alle kanten op.
       Bij gebrek aan alternatieven stapte ik op de tram en reed naar Antwerpen. Via de iPhone zocht ik een goedkope plaats om te
overnachten. De man achter de balie van het hotelletje dat ik had uitgekozen, keek me vreemd aan toen ik een kamer voor de hele nacht boekte. Vermoedelijk werd het meestal per uur gehuurd. Hij overhandigde me de sleutel en ik liep naar kamer
nummer vijftien.
       Nadat ik de deur achter me sloot, ging ik op het bed zitten. Het piepte. Een schurftige matras die talloze buitenechtelijke
affaires had gestut, was ironisch genoeg de enige plek waar ik terecht kon. Ik ging liggen en staarde naar het plafond. De baby
stampte. Alsof dat het startsein was, begon ik plots te huilen. Het verdriet sloeg om in razernij, ik beukte met de vuisten op
het hoofdkussen. Een halfuur later zat ik uitgeput op de rand van het bed.
       ‘Goed. Dat moest eruit. Kunnen we nu eindelijk rationeel denken? Hoe pakken we dit aan?’ vroeg Agatha. Ze bleef nooit lang bij de pakken zitten.
       Ik rechtte de rug en veegde de tranen weg. Mijn alter ego had gelijk. Ik was niet voor niets jarenlang bij de scouts geweest.
Overleven, dat kon ik als de beste. Eerst zoeken naar overlevenden, daarna drinkwater, onderdak en voedsel, dat herinnerde ik
me nog van survivalweekend. Omdat de andere overlevenden vermoedelijk nog in mijn bed lagen en er drinkwater voorhanden
was, moest ik zorgen voor onderdak.
       Ik liep naar de dichtstbijzijnde kiosk, kocht een krant en keerde terug naar het hotel.
       ‘Mama regelt wel iets voor ons, Scampi.’ Ik aaide mijn buik. Die bijnaam ontstond na de eerste echografie, toen er op het
scherm een garnaal verscheen en Bob er teleurgesteld naar had gekeken.
       Achteraf bekeken was dit een duidelijke voorbode van hoe het zou aflopen. Hoe meer plaats mijn buik innam, hoe meer hij
zich terugtrok uit onze relatie.
       Ik opende de krant en gleed met de wijsvinger langs de lettertjes. 
       Toen zag ik dé advertentie.
       ‘Huurster gevraagd voor goedkoop appartement, in ruil voor hulp in huis.’
       Dat leek me perfect. Door mijn niet te camoufleren zwangerschap kon ik het vinden van een baan hoogstwaarschijnlijk op mijn buik schrijven. Misschien kon ik tijdelijk een uitkering aanvragen tot ik weer aan het werk kon. Samen met het spaargeld
dat ik nog had, zou dat mogelijk genoeg zijn om die paar maanden te overbruggen.
       Ik toetste het nummer dat in het zoekertje werd vermeld.

Diezelfde middag stond ik voor een indrukwekkende art decovilla in de Dieseghemwijk in Mortsel. Het huis bestond uit een
ondergrondse garage en twee verdiepingen. De voortuin was sober aangelegd, aan de zijkant van het huis bloeiden een paar
rododendrons. Ik beklom de trappen die naar de voordeur leidden en belde aan.
       Een oudere vrouw opende de deur. Ergens eind zestig of begin zeventig, energiek, pezig gebouwd, met een vriendelijk
gezicht. Haar blik gleed meteen naar mijn bolle buik. Ik hoopte dat ze me zou binnenlaten. Ze glimlachte hartelijk.
       ‘Anne-Laure? Kom binnen, kind. Ik ben Louise.’ Ze zette een stap opzij. Ik liep de gang in.
       Hoge plafonds, antieke houten lambrisering aan de muren, originele mozaïekvloeren en de geur van versgebakken koekjes.
Zelfs de inkomhal van dit huis overtrof het muffe appartement waar Bob en ik woonden.
