Leesfragment: Rollekind - Carolien van 't Hof

Waan je in het Antwerpen van de negentiende eeuw in Rollekind, de debuutroman van Carolien van 't Hof. Een verhaal over hoe geschiedenis de toekomst wil bespelen en hoe hedendaagse thema’s als emancipatie, ontheemding en pandemie nooit nieuw zijn geweest. Ontdek hier een voorproefje.


Rollekind
Carolien van 't Hof

ISBN: 9789464340969
Prijs: €22,50


 

Den veertienden februari achttien honderd zeven
en veertig werd gevonden in de rolle aan de
Sint-Rochusstraat te Antwerpen een kind van het
mannelijk geslacht, schijnende nieuw geboren te
zijn, gekleed met een katoenen hemdken, eenen
witten katoenen halsdoek met geele vlekskens, een
witte katoenen ondermuts, een witte katoenen
bovenmuts met rood en bruyne bloemekens, eenen
zwarten siamoisen hoofddoek, gebunseld in twee
stukken wolle dekken en een linne doek

 


As

Antwerpen, 1860

 

De kaars had gewoon kunnen uitdoven. De vlam zou kleiner zijn geworden en wegzinken in het koper van de kandelaar. Een onschuldige rookpluim zou in het duister omhoog kringelen. 

 

Het was ver na middernacht. Schaduwen van een half verdroogde bos bloemen trilden op de hoge muur. De gouden spiegellijst glinsterde boven de schouw. Alleen was er dat ene bloemblaadje dat in zijn val net te dicht langs de kaarsvlam dwarrelde. Het blaadje gloeide onmiddellijk en belandde krullend op de houten vloer. Even leek het uit te doven, maar toen bedacht het zich. Een vlammetje verkende likkend de vloerplanken. Het vervolgde zijn weg, over hout, langs een haarlint dat was blijven slingeren, en vond het schapenwollen kleed. De wol smeulde een moment, vlammen laaiden op tot meer definitieve vormen en graaiden dan hebberig om zich heen. De woonkamer vulde zich met warm en gruwelijk licht. Over het traptapijt dat stinkend en zwartgeblakerd achterbleef, baande het vuur zich een gewelddadige weg naar boven, negeerde grenzen van plafonds of deuren, klom in gordijnen, verkoolde kussens, boeken en kasten totdat het op de eerste verdieping de ruimten van de kinderen bereikte.

 

Een rode gloed drong door tot in de slaapkamers aan de overkant van de straat, bleef sluimeren achter de gesloten gordijnen. Half slapend, dan verbijsterd kwam de buurt tot leven. Gordijnen werden opengeschoven. Sommigen stonden aan de grond genageld, anderen schreeuwden of holden trappen af naar buiten. Als spoken in witte nachtgewaden verschenen ze op straat. Brandschellen, nog niet zo lang geleden geplaatst aan de openbare weg, begonnen hysterisch te rinkelen, paniek daalde in rookwolken neer over de buurt. Tergend lang duurde het voor er paardenhoeven door de straten klepperden. De grote koperen pomp was in aantocht, brandweerlieden sprongen al van de wagen. Er werd geroepen, gerend, gepompt, geblust en ten slotte via de gevelramen binnengedrongen in het rokende huis. Trappen waren niet meer begaanbaar. Naar hoeveel mensen moest er worden gezocht? Iedereen gaf informatie, heftig gebarend, in een poging het onwerkelijke terug te dringen in de normaliteit. Er zouden vier gezinsleden zijn, vader, moeder en twee dochters. Iemand kende de kamerindeling. Zwetende pompiers waagden hun leven en kregen één van de kinderen naar buiten. Hoestend maar ongedeerd kwam het meisje in de armen van haar redder de ladder af. Zorgende buren dromden met dekens om haar heen. Ze huilde niet, zei geen woord. Haar schrikogen flitsten omhoog naar waar ze vandaan kwam. Daarna het tweede kind, jonger dan het eerste, het gezicht roetzwart. Opnieuw waagden de brandweerlieden zich naar binnen. Na wat uren leek, werd de moeder van de ladder geholpen.
         ‘Waar is uw echtgenoot?’
         Ze probeerde, maar kon nauwelijks praten. Hij was gaan kijken, de trap af, had geroepen en geprobeerd de kinderen te
bereiken. Daarna wist ze het niet meer. Hij moest op de gang van de eerste verdieping zijn. Het moest!
         Weer werd de inmiddels zwarte ruïne geïnfiltreerd, met man en macht en nieuwe informatie gerichter gezocht. Ver boven de daken en de donkere rook was de hemel glashelder geworden. De nacht liep op haar einde, net als het zoeken, toen gevonden werd wat niemand wilde vinden. 


