Leesfragment: Voor moedertaal en vaderland - Johan Vanhecke

Hendrik Conscience, de man die de Vlaamse Belgen hun eigen epos gaf, heeft eindelijk een biografie. Lees hier de inleiding en het eerste hoofdstuk van Voor moedertaal en vaderland van Johan Vanhecke.


Voor moedertaal en vaderland
Johan Vanhecke

ISBN: 9789464340129
Prijs: €39,95


Inleiding

 

Op het Conscienceplein in Antwerpen staat op een uitsprong voor de muur van de bibliotheek het standbeeld van de schrijver naar wie het plein genoemd is. Als kind ging ik er graag kijken naar het vijvertje met de visjes voor het beeld. Het fonteintje werkt niet meer en het vijvertje staat droog, laat staan dat er nog visjes in zouden zwemmen. Het is even tekenend als het beeld zelf, dat een oude, zieke, afgeleefde man toont. Het leek zelfs toen al of hij zijn tijd had gehad. Zijn rol was uitgespeeld. Maar welke rol dat was is geleidelijk aan minder duidelijk geworden. Onder dat standbeeld is de bekende slogan ‘Hij leerde zijn volk lezen’ aangebracht. Dat doet zeker een belletje rinkelen, en veel mensen associëren Conscience met zijn bekendste roman: De Leeuw van Vlaanderen. Dat is al iets. Met deze biografie hoop ik de figuur van Conscience terug tot leven te brengen, zijn rol als grondlegger van de Vlaamse romanliteratuur te belichten en zijn aandeel in het op gang brengen van de Vlaamse Beweging te verduidelijken.
          Het zitbeeld van Conscience werd door Frans Joris gemaakt naar levend model, of eerder naar stervend model, want Conscience zou in 1883 nog geen maand na de onthulling overlijden. Toen hij 45 jaar eerder zijn eerste romans schreef – In ’t Wonderjaer (1837) en De Leeuw van Vlaenderen (1838) – waren dat de allereerste Vlaamse romans. De cultuurtaal in Vlaanderen en België was toen Frans. Waarom had men zich anders van de Nederlanders afgescheiden? Het Vlaams of het Nederduits was een gewesttaal, die door de plattelandsbevolking en door de lagere burgerij gesproken werd, en door een aantal orangisten die België en Nederland graag terug verenigd zagen. Maar aan cultuur werd in het Vlaams nauwelijks gedaan, op wat gedichten na, die geschreven werden in de schoot van de vele rederijkerskamers in dorpen en steden. Romans kende men niet. Er waren nauwelijks uitgevers, laat staan boekhandels. En meer dan de helft van het Vlaamse volk kon niet lezen. Wie wel kon lezen, las Frans.
          Het was Conscience niet alleen om dat lezen te doen. Hij wilde vooral ook de volkstaal tot cultuurtaal verheffen, en ervoor zorgen dat het Vlaamse volk zijn rechten kreeg, en bediend zou worden in zijn eigen taal. Want wie geen Frans kende kon geen openbare functies bekleden, en bovendien kon men in heel wat gevallen zelfs niet volgen wat er gezegd werd op belangrijke levensmomenten, zoals een huwelijk of de aangifte van een geboorte. Als je voor de rechter moest verschijnen en niet begreep waarvan je beschuldigd werd, kon dat zelfs levensbedreigend
zijn.


