De gastvrouw - Brigitte Kronauer (Vertaald door Lucas Hüsgen)

Hoor je dat? Zo niet, dan maakt dat niet uit: daar, opnieuw: ‘weewijewewee, weewijewewee!’
            Dat moet ons soort mensen hier elke nacht, elke nacht een paar keer zien uit te houden, gefluisterd, gerocheld, gehuild, gebruld. Zou jij het niet kunnen verdragen? Dat leer je vanzelf! Onder bepaalde omstandigheden wen je eraan, ben je zelfs dankbaar, dat je niet buiten in de ijzige, bijgeval behoorlijk gevaarlijke stilte ligt, in de stilte die in een handomdraai eeuwig kan zijn.
            Ben jij een van die lui die vaak op perron 14 staan te wachten op de internationale trein? Kun je zien, je bent precies zo’n figuur, wat zal ik zeggen, op en top van kop tot teen. Je kleuren. Je heel persoonlijke stijl: alle nuances tussen grijs en zwart. Je houding: zo geconcentreerd als je gelaatsuitdrukking, als je manier van lopen. Geen stofje valt er aan je te vinden, ook als je nog snel koffie uit een kartonnen beker drinkt, ja zelfs licht en beheerst koukleumend in een croissant bijt. Je hebt de dingen in de smiezen, je driften onder bedwang, en dat allemaal heel terloops. Je koffer, donkerblauw of zwart op wieltjes natuurlijk, rrrrrrrrr, die jij zo charmant aan ons voorbijtrekt, is in zekere zin gemaakt van jouw officiële vlees en bloed. Perfect. En perfect drukt hij jou uit. Waar worden jij en jouw collega’s toch gefabriceerd en, als ik dat zo zeggen mag, trouw nageleverd?
            Jij houdt de aankomst- en vertrekstaten in de gaten, je luistert scherp naar wat wordt omgeroepen. Daar houd jij je mee bezig, je staart in de tunnels van waaruit de treinen aan komen razen en waarin ze verdwijnen en: rrrrrrrr rol jij tussen hen in heen en weer. Je blik valt soms op de grote rouletteschijf die reclame maakt voor het casino? Ja ha, daar rolt ook het een en ander, maar daar gaat het altijd in een cirkel, als bij een klok, de fatale klok van het geluk. Je kijkt vol betovering naar het gesputter van de lichten, wil helemaal niet achter het systeem komen, staat maar wezenloos te staren naar waar het rondgaat en ophoudt, rondgaat en sputterend stopt, telkens ergens anders. Blijft het beeldje zo in je geheugen hangen, en krijg je op een dag zin het bonte rondsuizen van je winstkansen een enkele keer in het echt te beproeven?
            Vermoedelijk niet. Toen dit soort reclame daarboven gemonteerd werd, bestond jouw type mens nog niet. Jij laat je, volstrekt gedesinteresseerd, alleen ter afleiding een beetje fixeren totdat het losbarst, totdat je trein je oppikt, en weg ben je. Hetzelfde principe als met je koffer: spulletjes erin gestopt, ritssluiting dicht en in het zilveren uniform op wieltjes hup de verte in getransporteerd. Je opvolgers met de rollende vierhoeken staan al klaar, treinen in, treinen uit, met de snorrende bagagehouders achter zich aan. Mensen zoals wij kunnen zich voorstellen dat het steeds dezelfde zijn, jullie en de koffers. Niemand zou het opvallen, echter ook niet, als mensen enkelen van jullie simpelweg zouden laten verdwijnen. Daarmee heb je er echt niet echt minder van, mensen zoals wij daarentegen worden dat in overweldigende, in van hogerhand gewenste mate. Natuurlijk zijn er hier, op perron 14, ook andere gestalten, maar jullie, alleen jullie bepalen en domineren het terrein.
