Derde laureaat proza van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2019.

  

tall red boy

 

Rebecca Nollet

 

 

 

Het is een warme winternacht waarop ik je in mijn zak vind. Ik zoek naar euro’s en vind pluisjes, een knoop – net uit een cartoon – en een heel klein handje dat zachtjes in mijn pink knijpt. Ik trek je aan je kraag omhoog. Je past net in mijn shotglas. Ik sta in een café: links van mij dansen mensen die ik soms mijn vrienden noem, rechts van mij plakt de toog aan mijn arm. De geur van vuil hout en alcohol maakt me draaierig. Ik zet je op mijn schouder, het glas op de toog. Het valt om, rolt op de grond, breekt in tweeën. De deur valt harder open dan ik had verwacht, en ik struikel. Je moet je vastgrijpen aan mijn haren, slingert heen en weer. Ik lach, jij niet. De nacht is diep, donkerder dan ik had verwacht. Boven ons ontsnapt een handvol sterren aan de lichtvervuiling. Het lijkt me vreemd, misplaatst, en ik voel dat er iets ontbreekt, dat er op een onbestemde plek lege ruimte is ontstaan. De wind strijkt over mijn gezicht, hij voelt wollig, stopt mijn mond en neusgaten vol tot ik niet meer kan ademen. Ik steun met mijn handen op mijn knieën, hoest tot de lucht weer scherp is. Er komt een stofwolk uit mijn mond, denk ik. Je gaat in mijn oorschelp zitten en zegt: ‘Het is oké,’ en ik geloof je. Ik wil gaan zitten.
 
We liggen in het gras, en ik zeg: ‘Als ik mijn adem lang genoeg inhoud, zie ik de big bang. Hij omvat alle kleuren, maar vooral veel paars.’ (Jij lacht.) ‘Hij voelt poederig en ruikt naar ijzer. Soms denk ik dat hij nog bezig is. De big bang lijkt mij iets dat lang zou moeten duren.’ Jij zegt: ‘Wetenschappers proberen op dit moment aan te tonen dat tijd een deeltje is.’ Ik ga rechtop zitten, zet je op mijn handpalm neer, en ik denk dat ik je een klein beetje zie groeien. Je linkerpupil is net iets groter dan je rechter. Je gaat verder: ‘De definitie van partikel is veranderd. Zwaartekracht is ook een deeltje: graviton. Een hypothetisch partikel.’ Ik zeg ‘Oh’, en dan: ‘Hypothetisch?’ Je legt uit: ‘Ja, het bestaat niet in de praktijk maar ze hebben het nodig om zwaartekracht te begrijpen.’ Ik weer: ‘Oh.’ Dan zegt iemand van ons tweeën: ‘Neem me mee naar huis.’ Jij slaapt in een luciferdoos; ik moet mijn sokken aanhouden, want anders bevriezen mijn tenen.
 
Ik word wakker op mijn buik, jij bent over de wervels van mijn rug aan het lopen. Je voelt zwaarder aan dan ik had verwacht: wanneer ik me omdraai, zie ik dat je weer wat groter bent geworden. Ik wil geeuwen maar krijg mijn kaken niet van elkaar. Ik hoor witte ruis, voel hem zich verspreiden onder mijn huid, aan mijn tenen en vingertoppen trekken, de zuurstof uit mijn longen filteren. Je legt je hand tegen mijn wang, wijst naar het raam, en zegt: ‘Kijk, een vogel.’ Ik kijk, mijn ogen half dichtgeknepen, om door de mist te kijken die de kamer vult. Het raam laat een pijnlijk helder licht binnen. Ik zie takken die scherp afsteken tegen het ochtendlicht, met daarin ergens een merel. Hij eet iets, denk ik. De wereld rond de merel is grenzeloos en spierwit, lijkt uit te zetten, en hoe meer ik nadenk over buiten, hoe kleiner de kamer voelt, en de boom, en de merel. Je zegt: ‘Hoor je hem? Luister.’ Ik luister. Na een paar minuten wordt de ruis in mijn oren die van de wind door de bladeren. De merel krijst, schril, en ik besef dat hij een kauw is. Vanaf nu maak ik elke ochtend een beetje meer koffie. Die van jou schenk ik in een vingerhoed. Ik vraag: ‘Begint de dag wanneer de zon opkomt of wanneer je wakker wordt?’ Jij haalt je schouders op. ‘Zolang je in bed ligt, verstrijkt de tijd niet. Of toch niet voor jou.’ Ik knik en probeer de kauw weer te horen, maar hij is weg. Ik hoor dat er meer is dan alleen maar eindeloos wit: er leven mensen buiten. Ze stappen, spreken tegen elkaar, rijden met fietsen en auto’s. Iemand van ons zegt: ‘Laten we opstaan.’
 