          Het Conscienceonderzoek

En toch bestaat over deze man nog steeds geen echte, op bronnen gebaseerde, biografie. Aan het eind van zijn leven en onmiddellijk na de dood van Conscience verschenen enkele korte levensbeschrijvingen, eerder interessante getuigenissen, meestal gebaseerd op gesprekken en eigen ervaringen van onder meer Georges Eekhoud, Pol de Mont, Max Rooses, Jozef Staes en Edmond Mertens. Sindsdien is er al veel inkt over Conscience gevloeid, maar aan een volledige biografie was nog geen enkele onderzoeker toe gekomen.
          Bij het honderdste eeuwfeest van zijn overlijden in 1983 bracht Emiel Willekens een kroniek van Conscience uit, naar een idee van Gilbert Degroote, of wellicht eerder gebaseerd op zijn aantekeningen, en een portret onder de titel Hij leerde zijn volk lezen. Jan Lampo publiceerde een biografie in afleveringen in het weekblad Knack. Een paar jaar eerder, in 1974, schreef Marcel Lambin Hendrik Conscience, Bladzijden uit de Roman van een Romancier. In 1943 werd de studie van Eugeen de Bock uit de jaren twintig heruitgegeven: Hendrik Conscience en de opkomst van de Vlaamse romantiek, een niet oninteressant boek maar voor de helft bestaand uit romanfragmenten. Zelfs van Maurice Gilliams bestaat een aanzet tot een Consciencebiografie, bewaard in handschrift.
          Daarbij werd in de twintigste eeuw door heel wat onderzoekers belangrijk werk verricht, vooral door Antoon Jacob, Ger Schmook, Gilbert Degroote en August Keersmaekers.
          Het grootste probleem voor het Conscienceonderzoek is dat er heel weinig archief is. In een periode van depressie, die hier uiteraard omstandig aan bod zal komen, heeft Conscience in 1869 al zijn briefwisseling en het grootste deel van zijn archief verbrand. Ook op het einde van zijn leven liet hij nog een bundel memoires opstoken. De stad Antwerpen kocht van de dochter van Conscience wat overbleef van zijn literaire nalatenschap. Het werd de basis voor een grote tentoonstelling in 1912, gemaakt door bibliothecaris Emmanuel de Bom en de latere uitgever Eugeen de Bock. In het spoor daarvan begon Antoon Jacob verwoed materiaal te verzamelen dat een jaar later door de Academie werd gepubliceerd als Briefwisseling van, met en over Hendrik Conscience uit de jaren 1837 tot 1851. Het bleef evenwel bij één deel, de inleiding gevolgd door bio- en bibliografische nota’s. Omdat Jacob het bijzonder bont maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog – hij was lid van de Raad van Vlaanderen en
hoogleraar aan de Von Bissing-universiteit in Gent – werd het tweede deel, de editie van 239 brieven, in 1919 enkel verspreid als drukproef in een oplage van 50 exemplaren, en werd het derde deel, met de aantekeningen, nooit gedrukt. Gilbert Degroote besteedde vele jaren aan het editeren van de Consciencebrieven, die niet bij Antoon Jacob stonden. Er verschenen zes afleveringen, in totaal zo’n 300 brieven, maar hij geraakte maar tot 27 juni 1869. Hij had al wel, samen met Jan de Schuyter,
302 stuks briefwisseling tussen Conscience en zijn uitgever Van Dieren uitgegeven (naast nog tien aan de Franse uitgever Lévy Frères).
          Die honderdste verjaardag van zijn dood in 1983 leek wel een definitieve doodsteek. In de jaren zestig en zeventig waren er nog geregeld studies verschenen en werd zijn werk heruitgegeven in omnibussen en bij Manteau. Maar vanaf 1983 werd Conscience uitgerangeerd en belachelijk gemaakt, want doodzwijgen bleek geen optie. Omdat de belangrijkste specialisten
oud waren, of inmiddels overleden, kreeg de schrijver weinig steun.
          In de eenentwintigste eeuw kwam de kentering. Edward Vanhoutte bezorgde in 2002 een kritische tekstuitgave van De Leeuw van Vlaenderen. Het Letterenhuis maakte een Consciencetentoonstelling naar aanleiding van de zevenhonderdste verjaardag van de Slag der Gulden Sporen en liet Conscience ook door andere schrijvers spreken. Karel Wauters begon rond die tijd aan die lang verwachte biografie van Conscience. Helaas overleed deze over de 19de eeuw zo belezen professor in 2010. Het gedeelte dat klaar was, werd in 2012 door het Letterenhuis gepubliceerd als Hendrik Conscience. Van geboorte tot leeuw. Daarna verschenen twee grote essaybundels: Hendrik de veroveraar (2013) en De grote onleesbare (2016). Voor het commerciële aspect van Consciences werk was inmiddels De muze en de mammon (2009) gepubliceerd, waaraan August Keersmaeckers
tientallen jaren gewerkt heeft. Keersmaeckers heeft de archieven van Consciences uitgevers grondig uitgepluisd (ook dat van Sijthoff in Leiden en Michel Lévy in Parijs), alle overgeleverde contracten onderzocht, en zoveel mogelijk informatie over de financiële verdiensten van Conscience verzameld. Keersmaekers had al eerder veel onderzoek gedaan naar diverse romans zoals De Boerenkrijg, Het Goudland, De Lange nagel en de zogenaamde Kempische romans.