            Mensen zoals wij moeten van hier verdwijnen, en dus knijpen wij er meer en meer tussenuit, we doen althans alsof. Wij, elementen, zijn op deze plek niet gewenst, je hebt hier ook nauwelijks het echte afval uit het jaar nul nog, dus wat moeten wij dan? Wij worden via maatregelen verwijderd, maar zijn desalniettemin nog hier, onopvallend, schijnbaar als mensen die wachten zonder koffer. Dat is dan wel op het randje van verdacht, maar niet strafbaar. We zouden toch ook de armere verwanten van rijke broers kunnen zijn, die ter ontvangst zijn komen opmarcheren, of niet? Wij zitten op onze koude reet in de erbarmelijke tralietroggen en houden het in- en uitademen van de treinen bij, van de treinen op de tocht, de tocht tussen de eenzame ontzettingen van de tunnelmuilen, trouw, als was het onze geboortegrond en niet een van de schaarse mogelijkheden om een dak boven het hoofd te hebben met het teken voor geluk binnen handbereik, onze gloeilampjeszon.
            Maar jij, jij fascineert en verveelt ons te pletter. Ja heus, het is een en hetzelfde gevoel waarmee wij jou urenlang, korte onderbrekingen inbegrepen, ter camouflage bestuderen. Dat wil zeggen, eigenlijk observeren wij niet jou zelf, maar meer, nagenoeg uitsluitend, je koffer in zijn afwijzende, krampachtige geslotenheid, hoe hij als een hondje achter je aan ratelt, maar eigenlijk aandoet als een grote batterij die jou de nodige energie om te bestaan verstrekt. Onze handen jeuken om de verbindingskabel door te snijden. Natuurlijk alleen voor de lol, wij zijn tenslotte onverantwoordelijke, vroegoud geworden kinderen die zich met een glaasje wijn in de hand en met het onbeschrijfelijke ‘weewijewewee’ in het oor misschien aan een jaloezie voor een raam herinneren, waarop zich bij tegenlicht voor wie daarachter lag te dutten, jaren geleden in silhouet een dikke geraniumstronk aftekende en een kleine giraffe die uitstak boven de minaret van een Turkse fles voor damesparfum. Eeuwen geleden dat soort elegante omslachtigheden.
            De koffer laat zich met de ogen niet openkrijgen. Was dat mogelijk, dan hadden we dat allang klaargespeeld. Want mensen zoals wij vragen zich natuurlijk af hoe iemand zijn hebben en houden ten eerste dermate staatsburgerlijk kwadratisch verpakken kan en ze een dusdanig accuraat uiterlijk cachet kan meegeven, zo weinig verraderlijk, zo harmonisch op alle andere afgestemd. En toch, zitten daarin misschien je geheime onderscheidende kenmerken, idiote discriminerende kledingstukken verborgen, die wegduiken in de huichelachtige vierhoek om op steelse plekken tot een dolle drukte te ontvlammen?
            Of wij jou en mensen zoals jou benijden, wij, altoos met stoppelbaard en zwarte gaten tussen de tanden en in de schedel verzonken ogen? Dat weten we niet precies. Het is nu eenmaal zo, dat wij ons nare kloffie, door mensen zoals jij afgedankt, cadeau gedaan, weggegooid, voor ieder herkenbaar constant aan het lijf dragen. Anders dan jij gunnen wij ons dit soort uitspattingen dag in dag uit. Velen van ons trekken hun hele huishouden in afgedankte kinder- en winkelwagens achter zich aan, lang voordat jij op de koffers met wieltjes gekomen bent. Alleen mogen jij en de jouwen hier bij spoor 14 schaamteloos heen en weer marcheren en naar hartenlust rollen, wij in godsvredesnaam niet.
