Het is beter om nooit geboren te worden

Heleen Debruyne

 

Terwijl alle andere familieleden de champagne ontkurkten, huilde mijn grootvader toen mijn moeder in 1988 aankondigde dat ze zwanger was van mij. ‘Met het leven komt ook het lijden’, zo verklaarde hij zijn tranen. Als ik probeer uit te leggen waarom ik geen kinderen denk te willen, leen ik die woorden vaak. Van griepjes en liefdesverdriet tot, als het echt slecht gaat, waanzin en noodlot: een kind maken is pijn baren.
 
Mary Shelley baarde op haar zestiende al een kind dat nooit oud genoeg zou worden om een naam te krijgen. Haar dagboekpassages wringen mijn hart uit. ‘I awoke in the night to give it suck it appeared to be sleeping so quietly that I would not awake it’, schreef ze op de elfde avond na de geboorte, en dan ’s ochtends, ‘Find my baby dead’. De melk in haar nu nodeloos volle borsten veroorzaakte ontstekingen, koortsdromen ook. ‘Dream that my little baby came to life again; that it had only been cold, and that we rubbed it before the fire, and it lived. Awake and find no baby.’ Zo’n drama is nu uitzonderlijk, voer voor tragische artikels in vrouwenbladen. Begin negentiende eeuw was kindersterfte onvermijdelijk deel van het normale leven. Twee jaar later, tijdens het bedenken van Frankenstein, hing haar tweede baby waarschijnlijk nog aan Shelleys borst. Toen ze het boek afwerkte in 1818, was ze al zwanger van een derde kind, dat ook zou sterven. Van de vier kinderen die ze baarde, werd er maar één volwassen. Met het leven komt het lijden, dat wist zij als geen ander.
 
Dat een tienermeisje – want dat was Shelley – een boek zo rijk en gruwelijk als Frankenstein heeft kunnen bedenken, wordt wel eens verbaasd uitgeroepen. Het zegt veel over ons beeld van tienermeisjes: giechelig, onvolwassen, breintjes drukbezet met mijmeringen over jongens en kleren.
          Shelley was de dochter van politiek filosoof William Godwin en Mary Wollstonecraft, feministe avant la lettre die in haar leven en liefdes de norm feestelijk negeerde. Haar geboorte betekende de dood van haar moeder. Godwin voedde haar op met alle boeken van het moment – voor haar geen borduurwerkjes en brave pianostukjes, zoals toen bon ton was voor tienermeisjes. Daarmee werd Mary een levend bewijs van wat haar moeder in A Vindication of the Rights of Woman beschreef: vrouwen zijn geen idioten maar worden als idioten opgevoed. Geef ze onderwijs en ook zij kunnen gloriëren.
          Mary nam ook nog eens de getrouwde dichter Percy Bysshe Shelley tot minnaar – in liberale milieus in tijden zonder anticonceptiva kon een zwangerschap niet lang uitblijven. Shelleys zwangere echtgenote verdronk zich. En alsof de lijst tekenende levenservaringen nog niet lang genoeg was: Mary’s halfzuster pleegde zelfmoord. Dus nee, het verbaast mij niet dat net dit tienermeisje een boek schreef over geboorte en dood, leven en lijden, wetenschap en overmoed, over liefde en eenzaamheid ook. Dat haar leeftijd en geslacht niet in haar voordeel zouden spelen, besefte Shelley goed genoeg: de eerste druk van Frankenstein verscheen anoniem. The British Critic had echter lucht gekregen van wie de schrijver was en vond dat een voldoende reden om het hele boek uit te spuwen: ‘The writer of it is, we understand, a female; this is an aggravation of that which is the prevailing fault of the novel; but if our authoress can forget the gentleness of her sex, it is no reason why we should; and we shall therefore dismiss the novel without further comment.’ 
          Toch werd Frankenstein meteen ontzettend populair. Misschien omdat de gekwelde vraag van het monster, die op alle pagina’s echoot, zo universeel herkenbaar is. ‘Waarom ben ik geboren? Waarom moet ik lijden?’
 
Mijn favoriete passage uit het boek komt pas na vele omzwervingen, raamvertellingen, wrede moorden en natuurbeschrijvingen die voor een door series en smartphones misvormd brein als het mijne soms lastig lezen. Ik begrijp waarom Shelley het boek zo ingenieus en wijdlopend heeft geconstrueerd: voor negentiende-eeuwse lezers zonder National Geographic waren die beschrijvingen van ijsvlaktes en wouden een verre reis, de vele personages vrienden op lange avonden bij het vuur, de mysterieuze beschrijvingen van chemische processen een sprankelende fantasie. Maar in 2018 doorploeg ik ze, tot ik kom bij wat voor mij voelt als de essentie: de dialoog tussen Frankenstein en zijn naamloze creatie. ‘Waarom ben ik geboren?’ Het monster kon die vraag rechtstreeks aan zijn maker stellen: waarom heb je mij gemaakt, waarom moest dat toch zo nodig? Mary heeft het haar moeder nooit kunnen vragen, haar gestorven baby’s nooit kunnen verklaren. Mijn moeder scheept mij altijd af met ‘je was niet echt gepland, maar wel heel welkom’.
 
