Het huis van de hond - Anke Verschueren

Anke Verschueren was een van de laureaten van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs (proza 2e plaats). Als trouwe partner van deze wedstrijd prijkte zij reeds op de website van DW B met haar tekst 'Wat ik nodig heb om te kunnen schrijven'.

 

 

 

 

Het huis van de hond
 
Anke Verschueren
 
De ramen van het huis moeten dicht blijven om het stuifmeel en de warmte buiten te houden. Anders hoor ik hem de hele dag niezen. Boven houdt hij ook de luiken gesloten. April is heet dit jaar. Vanaf het middaguur tot ze ondergaat, staat de zon op de voorgevel van het huis. Hierbinnen is het koel.
          Vanuit de keuken zie ik mijn kleine Rosa door het dorre gras lopen. In haar beige jurk, op haar blote voeten. Met haar handje volgt ze de tuinmuur. Zonder loslaten, alsof ze de uitgang van een doolhof zoekt. Bij het kolenhok wisselt ze van hand en maakt ze rechtsomkeer. Haar lippen bewegen. Ze praat in zichzelf. Tegen zichzelf. Af en toe blijft ze staan. Ze perst haar lippen op elkaar en kijkt recht voor zich uit. Als een dier dat opschrikt omdat het plots iets hoort. Nog één keer heen en weer en dan roep ik dat ze moet binnenkomen om zijn penselen uit te spoelen.     
          Een hoge fluittoon. Dit moet het enige zijn wat hij jarenlang heeft gehoord. Zijn hoofd een fluitketel. Een stoomwolk hult het keukenraam, de tuin en Rosa in een waas. Ik was alweer vergeten dat ik water op het fornuis had gezet. Met een theedoek til ik de ketel op. Voorzichtig. In het jaar voor Rosa werd geboren, kreeg ik een grote geut kokend water over mijn linkerhand. Mijn huid is er nog steeds dun en gerimpeld. De topjes van mijn ring- en middelvinger zijn gevoelloos. Ik breek het fluiten af en giet het hete water in het ijzeren teiltje dat in het midden van de keuken klaarstaat.
          In de kamer boven mij hoor ik hem zijn krukje verschuiven. Hij heeft zelf geen idee van het vreselijk schrapende geluid dat hij zo veroorzaakt. Hij is op de muren aan het schilderen. Ik steek een vinger in het water. Trek hem onmiddellijk terug. Veel te heet. In de hoek staat een emmer koud water, uit de put bij de rivier. Eigenlijk om hem te wassen vanavond, het is donderdag. De penselen worden snel hard en moeten dringend worden uitgespoeld. Ik giet wat water uit de emmer in het teiltje en meng heet en koud tot warm.             
 