          Naar een biografie

In 2015 besloot ik het werk van Karel Wauters terug op te nemen. De aanleiding om mij aan die biografie te wagen was dat in 2015 plots het verloren gewaande Brusselse archief opdook, dat in de jaren twintig in de handen van Antoon Jacob gekomen was. Af en toe waren er ook nog wel eens losse brieven boven water gekomen, brieven die soms heel nieuwe inzichten boden.
          Er waren ook opvallend veel lokale deelbiografietjes verschenen over Conscience in Halle (Peter François, 2012), in Blankenberge (Robert Boterberge, 1983), of in Roeselare (Michiel de Bruyne, 1983). Over de periode in Kortrijk werd vanaf de jaren zeventig door Paul Vancolen veel onderzoekswerk verricht, culminerend in een lange bijdrage in De Leiegauw (2007). Ook leden van heemkundige kringen gingen naarstig op zoek naar gegevens van Conscience in hun streek. Ger Schmooks laatste onderzoeksresultaten leverden nog een stevige studie op bij de kantl (1984). Van al het werk en het onderzoek van literatuurhistorici en heemkundigen heb ik dankbaar gebruik gemaakt om mij een weg te banen door de Consciencematerie.
          Ik heb gekozen voor een chronologisch levensverhaal, waarbij ik zoveel mogelijk de protagonisten zelf aan het woord laat. Deze biografie is gebaseerd op authentieke bronnen: geschriften van Conscience, brieven van en aan de schrijver en zijn tijdgenoten, verslagen van literaire verengingen, eigentijdse artikels in kranten en tijdschriften. Alles wat in de loop der jaren over Conscience geschreven is, heb ik zoveel mogelijk geconfronteerd met die bronnen. Er bestaan veel legendes over Conscience, verhalen die onwaar zijn. Als ik daar aanwijzingen voor had, heb ik die vermeld. Waar nogal afwijkende verhalen de ronde doen, geef ik dat af en toe aan in de eindnoten. Ik heb geprobeerd om zowel de schrijver als de Vlaamse strijder en de mens Conscience aan bod te laten komen.
          Wat Karel Wauters al heel uitgebreid beschreven heeft, is hier terug te vinden in de eerste zes hoofdstukken. Maar dat wil niet zeggen dat die eerste hoofdstukken een loutere samenvatting van zijn boek zouden zijn. Voor die jeugd en jongelingsjaren heeft Conscience trouwens zelf een flinke aanzet gegeven. Zijn Geschiedenis mijner jeugd is meteen de eerste Vlaamse autobiografie. Het centrale deel daarvan verscheen al in 1858 als De omwenteling van 1830. Later voegde Conscience daar een inleiding en een vervolg aan toe, wat zijn verhaal tot in 1838 voerde. Hij heeft ook het tweede deel van zijn memoires geschreven, dat hij aan enkele intieme vrienden, waaronder Julius Hoste, heeft voorgelezen. Helaas liet hij enkele dagen voor zijn dood dat tweede deel verbranden.
          Diepe analyses van de zestig romans moet de lezer niet verwachten. Wanneer die ergens gepubliceerd zijn wordt er wel naar verwezen, maar het zijn er onwaarschijnlijk weinig. Een aantal korte beschouwingen zijn te vinden bij Karel Wauters (1999) en Piet Couttenier (2009 – het onvolprezen Alles is taal geworden). Zij geven ook de invloed van Conscience op zijn tijdgenoten aan. Toch probeer ik alle romans van Conscience inhoudelijk een beetje te schetsen, en besteed ik aandacht aan hun ontstaan en aan wat Conscience aan elementen over zichzelf en over zijn leven erin verwerkt heeft.
          Polemieken vermijd ik zoveel mogelijk. Dat zou de leesbaarheid van de biografie alleen maar in de weg staan. In het nawoord worden nog enkele aspecten belicht, die in de loop van de biografie minder aan bod konden komen. Hopelijk komt er op deze wijze opnieuw wat kleur in het beeld van de schrijver die zijn naam gaf aan zovele straten, cafés, verenigingen, scholen en bibliotheken. Het is alleen nog wachten op een Grote Prijs Hendrik Conscience, die wielrenners vanuit Antwerpen via Zoersel naar Brussel en Halle stuurt en vandaar dwars door de Vlaamse Ardennen naar Kortrijk om aan te komen op het Groeningeplein.
          De bibliografie op het einde van dit boek is geen exhaustieve lijst van wat er allemaal over Conscience verschenen is, maar geeft vooral de artikels en boeken aan die voor mijn onderzoek relevant bleken. Over de motivatie voor het schrijven van deze biografie kom ik in de nabeschouwing terug.

Hoofstuk 1

Groene jongens op
de Groenen Hoek

 