       We wandelden de keuken binnen. Een lange houten tafel domineerde de kamer. De originele tegels vormden wervelende
tekeningen op de vloer.
       Louise bood me een stoel aan en liep naar een platenspeler die in de hoek van de ruimte stond.
       ‘Een streepje muziek, dat zorgt voor een leuke sfeer.’ Ze trok een elpee uit de kast, haalde het vinyl voorzichtig uit de hoes en
blies erover. ‘Sinatra, ken je die? Ik heb al zijn albums.’
       Ik knikte, hoewel mijn parate kennis over deze zanger zich beperkte tot één nummer: New York, New York. Hopelijk selecteerde ze haar huurders niet op basis van hun muzikale voorkeuren. Ze leek me niet het Iron Maiden-type, dus zweeg ik over mijn voorliefde.
       ‘Vertel me eens, Anne-Laure, waarom zoek je een nieuw appartement?’ Ze kwam tegenover mij zitten en vouwde de vingers
in elkaar.
       Ik vertelde haar over de perikelen met Bob en Griet, mijn ouders, het kleintje dat op komst was, het slinkende spaarboekje,
en de pogingen om schrijfster te worden. Hoewel ik me had voorgenomen om, ondanks mijn hormonale labiliteit, beheerst
over te komen, begon ik halverwege het relaas te huilen. Was het omdat het hier zo huiselijk leek? Kwam het doordat Louise de
tijd nam om naar mij te luisteren? Of werd ik nostalgisch melig door de croonerstem van Sinatra?
       Louise schoof de koekjes en een pak zakdoeken mijn kant uit. Ze keek me meelevend aan, luisterde en knikte.
       Toen ik zweeg, nam zij het woord.
       ‘Wat een ellende, arm kind. Dat type man ben je beter kwijt dan rijk.’ Ze liep naar het aanrecht en keerde met een dampende
theepot terug. ‘Dan heb je stilaan een warm nestje nodig voor je kleintje, nietwaar?’
       Wederom welden de tranen op. Met een zakdoek depte ik mijn ooghoeken. Ik was nooit een ‘bleiter’ geweest, maar nu leek
ik aan een inhaalmanoeuvre bezig. 
       ‘Inderdaad. Ik wil het allemaal achter mij laten en me focussen op de komst van mijn Scampi.’
       De baby schopte, alsof hij het met me eens was.
       Louise staarde naar mijn buik, een vertederde glimlach speelde om haar lippen. ‘Een nieuw leven, dat is het mooiste wat er is. Je moet je gezin beschermen, dat is wat een moeder doet.’ Ze haalde het deksel van de theepot en trok aan het touw van
het theebuiltje. ‘Is het een jongen of een meisje?’ 
       ‘Ik weet het niet. De dokter kon het niet met zekerheid zeggen.’
       ‘Zo ging het vroeger ook. Dan wist je niets tot na de geboorte. En dan…’ Haar stem brak. Ze schudde het hoofd en slikte.
‘Voor ik aan de rondleiding begin moet ik je alvast vertellen dat de keuken gemeenschappelijk is. Wij zitten hier vaak overdag.’
       ‘Wij?’ 
       Ze wees naar een fauteuil in de veranda bij de tuin. ‘Ik woon hier samen met mijn man. In ruil voor een goedkoop appartement, vraag ik om af en toe op Roger te passen. Wil je hem ontmoeten?’
       Ik knikte.
       ‘Zijn geheugen speelt hem parten. Dankzij medicatie kunnen we het onder controle houden, al moet ik hem altijd in het oog
houden.’ Ze schoof haar stoel naar achteren.
       ‘Zou het niet makkelijker zijn om hem in een rusthuis te laten opnemen?’