            Voor ons is het station een mooie woonplaats, geen vervelend doorgangsstation. Wij kennen hier elk kraampje, de gezichten van de verkopers, de namen van hun artikelen en de geurmengsels op de verschillende uren van de dag. Met een enkele blik raden wij de fantasieën van jullie hygiënische vrouwen, als ze aan onze gezichten voorbij strijken. Het oude liedje: de dames dromen van krachtige vagebonden of een leven als doorgewinterde bordeelgastvrouw en zien dat dan voor een daad aan, zelfs voor een sociale! Maar jij bent het toch, die met deze kippetjes uit de voeten moet zien te kunnen, wij niet. Wij hebben dat allang achter ons.
            Daar! Weer dat ‘weewijewewee’! Het laat en laat ons niet met rust. De rouletteschijf dus, daar herinnert zich iedereen aan, alleen, gek genoeg, niet waar, aan de muur daaronder, die hier het hele perrongebied afsluit, eigenlijk nauwelijks. Ze staren er allemaal naar, als ze wachten, maar zijzelf, de muur, blijft bijna onzichtbaar. Waar dat aan ligt? Aan het fletse geel van de tegels, aan de blinde raampjes, aan de gebarricadeerde of dichtgemetselde, nutteloze poort. Herinnert ze niet aan de voorzijde van een stokoude, reusachtige radio uit de hoek van een kroeg waar het zonlicht nooit binnenviel, waar veel werd gerookt en in het bijzonder aan het ontzettende beige van de gebruikelijke gordijnen daar? Vergeten stapels documenten met bij elkaar gespioneerde of pijnlijk bijeen gechanteerde inlichtingen zouden erachter verborgen kunnen liggen.
            Ben je dan eenmaal op de gedachte gekomen dat hier de ingang naar een zoekgeraakte wereld begint, midden in de openbaarheid, kun je helemaal niet meer wegkijken. Zo is het ons hier allemaal vergaan, en voor ons allemaal heeft de verwachting de moeite geloond.
            Op een dag, op een vroege namiddag, op dat bleek grijze uur ging de deur onder de rouletteschijf open en alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, is met de energieke tred van een Spaanse danseres een jonge vrouw naar buiten gekomen, een frisse bries, geurend naar heidekruid en zand, herinnering aan het geroep van valken hoog in de lucht, een vrouw met gloeiende haren, afhangend tot tussen de schouderbladen. Wat een zacht gezicht met witte huid en teerst mogelijke lippen, kaarsrecht in haar korte roodbruine jurk en daaroverheen een opwaaiende jas van gevlamde stof. Hier? Juist dat benam ons allemaal, we wisten niet waarom, de adem. Zo wit als haar gezicht moest haar hele lichaam zijn, dat was ons allemaal meteen duidelijk. Alsof ze naakt was, gleed haar odeur over de rails naar ons toe en ze glimlachte tegen ons. Ja, zonder twijfel glimlachte ze naar ons en toen legde ze zelfs, oh God, wat een teer welvende lichtbruine, welhaast gouden wenkbrauwen!, een vinger op haar mond. Daarna is zij met een hand door de kostelijk over elkaar vallende krulharen gegaan, die daardoor weer anders opvlamden. Sommigen zeggen dat ze ook kort het puntje van haar tong tussen de tanden geschoven had. Je weet toch, wat dat bij ons mannen teweegbrengt, of niet?
            Maar toen is pas echt iets ongelooflijks gebeurd. Dat wenken van haar! Iedereen is meteen opgestaan. Toen heeft ze haar schattige hoofd geschud en met die wonderschone naakte vinger een enkel iemand aangewezen, op dat uur van de dag dat hier niks gaande is, toen heeft ze gelokt en bevolen. Degene die ze aanwees, die is zonder maar te aarzelen over de rails gespurt, buiten ons heeft niemand dat meegekregen.