Hoedjes

Antwerpen, februari 1869

 

Het zijn net kleine taartjes, de hoedjes in de vitrine. Vooraan pronkt een blauwe creatie met fluwelen striklinten en een heuse struisveer. Een ander kunstwerkje heeft roze bandstro gekregen en linten van gaze de lisse, daarnaast een nostalgischer model van mosgroen velours met zwarte tule. In het hoedenatelier buigen drie jonge gezichten zich geconcentreerd over het naaiwerk. Na elke noenmaaltijd werken de meisjes in kring en brengen de wonderlijkste garneringen aan op hoofddeksels voor dames. Het zonlicht valt mistig door de grote vensters van het winkeltje, het intieme tafereel voor iedereen zichtbaar, de hoedenmeisjes het toppunt van deugdzaamheid.

 

Bijna breekt de naald. Dimpna verbijt een pijnkreet. Een grote druppel bloed welt op uit haar wijsvinger. Snel stopt ze hem in
haar mond. Hoe onzinnig om een lint op een stugge hoedenrand te moeten stikken. Zuchtend laat ze het hoedje op haar schoot zakken. Op de stoel tegenover haar rukt Solange geïrriteerd aan een draadje, het uiteinde bijt ze af met haar tanden. Achteloos rolt ze de rest van het garen om een klosje en trekt de naaidoos open. De naalden rammelen in hun kokers. Naast Solange werkt Mari aan een zijden sierrand. Sereen hanteren haar lange vingers de naald. De wereld om haar heen lijkt niet te bestaan.
         Als Dimpna haar vinger uit haar mond haalt, verschijnt er meteen een nieuwe rode druppel. Haar weekloon wordt zeker
ingehouden als er bloed aan de linten komt. Ze graait een lapje uit de mand en drukt het stevig op het vingertopje. Achter in de winkel staat de deur van de wandkast wagenwijd open. Juffrouw Kaat staat met haar rug naar de meisjes gekeerd en rommelt verwoed in dozen met klosjes en vingerhoeden. Zelfs haar achterhoofd ziet er grimmig uit, vindt Dimpna. Als juffrouw Kaat de kast sluit, ligt haar hand al onder het hoedje op haar schoot. Na een strenge blik op de meisjes verdwijnt de juffrouw in het achterhuis.
         Solange zakt meteen onderuit in haar stoel. Ze is al jaren bij de juffrouw in huis, ze weet wat ze zich kan permitteren. Mari gaat op in haar stille strijd met de gerimpelde zijderand. Extremere tegenpolen dan de onbeschaamde Française en de sierlijke mulattin uit de Oost kan Dimpna zich nauwelijks voorstellen. Mari is het toppunt van ingetogen elegantie, Solange een verwend keffertje.
         ‘Kijk,’ wijst Solange.
         Ze veert alweer omhoog. Om de hoek van de straat is een kleurig trio verschenen. De heer en de twee dames die het
pleintje plechtig oversteken, horen duidelijk niet thuis in het havenkwartier. De jongere van de twee dames is gehuld in een
lichtblauwe tournurejapon vol strikken en ruches en de heer die haar aan de arm voert, draagt een groene pandenjas op een lichte broek, een wandelkostuum naar de laatste mode. De tweede dame telt meer jaren, ze heeft een scherpe blik. Strenge
grijze strepen op haar japon benadrukken haar lange magere lichaamsbouw en licht gebogen schouders, alsof er een bitter
verdriet op rust. Een moment blijft ze staan en kijkt gelaten naar een groepje grauwe straatkinderen.

 