       ‘We zijn getrouwd in goede en kwade dagen, dat hebben we aan elkaar beloofd, lang geleden. “Samen uit, samen thuis,”
zei Roger vroeger altijd. Bovendien is een rusthuis zo duur, dat we het financieel niet aankunnen.’ Ze stond op en liep naar de
veranda. Ik waggelde achter haar aan, gracieus als een nijlpaard.
       Door het raam kon ik de tuin bewonderen. Groot, met een prachtige eik aan de rechterkant, links een moestuintje en rechts
borders met bloemen. Achteraan stond een fruitboompje. Ik dacht aan het appartement waar ik vandaan kwam. Op het zielige
terrasje kon amper één stoel staan en op het mos dat op de vochtige bakstenen groeide na, hield geen enkele plant het er uit.
Deze tuin betekende een upgrade van formaat. Het was perfect voor mijn kleintje.
       ‘Roger, schat?’ Louise knielde naast de fauteuil en legde haar hand zachtjes op de zijne. Ik ging naast haar staan. ‘Ik wil je aan iemand voorstellen.’
       Haar echtgenoot schatte ik ergens in de zeventig. Ik verwachtte een schriele verschijning, maar ondanks zijn leeftijd was
hij nog een imposante man. 
       Ze wees me aan en hij volgde met zijn blik. ‘Dit is Anne-Laure. Ze komt bij ons wonen.’
       ‘Anne-Laure,’ herhaalde hij en staarde me aan.
       ‘Ze heeft een baby in haar buik,’ zei Louise. ‘Dus moeten we heel lief zijn tegen haar.’
       ‘Een baby?’ De ogen van de oude man lichtten op. ‘Eindelijk.’ Hij zag er vriendelijk uit, als een joviale kerstman, maar dan
zonder baard. 
       Als zelfs een dementerende mens meer enthousiasme toonde dan de vader van het kind, kon ik alleen maar concluderen dat ik de juiste keuze had gemaakt.
       ‘Fijn u te ontmoeten, Roger.’
       ‘Wil je het appartement bekijken?’ vroeg Louise.
       Ik knikte en volgde haar.

De eerste kamer grensde aan de keuken. Louise trok de deur open. Het leek alsof ik een filmdecor uit de jaren twintig binnenstapte. Hoge plafonds, geboend visgraatparket en een marmeren schoorsteen sierden de kamer. Er stond een sofa, een
tafeltje en een bureau.
       Aansluitend, aan de voorzijde van het huis, lag de slaapkamer, die met evenveel zorg ingericht was.
       ‘Jackpot,’ zei Agatha. ‘Vergeet Bob en zijn muffe appartementje maar, dit is veel beter. We nemen het!’
       Van de slaapkamer liepen we naar de gang. Daar bevond zich een gemeenschappelijk wc en een berging die toegang bood tot de lager gelegen garage. Louise liep de trap op om me de badkamer te laten zien. De ruime overloop gaf uit op vijf deuren.
       Ze duidde de eerste kamer aan de linkerkant aan. ‘Hier slaap ik.’ Vervolgens wees ze naar die ernaast. ‘Dit is Rogers kamer.’
       Aan de buitenkant van de deur was een schuifslot gemonteerd. Louise volgde mijn blik. ‘Als Roger ’s nachts erg onrustig
is, doe ik soms de deur op slot zodat hij niet op wandel gaat. Het lijkt wat barbaars, maar het is voor zijn eigen bestwil. Ik zou niet willen dat hij ’s nachts op straat doolt.’ Ze liep naar de volgende deur. ‘Dit is onze badkamer en hiernaast bevindt zich jouw douchekamer. Die is voor jou alleen.’ Een douchecel, een lavabo en een wc. De ruimte was niet erg groot maar wel schoon.
       Eindelijk zou ik niet meer moeten wachten tot Bob uit de badkamer was om naar de wc te kunnen gaan. Hij bracht belachelijk veel tijd door voor de spiegel. Zijn hipsterbaard vergde namelijk meer onderhoud dan een gemiddelde golfgreen. Bovendien leek het of hij opzettelijk overal baardhaartjes rondstrooide, alsof hij op die manier zijn territorium wilde afbakenen.
