2013 – Griet Op de Beeck publiceert haar debuut Vele hemels boven de zevende

 

Sander Bax

 

 

Begin 2013 verscheen de debuutroman van de vrouw die dé successchrijver van het decennium zou worden: Vele hemels boven de zevende van de Vlaamse Griet Op de Beeck. Kort na het verschijnen van de roman kregen de lezers van de Volkskrant al te horen dat dit debuut meteen een succes was: ‘Vorige week gaf de Volkskrant het debuut vijf sterren, binnen drie weken stond het boek in de toptien van de Vlaamse boekwinkels (op vier, na de Vijftig tinten grijs-trilogie), Tom Lanoye, Peter Verhelst en Jan Leyers hebben zich fan verklaard.’ Hiermee entameerde Persis Bekkering, auteur van dit portret, een van de dominante mediaframes in het spreken over literatuur in de 21ste eeuw, namelijk dat van het succes. In alle mediaoptredens die in de jaren hierna zouden volgen, werd dat frame van de successchrijver opnieuw opgeroepen. De 21ste-eeuwse mediaschrijver doet er goed aan zich als buitengewoon succesvol te presenteren en om romans te schrijven die gericht zijn op groot publieksbereik. Wie succesvol is in de mediacultuur, zorgt ervoor dat lezers zeggen dat ze het boek ‘in één ruk’ uitlezen en het ‘niet weg kunnen leggen’.
            In hetzelfde auteursportret komen we ook een tweede frame tegen. Op de Beeck geeft in het interview aan dat Vele hemels boven de zevende geen ‘autobiografisch boek’ is, maar wel een ‘walgelijk persoonlijk’ boek. In het interview geeft de schrijver direct al het een en ander prijs over haar persoonlijk leven. Ze vertelt over het gezin waaruit ze voortkomt, een gezin ‘waar onvoorwaardelijke liefde en waardering niet vanzelfsprekend was’, over de periode dat ze aan anorexia leed en over het sterfbed van haar vader. Het komt erop neer dat het schrijven van dit boek ‘geen therapie’ was, maar ‘eerder het bewijs dat ik de verwerking daarvan achter de rug heb’. Ook dit sluit aan bij een belangrijk mediaframe van de 21ste-eeuwse mediacultuur, namelijk de gedachte dat alles (en dus ook de literatuur) echt, authentiek en intiem moet zijn. Een schrijver die zich goed leent voor de talkshowtafel zorgt ervoor dat het werk dat verlangen naar ‘echtheid’ oproept – vandaar de enorme toename van allerlei soorten (semi-)autobiografische teksten de laatste jaren. De journalist van de Margriet, maar evengoed die van NRC Handelsblad, is – net als de talkshowhost of de radiopresentator – vooral geïnteresseerd in wat er in dat boek ook echt daadwerkelijk zo gebeurd is.
            Een derde frame dat we in dit interview tegenkomen en dat in latere mediaoptredens verder uitgewerkt zal worden, is het ideologische. Op de Beeck zal in interviews nooit al te uitgesproken politieke opvattingen verkondigen, engagement is niet haar fort. Wel heeft ze een uitgesproken visie op het leven die in interviews steeds terugkeert. In die visie staan positiviteit en maakbaarheid centraal. ‘Ik geloof in de maakbaarheid van het leven. Je moet wel geloven dat je iets aan je geluk kunt doen.’
            Als het woord ‘literatuur’ gebruikt wordt in radio- en televisieprogramma’s, in dag- en weekbladen, en op sociale media, dan zien we dat het begrip verbonden wordt met dit soort steeds terugkerende ‘manieren van spreken’. Deze ‘discursieve regels’ bestaan los van de mensen die ze hanteren – je kunt de regels naar je hand proberen te zetten, maar je kunt er ook het slachtoffer van worden. Niet alleen literaire schrijvers zijn aan die regels onderworpen, ze gelden ook voor politici die op campagne zijn, wetenschappers die hun ideeën aan een breed publiek willen presenteren of voetbaltrainers die de zoveelste nederlaag van hun club moeten rechtvaardigen.
            Deze discursieve regels staan bijna haaks op de belangrijkste twintigste-eeuwse kenmerken van literatuur. Die komen hierdoor onder druk te staan: wat nou alles draait om de tekst? Hoezo fictionaliteit? De schrijver onafhankelijk en maatschappijkritisch? De roman meerduidig en complex? De manier waarop schrijvers, journalisten, critici, televisiemakers, uitgevers, filmmakers, boekhandelaren en ‘gewone lezers’ in de media over literatuur spreken staat nogal eens op gespannen voet met de manier waarop literatuur in de twintigste eeuw meestal werd gedefinieerd. De ontwikkeling van het schrijverschap van Griet Op de Beeck in de jaren na haar debuut laat mooi zien hoe het literaire schrijverschap aan het begin van de 21ste eeuw gestalte krijgt in dit spanningsveld tussen twee ‘definities’ van literatuur in.
 