Naar buiten gaan is moeilijk vandaag: de zon schijnt harder dan de bedoeling is, zo vroeg in het voorjaar. Je gaat de deur uit met een sprongetje; wanneer je landt, zijn je benen wat langer geworden. Voor ons kruipt een hommel over een grasperkje, op zoek naar bloemen. Hij vindt er. Jij spreekt hem aan: ‘Maar het is winter. Je hoort nog te slapen.’ We kijken toe hoe hij zijn pootjes met pollen vollaadt. Jij zegt: ‘Die kleuren.’ Ik knik en zeg: ‘Dit is schoonheid die je alleen maar kan zien, en niet kan uitspreken.’ De hommel vliegt naar ons toe, over mijn hoofd heen – hij wordt een steeds kleiner stipje en ik denk een geluid te horen, een zachte tik tegen een glas of raam, wanneer hij in het blauw van de lucht verdwijnt. ‘Dat beeld je je in’, antwoord jij, hoewel ik niks heb gezegd.
 
Ik merk op dat de wolken opgeklaard zijn en de maan zichtbaar is, een witte schijf in de lichtblauwe lucht. Ik vraag: ‘Als de maan hier overdag te zien is, is het dan aan de andere kant van de wereld nacht met alleen maar sterren?’ Jij zegt: ‘Hier is het ook soms nacht met alleen maar sterren.’ We kijken allebei omhoog, maar niet meer naar de maan – eerder naar hoe blauw de lucht is, of naar niks in het bijzonder. Ik sta zo stil mogelijk en probeer te voelen of er een briesje is. Ik denk het wel. Dan vraag jij: ‘Weet je wat een ideaal gas is?’ (Ik zwijg.) ‘Een ideaal gas neemt een verwaarloosbare ruimte in. De moleculen botsen tegen elkaar, maar omdat ze geen ruimte innemen, verliezen ze geen energie, waardoor hun beweging elastisch is. Elastisch betekent dat ze altijd dezelfde weg afleggen, heen en weer – niet zoals een pendel, die elke keer een beetje minder ver zwiert.’ Je fronst, kijkt naar de maan. ‘Een ideaal gas is hypothetisch: net als het deeltje van zwaartekracht bestaat het eigenlijk niet, maar het is nodig om de echte wereld te begrijpen.’ Ik begrijp je, knik, en vraag mij af of de big bang elastisch is.
 
‘Ik heb gedroomd. Het was een droom die ik als kind elke nacht had, maar het was al jaren geleden. Ik was vergeten dat hij bestond, maar tegelijk voelde het zo natuurlijk om die droom weer te hebben.’ Je kijkt me vragend aan, alsof je verrast bent om me te horen spreken. ‘Ik droomde als kind elke nacht dat ik net iets trager liep dan mijn vader. We liepen in een mensenmassa, en hij liet mijn hand los. Hij liep voor mij, en ik kon hem niet inhalen. En ik kon nooit roepen; het lukte mij niet om geluid te maken, alsof ik geen stem had. Ik keek elke nacht hoe hij wegwandelde, zonder zich bewust te zijn van mij. Ik stond in die droom niet aan de grond genageld of zo, ik kon lopen, maar nooit snel genoeg. Hoe sneller ik liep, hoe verder hij was.’ Je vraagt: ‘Ben je hem ooit in het echt kwijtgeraakt?’ Ik antwoord: ‘Nee.’
 