       ‘Dat ziet er fantastisch uit, Louise.’
       Ze glimlachte tevreden en keerde terug naar de trap.
       Over de laatste deur aan de rechterkant had ze niets gezegd.
       ‘En die?’ vroeg ik terwijl ik ze aanwees.
       Ze keek achterom en fronste haar wenkbrauwen. ‘Dat is privé. Daar houd ik wat oude rommel bij, je gaat er beter niet naar binnen. Ik zou niet willen dat je struikelt.’
       Louise snelde de trap af en beende weer naar de keuken. Ik volgde zo snel ik kon.
       Ze schonk twee kopjes thee in, waarna ze aan het hoofd van de tafel plaatsnam.
       ‘Er is een enkele voorwaarde aan het appartement verbonden.’
       Ik wist dat het te goed was om waar te zijn.
       ‘Roger en ik zouden het fijn vinden als je ons dagelijks vergezelt tijdens het avondmaal. Ik kook graag en het is fijn om wat
gezelschap te hebben. Je hoeft uiteraard niet te koken, daar zorg ik wel voor.’
       Ik kon een glimlach niet onderdrukken. ‘Dat zou ik leuk vinden, Louise.’
       Agatha werd wakker: ‘All right, deze survival verloopt heel wat vlotter dan de vorige keer. We hebben drinkwater, luxueus
onderdak en bovendien moeten we zelfs geen boobytraps opzetten om voedsel te vinden. Gewoon de voetjes onder tafel
schuiven.’
       Ze had gelijk. Veel beter werd overleven doorgaans niet.
       Dit warme nest leek exact wat ik nodig had.

Ik woonde drie weken bij Louise toen ik voor het eerst contact opnam met Bob.
       Als een moederkloek had ze zich over mij ontfermd, alsof ik haar eigen dochter was. Ze had me haar schouder aangeboden
om op te huilen en ik had er gretig van gebruikgemaakt. Urenlang.
       Bovendien kon ze uitzonderlijk lekker koken, waarmee ze perfect mijn behoefte aan troostvoer vervulde. In de dagelijkse
routine van dit huishouden had ik rust gevonden. Om zeven uur stipt aten we. Tegen een uur of tien ging Roger slapen. Niet veel
later volgde Louise, die iedere avond een kop warme melk en koekjes mee naar boven nam.
       Af en toe paste ik een uurtje op Roger wanneer Louise boodschappen deed. Soms achtervolgde hij haar tot bij de voordeur,
maar Louise draaide ze altijd op slot wanneer ze vertrok. Om hem afleiding te bieden, keken Roger en ik wat tv. Praten deed hij nauwelijks en vaak kon ik er niet veel uit opmaken.
       Regelmatig kwam Louise thuis met tijdschriften over zwangerschap en baby’s en praatten we over hoe het leven zou veranderen wanneer het kind geboren zou zijn.
       Die avond had Louise me erop gewezen dat Bob de vader van het kind was en dat ik duidelijkheid moest scheppen over de rol die hij al dan niet zou spelen in het leven van Scampi.
       Ik wist dat ze gelijk had. In de voorbijgaande weken had ik alle contact met hem gemeden. Wat mij betrof zou ik hem nooit
meer zien, maar ik besefte dat Scampi recht had op een vader.
       Zoals iedere avond werd mijn kleintje wakker zodra mijn hoofd het kussen raakte, dus klapte ik de laptop open en doolde
wat op Facebook.
       ‘Gaan we weer pathetisch janken terwijl we naar oude foto’s van Bob kijken?’ Agatha zuchtte. ‘Is het niet stilaan tijd om iets
leukers te doen? Een wraakactie verzinnen? Iets met bloed tegen het plafond en ingewanden die aan de kroonluchter hangen?’
       ‘Nee, niets met bloed,’ antwoordde ik.