            En wat deed ze, toen hij bij haar was? Zij, bloedjong als ze was, heeft zijn schouders aangeraakt en uit haar mond een zucht laten ontsnappen, alsof ze er het stof van af moest blazen. Toen heeft zij, zachtmoedige, vurige verschijning, het deurtje geopend en is met hem erachter verdwenen. Wat moeten wij ze onnozel hebben staan nastaren! Sesam, open u! Of we hem nog eens onder ogen zouden krijgen? Natuurlijk is niemand hem achternagerend, wij, de anderen, stonden er immers als verlamd bij. ’s Avonds zijn we volgens gewoonte naar onze verschillende slaapplaatsen gedrenteld, ieder in rare gedachten verzonken. Maar de volgende dag, op hetzelfde tijdstip, ging het poortje, zoals wij toch ook vol ongeloof hadden gehoopt, weer open!
            Zij stapte niet naar buiten. Alleen hij.
            Feitelijk was hij waarschijnlijk niet veel schoner of beter doorvoed dan bij zijn verdwijnen, desalniettemin kende je hem nauwelijks terug: zo gelukkig dat je er niet eens naar wilde kijken. Alsof die kerel bezopen was. Hij heeft geen woord uitgebracht, alleen ons allemaal zijn verzaligde grijns getoond. En wij, we hadden het helemaal in de gaten, we wisten plotseling wat zich afgespeeld had, je zag het hem domweg maar al te duidelijk aan. Bovendien viel er voor ons wat te lachen: zo compleet schaamteloos als hij naar haar rook! We snuffelden met een zekere voorpret. Echt, dat is zo zeker als zo meteen weer het ‘weewijewewee’.
            Het is inmiddels allemaal heel normaal. Je ziet wel wat voor een heerlijk rijk zij hier, achter die duffe rouletteschijf, voor zichzelf heeft ingericht, kamers van een vermetele weelderigheid, al moeten wij, zolang ze ons niet roept, de nachten wel wat soberder doorbrengen. Maar toch behoed en dicht bij haar, vooral steeds in afwachting van een teken van haar. Sommigen die bij haar geslapen hebben, zeggen dat zij van heel dichtbij niet echt zo volkomen, niet helemaal zo teer en betoverend jong is als het van over de rails aanvankelijk de indruk gaf. Maar dat stoort niemand. Wij volgen haar de kussens en het geluk in, zodra ze wenkt, de ene keer de een, de andere keer de ander. Zo zijn de spelregels, zo zijn de wetten. Die bepaalt zij, onbeperkt. Wij, de anderen, glippen bij avondschemering door de poort en bij dageraad ongebruikt weer naar buiten. Ze heeft kledingstukken voor ons allemaal. Daar zit altijd wel iets tussen dat ons past, heel goed, modieus herentextiel, vooral pyjama’s. Ook geeft ze ons te eten, de meest delicate dingen, champagne, kaviaar en fruitgebak, zoals je dat in reformzaken kunt kopen en bovendien medicijnen, mannenbladen voor elke nog zo intieme wens.
            Eerst waren wij zo verbaasd over haarzelf in al haar flexibele goedhartigheid, haar rood en groen glanzende insectenkleding en haar over het hele lijf oplichtende zomersproeten, dat we ons niet afvroegen waar zich de onuitputtelijke bron van haar rijkdommen wel zou kunnen bevinden. Wij wachten geduldig totdat zij ons uitkiest, want ooit, weten wij, zullen we na de eerste onvergetelijke keer weer aan de beurt komen, houden ons hier overdag met onze kleine handel bezig, nog veel erger gebonden aan perron 13/14 dan voorheen, vinden ’s nachts onderkomen bij haar.
            Er wordt nauwelijks met haar gepraat. Dat is niet nodig. Ze stottert namelijk. Kijk je dan gefascineerd naar haar bloedrode, bloedjonge lippen, dan wordt het almaar … erger. Maar het is ook helemaal niet erg. Mensen zoals wij raken daardoor enkel verder in haar ban.
            Daar, heb je het meegekregen? ‘Weewijewewee, weewijewewee’! Hij heeft deze keer gefluisterd. Hij kan het ook van zich af huilen.