Ik heb extra zakken in al mijn kleren genaaid, maar je bent ze ontgroeid. Je wandelt nu met mij mee in mijn schaduw, die lang is door de lage winterzon. Op het asfalt klinken jouw voetstappen als een echo van de mijne: ik luister naar de holle klank, probeer mij in te beelden dat onze benen die van een paard zijn, maar dat lukt niet goed. Ik verschuif mijn concentratie naar andere geluiden. Ik hoor hoe de velden naast de weg dor zijn: hun droogheid piept, kraakt. Het lijkt alsof de bleke modder kreunt, zoals een dode boom dat zou doen. Jij zegt: ‘Je beeldt je dat in.’ Het stof dat overwaait, doet mijn schoenen beige uitslaan. Het valt mij op dat beige kleurlozer is dan wit of zwart of grijs. Het stappen duurt uren, of misschien niet. We hebben ondertussen onze horloges uitgedaan. De weg voor ons is zo lang dat hij over de horizon verdwijnt – ik word heel even zenuwachtig, maar besef dan dat we bergop aan het stappen zijn. De horizon is niet zo ver weg, denk ik.
 
Wanneer we de stad bereiken, kom je tot aan mijn schouder. Eerst is er niemand die naar ons omkijkt, en dan is er helemaal niemand meer. De voorbije uren zweven in een wolk om ons heen: je moet ervan niezen. Elke keer dat je niest, schiet je een centimeter de lucht in, groter, groter. De straten staan vol met geparkeerde auto’s, maar ik zie er geen rijden. Jij zegt: ‘De mensen moeten nergens meer heen.’ Ik vraag: ‘Moeten wij ergens heen?’ Jij zegt niks. We wandelen verder en verder, de avond in, en dan de nacht. Elke keer dat ik een stap zet, zie ik de straat een klein beetje rekken, langer en smaller worden. Ik kijk omhoog naar de sterren en zie geen maan. Hoe hoger ik kijk, hoe meer ik mezelf platgedrukt voel worden, tot ik wil inademen en mijn luchtpijp vacuüm zuig. Ik denk dat de sterren naar beneden zakken maar dan klapt de grond tegen mijn rug, en ik blijf liggen, staar naar de maanloze lucht. Jij torent boven me uit, groot, goedaardig – je armen wikkelen zich om mij heen, rapen mij op. Ik ontspan, vind mijn ademritme terug. Het is gloeiend heet, maar dat stoort ons niet. ‘Ik wil je iets tonen’, zeg je. Je buigt je naar me toe.
 
Je fluistert: ‘Niemand had voorspeld dat de wereld zo mooi zou eindigen. Het universum is klaar met uitdijen.’ Je leert me om de tijd terug te draaien. Dat doe je als volgt: 

1. Je komt tegenover mij staan, dicht genoeg om warm te zijn, en zegt niks.

2. Je zegt iets. Het geluid van je stem geeft mij het gevoel dat ik een vacht heb die rechtop kan staan.

3. Je beweegt niet, maar komt wel steeds dichterbij.

4. Je lippen raken die van mij net wel, en/of net niet. Onze monden zijn open. In onze adem beweegt de kosmos heen en weer, elastisch.

5. Ik voel hoe alle deeltjes van mij dezelfde zijn als alle deeltjes van jou. Tijd is een deeltje. Licht is een deeltje. Ik zeg, zonder geluid, zonder woorden: Deeltjes zijn zo klein dat ze verwaarloosbaar zijn. Hoe kunnen wij dan een som ervan zijn? Hoe bestaan we? Jij antwoordt, in stilte: Alles is verwaarloosbaar. 

Het is een hete winternacht waarop je mij vindt in je armen. Ik zoek naar geruststelling, aandacht, en vind een hand op mijn schouder. Wij, in een café: links van ons is er niemand op ons aan het letten, rechts van ons is de barman glazen aan het wassen. De gekleurde spots maken me draaierig; je neemt mijn elleboog vast, helpt me naar buiten. Ik heb te veel gedronken: ik kokhals, spuug een paar keer een mondvol gal uit in de bosjes. Je houdt mijn haren vast. Iemand achter ons lacht, jij niet. Ik steun met mijn handen op mijn knieën tot de draaierigheid weggeëbd is. Wanneer ik weer rechtop sta, kan ik je bezorgde blik duidelijk zien. Je vraagt: ‘Wil je gaan zitten?’ Ik knik. Je komt dicht bij me staan en zegt: ‘Het is oké’, en ik geloof je. De volle maan doet je jukbeenderen oplichten.