Ik checkte Bobs profiel. ‘Heeft een relatie’ stond er, maar Facebook kon me niet vertellen met wie.
       Ergens hoopte ik nog dat hij zou bijdraaien, dat hij smekend aan de deur zou staan. Dat hij zich had vergist en dat hij van
Scampi en mij hield. Terwijl ik zijn foto bestudeerde, viel er een traan op het toetsenbord.
       ‘O, nee, hier gaan we weer…’ klaagde Agatha. ‘Zal ik wat vioolmuziek opzetten? Misschien kan er een regenbui bij, dan kun je wat nostalgisch naar buiten kijken terwijl de regendruppels langs het raam naar beneden sijpelen. Komaan, jij bent een
stoere scouts. Suck it up!’
       Ik veegde de traan weg.
       ‘Griet’ typte ik in de zoekbalk.
       Het eerste wat ik op haar profiel zag, was haar bijgewerkte status ‘heeft een relatie’ met 86 duimpjes en hartjes die dat leuk
vonden. Ik scrolde door de likers en besefte dat min of meer mijn hele vriendenkring dit ‘leuk’ of zelfs ‘geweldig’ vond.
       Mogelijk was het mijn schuld. Er waren wel een paar vriendinnen die me een bericht hadden gestuurd om te vragen hoe het met me ging. Of om te melden dat er ‘nog andere vissen in de zee zwommen’. Ik had niet geantwoord. Wat kon ik zeggen? Dat ik in duigen lag? Dat mijn hart gebroken was? Alle pogingen tot antwoord klonken als clichés, dus besloot ik niets te sturen. Of misschien was ik gewoon te trots en wilde ik niet dat Griet of Bob te horen kreeg dat ik mijn dagen doorbracht met pathetische huilbuien en het eten van belachelijke hoeveelheden troostvoer omdat alcohol nu eenmaal niet mocht tijdens een zwangerschap. Ik had dus besloten om me tijdelijk terug te trekken uit de vriendenkring en te kijken hoeveel mensen er na een paar weken nog contact zouden zoeken. De conclusie was tamelijk simpel: ik bleek zo populair als een deurwaarder. ‘Allemaal
hufters,’ zei Agatha. ‘Flikker ze allemaal van Facebook. Opgeruimd staat netjes. Dat scheelt weer wat postzegels voor de kerstkaartjes.’
       Op haar relationele status na, had Griet ook haar profielfoto gewijzigd.
       Griet en Bob. Lachend terwijl ze elkaar verliefd in de ogen keken. Op de achtergrond herkende ik het oranje retrobehangpapier van mijn slaapkamer. Het geluk spatte van het scherm.
       Mijn vriend. Mijn scherm. Mijn behang.
       Ondanks de ergernissen over de wc-bril die vaak omhoog gelaten werd, de gebruikssporen die hij achterliet wanneer die wel omlaag stond, en de territoriale hipsterbaardharen was ik min of meer gelukkig geweest. Had ik het te snel opgegeven?
       Door weg te vluchten had ik hun de ruimte gegeven om een relatie te beginnen. Zonder enige weerstand te bieden had ik de
handdoek in de ring gegooid. Griet had hem blijkbaar opgeraapt.
       Bob, Scampi en ik waren een gezin. Griet maakte er geen deel van uit. Zij was de stoorzender. Zij moest weg. Niet ik.
       ‘That’s the spirit, laten we Griet omleggen,’ zei Agatha. ‘Bloed aan de palen! Wij willen bloed aan de palen!’
       Oké, genoeg. Als ze voetbalsupportersliedjes ging scanderen, haakte ik af.
       Ik opende een nieuw bericht in Messenger.
       ‘Liefste Bob,’ begon ik en deletete het meteen. Ik moest het zakelijk houden. Hij hield niet van drama en sentimenteel gedoe.
Als ik met hem wilde praten, moest ik kort en bondig zijn.