            De spullen die zij ons cadeau doet, dat hebben we op zeker moment natuurlijk wel gemerkt, waren meestal vlekkeloos, maar bijna nooit echt nieuw. Schoon gewassen, maar al gebruikt, zoiets stellen zelfs mensen zoals wij vast. Uiteindelijk zijn we achter haar geheim gekomen, en sindsdien griezelen we. Toch zou niemand haar in de problemen brengen, in zekere zin sterven we voor haar, voor onze mooie, gevaarlijke engel.
            Het is gebeurd, toen eentje van ons bijna onder de trein zou zijn gekomen en er groot gelazer met het spoorwegpersoneel was. Al zie je dat nauwelijks nog, op dat ogenblik was er iemand ter plekke. De trein moet met veel te grote snelheid zijn binnengelopen, en aan de achterkant, in het duister, waar we ons aangewend hadden de rails over te steken, kon eentje van ons enkel nog met de allergrootste moeite uit de sleuf omhoogklimmen. Hij heeft beweerd, dat hij erin gevallen was, maar ze zagen er al snel een volgende reden in om ons compleet van hier te verwijderen, als we ten bewijze van ons reguliere spoorreizigerskarakter geen rrrrrollende, rrrrrratelende koffers bij ons hadden.
            Toen heeft zij ons de andere weg onder de rouletteschijf gewezen. Van de kraam met spiritualia en snoepgoed, die ken je nu zelf wel, leidt een kleine, goed verhulde lift naar een oude tunnel onder de sporen door naar hier, al lang niet meer in gebruik, alleen de eigenares van de kraam weet er nog van en zij, onze godin. Die twee smokkelen ons heen en terug. Daarvoor valt onze mooie waardin zo nu en dan bij grote drukte in bij de kraam, verkleed natuurlijk, de haren onder een muts, in een vormeloze witte stofjas met normaal gesproken terneergeslagen ogen. Aanspreken mogen we haar daar volstrekt niet. Ze werkt er tenslotte aan haar lugubere handeltje.
            Soms namelijk, je hebt het meegemaakt, slaat ze de wimpers op en kijkt ze een man met haar groengrijze, een heel tikkeltje schele ogen aan. Hij beschouwt deze seconde als zijn grootste geluk, terwijl het toch zijn ongeluk is. Dat vind je lollig? Mag je gerust doen. Het spreekt vanzelf dat dit altijd zo’n man met rollende koffer is, een man uit een stuk, tussen twintig en vijfenveertig, in de eerdergenoemde discrete kleuren. Even later is het tweetal in lift en tunnel verdwenen. De man vermoedelijk, dat weet jij beter dan mensen zoals wij, met kloppend hart, daarentegen zij, wat zal ik het mooier voorstellen dan het is, absoluut koudbloedig. Jaja, lach jij maar.
            Ik zal je zeggen, wat dat gesteun en gelal van ‘weewijewewee’ te betekenen heeft. Die man droomt elke nacht van zijn oude adres waar zijn vrouw hem op straat heeft gezet, direct aan de rand van het bos, met haar advocaten de totale armoede in geloosd: Tweevijverweg twee! Hij is intussen te veel tanden kwijt om het nog juist uit te kunnen spreken. Maakt ook niet uit. Niemand brengt hem er tenslotte naar terug.
            Onze beeldschone stotteraarster, op wie jij nog altijd wacht, nietwaar?, heeft er tot haar grote woede kennis van genomen, dat men ons hier, in de kraakheldere gangen van een wereldstad, niet meer hebben wil. Wij hebben geen idee waar ze vandaan komt en sinds wanneer zij in de geheime gewelven huist, maar een ding weten wij precies: met al haar fantastische schoonheid kon ze zeker met rijke mannen leven, maar van die, zegt ze, krijgt ze pleipeipleinvrees. Haar bevallen onze ongeschoren gezichten beter. Beter dan bijvoorbeeld dat van jou, beste kerel. Als er van ons soort lui steeds meer moeten verdwijnen hier, dan asjeblieft ook van jullie soort, vindt zij dan. Gesnopen? De inhoud van je koffer blijft voor ons over, maar jijzelf … Moet ik nog duidelijker worden? Jij wil graag een verdorven avontuur riskeren, waarbij je je lekker gewaagd eens echt smerig maken kunt? Je bent helemaal haar smaak niet, jij wordt hier, ze roept zo meteen, spoorloos uit de weg geruimd. Wat mij betreft mag je grijnzen, dat doen al die lui zoals jij, totdat het zover is.