Het Museum aan de Stroom in Antwerpen bewaart een diorama van de ondergang van de Franse kanonneerboot Le dragon volant in het begin van de jaren 1800. Het miniatuurmodel van de boot is uit een blok hout gesneden en helemaal opgetuigd. Golven en rotsen zijn gemaakt van stopverf en de mariniers en de officieren die zich op de boot, in het water en op de rotsen bevinden, zijn in lood gegoten. Alles is met de hand geschilderd. Twee figuurtjes zwemmen in de richting van de rotsen. Het zijn twee broers die uit het zinkende schip ontsnapt zijn. Zowat veertig jaar later heeft een van hen dit diorama vervaardigd: Pierre Conscience, de vader van Hendrik.
          Pierre was niet voorbestemd om met oorlogsbodems te gaan varen. Zijn vader, een behanger-stoffeerder in het Franse Bésançon, werkte voor rijke families en edellieden. Hij liet zijn beide zonen studeren en Pierre bleek op de Académie een begenadigd tekenaar. Hij zou zijn vader kunnen bijstaan en later de zaak overnemen. Maar in 1789, het jaar dat Pierre tien jaar werd, brak de Franse revolutie uit, ging de adelstand ten onder en de behangerszaak failliet.
          De Consciences waren koningsgezind en brachten hun zonen Pierre en Paul onder bij een bevriend gezin in een afgelegen dorp, om ervoor te zorgen dat het leger van de revolutionairen hen niet zou opeisen. Dat verliep perfect tot in september 1798 de conscriptiewet goedgekeurd werd, die bepaalde dat alle Franse jongemannen tussen 20 en 25 jaar onder de wapens moesten. Op 13 oktober 1799, de dag dat hij twintig werd, was Pierre met andere jongeren ondergedoken in het Forêt de Chaux. Maar de Franse gendarmes wisten hen te vinden. Dat Napoleon nog geen maand later via een staatsgreep aan de macht kwam, kon weinig baten, want alles wat ingevoerd was en nuttig kon zijn voor de nieuwe machthebber, werd behouden. Pierre werd ingelijfd bij de mariniers, en zijn twee jaar jongere broer Paul vergezelde hem als vrijwilliger.
          Aangezien de Franse vloot de ervaren Engelse mariniers weinig pijn kon doen, zaten de broers Conscience evenveel in Engelse krijgsgevangenschap als op Franse boten. Drie keer werden Pierre en Paul als gevangene uitgewisseld tegen Engelse soldaten. De laatste keer waren ze, nadat hun boot, de Ville de Bordeaux, aan flarden was geschoten, als drenkelingen gered en opgesloten in het Britse kamp Norman Cross. Pierre werd er ziek en kreeg hoge koorts. Toen hij bijna genezen was kreeg hij brandende keelpijn en Paul rende naar de waterput om fris water te halen. Hij boog zo diep over de rand dat hij in de put viel en verdronk. Pierre is zich altijd schuldig blijven voelen over de dood van zijn jongere broer.
          Korte tijd later werd sergeant-majoor Pierre Conscience weer uitgewisseld en op 10 februari 1807 leverde hij in Boulogne zijn wapens in. Als een vrij man belandde hij op 26 februari 1807 in Antwerpen. Hij vond met een aantal van zijn collega’s uit Norman Cross werk op de scheepstimmerwerf van de marine, achter de Sint-Michielsabdij, als gardien volant de la marine. Van zijn karig loon huurde Pierre een kamertje in het Sint-Andrieskwartier in de Sint-Rochusstraat, ter hoogte van het huidige
nummer 11. ’s Avonds bezocht hij kroegen en dansherbergen in de Kloosterstraat. Daar leerde hij Cornelia Balieu kennen, een mooie vrouw met blonde krullen en blauwe ogen. Ze werkte in een reukwarenwinkel op de Groenplaats 44 bij een Waals echtpaar uit Waver, van wie zij een beetje Frans leerde. Schrijven kon ze niet. Toen Pierre papieren voor zijn huwelijk liet overkomen uit Frankrijk, vernam hij dat zijn moeder in 1803 gestorven was. Zijn vader zou in 1814 sterven, zonder dat zijn zoon
hem ooit teruggezien had.
          Pierre en Cornelia trouwden op 8 februari 1809 in het stadhuis te Antwerpen. Ze bleven voorlopig wonen op het kamertje in de Sint-Rochusstraat, waar op 30 november hun zoontje Pierre geboren werd. Op 12 juni 1810 verhuisden ze naar de Steenbergstraat 49 en een jaar later naar de Lange Meistraat 14. Daar werd op 24 augustus een meisje Adelaïde Josephine geboren, dat echter zo zwak was dat ze op 26 september stierf. Nog geen twee maanden later, op 8 november 1811, overleed
ook de tweejarige Pierre. Het gezin was ondertussen naar de Pompstraat verhuisd waar vader Pierre, inmiddels bevorderd tot contremaître de port, onder-havenmeester, een huis gekocht had op nummer 40. Daar werd op 3 december 1812 om half acht ’s morgens Henri Conscience geboren. Het was opnieuw een zwak wichtje, zo zwak dat men het nog dezelfde
dag liet dopen.