In het atelier rinkelt het schelletje. Dimpna begrijpt niet hoe de juffrouw op haar korte benen zo snel uit het achterhuis kan
verschijnen. De kleine ruimte vult zich met ruisende rokken en eau d’Anvers. Zoveel chique klanten tegelijk is een zeldzame gebeurtenis. Juffrouw Kaat houdt niet op met buigen. De dames werpen trage blikken op de hoedjes in de vitrine, de heer sluit de rij en neemt zelfverzekerd plaats voor het raam. De punten van zijn snor krullen koket omhoog. De jongere dame, duidelijk zijn echtgenote, wijst enkele hoedjes aan. Het bovenlichaam van juffrouw Kaat verdwijnt bijna volledig in de vitrine. De heer schraapt ongeduldig zijn keel. Of het laatste nieuws al is doorgedrongen tot het Schipperskwartier? Van de dode man en het paard? Even houdt hij in om de reacties te peilen.
         ‘Gisterennacht is er een tijger ontsnapt uit de Antwerpse Zoo.’
         Dimpna spitst haar oren. De Zoo van Antwerpen, een boodschap uit het verleden. Vaag herinnert ze zich een morsige leeuw achter zwaar traliewerk en de dikke lijven van de nijlpaarden die plat op de grond lagen. Het is zeker tien jaar geleden dat ze met haar zus en ouders in de dierentuin was. In het muziekpaviljoen had een vrolijk orkestje gespeeld. Als de giraffen hun statige nekken over het hek bogen, kon je ze een pluk hooi voeren.
         Solange grijnst naar Dimpna. Ze draait aan een denkbeeldige snor en rolt met haar ogen. Dimpna smoort een lachkriebel in haar naaiwerk.
         ‘De tijger zat in een kist, voor transport, ik geloof naar Londen.’
         De heer heeft zich duidelijk voorgenomen om zijn verhaal te lossen.
         ‘Midden in de nacht wist het wilde beest te ontsnappen en kwam vrij rond te lopen in de stad. Eerst naar het station en via het Statieplein naar de Carnotstraat.’ 
         Hij gooit zijn handen in de lucht.
         ‘Imaginez-vous! Wat zou je doen, als er hier een tijger voor de deur staat?’
         Hij zwaait zijn vinger voor Solanges neus. Het had allemaal in de gazet gestaan. Hij laat zijn stem zakken.
         ‘Verderop stuitte het roofdier op een man met een koets, het beest vergreep zich natuurlijk als eerste aan het paard. De
koetsier kon ternauwernood ontsnappen, maar even later werd alsnog een oude man aan stukken gescheurd.’
         Juffrouw Kaat slaakt een delicaat kreetje. De dames vertrekken van afgrijzen het gezicht. Met de handen nonchalant op de rug begint de heer aan een ronde door de winkel.
         ‘Een aantal medewerkers van de Zoo, onder wie de directeur, had de jacht ingezet,’ stelt hij het gezelschap gerust. ‘De tijger is in de Sint-Annagang doodgeschoten. Naar het schijnt heeft de directeur zelf het dodelijke schot gelost.’
         De echtgenote staat al voor de grote spiegel.
         ‘Dat komt ervan als je moordmachines uit barbaarse streken binnenhaalt’ zegt ze tegen haar spiegelbeeld. ‘Ze zouden zich beter beperken tot opgezette dieren.’
         Ze schikt een hoedje schuin naar rechts en bestudeert zichzelf aandachtig. De juffrouw danst rond de dame en de spiegel.
         ‘Wilt u het groene eens proberen? Prachtig, bij uw bleke teint.’
         Dimpna had willen vragen of de dode tijger nu zal worden opgezet, maar de juffrouw vindt het ongepast om met klanten
te praten. De oudere dame met de strepen staat dicht bij de handwerkende meisjes. Almaar dichter, of is het verbeelding? Ze heeft een expressieve mond, volle lippen met een scherp getekende cupidoboog. De tijger lijkt haar te vervelen, ze staart
afwisselend van de vitrine naar de kasten achter in de winkel.
         ‘Is de juffrouw al bekend met Holloway’s pillen?’ overstemt ze onverwacht de heer. ‘Het nieuwste medicijn van een Londense professor, tegen vrijwel alle ongesteldheden, in het bijzonder vrouwenkwalen.’
         De dame werpt een keurende blik op de meisjes. Begrijpt ze dat het hoedenwinkeltje meer bedekt dan hoofden? Juffrouw
Kaat wordt nog drukker met de hoedjes, pakt het groene en vervangt het toch weer door het beige.
         ‘Sinds kort te koop bij de apothekers, vanaf drie franc de doos. Vrouwelijke onregelmatigheden, ja, zelfs toevallen worden ermee bezworen.’
         De heer rimpelt zijn neus. De dame richt zich nu direct tot juffrouw Kaat.
         ‘Voor uw meisjes?’
         De juffrouw knikt afgemeten en keert zich snel weer naar de echtgenote voor de spiegel.
         ‘Groen staat u beeldig,’ kirt ze.