Ik tik met mijn wijsvinger op het keukenraam om Rosa’s aandacht te trekken. Ze is klein, klein voor haar leeftijd ook. Ze ligt op haar zij in het gras. Haar dunne armen en benen tegen haar lichaam geklemd. Haar kin tegen haar borstkas. Zo moet ze ooit, nog veel kleiner, in mijn buik hebben gelegen. Ze begint te rollen. Ik tik nog eens op het raam, deze keer met mijn knokkels. Geen reactie. Soms denk ik dat ze zich, naast zijn liefde voor penselen, ook zijn doofheid toe-eigent. Ze lijkt op een hooibaal, die om en om en om rolt. Ik tik een derde keer en ze valt stil. Ze gaat op handen en knieën zitten en kruipt zonder op te kijken in de richting van de achterdeur. Waarschijnlijk te misselijk om recht te staan.           
          Rosa’s vuile blote voeten verschijnen onder de klapdeur tussen de hal en de keuken. Ze draait zich om en duwt de deur traag open met haar rug. Dat ziet ze mij zo vaak doen, wanneer ik mijn handen vol heb. ‘Mama’, zegt ze, terwijl ze met een grote stap de keuken binnenkomt, om te vermijden dat de deur tegen haar achterwerk klapt. ‘Mama’, zegt ze nog eens en bij het herhalen van dat woord kijkt ze met grote ogen naar het plafond. Hij schraapt opnieuw over de vloer met zijn krukje. Ik zeg dat de penselen in het achterkamertje op tafel liggen. Ze zegt alleen ‘ja’ en loopt onmiddellijk weg om ze te halen.            
          De emmer waarmee ik het teiltje heb aangevuld is bijna leeg. Maar het is donderdag. Hij moet vanavond gewassen worden, dus ik moet naar de waterput bij de rivier. Ik wil gaan voor de zon haar hoogste punt bereikt. Ze benauwt me. Hierbinnen adem ik. Ik giet het overtollige water uit de emmer in een stenen kookpot, alvast voor de fabada vanavond. Die hoort ook bij donderdag. Ik neem een van de drie gedroogde chorizoworsten die aan de haken boven het fornuis hangen. Opnieuw zie ik mijn dochters voetjes onder de klapdeur tevoorschijn komen. Deze keer heeft ze een goede reden om ze voorzichtig met haar rug open te duwen. Ze houdt de onderkant van haar jurkje vast tussen duimen en wijsvingers. Een buidel voor de penselen. Ik ben blij dat ze zich nog niet voor mij verstopt. Dat ze zich niet schaamt voor haar vuilwitte onderbroekje en de zwarte donshaartjes op haar bovenbenen. Boven het teiltje laat ze haar jurk los. De penselen plonsen als een blok in het water, dat een beetje over de rand gutst. Ik laat het zo, straks ligt toch de hele keukenvloer vol druppels. 
          Rosa gaat achter het teiltje op haar knieën zitten en buigt voorover. Ze duikt een dik penseel op en begint met haar duim de olieverf uit de haartjes te masseren. De resten van zijn verbeelding drijven als gekleurde kikkervisjes in het warme water. Met haar ene hand probeert ze de korte haarlokken die voor haar gezicht vallen aan weerszijden achter haar oren te dwingen. Dat zwarte haar van haar is even weerbarstig als dat van de borstels die ze schoonmaakt. Ik leg de chorizoworst op de snijplank en meet tussen mijn duim en wijsvinger af hoeveel ik nodig heb. Ik hou mijn mes op de worst. Verschuif het nog een paar centimeter voor ik kracht zet en snijd. Hij heeft graag veel chorizo in de fabada. In de weerspiegeling van het keukenraam zie ik hoe Rosa het penseel dat ze net heeft uitgespoeld niet op de handdoek naast het teiltje legt. Als een kauwbot steekt ze het tussen haar tanden. Ik draai me om en zie hoe haar kaken klemmen. Ze bijt erop. Als ze merkt dat ik naar haar kijk, laat ze het uit haar mond in het water vallen. Ze neemt het opnieuw, drukt de borstel in haar handpalm en draait ermee zoals ik het hem heb zien doen en haar heb geleerd. Het is de beste manier om de verf eruit te krijgen.          
          Ik snijd de chorizo in schijfjes en hang de rest van de worst weer aan de haak. Mijn handen stinken. Ik steek ze even bij de verfresten in het teiltje en droog ze af aan mijn rok. Rosa kijkt niet eens op van het penseel dat ze droogwrijft.       
          Ik moet nu eerst water gaan halen voor zijn wasbeurt vanavond. Het wordt alleen maar warmer buiten. Ik haal Rosa niet uit haar concentratie en ga naar de hal. De deur klapt tegen mijn schouderblad. Volgens mij is de vorige blauwe plek daar nog niet eens verdwenen. Ik loop de trap op, naar de kamer waar Rosa en ik slapen, om talkpoeder te strooien aan de binnenkant van mijn dijen. Als ik dat niet doe, zorgen zweet en wrijving ervoor dat ze al beginnen te branden nog voor ik bij de waterput aankom. En dan moet ik nog terug.                                                                                 
          De deur van de kamer waar hij een muur beschildert, staat op een kier. Ik kijk binnen. Hij staat in profiel, met zijn kromme neus slechts een paar centimeter van zijn werkoppervlak verwijderd. Langzaam, alsof het de enige beweging is die hij vandaag moet uitvoeren, brengt hij het bruin van zijn palet over naar de wand. Hij spant zijn nekspieren. Zijn hele hoofd trilt ervan. Zelfs de dunne haartjes, die als een zilveren donsje in zijn nek hangen, trillen mee. 
          Straks ben ik het, die zijn haren wast. Mijn vingertoppen zullen zijn hoofdhuid masseren. Zijn gedachten kneden als het deeg van het brood dat ik iedere dinsdag en vrijdag moet bakken. Ik ben het, die lucht brengt in zijn hoofd. Die hem zwaarder doet ademen. Met zijn hoofd in zijn nek, zijn mond een stukje open, zijn ogen dichtgeknepen. Ik voel hoe mijn kruis begint te gloeien. Ik moet hier weg.                   
 