 

Toen de pastor den schedel van het arm lammeken met water besproeide, schreeuwde het echter even luid als een sterker kind... en dit verheugde den contremaître zoo zeer, dat hij bij de doopvont helder glimlachte. Hij hoopte dat zijn zoon toch zou leven, aangezien hij zulke goede borst had.

 

Toch bleek die gezondheid een heikel punt. Een Franse gezondheidsofficier, ene monsieur Tartare, hield de toestand in de gaten, maar probeerde alle concrete vragen te ontlopen. Toen hij niet meer om een concreet antwoord heen kon, verklaarde hij:

 

Het kind is uitermate zwak; indien het niet onderweg bezwijkt, zal het ziek en kwijnend blijven tot zijne zeven jaar. Bereikt het dien ouderdom, dan is er reden om te denken dat het zal blijven leven.

 

De glorie van Napoleon taande en toen op 1 mei 1814 de Franse troepen Antwerpen verlieten, verloor Pierre zijn baan. Zijn landgenoten volgen was geen optie, want zijn vrouw was opnieuw zwanger. Hij trad in zijn vaders voetsporen als behanger en organiseerde thuis een kruidenierswinkeltje voor zijn vrouw.
          Op 4 januari 1815 kreeg de kleine Henri een broertje, Jean Balthazar, en dit kind was kloek en stevig. Om in extra inkomsten te voorzien begon Pierre met twee andere gewezen mariniers een vennootschap om scheepswrakken op te kopen, te slopen en de onderdelen opnieuw te verhandelen. Hij hielp in 1816 ook bij de afbraak van de Sint-Walburgiskerk. De zaken gingen goed en op 13 december 1815 kocht Pierre het huis op de hoek van de Burchtgracht en de Haringvliet. Het gezin ging er
wonen zo gauw het huis in de Pompstraat verhuurd was en zou er tot juli 1825 blijven.
          De eerste twaalf en een half jaar van zijn leven bracht Conscience dus door in het centrum van de oude nu verdwenen laatmiddeleeuwse stad. Zijn leven speelde zich vooral af in de Mattenstraat tussen de Burchtgracht en het Burchtplein. In de loop der jaren zou hij er een bekende figuur worden. Aanvankelijk was hij het jongetje op krukken, daarna de jongen met de raaf, en nog later de jongen van de verhalen. Samen met zijn broer was hij de magere en den dikke. Henri leed aan ‘eene algemeene gebeenteverzwakking’, wellicht door een gebrek aan kalk, en gebruikte krukken om zich te verplaatsen. Het werd niet beter en na een tijdje moest hij zelfs van de ene kamer naar de andere gedragen worden. Maar hij vond veel troost bij een jonge raaf die zijn vader meegebracht had. Het dier was ernstig gewond aan zijn vleugels en de kleine Henri bekommerde zich om zijn herstel. Vliegen kon hij niet meer, maar de raaf bleef steeds in zijn gezelschap. En dat gezelschap was aangenaam, want op straat spelen met de vriendjes zat er niet in en moeder moest haar kruidenierswinkeltje openhouden. En verder hield Henri zich bezig met het kijken in oude boeken.
          Daarvan waren er veel in huis, want vader Pierre kocht ladingen boeken op om te verwerken tot ‘boterpapier’. Zo had Cornelia verpakkingspapier voor haar winkel, en Pierre kon ook daar een handeltje mee opzetten. Vooral de geïllustreerde boeken spraken tot Henri’s verbeelding en hij wilde maar al te graag weten wat er onder de prenten stond. Dus leerde zijn vader hem ’s avonds en zondags de letters van het alfabet, zodat de kleine Henri al snel kon lezen. Zijn favoriete boek was Johan
Nieuhofs gedenkweerdige Zee en Lant-reize na en door Oostindien, Amsterdam 1682. Vader vertelde zijn eigen gedenkwaardige verhalen, over de Franse Revolutie en de oorlog en over het leven aan boord en de stormen op zee. Hij deed dat met veel verve, maar uitsluitend in het Frans. Moeder vertelde in het Nederlands, sprookjes en volksverhalen die zij gehoord had van haar ouders uit de Kempen, en over de hemel, want ze bleef ervan overtuigd dat Henri het niet zou halen. Maar uiteindelijk was zij
het die stierf, op 14 december 1820. Van haar laatste vier kinderen waren er twee doodgeboren, een leefde een week en een ander een half jaar. De snel opeenvolgende zwangerschappen hadden haar uitgeput. In Consciences herinnering bleef zij de mooie vrouw met golvende blonde haren, die lijdend aan zijn bed zat en hem verhaaltjes vertelde.
          Henri herstelde snel van de slag. Hij dacht later dat het te maken had met de ‘groote beweegbaarheid’ van de kinderziel, en hij meende dat ze gelukkig was in de hemel die ze zo vaak voor hem beschreven had, en daarvandaan op hem neerzag. De vele sterke moederfiguren in zijn romans zouden wel eens een compensatie kunnen zijn voor en een idealisering van de zo vroeg verloren moeder. Hij ging ook naar school ondertussen, bij Antoon van Rotterdam in de Zilversmidstraat, samen met zijn broer.


Johan Nieuhofs Gedenkweerdige Zee en Lant-reize na en door Oostindiën.

Een van de vele kopergravures uit Johan Nieuhofs gedenkweerdige Zee en Lant-reize.