       ‘Kunnen we afspreken?’ typte ik.
       Het pijltje van de muis bleef even boven het verzendicoon hangen. Ik moest op z’n minst proberen. Voor Scampi. Ik drukte
op de knop en staarde naar het scherm. Een tiental minuten later zag ik dat hij het bericht had gelezen. Er volgde geen antwoord.
       Ik wachtte nog een halfuur terwijl ik naar mijn gezwollen voeten staarde. Wie weet was dat de reden waarom Bob me niet
meer had gecontacteerd. Hij had een fobie voor tenen die eruitzagen als opgeblazen worstjes en enkels die zoveel water ophielden dat de glooiing tussen kuit en voet verdween. Kenkels heette dat in de boekjes. Of hij was zijn baard aan het trimmen. Dat duurde altijd een eeuwigheid. Misschien had hij daarom nog niet kunnen antwoorden.
       ‘Of zit hij op Gri…’ zei Agatha.
       ‘Zwijg!’ Ik klapte de laptop dicht. Hij zou ooit wel moeten antwoorden.
       Stamp.
       Een gulp zuur brandde in mijn slokdarm, ik ging rechtop zitten.
       ‘Zwangerschapskwaaltjes horen erbij,’ zei Agatha. Ze had makkelijk praten.
       Na de obligate drie maanden misselijkheid – die er overigens vierenhalf bleken te zijn – de borsten die Andersoneske proporties aannamen en een achterwerk dat stilaan de oppervlakte van Iran benaderde, had ik gehoopt dat ik van de andere kwaaltjes bespaard zou blijven. Niet dus. Zure oprispingen die in de slokdarm brandden, dat kon er nog bij.
       Misschien kon ik aan Louise vragen of ze een extra hoofdkussen in huis had, zodat ik wat hoger kon liggen. Het was kwart voor elf las ik op de wekker.
       Iedere dag omstreeks half elf liep Louise met koekjes en warme melk naar boven. Ze zou vermoedelijk nog wakker zijn.
       Ik hobbelde naar de rand van het bed toe.
       ‘Dat doet me denken aan die ene documentaire over die kolonie walrussen die we onlangs op de BBC hebben gezien. Weet
je nog?’ zei Agatha. Bob en ik hadden gelachen toen we die onhandige beesten uit het water zagen hotsen. Misschien was het karma. Ik had hen uitgelachen, daarom veranderde ik stilaan in een walrus op het droge. Eentje zonder vriendjes in de kolonie.
       Uiteraard keek ik ernaar uit om Scampi in de armen te sluiten, maar misschien verlangde ik nog meer naar het moment dat
mijn lichaam weer van mij zou zijn.
       Ik liep langs het babybedje dat ik in de kringloopwinkel had gekocht. Daarin lag teddy Albert die al jarenlang mijn geheimen
aanhoorde, waardoor zijn oortje er nog maar met een draadje aanhing.
       Ik kroop de trap op en klopte aan bij Louises slaapkamer.
       ‘Louise? Heb je misschien een extra hoofdkussen?’
       Er kwam geen antwoord. Misschien sliep ze al of had ze oordopjes in. Roger stoorde ik liever niet. Ik wilde niet riskeren dat
hij door het huis ging dolen omdat ik hem had gewekt.
       Net wanneer ik de zoektocht wilde staken, viel mijn oog op de deur van de rommelkamer. Misschien vond ik daar het
nodige. Louise zou het vast niet erg vinden als ik daar even een kijkje nam. Toen ik de hand op de klink legde, hoorde ik
gestommel uit het vertrek komen. Ik leunde naar voren en hield een oor tegen de deur.
       ‘Drink maar alles op. Rustig aan,’ hoorde ik Louise zeggen. Zat ze daar met Roger? Zijn kamer bevond zich toch aan de
andere kant?
       Het vooruitzicht van een slapeloze nacht door een brandende slokdarm trok me over de streep.