Het strooiblik met talkpoeder staat op de onderste plank van onze kleerkast. Ik pak het en ga achteraan op mijn bed zitten. Mijn tepels zijn hard. Ze schuren tegen de binnenkant van mijn korset. Ik zet de bus talkpoeder op de grond, trek mijn rok omhoog en prop de stof samen onder mijn blouse. Met mijn vingers volg ik de groeven aan de binnenkant van mijn dijen. Striemen, in mijn huid gegraveerd. Ik leg mijn hand op mijn onderbroek. Ik maak cirkeltjes met mijn wijs- en middelvinger. Masseer mezelf. Met mijn andere hand kneed ik mijn borsten. Mijn vingers glijden soepeler en soepeler over mijn onderbroek. Ik knijp mijn ogen dicht. Schuif de natte stof opzij en wissel van hand. Mijn gerimpelde, gevoelloze vingertoppen voelen als nieuw. Als anders. Als van hem. Ik druk ze diep in mijn hete vlees. Voel hoe mijn hele lichaam zich opspant. Begint te trillen. Zoals het zijne bij iedere penseelstreek. Ik wil dat hij mij beschildert, dat ik het ben die hij streelt met zijn penseel.                           
          ‘Mama!’ Rosa. Ik verstar. Laat alle spanning los. Ik trek mijn vingers terug. Zucht, buiten adem. Ik hoor haar voetjes niet op de trap. Ik open mijn ogen. Langzaam. Mijn vingers ruiken zuur. Chorizo en geilheid. Ik walg. Van de geur. Van de manier waarop ik mijn hart voel bonzen tussen mijn benen. Van mijn natte onderbroek. Van hem en zijn smerige penselen. ‘Mama!’ Rosa.             
          ‘Ja, meisje, ik kom eraan’, roep ik. Ik veeg mijn vingers af aan mijn rok. De bus met talkpoeder is omgevallen. Ik schraap het witte poeder bij elkaar in mijn hand en wrijf het tussen mijn benen. Droogte. Afkoeling. Ik zet het strooiblik weer op z’n plek en loop de kamer uit.    
          Rosa zit aan de voet van de trap naar boven te kijken, op haar knieën, met haar rug tegen de muur. Haar tong steekt uit haar mond, haar buikje gaat snel op en neer. Ze hijgt en kijkt schokkerig in het rond. Als ik halverwege de trap ben, ziet ze me en staat ze op. Ik zeg dat ik water moet halen. ‘Mag ik in bad straks?’, vraagt ze. ‘Het is donderdag meisje, niet zaterdag.’ Ze wijst naar haar vuile knieën. Stukjes opgedroogde verf onder haar vingernagels, zand tussen haar tenen. Ik vraag of ze klaar is met zijn penselen. Ze geeft geen antwoord, vraagt: ‘Mag ik dan mee naar de put?’ Ze weet dat hij niet alleen in het huis wil zijn. Dat hij onze aanwezigheid voelt. Ik geef geen antwoord, duw de deur naar de keuken een stukje open en pak de emmer.    
          Weer in de traphal kijk ik naar haar. Ze steekt het topje van haar wijsvinger in haar mond, zet het op de muur en tekent cirkeltjes. Haar gezicht vlak voor haar ingebeeld werkoppervlak. Ik neem haar bij de hand en duw de voordeur open. Het huis uit, het veld in.
 