            Ah, lang zal het niet meer duren, dan komt ze op haar hoge hakken aangezet. Ah, dat getiktak! Dat geraffineerd onbeholpen draaien met de heupen onder een vloeiende jurk, het zachte gezicht waar gloeiende krullen omheen borrelen. Er wordt mee gedweept, dat doen we allemaal, we hopen allemaal. Jij, ouwe makker, laat het beter achterwege. Geeft ze jou het teken, dan moet je haar de achtergelegen weelderige ruimten met kussens in volgen. Daar! Hoor je haar passen?
            Snel nog even dit: ze is, helemaal juist, een moordenares, dat hebben wij tot onze ontsteltenis ingezien, we zijn alleen niet bang. Hebben we geen reden toe. Zij wekt aan haar bloedige handeltje, nog voor het genoegen waar jij op rekent, zal ze zich van jou ontdoen. Hier bestaan voldoende mogelijkheden tot opslag en afvalverwerking, zoals jullie in jullie geordende leventje zeggen, zodra het om afval gaat.
            Wij weten van haar misdaden, trekken er profijt uit en kunnen niet meer terug. Niemand wil dat. Wij zijn vol bewondering voor haar criminele activiteit, ook als we ervan griezelen. Niemand kan zeggen hoe zij dat, met haar slag, zo geruisloos en moeiteloos voor elkaar krijgt. De transparante zachtmoedigheid van haar blik, haar maneschijnhuid en haar geuren naar heidekruid in november, blijven er onaangetast onder. Wie haar ziet en na vele nachten een enkele keer mag aanraken, meent het dons van haar ziel te voelen en wordt daarom heel voorzichtig, voor zover wij dat met onze grove, onnutte handen maar kunnen.
            Daar, ze verschijnt, ze heeft het puntje van de tong tussen de tanden geschoven, ze geeft je het teken. Het is zover. Trek gerust je koffer achter je aan tot in haar heel speciale liefdesnacht. Wat knort hij waakzaam! Hoor je dat? ‘Rrrrrrrr. Wauwauewewau, rrrrrrr, wauwauewewau!’ met dat geval achter je aan maak je een betoverende indruk, dat zweren we je, onweerstaanbaar!
            Ziet ze er niet fabuleus en overweldigend uit? Het opwippende, het warmbloedige leven zelf pelt zich uit zijn voddige achtergrond, treedt tevoorschijn met een laaiende sleep haren. Opvlammend herfstveen, al vergeten? Dit misschien nog als hint voor jou: niemand heeft haar ooit zien eten of drinken. Ach, deze kinderlijke lippenkussens, door kussen gevormd en toch als waren zij er nooit door beroerd. Deze wraakgierige lippenkussens, hoe het daarin van voovoorpret en lullust bonst!
 
 
 
Download deze tekst in pdf hier
 
 
 

 

 

Brigitte Kronauer (1940) heeft sinds 1974 een breed oeuvre aan proza en essayistiek opgebouwd, waarvoor ze meermaals is bekroond. De Büchnerpreis ontving ze in 2005. Van haar romans zijn te noemen: Teufelsbrück (2000) en Gewäsch und Gewimmel (2013). Het hier vertaalde verhaal stamt uit de verhalenbundel Die Tricks der Diva/Die Kleider der Frauen (2010).