       Ik klopte zachtjes aan. ‘Louise? Heb je een hoofdkussen dat ik mag gebruiken?’
       Voetstappen naderden tot vlakbij, waarna een sleutel in het slot werd gedraaid. Ik deed een stap achteruit en wachtte tot de
deur openging. Ze bleef dicht.
       ‘Ga maar naar beneden. Ik kom er meteen aan,’ zei Louise vanuit de rommelkamer.
       Ik slenterde de trap af en was bijna beneden toen de deur boven open en dicht ging. Daarna weer gemorrel met een sleutel
in een slot.
       Louise liep de trap af met een hoofdkussen in de handen. Er zat een diepe rimpel tussen haar ogen.
       ‘Ik heb je gevraagd om uit de kamer te blijven.’ Ze reikte me het kussen aan. Ik nam het aan, maar ze liet het niet meteen los.
‘Het is privé.’
       ‘Ik dacht dat je al sliep en wilde je niet storen. Dus…’ Ik trok zachtjes aan de kussensloop.
       ‘Als je iets nodig hebt, moet je het aan mij vragen. Dat lijkt me beter.’ Ze liet het kussen los en beende de trap weer op. Blijkbaar was ze toch meer op haar privacy gesteld dan ik dacht.
       Ik schikte het tweede hoofdkussen op het bed, legde me neer en aaide over mijn buik. Als Scampi het nu rustig wilde houden, kon ik eindelijk slapen. Ik sloot de ogen.
       ‘Waarom moet die deur op slot? Heeft ze iets te verbergen? Heeft Bob ondertussen al geantwoord?’ vroeg Agatha.
       Slapen zat er voorlopig niet in.
       Ik checkte de Messenger-app op mijn iPhone. Niets.
       Waarom moest die deur op slot? Ik had geen andere verklaring dan dat Roger daar sliep.
       Stamp. Zuur. Hoewel ik bijna rechtop lag, brandde mijn slokdarm nog altijd. Zouden er medicijnen tegen zure oprispingen
in huis liggen?
       Ik rolde weer uit het bed en waggelde naar de keuken. Omdat ik niet wist waar ze haar medicijnvoorraad bewaarde, trok ik hier en daar een kast open. In de onderste lade onder het kookvuur lagen een verrekijker en een arsenaal aan geneesmiddelen. Vooroverbuigen was geen optie meer, dus zakte ik door de knieën en bekeek de verpakkingen. Nadat ik de lade half had uitgeladen, stuitte ik op een stapel papieren die op de bodem lag.
       ‘Manuscript versie 1’ stond er op de eerste pagina.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Rebels - Ann Peuteman

Oude mensen zitten het liefst in hun luie stoel voor tv met een dekentje over hun knieën. Met dat beeld voor ogen bedenken we constant allerlei theorieën en projecten om hun leven zo comfortabel mogelijk te maken. Daarbij vergeten we keer op keer aan die ouderen zelf te vragen of dat wel echt is wat ze willen. In Rebels gaat Ann Peuteman in gesprek met rebellen op leeftijd. Elk op hun eigen manier verzetten ze zich tegen betutteling, doen ze er alles aan om gehoord te worden en vertikken ze het om oud te worden. Hier lees je het woord vooraf van Rebels. Het verzet van 75-plussers.

Lees meer »

Leesfragment: Chronisch genezen - Dirk Nielandt

Alles in Dirk Nielandts leven liep op rolletjes tot multiple sclerose bij hem werd vastgesteld. De diagnose sloeg in als een bom. Het was het begin van een kronkelig pad met veel hobbels, verrassende wendingen en een onzeker einde. Een chronische ziekte betekent echter niet dat het leven stopt. Dirk is ervan overtuigd dat je met de juiste levensstijl (en wat lef en verbeelding) een auto-imuunziekte kan afremmen of voorkomen. Lees hier het woord vooraf van Chronisch genezen.

Lees meer »