De witte muren van het huis stoten de zon af, waardoor de omgeving nog warmer lijkt. Rosa heeft mijn hand losgelaten. Ze rent de helling af. Ik roep dat ze moet wachten, maar ze luistert niet. Heeft me waarschijnlijk niet eens gehoord. In de verte wordt ze nog kleiner dan ze is. Ik zie haar vertragen als ze bijna bij de put is. Haar kruin komt net boven het muurtje uit dat ernaast staat. Nu rent ze rond de put, alsof ze zichzelf wil tikken. Kind van mij. Klein leven van mij.  
 
Ik heb het talkpoeder niet goed uitgestrooid. Mijn bovenbenen schuren tegen elkaar. Ik voel hoe mijn ruggengraat een geul vormt voor mijn zweet. Ik beeld me in hoe mijn poriën overlopen, hoe de druppels een spoor achterlaten, als slakkenslijm. Goor glinsterend in het zonlicht.         
          Zelfs nog zonder water erin is de emmer een last. Het houten handvat schuift almaar uit mijn hand. Een troepje vliegen komt rond mijn hoofd zwermen. Het is te heet om ze weg te slaan. Om er eentje te vangen en te pletten tussen mijn vingers. Ik rol de emmer voor me uit, de helling af. Het handvat klettert tegen de metalen rand. Straks ben ik weer in het huis. In de schaduw. Ver weg van al wat zoemt, zwermt en zweet.
          De emmer is tegen de put gerold. Ik raap hem op en hang hem aan de haak van de katrol. De vliegen hebben het opgegeven. Rosa ook. Ze komt naast me staan. Legt haar arm om mijn heupen en haar hoofdje tegen mijn zij. Haar hand komt maar net tot halverwege mijn achterwerk. Ik maak het touw los en laat de emmer in de put zakken. Rosa wil helpen om hem weer op te hijsen. Ze gaat achter me staan en trekt mee aan het koord. Het snijdt in mijn vingers. Zij lijkt daar geen last van te hebben.
          Als de emmer boven is, hef ik hem met twee handen van de haak en zet hem naast de put neer. Ik knoop het touw weer vast aan het houten uitsteeksel op het muurtje. Rosa is in het gras gaan zitten en kijkt naar de rivier. Ik kijk naar haar. De zon weerkaatst in het heldere water en creëert een heel fel licht, dat recht in haar ogen schijnt. Ze knijpt ze tot spleetjes. Haar neusje opgetrokken, waardoor er tussen haar ogen een rups komt te liggen.
          ‘Mag ik zwemmen, mama?’ Rosa draait haar hoofd en kijkt nu ook naar mij. ‘Nee meisje, we hebben nog veel werk’, zeg ik, maar ze staat al met haar jurk omhoog, over haar hoofd. Ze buigt voorover, doet het jurkje uit en laat het ter plekke in het gras vallen. Haar onderbroek houdt ze aan. 
          Ik trek de mouw van mijn blouse over mijn linkerhand. Mijn verschrompelde, verbrande huid kan de zon het minst goed verdragen. Ze gaat ervan jeuken. Ik mag er niet aan krabben, dan wordt het erger. ‘Ga zitten, mama’, zegt Rosa. De hitte zuigt zelfs de energie uit mijn lijf om tegen mijn eigen kind in te gaan. Ik zak door mijn knieën en ga zitten, met mijn rug tegen het muurtje. Mijn bovenlichaam net in de schaduw. Mijn rok bedekt mijn benen. Mijn dijen kleven aan elkaar. 
          Van hieruit lijkt het alsof ik het huis met twee vingers kan vastpakken. Het kan verplaatsen. Met hem erin. Ik kan het omdraaien. Opgooien. Platknijpen. Zoals ik vroeger met de meikevers deed. Iedere zomer zat er een kolonie in onze eik. In de tuin waarin ik ben opgegroeid. Primo Nando verzamelde ze. Hij ving ze en zette ze samen in een houten bakje dat hij zelf had gemaakt. Hij behandelde hen met liefde en fierheid, alsof hij hen ook zelf had geknutseld. Als hij niet keek, stal ik er een en plette hem tussen duim en wijsvinger. Ik deed het voor het kraken. Ik hield ervan dat alleen ik wist dat het was gebeurd. Nando merkte het nooit. 
          Rosa drijft op haar rug in de rivier, alleen haar hoofdje boven water. Met haar handen ondersteunt ze haar nek. Ze peddelt af en toe met haar benen, om zichzelf voort te stuwen. Er zit amper stroming op het ondiepe water. Ze is er duidelijk dol op. Altijd even blij als ze gewassen wordt, mijn kind. Zolang haar haren niet nat worden. Als dat gebeurt, begint ze met haar hoofd te schudden en vliegen de druppels in het rond. Dan zet ik haar op mijn schoot en wrijf met een doek over haar hoofdje, tot ze droog en bedaard is. Alleen op zaterdag is daar tijd voor in het huis. 
          Ik doe mijn schoenen uit. Mijn voeten zijn gezwollen door de warmte, mijn blauwige aders liggen op mijn huid. Het gras kietelt aan mijn hielen. Tussen mijn tenen schieten dunne sprietjes op. Ik pluk er een paar en strooi ze over mijn voeten. Ondanks de droge hitte is de grond hier vochtig. Ik trek mijn rok omhoog tot halverwege mijn dijen. Mijn benen bloot. De combinatie van de zon en de koele grond doet vreemd genoeg deugd. Ik merk nu pas hoe moe mijn benen aanvoelen. Ik schud ze los. De spanning trekt weg. Ik voel het gebeuren. Zoals je warme thee door je keel en slokdarm voelt stromen, bij de eerste slok. Het is ook nu pas, dat ik hoor hoe stil het meestal in het huis is. Hier knispert het kabbelen van de rivier aangenaam in mijn oren. Ik ga op mijn rug in het gras liggen. Mijn handen onder mijn hoofd, mijn hele lichaam in de zon.
 