Meedenken met het publiek
Op de Beecks eerste twee romans – Vele hemels boven de zevende (2013) en Kom hier dat ik u kus (2014) – worden in de media enthousiast onthaald. In september 2014 werd Kom hier dat ik u kus direct uitverkoren tot Boek van de Maand in De Wereld Draait Door; dat gaf een impuls aan de verkoop en die bleef daarna doorgroeien. Op de Beeck werd de best verkopende Nederlandstalige romanschrijver van 2015. In dat jaar werden 125 000 exemplaren van Kom hier dat ik u kus verkocht en 55 000 exemplaren van Vele hemels boven de zevende. In 2016 werd ze zowel tafeldame van De Wereld Draait Door als prominente gast in het populaire VPRO-programma Zomergasten. Was 2015 het jaar waarin ze doorbrak als bestsellerschrijver, 2016 werd het jaar waarin ze – in ieder geval in Nederland – uitgroeide tot een bekende mediafiguur.
            De romans verkopen goed, al snel worden de filmrechten verkocht, de auteur heeft veel druk bezochte optredens. Maar belangrijker nog is dat de media een succesverhaal rondom de schrijver beginnen te ontwikkelen. Op de Beeck benadrukt in een interview in De Morgen (29-6-2013) dat ze blij is met het succes en dat ze het niet erg vindt dat ze nu een commercieel schrijver is, al wordt dat haar door sommige critici verweten. ‘Ik ben er trots op dat mijn uitgever mijn boek de moeite vond om er een communicatiestrategie rond te bedenken. Mag het? Zou het mij geloofwaardiger maken als mijn boek niet verkoopt?’
            Op de Beeck komt dus in de positie van de literaire bestsellerauteur die veel gelezen wordt, maar wier werk door de literatuurcritici steevast met argusogen wordt bekeken. Het is een mechanisme dat we in de literatuurgeschiedenis steeds opnieuw tegenkomen: schrijvers die een groot publiek hebben, zijn literair verdacht. Tegenover het publiekssucces staan telkens negatieve reacties vanuit de literatuurkritiek. Mark Cloostermans spreekt over een ‘hype’ en Christophe van Gerrewey stelt dat in haar werk alles ondergeschikt gemaakt is aan ‘emotioneel winstbejag’ door herkenning en ontroering. Critici vinden haar werk te sentimenteel, ze vinden dat de romans te veel clichés bevatten en ze vallen over de in hun ogen niet-authentieke Vlaamse stijl.
            Op 20 februari 2016 publiceert De Standaard een uitgebreide beschouwing waarin dit spanningsveld wordt besproken. In het artikel noemt literatuurwetenschapper Bart Keunen Op de Beecks werk ‘mainstreamliteratuur’, literatuur die voor de meeste lezers herkenbaar is, maar voor de ‘doorgewinterde lezers’ misschien te clichématig.
 
Ze kiest er die problemen uit die mensen bezighouden, die je aantreft in dagelijkse conversaties, op café, aan de eettafel, aan de koffiemachine. Ze blijft er langer bij stilstaan, waardoor ook de lezer halt houdt. Een doorgewinterde lezer zal dat als clichématig ervaren, maar de meerderheid van het publiek heeft kunst nodig om langzamer te denken, om het bekende beter te leren kennen. Meedenken met het publiek is ook een functie van literatuur.
 
Het is een vorm van literatuur die aansluit bij wat wel ‘middlebrow’-literatuur wordt genoemd. Ook Op de Beeck zelf komt in dit artikel aan het woord: ze erkent het belang van het bereiken van een publiek: ‘Ik geloof daarin: proberen een publiek te maken. Het is mijn grote hoop en ambitie dit te mogen doen tot ik doodval. Om zoals de Tom Lanoyes en Tommy Wieringa’s van deze wereld te weten: dit is wat ik altijd zal kunnen doen.’
 
Boekenweekgeschenk
In 2018 had Op de Beeck als auteur van het boekenweekgeschenk het stralend middelpunt moeten zijn van de Boekenweek. De zeer kritische ontvangst van haar geschenk Gezien de feiten gooit echter roet in het eten. In De Morgen kraakt Dirk Leyman de novelle – die gaat over een vrouw die op leeftijd haar man verliest, een nieuwe liefde vindt, maar daarover voortdurend met haar dochter in de clinch ligt – als een ‘voorspelbaar afleggertje’. Christiaan Weijts laakt in De Groene Amsterdammer de gedachte dat ‘bekende gezichten’ ons weer aan het lezen moeten krijgen. ‘Ze moeten ons toelachen op bordkartonnen winkeldisplays en ernstig de rol van schrijver acteren in tournees.’ Hij noemt de novelle ‘dodelijk over-expliciet’ en spreekt van een ‘dertien-in-een-dozijn-stijl’. Thomas de Veen vindt dat Op de Beeck in deze novelle te hardnekkig en te ongeloofwaardig haar boodschap wil uitstralen dat je het geluk in eigen hand moet nemen. Door dat te doen, krijgen haar personages iets drammerigs en ontbeert de novelle lang een literaire wending (het noodlot, tragiek). ‘Dat er te elfder ure tóch nog een suggestie van een noodlot opduikt, maakt het er niet beter op. Alsof Op de Beeck op het allerlaatst niet meer true durfde te zijn to her own self, omdat ze inzag dat dat geen literatuur opleverde.’ Arjan Peters gaf de novelle één vernietigende ster.
            Twee sterren in De Standaard en NRC Handelsblad, één ster in de Volkskrant. Er zou zelfs een boekhandel geweest zijn die het geschenk weigerde uit te reiken. Daar staan reacties tegenover waarin haar werk ‘instapliteratuur’ wordt genoemd en Op de Beeck ‘één groot leesbevorderingsproject’. Het CPNB geeft desgevraagd in De Standaard aan achter Op de Beeck te blijven staan. Er is geen sprake van een knieval voor de commercie: ‘Wat wel zo is, is dat Griet een jonger publiek aanspreekt, net als mensen die niet veel lezen. Veellezers en geoefende lezers worden al genoeg bediend door de boekhandel. Het probleem zit hem bij mensen die niet of amper lezen. En die bereiken we met deze novelle. Ze is een fantastische ambassadrice voor het boek.’
            In het boekenweekgeschenk, het enthousiasme van het CPNB aan de ene en de kritische reacties aan de andere kant zien we het spanningsveld centraal staan dat kenmerkend is voor de literaire cultuur aan het begin van de 21ste eeuw. Er is in de literaire wereld én in het gesprek over literatuur in de massamedia een ‘business ontology’ werkzaam. Die economische logica staat haaks op de anti-economische logica die het twintigste-eeuwse literaire veld domineerde en heeft als gevolg dat literaire teksten steeds meer als gewone producten worden beschouwd die in de markt moeten kunnen worden gezet. Als gevolg daarvan zien we steeds vaker dat ‘literaire bestsellers’ – boeken die kenmerken bevatten van bestsellers, genrefictie en van literaire romans – niet alleen commerciële maar ook literaire erkenning krijgen. In het werk van Op de Beeck wordt dit probleem scherp gesteld, vandaar de heftige reacties van de critici op een boek dat voor hen voorbij de grenzen ging van wat nog literatuur was.
 
We hebben allemaal een tapijt
Op de Beeck richt zich in haar romans op de complexe emotionele verhoudingen tussen mensen (vaak in de context van een gezinssituatie). In Vele hemels boven de zevende kijken we in het hoofd van vijf verschillende personages die via complexe sociale relaties met elkaar verbonden zijn. De roman laat zien hoe deze personages lijden aan het leven, omdat ze erachter komen dat een familielid ongeneeslijk ziek is (Jos), omdat ze teleurgesteld raken in hun pogingen om andere mensen van ellende te redden (Eva) of omdat ze een buitenechtelijke relatie hebben die niet van de grond kan komen (Elsie en Casper). De roman kan gelezen worden als een reeks case studies in de psychologie. In Kom hier dat ik u kus is de situatie wat meer gecomprimeerd: in deze roman draait alles om Mona in verschillende fases van haar leven. We lezen over haar complexe relatie met haar vader, haar stiefmoeder en -zusje, over haar moeizame omgang met verschillende levenspartners, en over het sterfbed van haar vader. Ook hier draait het in de roman niet om de complexe vorm of de ingenieuze stijl, maar om de herkenbaarheid van de emotioneel ingewikkelde situaties die worden beschreven.
            In interviews geeft Op de Beeck aan dat Nederlanders houden van het exotische in haar stijl en dat ze waarderen dat ze in haar boeken eerlijk durft te zijn. Ze gebruikt daarvoor in Opzij (17-2-2016) het beeld van het tapijt, dat ons brengt bij het tweede mediaframe.
 
We hebben allemaal een tapijt en we zijn geneigd om daar alles onder te vegen, alles wat ons verontrust, wat ons kwaad maakt, waar we emotioneel van dreigen te worden. We gaan daar met twee voeten bovenop staan, kijken recht vooruit en hopen dan dat het zogezegd niet bestaat. Terwijl het zo veel interessanter is om eindelijk dat tapijt eens op te tillen en te kijken naar wat daar allemaal onder ligt.
           
In interviews (in dag- en weekbladen, maar ook op radio en televisie) heeft Op de Beeck het keer op keer over de vervelende momenten uit haar leven. Wie de media-optredens in volgorde bekijkt, ziet hoe ze stap voor stap steeds meer intimiteiten prijsgeeft. Ze vertelt dat ze haar vader op zijn sterfbed voorlas uit Vele hemels boven de zevende, ze vertelt over haar eetstoornis toen ze 26 jaar oud was, over het negatieve zelfbeeld dat daarmee samenhing, over haar scheiding van een man die niet goed voor haar was omdat zij zich aan zijn wensen diende aan te passen, over haar neiging om keer op keer op de verkeerde mannen te vallen. Het kernwoord in deze verhalen is steeds het begrip schaamte dat ze ook in een interview in Trouw (25-10-2014) naar voren brengt.
 
Ik had nogal de neiging om me te schamen voor wie ik ben in het diepst van mijn gedachten. Ik heb er heel erg mee moeten dealen voordat ik durfde te zeggen: goeiemiddag, ik ben Griet en heb een boek geschreven. Het wegcijferende, het denken dat ik veel moest geven aan mijn omgeving, het je afvragen of je de aandacht waard bent: dat zijn inderdaad dingen die ik in mijn verleden heb gekend.
 
Soms zien we de worsteling met deze problematiek in het interview terug. Als haar in NRC Handelsblad (17-1-2015) gevraagd wordt naar haar familie, geeft Op de Beeck eerst aan dat ze niet ‘in de krant met mensen [wil] afrekenen’. Als de interviewers opzichtig doorvissen naar haar ervaringen toen ze in therapie was – ervaringen waarover Op de Beeck hier nog in algemene termen spreekt – houdt ze de boot af: ‘Ik ga niet mijn therapiesessies na zitten vertellen.’ En de vraag of ze haar moeder nog ziet, vindt ze ongepast. Ze geeft aan niet ‘zonder de omweg van de fictie’ over deze ervaringen te willen schrijven.
 
Je eigen lot in handen nemen
Op de Beeck bewondert het engagement van een schrijver als Jeroen Olyslaegers, maar ze vindt het niet de ‘plicht van de dichter om soep uit te delen’. Haar engagement zit hem in het aanbrengen van ‘mildheid en nuance’. In De Morgen (29-6-2013) zegt ze daarover: ‘Zelfs in grote maatschappelijke kwesties die altijd in zwart en wit worden gesteld, zoals incest, zit in werkelijkheid toch altijd ook een beetje grijs. Dat durven vaststellen, is ook een vorm van engagement.’ Dit is een vast ingrediënt in veel Op de Beeck-interviews. Ze doet geen expliciet politieke uitspraken, maar ze geeft wel steeds aan dat haar boeken een betekenis voor mensen hebben, dat mensen er beter van worden.
 
Ik heb reacties gekregen van mannen en vrouwen die na het lezen oude liefdes zijn gaan opzoeken, die uit verstikkende relaties zijn gestapt waar ze al te lang in vastzaten, die besloten om in therapie te gaan, die vonden dat ze dan toch maar eens dat gesprek met hun vader of moeder moesten aangaan.
 
De boodschap van Op de Beeck in interviews als dit is altijd positief: het leven is hard, je loopt littekens op, maar als je met jezelf aan het werk gaat, kun je je lot in eigen handen nemen.
 
Ik geloof dat elke mens, ook de slimste en de meest contemplatieve, een blinde vlek heeft, gebaseerd op littekens uit een ver verleden die hem of haar bepalen, die er bijvoorbeeld voor zorgen dat je altijd opnieuw dezelfde fouten maakt. Als je daar zicht op krijgt en de confrontatie ermee durft aan te gaan, kun je ingrijpen en er de vruchten van plukken. Het optimistische inzicht dat je je eigen lot in handen kunt nemen, is het beste wat ik ooit heb gehad. (De Standaard, 22-10-2013)
 
Hier wordt wel mooi een ideologie zichtbaar die er in de jaren 2010 bij veel mensen natuurlijk erg goed in ging: een blijmoedig individualisme en een geloof in ‘aan jezelf werken’ als het ultieme doel. Ze benadrukt niet de maatschappelijke structuren die ten grondslag liggen aan de problemen die ze aan de orde stelt (misbruik, eetstoornis, depressie), maar beschouwt ze als voornamelijk individuele problemen. Deze visie lijkt goed aan te sluiten bij een discours over ‘maakbaarheid’ en ‘individualisme’ dat goed past bij het 21ste-eeuwse laatkapitalistische economische systeem.
 
Het beste wat we hebben
Na de succesjaren 2015 en 2016 zou 2017 het jaar worden van de publieke bekentenis en de daaropvolgende controverse. Op maandag 25 september maakte Op de Beeck bij De Wereld Draait Door bekend dat haar (weliswaar fictionele) nieuwe roman Het beste wat we hebben (2017) het eerste deel zou zijn van een trilogie waarin kindermisbruik het hoofdonderwerp is. Op de Beeck gaf aan dit onderwerp niet zomaar gekozen te hebben: ze heeft er persoonlijke ervaring mee. Ze vertelt in de uitzending dat ze tijdens jarenlange therapie de puzzelstukjes gelegd heeft die tot de conclusie hebben geleid dat haar vader haar als klein kind misbruikt heeft. In het indringende en lange gesprek vertelde Op de Beeck over haar leven met anorexia en depressie, over een leven waarin ze zich als kind lelijk moest maken, omdat dat de enige mogelijkheid is die een kind heeft om in verzet te komen. Pas na de dood van haar vader vond ze de ruimte om de definitieve conclusie te trekken. In De Standaard (26-9-2017) legt Op de Beeck – in een groot interview de dag na de uitzending – uit dat het misbruik haar ‘grootste wond’ en haar ‘dominante thema’ is.
            De live uitgezonden bekentenis maakte een diepe indruk op de kijkers, maar leidde ook tot kritiek. Had deze openhartige bekentenis live op televisie niet ook het karakter van een wat al te perfect getimede reclamecampagne? De avond voorafgaand aan de dag dat het boek in de winkels ligt, wordt de aandacht van ongeveer een miljoen kijkers getrokken. Dat garandeert vervolgens een avond en ochtend lang volop aandacht op sociale media, waarna er op de dag zelf een groot interview in De Standaard staat en de dag erop een groot interview in Humo. Het beste wat we hebben werd hierdoor als een torpedo op de markt afgeschoten met als intrigerende bijvangst dat ieder stuk over en elke reactie op het mediaoptreden de aandacht voor het boek verder zou uitbouwen.
            De tweede lijn van kritiek was van een andere aard en had betrekking op het gegeven dat Op de Beeck meldde dat ze geen directe, expliciete herinneringen aan het misbruik had, maar dat ze via therapie het verdrongen voorval terug had moeten halen. Tussen haar vijfde en haar negende zouden de hersenen nog niet in staat zijn om een gebeurtenis die zo heftig is op een coherente en talige wijze op te slaan. Het was Max Pam die in zijn column in de Volkskrant de vraag opriep of Op De Beeck in het interview wel de waarheid had verteld. ‘De hervonden herinnering is een hachelijk terrein, een mijnenveld van emoties.’
            Op de Beecks televisieoptreden en de door Max Pam geëntameerde twijfel aan de waarheidswaarde van haar woorden zorgden voor een mediastorm van zeker een week waarin veel werd gesproken over seksueel misbruik en de mate waarin dat bespreekbaar is. Op de Beecks optreden maakte wel degelijk een publiek debat los en kan een effectieve publieke interventie genoemd worden. In de mediacultuur van vandaag functioneert de literaire schrijver niet meer (of niet meer alleen) als de ‘klassieke’ onafhankelijke en afstandelijke publieke intellectueel die aan het publieke debat bijdraagt met een pamflet, een essay of een roman. De schrijver van vandaag intervenieert in het publieke debat met haar eigen levensverhaal, haar eigen identiteit en haar eigen gezicht: de schrijver belichaamt zelf de publieke interventie.
            Maar er was nog een ander, negatiever, effect. In de mediastorm was er weinig aandacht voor de literaire techniek waarvan Griet Op de Beeck zich bediende toen ze haar roman Het beste wat we hebben schreef. Het verhaal dat ze bedacht, de wereld die ze gecreëerd heeft, de fictie waarmee ze ons iets over het thema van seksueel misbruik heeft willen vertellen. Programmamakers in de media vinden het heel moeilijk om te spreken over de fictionaliteit en constructie van romans. Liever willen ze spreken over de herkenbare mens achter of de echte en geloofwaardige personages in het boek. Het liefst gaat het dan om personages die gemodelleerd zijn naar iemand die we kennen uit de media en waar de lezers, luisteraars of kijkers alleen daarom al in geïnteresseerd zullen zijn. Veel aandacht voor de auteur kan dus gemakkelijk ten koste gaan van aandacht voor de roman. Voor schrijvers die actief zijn in de massamedia bestaat literatuur daarom vooral als iets wat helemaal niet lijkt op wat we lang als literatuur beschouwd hebben.
 
De wind van voren           
Griet Op de Beeck heeft zich ontwikkeld tot een schrijver die in een interview in De Morgen geïntroduceerd wordt als iemand die eerst vijf jaar ‘in een staat van genade’ leefde, maar die nu ‘de wind van voren’ krijgt (30-6-2018). Waar Op de Beeck aanvankelijk door goed gebruik te maken van die frames op weg leek om dé successchrijver van het begin van de 21ste eeuw te worden, maakte de massale kritiek die zij in 2017 en 2018 over zich heen kreeg duidelijk dat het bepaald niet gemakkelijk is om de succesmythe in stand te houden. Tegenover de frames van succes, intimiteit en engagement staan altijd ook de door de literatuurkritiek geëntameerde frames die teruggaan op het systeem van literaire autonomie dat een groot deel van de 20ste eeuw domineerde.
            Die spanning manifesteert zich hier als de spanning tussen de ‘gewone lezer’ en de criticus. Verschillende critici hebben zich afgevraagd of haar werk nou ‘authentieke literatuur’ is of juist ‘melodramatische kitsch’. Dirk Leyman heeft dat expliciet in verband gebracht met Op de Beecks status als successchrijver:
 
Het is een kwestie waar menig successchrijver mee worstelt. Omarmd worden door een extatische fanbase. Verkoopcijfers om van te duizelen. Willens nillens publiek bezit worden, zodat elk woord dat je welbewust in de media-arena gooit, het effect van een voetzoeker heeft. Toch loopt de literaire kritiek met een boog om je heen en doen boekenjury's meestal alsof hun neus bloedt wanneer je roman op tafel ligt. Dat wringt. Want je wilt toch ook wel literaire erkenning bij elkaar harken?
 
Met haar mediagenieke optreden en succesvolle werk plaatst Op de Beeck de critici in een moeilijke spagaat. Om haar te werken te beoordelen hanteren critici de conventies van ‘autonome’ of moderne literatuur die in de naoorlogse periode dominant geworden zijn (al zijn ze natuurlijk voortdurend ter discussie gesteld). Maar het succes van Op de Beeck maakt duidelijk dat deze conventies in de literaire wereld van de 21ste eeuw op gespannen voet staan met de conventies die in de publieke ruimte werkzaam zijn.

 

 

 

BIBLIOGRAFIE

 

[anoniem], ‘De vijf levenslessen van Griet Op de Beeck, schrijfster’, in: De Standaard, 22-10-2013.

J. Antonissen, ‘De werkelijkheid is bijna altijd ongeloofwaardig’, in: De Morgen, 27-9-2014.

S. Bax, De literatuur draait door. De schrijver in het mediatijdperk. Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2019.

S. Becker, ‘Dit is het werk dat ik moet schrijven’, in: Trouw, 3-3-2018.

P. Bekkering, ‘ “Ik geloof te hard in de liefde” ’, in: de Volkskrant, 2-3-2013.

J. Belgers, ‘Geluk, daar bedoel ik mee: vaste grond onder de voeten’, in: Trouw, 25-10-2014.

E. van Boven, ‘De middlebrow-roman schrijft terug. Visies op elite en “hoge literatuur” in enkele publieksromans rond 1930’, in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 124, 4, 2008, p. 286-304.

E. van Boven, Bestsellers in Nederland 1900-2015. Garant, Antwerpen, 2015.

Y. Desmet, ‘Veel mooier wordt het voor een schrijver niet,’ in: Humo, 27-2-2018.

B. Eeckhout, ‘De meeste mannelijke kunstenaars zijn eigenlijk vrouwen’, in: De Morgen, 29-6-2013.

S. Hjarvard, ‘The mediatization of society’, in: Nordicom review 29, 2, 2008, p. 105-134.

S. Hjarvard, The mediatization of culture and society. Taylor & Francis, New York, 2013.

N. Huigsloot, ‘Met mijn openheid over misbruik wil ik iets doen wat echt van betekenis is’, in: Libelle, 8-3-2018.

C. De Kock, ‘Griet Op de Beeck krijgt alweer de wind van voor’, in: De Standaard, 10-3-2018.

J. Koelewijn en M. Noshad Sharifi, ‘Wat u schrijft, dat gaat over mij’, in: NRC Handelsblad, 17-1-2015.

D. Leyman, ‘Zij was zoveel platitudes nu’, in: De Morgen, 7-3-2018.

D. Leyman, ‘Het beste moet hopelijk nog komen’, in: De Morgen, 27-9-2017.

G. Linke ‘The public, the private, and the intimate. Richard Sennett’s and Lauren Berlant’s cultural criticism in dialogue’, in: Biography 34, 1, 2011, p. 11-24.

R. van der Lint, ‘We hebben allemaal een tapijt waar we alles onder vegen’, in: Opzij, 17-2-2016.

D. Meer, ‘Mooi, dat mensen oude liefdes zijn gaan opzoeken dankzij mijn boek’, in: De Morgen, 3-9-2014.

M. Pam ‘Of Griet Op de Beeck zo werkelijk verlichting vindt, is maar de vraag’, in: de Volkskrant, 26-9-2017.

A.Peters, ‘Geen propaganda voor het Nederlandse boek’, in: de Volkskrant, 10-3-2018.

S. Selfslagh en K. Van de Perre, ‘Het ergste was: niet geloofd worden’, in: De Morgen, 30-6-2018.

J.B. Thompson, ‘Mass communication and modern culture’. In: Sociology 22, 3, 1988, p. 359-383.

J.B. Thompson, ‘The new visibility.’ In: Theory, Culture & Society 22, 6, 2005, p. 31-51.

V. Vanhoutte, ‘Ik ben een schrijver, geen missionaris’, in: De Standaard, 20-2-2016.

T. de Veen, ‘Onbeholpen gejakker roept wantrouwen op’, in: NRC Handelsblad, 9-3-2018.

L. Van de Velde, ‘Ik denk dat het voor Nederlanders exotisch is’, in: De Standaard, 16-1-2016.

C. Weijts, ‘Zijt gij papa dan zomaar vergeten?’, in: De Groene Amsterdammer, 8-3-2018.