 

De mulattin was stom. Of ze sprak een vreemde taal die niemand verstond. In het hoedenatelier baarde ze veel opzien, met haar glanzend gouden huid en het haar in de wrong zo zwart dat het blauw leek. De meeste hoedjes-passende dames staarden het meisje verwonderd aan. Als juffrouw Kaat werd gevraagd waar ze in hemelsnaam vandaan kwam, volgde altijd hetzelfde verhaal: een Hollands koopvaardijschip was de haven binnengevaren, regelrecht uit Nederlands-Indië. De kapitein had de juffrouw gesmeekt, letterlijk op zijn knieën, om het meisje op te nemen. Hier pauzeerde de juffrouw altijd even, om het beeld van de knielende kapitein beter tot zijn recht te laten komen. Het meisje was de dochter van een voormalige slavin, ze was hem cadeau gedaan voor bewezen diensten. Om welke diensten het ging, vermeldde het verhaal niet. Op een schip was een jonge vrouw natuurlijk niet veilig. Zelf was de kapitein nauwelijks in de situatie om op haar te letten en hij kon haar toch moeilijk meenemen naar zijn Hollandse huisgezin. De juffrouw had hem begrepen. Zodoende verdiende het meisje nu haar kost en inwoning in het hoedenatelier. Een geluk dat ze zo goed terecht was gekomen, beaamden de klanten dan, en ook nog vriendinnen had gevonden. Meestal werd er goedkeurend geknikt naar de andere meisjes. De mulattin reageerde nooit op het verhaal. Haar mysterieuze bruine ogen staarden strak naar een wereld aan de horizon. Toch luisterde ze naar de naam Mari. Hoe de juffrouw dat had kunnen verzinnen. Als er één naam niet bij de mulattin paste, dan was het wel Mari.
         Het hoedenatelier voorzag de meisjes van kost en inwoning, kleding en hygiëne. Een zakcentje kon er af, maar de rest van hun verdiensten ging op aan huishuur en taxen. Juffrouw Kaat had het hun alle drie ingepeperd. Een madame stond onder druk, zij alleen was verantwoordelijk voor de disciplinering van haar werkneemsters, en voor hun gezondheid. Vergunningen werden bij de geringste misstap al ingetrokken. De juffrouw had haar mondhoeken laten hangen. Registratie was verplicht in een maison de tolérance, net als het controleboekje. Alle drie de meisjes moesten zich regelmatig aanbieden in het Elisabethgasthuis om zich te laten onderzoeken op vrouwenziekten, als een straathond op vlooien. Wie zich publiek maakte, moest van overheidswege worden beheerd. Zo luidde het statuut van tolerantie.
         Na zonsondergang was er gestommel op de trappen. Het schelletje rinkelde nooit. De juffrouw klopte aan de deuren. Als het niet aan haar deur was, hoorde Dimpna ruwe mannenstemmen, gekreun of een kreet van één van de andere meisjes. De geluiden van de nacht drongen door de dunne wanden. Ze had geleerd om er doorheen te slapen.

 

De dame van Holloway’s pillen zegt niets meer, ze kijkt alleen, onnatuurlijk lang. Als ze Dimpna’s blik vangt, houdt ze die vast tot de juffrouw kucht. Dimpna buigt zich direct over de linten op de hoed. Haar vinger is gelukkig opgehouden met bloeden.
         ‘Hoe lang garneer je al hoedjes?’ vraagt de dame.
         Dimpna werpt een snelle blik op juffrouw Kaat.
         ‘Een jaar. Zoiets,’ mompelt ze.
         ‘Ben je van Antwerpen?’
‘         Kan ik u nog van dienst zijn?’ komt de juffrouw tussenbeide.
         De echtgenote heeft haar keuze op het groene hoedje laten vallen. Het schelletje rinkelt alweer.
         De pillendame kijkt nog een keer naar de meisjes.
         ‘Mijn naam is Isala,’ zegt ze snel. ‘Isala van Eyken.’


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Lissabon - Bart Stouten

In het slotdeel van zijn essaytrilogie, dat een apologie is van de poëzie in zijn leven, dringt Bart Stouten zijn slaapbewustzijn binnen. Dit boek is voor mensen die een 'ander' Lissabon willen ontdekken. Lees hier een fragment.

Lees meer »

Leesfragment: Rebels - Ann Peuteman

Oude mensen zitten het liefst in hun luie stoel voor tv met een dekentje over hun knieën. Met dat beeld voor ogen bedenken we constant allerlei theorieën en projecten om hun leven zo comfortabel mogelijk te maken. Daarbij vergeten we keer op keer aan die ouderen zelf te vragen of dat wel echt is wat ze willen. In Rebels gaat Ann Peuteman in gesprek met rebellen op leeftijd. Elk op hun eigen manier verzetten ze zich tegen betutteling, doen ze er alles aan om gehoord te worden en vertikken ze het om oud te worden. Hier lees je het woord vooraf van Rebels. Het verzet van 75-plussers.

Lees meer »