‘Leocadia meisje, het is tijd om te gaan!’ Het is de stem van mijn moeder. Ik zit op mijn hurken onder de eikenboom in de tuin. Met een takje te tekenen in de droge aarde. We gaan lindebloesems plukken in de boomgaard bij Tío Javi, Nando’s vader. In juni staan ze in bloei. We plukken genoeg om het hele jaar lindethee te kunnen drinken. Mijn tekening is nog niet af. Ik wil niet mee. ‘Leocadia, nu!’, roept mijn moeder. Ik doe alsof ik haar niet hoor. Ze komt met grote passen de tuin in gelopen, de plukmand onder haar arm geklemd. Ik zie haar vieze, gekartelde teennagels onder mij verschijnen. Met haar versleten sandalen staat ze in mijn tekening. ‘Nu.’ Ik blijf zitten. Ze buigt voorover. Ik voel hoe ze mijn oorschelp tussen haar duim en haar wijsvinger knelt. Ik spring recht en klop het bruine zand van mijn jurk. Ze laat los. Mijn oor gloeit. 
          Mijn knieën jeuken. Ik wil rechtkomen, maar mijn hoofd weegt zwaar. Ik moet in slaap gevallen zijn.    
          Ik trek mijn knieën naar me toe en kijk ernaar. Ze gloeien. Ik begin te krabben, mijn scherpe nagels snijden in de verbrande huid. Ik ga in één ruk rechtzitten. Ook mijn onderbenen en voetwreven staan vol rode vlekken. Ik leun naar achter, trek mijn rok onder mijn lichaam uit, leg hem weer over mijn benen. