Desolate boedel 

Huub Beurskens

 

‘This is the house where Rembrandt lived’,

            zegt de gids voor Jodenbreestraat nummer 4.

‘And where does he live now …?’ vraagt

            een vrouw met Amerikaans accent.

 

Een goede vraag, want na zijn faillissement,

            de verkoop van de inboedel en het huis alhier,

vertrok hij als huurder met Hendrickje naar nummer 184

            aan de Rozengracht (nu al lang gedempt,

de woning vervangen, geen passant in de tram,

            te voet of op de fiets die acht slaat op de gevel

met de witte herdenkingssteen)

            en verdween uiteindelijk, niet in een zerk,

niet eens onder een naam gebeiteld in zo’n plaat

            van de grijszwarte vloer in de Westerkerk,

als van ondergeschikt belang, zoals praktisch

            al zijn werk bijna twee eeuwen lang.

(Omdat in het begin van de achttiende eeuw

            het schilderij in de Kleine Krijgsraadkamer

van het stadhuis moest passen sneed men

            De Nachtwacht botweg bij.)

 

Tot men erin zag, juist ook in het werk van

            na zijn failliet (De staalmeesters, De terugkeer

van de verloren zoon, menig zelfportret),

            wat de weelde was van wat hij penseelde,

kwastte, smeerde, veegde, kraste. Opgeroepen

            had Rembrandt van Rijn wat al doende

hem zich aandiende en mededeelde

            tot het was wat het zich bleek te hebben voorgenomen

te zijn: een zich telkenmale opnieuw aandienen

            en kunnen mededelen, allerminst om zijn bestaan

als louter doek met verf erop te verhullen,

            maar om – als een illusie die tot wonderbaarlijk

leven komt juist door openlijk te tonen wat ze waarlijk

            is: illusie – een gebaar, die blik, dat licht

een moment met ons samen te vatten waardoor we

            getroffen zijn door een leven dat van langere

duur lijkt dan de dood in het eigen graf.

 

Hierin faalde hij niet. Hieraan, moet hij hebben gedacht,

            kan ik telkens weer beginnen om erin te keren

zolang ik leef, dit neemt niemand meer van me af,

            zeker niet iemand die daardoor ooit

zonder mij het leven even met me delen zal.

 

De gids echter grijnst om wat hij een domme vraag vond

            en antwoordt, heel gevat, dat de meester

nu veel rianter huist, niet alleen in het Rijks,

            ook in de Petersburgse Hermitagepracht,

in het Londense Kenwood House …

            ‘With his spouse?’

 

Ach, hoe Rembrandt, die geen museum kende,

            in geen museum went. Tien gulden en dertien stuivers

betaalde hij voor Hendrickjes naamloze graf

            op vijfhonderd meter van zijn huis. Gebroken

leverde hij ook de baar met zijn zoon daar af. Maar

            zie zijn zelfportret (hoog verzekerd in Keulen)

als oude schildergek die zachtmoedig zonder te bedaren

            lacht zowel met als om dit doel: nu al

meer dan drie-en-een-halve eeuw de schilder

            ervan tot desolate boedel te verklaren.

 

 
 
 
 
 
 
Download deze tekst in pdf
Comments