          Nu zijn vader er alleen voorstond – aanvankelijk hielp Tante Anna, de zus van zijn moeder, in het huishouden en in de winkel, maar Pierre vond dat hij haar te veel moest betalen – kreeg Henri wat meer vrijheid. Hij was sterker geworden en mengde zich onder de straatjongens in de buurt. ’s Avonds verzamelden ze zich bij de keldermond van Consciences hoekhuis om te luisteren naar de verhalen die Henri vertelde. Ook de andere kinderen vertelden verhalen, maar Conscience bleek niet te overtreffen, zowel in zijn fantasie als in de manier waarop hij vertelde. De streken van Lange Wapper waren een geliefd thema. Bijna elke zondag bezocht Conscience de Poesjenellenkelder in de Bogaerdestraat in het Sint-Andrieskwartier, waar de klassieke volksverhalen gespeeld werden met stangpoppen, in sappig Antwerps dialect. Die verhalen vond hij ook terug in de blauwboekjes die hij met zijn zakgeld kocht bij Joseph Thys op de Vlasmarkt, boekjes waarin middeleeuwse klassieken en oude volksverhalen stonden en waarin hij inspiratie vond voor zijn eigen vertellingen.
          Hoe zo’n vertelavond met Henri geklonken moet hebben, kan men lezen in het verhaal ‘De geest’ uit zijn bundel Avondstonden. Het is bijzonder grappig en bevat veel voetnoten over de grammatica van het Antwerpse dialect en je kunt er de catalogus van de poppentheaters mee reconstrueren. In Geschiedenis mijner jeugd beschrijft Conscience levendig hoe zo’n avond in de Poesje verloopt, aan de hand van de opvoering van Genoveva van Brabant. De simpele verhaallijnen van de poppenspelen, de stereotiepe uitbeelding van de hoofdfiguren en de volkse verwoordingen door de poppenspelers hebben onmiskenbaar invloed gehad op een aantal van zijn verhalen, en hebben hem zeker geholpen wanneer hij zich tot een volks publiek wilde richten.
          Toen hij bijna dertien jaar was, brak er een nieuwe fase aan in Consciences leven. Zijn vader kocht in juli 1825 een grote tuin op de Groenen Hoek, een gebied buiten de stadswallen, bijna tegen de grens met Borgerhout. Hij bouwde er eigenhandig een houten huis, met hulp van zijn kameraad Lejeune uit zijn marinetijd. Het hout kwam van de gesloopte oude schepen uit zijn bedrijfje, vooral van de Amerikaanse driemaster Jackson, die hij in het najaar van 1820 had afgebroken. Het huis lag aan het eind van de Ploegstraat, die liep van de Carnotstraat, ter hoogte van de Kerkstraat, tot aan de kruising van de Korte Kievitstraat en de Hoge Weg, een veldweg die tot aan de Kipdorppoort liep. Het stond ongeveer op de plaats waar nu in de zoo de leeuwen hun perk hebben en waar een plaquette over Conscience aangebracht is op de rotsige omheining.
          Dat het huis in hout gebouwd werd, had met de ligging te maken. Nadat de veldheer Maarten van Rossum in 1542 de eerste Sint-Willibrorduskerk gebruikt had als verschansing om de stad te belegeren, had men verboden om nog stenen gebouwen op te trekken binnen een straal van 2500 voet (717 meter) vanaf de wallen. Vanwege de oprukkende bebouwing
langs de Steenweg naar Borgerhout (de huidige Turnhoutsebaan en Carnotstraat), werd deze bufferzone in de negentiende eeuw ingekort tot 585 meter. Het huisje was niet groot. Beneden bestond het uit een woonkamer en een keuken, en boven waren er twee slaapkamers en een bergplaats, waarin onder meer de verzameling boeken opgeslagen lag. Achter het huis werd een ateliertje gebouwd onder een afdak, waar Pierre aan een timmerbank werkte. Voor zijn plezier boetseerde hij er ook figuren, ontwierp sieraden, beschilderde glasramen en bouwde oorlogsscheepjes na in miniatuur.
          De aanleiding voor de verhuis was wellicht dat Hendrik bijna verdronken was bij een vruchteloze poging om zijn raaf te redden, die in de zwaar vervuilde Burchtgracht gesukkeld was. Maar Pierre verliet ook heel bewust de stad om in de groene rand te gaan wonen. In 1816 was een eerste stoombootje, The Defiance uit Margate, tijdens een rondvaart in Antwerpen aangemeerd. Een jaar later al verzorgde de stoomboot De Prins van Oranje een geregelde veerdienst tussen Rotterdam en Antwerpen. Pierre was hier niet gelukkig mee, want hij was ervan overtuigd dat de bedorven lucht schadelijk was voor de algemene gezondheid. ‘De wolken stoom, die uit alle fabrieken en stoombooten […] in de lucht geworpen worden, moeten eens haar evenwicht verstoren, en dit zal ten gevolge hebben dat schrikkelijke volksziekten, pest en sterften zullen ontstaan’.
Het klinkt visionair, maar het was een gevoel dat door veel mensen gedeeld werd, en enkele jaren later al veel luider zou weerklinken, wanneer de eerste stoomtreinen door het land zouden rijden. Het leven op de Groenen Hoek en de vele lange wandelingen in de natuur daar hebben in ieder geval veel bijgedragen aan het herstel van de gezondheid van de jonge Henri.
          Het leven was eenvoudig. Op zaterdag kwam een oude vrouw het huis schoonmaken en nam ze de vuile was mee. Eens per week werd door een slager vlees geleverd, en de bakker kwam dagelijks langs. Ook boter en eieren werden aan de deur geleverd. Jean Balthazar verzorgde de boomgaard en de moestuin die achter het huis lagen, naar de aanwijzingen van zijn vader. Henri zorgde voor het huishouden: hij kookte, deed de afwas, veegde de kamers en melkte de geit. Schoolgaan was afgeschaft. Wel gaf Pierre zijn ervaring in handenarbeid en het hanteren van gereedschappen door. Henri bleef ook lezen in de opgestapelde boeken. Zo probeerde hij Engels te leren aan de hand van een Engels woordenboek van W. Lewel uit 1754, een Frans-Engelse spraakkunst en noties van Engels die zijn vader overgehouden had van zijn krijgsgevangenschap in Norman Cross. Romans en poëzie legde hij meestal opzij, maar de wetenschappelijke werken interesseerden hem bovenmate. De histoire naturelle van Constant Duméril kende hij vrijwel van buiten.
          Het huisje dat Conscience beschrijft aan het begin van zijn roman Eene 0 te veel (1872) herinnert aan die tijd:

 

Ik heb het Blauwe huisje, in den Groenen Hoek, goed gekend, – en ik weet nog, als ware het gisteren geschied, dat de schoonste vlieger, dien ik ooit mocht bezitten, tegen den hoek van zijnen schoorsteen te barsten viel.
          Het stond bij den Hoogen weg, buiten de Borgerhoutsche poort, te Antwerpen.
          Van wederkanten zijner deur klom een wijngaard in de hoogte; hunne dooreengestrengelde ranken omkransten de vensters met festoenen en overdekten den blauwgeschilderden gevel en de roode dakpannen
zoo geheel, dat men zou gewaand hebben een groeiend prieel te zien.
          […] Nu is dit huisje […] sedert vele jaren verdwenen. De beroemde Diergaarde en de uitgestrekte standplaats van den ijzerenweg hebben den grond, waarop wij dan leefden, ingenomen en er alles vernietigd
of vervormd.

 

In de woonkamer stonden:


vier biezen stoelen en twee abeelen tafels, eene schapraai, een kleine lessenaar, eenige prenten aan den witten wand, en, boven de hooge schouwplaat, een kruisbeeld tusschen twee bontgekleurde papegaaien in pleister.

 

En over de werkzaamheden van de jongeman in de vroege ochtend:

 

Pogende zoo weinig gerucht te maken als hem mogelijk was, langde hij de tondeldoos uit het kapelleken van den schoorsteen, en sloeg vuur met den kei op het staal. Hierin gelukt zijnde, ontstak hij het gereed gelegde hout, ging uit den huize naar den waterput, kwam terug met eenen gevulden kookmoor en hing dezen over het vlammend vuur, dat hij nog eene wijl bleef voeden om het water spoedig aan het zieden te brengen.

 

Pierre Conscience moest dagelijks naar zijn werf en ging ook geregeld voor enkele dagen de stad uit. Henri en Jean-Balthazar leidden dan ook een weinig gecontroleerd leven. Voor Henri was het in ieder geval een openbaring:

 

Het is daer, in de kluis ten Groenen Hoek, dat in my een innig gevoel der natuerschoonheid ontstond. Toen ik, by het aenbreken der Lente, voor de eerste mael er ontwaekte, was alles wat my omringde, geheel nieuw voor my. Ik voelde de zoele lucht my in de longen dringen; ik zag de dauwdruppelen in het hart der bloemen glinsteren,
het zonnelicht tusschen de kruiden spelen, de zingende vogelen in het geboomte dartelen, duizende diertjes onder myne oogen wemelen… […] Alles, alles rond my zong en juichte van levensblyheid, onder eenen blauwen hemel, zoo breed als myne gansche wereld en zoo onpeilbaer diep als de oneindigheid zelve!

 

De vele natuurbeschrijvingen in het werk van Conscience vinden hier hun oorsprong, maar ook zijn geromantiseerde biologieles Eenige bladzyden uit het boek der natuer (1846). Daarin beschrijft hij zijn ontdekkingsreizen door het leven van planten en kleine dieren op de Groenen Hoek. Hij wordt daarin bijgestaan door een oude grijsaard, die hem veel kennis
bijbrengt. Die grijsaard heeft wat weg van de tovenaar Merlijn, maar was niettemin een man uit de buurt. Conscience ontmoette hem toevallig, en daarna maakten ze samen vele wandelingen. Later ontdekte hij dat de grijsaard Verbeeck heette en in de Oostenrijkse tijd als geestelijke verbonden was geweest aan de Sint-Jacobskerk. Omdat hij een aanhanger was van keizer Jozef kreeg hij tijdens de Brabantse Omwenteling in 1790 problemen en trok zich als kluizenaar terug buiten de stad in de buurt van de Sint-Willibrorduskerk.
          Conscience plantte langs de tuinpaden bloemen en struiken aan volgens het klasseringsysteem van de botanicus Linnaeus. Verder leerde hij veel over de natuur door zijn eigen experimenten: het enten van planten, het onderzoeken van mierennesten, het kweken van hagedissen, het verzamelen van zoveel mogelijk bijensoorten, die hij in omgekeerde bloempotten liet wonen… In dat laatste was hij zeker niet alleen, want met andere jongens uit de buurt hield hij een variant op de duivenwedstrijden, waarbij hommels uit verschillende nesten gevangen werden en soms wel meer dan een kilometer verder gelost om te zien wie er het eerst terug in zijn nest arriveerde. Conscience had een zwarte poedel die hij afgericht had om bijen en hommels op te jagen en op die manier slaagde hij erin om zo’n twintig soorten bij elkaar te krijgen. Al zijn bevindingen
schreef hij op in een schriftje, dat hij alleen aan zijn intiemste vrienden liet zien.
          Een van hen was een jongen uit de buurt, die drie jaar jonger was en een van zijn beste vrienden en strijdmakkers zou worden. Hij heette Jan Alfried de Laet en woonde op de Borgerhoutse Steenweg, de huidige Carnotstraat 93. Hij had een ezel waar hij zijn vrienden op liet rijden, en zo ontmoette Conscience hem op een dag. Jan de Laet zou later geneeskunde studeren en de interesse voor wetenschap zat er bij de elfjarige blijkbaar al in. De Laet zelf situeerde die ontmoeting iets later, toen
Conscience al vijftien was, dus in 1828. Van de ziekelijke jongen op krukken was toen niets meer overgebleven. Hij bleek een uitstekend zwemmer, roeier en zeiler te zijn, en hij klopte zijn vriend regelmatig bij het hardlopen en het worstelen.
          De kortste weg naar huis voor Pierre Conscience liep over de Hoge Weg, maar dat was slechts een veldweg. In de winter was de Borgerhoutse Steenweg beter begaanbaar, er was meer te beleven en er kwam stilaan wat bebouwing bij. Eind 1825 werd Pierres aandacht getrokken door het uithangbord van een herberg, waarop een man in een omgekeerde bijenkorf viel. Het opschrift luidde In den zoeten inval en een kennis die er voorbijkwam legde hem het verband tussen tekst en beeld uit. Dat werd gevierd met een pint en Pierre raakte sterk onder de indruk van de 25-jarige dienster Anna Catharina Bogaerts, afkomstig uit Oostmalle. Die indruk werd alleen maar sterker de volgende malen dat Pierre de herberg bezocht. Na enkele weken al vroeg hij of ze zijn vrouw wilde worden. Dat scheepte ze aanvankelijk af met het argument dat hij bijna dubbel zo oud was als zij, maar Pierres tegenargument dat hij behalve het huis om de hoek twee huizen in de stad had en ook nog een met tuin op de Ankerrui bleek doorslaggevend. Ook beriep hij zich op zijn vitaliteit. Op 15 maart 1826 gaven ze elkaar het jawoord. Twee familieleden van zijn eerste vrouw waren getuige.
          De twee zonen van Pierre waren minder enthousiast dan hun vader. Er kwam een eind aan hun vrijgevochten leventje, want Anna Catharina bracht structuur in het huisgezin. Afgelopen met eten wanneer het uitkwam, afgelopen met experimenteren in de tuin. De pubers kwamen in verzet, wat ook de verhouding met hun vader beïnvloedde. Omdat zijn
sloperszaak niet echt floreerde, had hij voor een jaar het veer op de Schelde gepacht, tussen het Hoog Palinghuis en de dokken. Daardoor was hij overdag afwezig maar ’s avonds ondersteunde hij de klachten van zijn vrouw met de rietstok. Het viel Henri daarbij op dat hij behalve scheldwoorden als ‘koppige vlegel’ en ‘nietsnut’ ook het woord ‘Flajut’ geregeld naar zijn hoofd geslingerd kreeg. Die term gebruikten de geïmmigreerde Fransen (de Chinoes – chez nous was ’t allemaal beter) voor de
Vlamingen. Het liet hem beseffen dat zijn vader een ander vaderland had dan hijzelf. Het krenkte hem eerst, maar na een tijdje werd hij er trots op en in zijn ‘hart zonk eene eerste kiem van liefde voor den gehoonden naam van [z]ijn geboorteland’.23 De stiefmoeder had de jongens overdag liever niet over de vloer en vond dat ze beter weer naar school gingen. Ze gingen niet meer terug naar de stad, maar volgden lessen in de school van Jan Frans Vercammen in Borgerhout.