Het waarom van het bestaan van het monster is makkelijk te verklaren: Victor Frankenstein werd meegesleept door zijn verlangen om een briljante wetenschapper te zijn, een nieuwe soort te creëren en daarvoor bejubeld te worden. Hij wilde zelf voor God, of toch minstens voor moeder spelen. Hij stond er niet bij stil dat hij lijden zou kunnen veroorzaken – net zoals mensen al millennia zomaar zwanger worden, niet bezwaard door abstracte gedachten aan een toekomstig lijden.
          Het monster beschrijft zijn geboorte. Shelley kon nog niets weten over hoe het brein werkt, hoe baby’s leren, toch voelt de passage realistisch aan. Het monster is helemaal alleen, hij wordt overvallen door een brij van zintuiglijke sensaties, hij voelt verwarring en angst. Maar gaandeweg leert het wezen zijn zintuigen te gebruiken, leert hij ook de overweldigende schoonheid te ervaren van de natuur, van hoe het licht valt in het bos waar hij rondwaart – de natuur als katalysator voor emoties is een obsessie uit de romantiek, Shelley geeft het monster zo iets invoelbaar menselijks. Later leert hij ook praten, door van op een afstandje te kijken en te luisteren naar een familie die in het bos woont. Denken en lezen leert hij door boeken die hij toevallig vindt. Les Ruines van de revolutionair Comte de Volney, Goethes Die Leiden des jungen Werthers, Paradise Lost van Milton en Vitae Parallelae van Plutarchus: slim gedaan, want zo wist de geïnformeerde negentiende-eeuwse lezer meteen hoe het monster naar de wereld kijkt. Hij leert over onrechtvaardigheid, wreedheid en verdriet. Niet veel later voelt hij dat ook, wanneer hij zichzelf toont aan de familie. Zijn afstotelijke uiterlijk schrikt hen af en hij moet vluchten. Hij beseft dat er voor hem nooit een plaats in de wereld zal zijn en zet zijn verdriet om in woede, gericht tot zijn maker. ‘I was benevolent and good, misery made me a fiend. I was benevolent; my soul glowed with love and humanity.’
 
Zelfs wanneer hij geconfronteerd wordt met de pijn van het monster, dat intelligent, gevoelig en welbespraakt blijkt, voelt Victor zich eerder vervloekt dan verantwoordelijk. Hij houdt zich zelfs niet aan zijn belofte om een vrouwtje voor hem te maken, even lelijk als hij, zodat hij minder eenzaam zou zijn. Tijdens het lezen helt mijn sympathie steeds meer over naar het monster, bloeddorstig als het is. Frankenstein vind ik een slappeling, een ouder die er nooit een had moeten zijn. Shelley is minder streng voor haar personage, ze beschrijft hem als de ultieme gekwelde romantische ziel. Dat hij zich heeft laten meeslepen door zijn ambities lijkt ze hem minder te verwijten dan dat hij zich heeft afgekeerd van wat hij op de wereld heeft gezet. ‘Unfeeling, heartless creator! You had endowed me with perceptions and passions, and then cast me abroad an object for the scorn and horror of mankind’, roept het monster.
 
Uit het verhaal spreekt een romantisch geloof in de onschuld van kinderen, geboren als maagdelijk witte bladeren, onvermijdelijk gecorrumpeerd door de wrede wereld. Dat had Mary wellicht uit de geschriften van haar moeder. Een groot deel van de ellende op de wereld is voortgekomen uit de nalatigheid van ouders, daar hamerde Wollstonecraft geregeld op. Nu we meer weten over hoe genen en breinen werken, lijkt dat geloof een tikje naïef. Maar toch: zelfs als de omgeving maar deels een rol speelt in hoe een kind zich ontwikkelt, hebben we de verantwoordelijkheid om de best mogelijke omgeving te creëren. En daar heeft Frankenstein hopeloos gefaald. Zijn creatie bleek zo lelijk dat hij gillend is weggelopen. ‘Ik heb gehuild toen je geboren was, je was helemaal blauw en opgezet, ik dacht een lelijke baby gebaard te hebben’, vertelde mijn moeder me ooit. Toch nam ze haar verantwoordelijkheid voor de lelijke baby die ik was. Dat, lees ik tussen de lijnen, had Frankenstein ook moeten doen. Shelley ondervond aan den lijve hoe afschrikwekkend het is, dat baren. Er is bloed en pijn en je krijgt een wurm die niet terugpraat aan je borst gelegd. Zonder jou is de wurm gedoemd, wegvluchten is geen optie. Dat weet een moeder als Shelley. Dat liet een hoogmoedige wetenschapper als Frankenstein na.
 
‘Ah, maar sowieso is het beter om nooit geboren te worden.’ Zo slaat mijn geliefde hoogoplopende discussies over het leven, de liefde en het lijden graag dood. Zo zou je het boek ook kunnen besluiten. Was het monster er maar nooit geweest. Maar hij spreekt ons zelf tegen. ‘Life, although it may only be an accumulation of anguish, is dear to me, and I will defend it.’ Mocht mijn grootvader nog leven, ik las hem Frankenstein voor, als troost voor mijn bestaan.

 

 

 

 

BIBLIOGRAFIE

Jill Lepore, 'The Strange and Twisted Life of “Frankenstein”'. In: The New Yorker, 12 & 19 februari, 2018.

Mary Shelley, Frankenstein: The 1818 text. Introduction by Charlotte Gordon. Penguin Classics, New York, 2018.

Mary Wollstonecraft, Pleidooi voor de rechten van de vrouw (vertaald en bezorgd door Willem Visser). Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2017. Oorspronkelijk: A Vindication of the Rights of Woman, 1792.