Het huis aan de Prinsenstraat in Borgerhout (nu Generaal Eisenhouwerlei 15),
waar Henri Conscience bij zijn vader woonde van 1828 tot 1837. Let op de arbeidershuisjes ernaast.

        Eind 1827 kocht Pierre Conscience een stuk grond naast het huis aan de Ankerrui dat hij al in juni 1820 verworven had. Hij brak het huis af en herbebouwde het volledige perceel met een gang met twaalf arbeiderswoningen zonder verdieping. Die zou hij gaan verhuren. Begin 1828 had Anna Catharina al twee kinderen op de wereld gezet – er zouden er nog zeven volgen – en omdat zij graag een winkeltje wilde beginnen, kocht Pierre op 7 juli 1828 tijdens een openbare veiling een perceel grond van
580 vierkante meter op het Laar in Borgerhout. Daarop zette hij een klein burgerhuis, met een verdieping van drie vensters breed, en daarnaast zes kleine arbeiderswoningen, telkens met een binnenplaatsje. De rest van de grond werd de tuin van de familie Conscience. De kluis aan de Groenen Hoek werd verkocht en het gezin verhuisde op 19 december naar Borgerhout,
Prinsenstraat 112, de huidige Generaal Eisenhouwerlei 15.
        Henri was ondertussen zestien jaar oud en de boze stiefmoeder vond dat het tijd werd dat de twee zonen van haar voorgangster zouden gaan werken. Voor Jean Balthazar werd dat een heuse lijdensweg. Henri werd aanvankelijk ondermeester in de school van Vercammen, waar hij onder meer Nederlands en Frans gaf aan de kinderen van de Engelse arbeiders uit de textiel- en tulefabriek van William Wood. Zo kon hij zijn Engels bijwerken. Hij gaf er ook les aan Karel van Geert, de zoon van een bloemenkweker in de Ploegstraat, die altijd tot zijn vriendenkring zou blijven behoren. Volgens Jan de Laet las hij in die dagen de gedichten van Ossian in het Engels. Het is een van de weinige keren dat in de literatuur over Conscience de naam van een auteur valt die hij gelezen zou hebben. Volgens De Laet had hij minder boeken gelezen dan hij er geschreven had: wat Franse klassieke romans en werk van enkele oude Engelse auteurs.
        Maar een school in Borgerhout was te min voor Pierre Conscience en hij vond een plaats voor Henri in de Antwerpse Rijksschool van J. Shaw. Volgens zijn autobiografie werkte Conscience er vooral zijn beheersing van de Franse taal bij, hoewel hij in 1837 beweerde dat hij ‘de kennis der moedertael aen de poogingen dezes achtbaren onderwyzers verschuldigd’ was. Financieel ging het zijn familie niet voor de wind en zijn kleding was zo versleten dat hij uitgelachen werd door collega’s en leerlingen.
        Zijn leraarskwaliteiten waren blijkbaar wel voldoende om een aanbeveling te krijgen van Shaw voor de functie van ondermeester in de vooraanstaande school van Jacob Joseph Delin op de Meir, waar de zonen van de gegoede burgerij hun lessen kregen. Pierre werd door Delin aangemaand een overjas en een zwart pak voor zijn zoon te kopen, maar uit
spaarzaamheid beperkte hij zich tot een goedkope, versleten zwarte rok, waarin Henri zich opnieuw vernederd voelde. Hij ging er verkrampt door lopen, wat hem een scheve nek bezorgde waar hij tot het eind van zijn dagen last van had. Het leverde memorabele bladzijden op in Geschiedenis mijner jeugd, maar de vader-zoonrelatie werd er niet beter door. Dat hij in die belachelijke jas kinderen van rijke families naar huis moest begeleiden en dat zijn loon integraal naar zijn vader ging, waren dingen die hij maar moeilijk kon verkroppen. En met zijn vaders voortdurende gebruik van spreekwoorden en wijsheden van het type ‘de tegenspoed in de jeugd is het zaad van latere wijsheid’ had hij het nu wel gehad. Het zou bepaalde beslissingen het volgende jaar in de hand werken.


Meer leesfragmenten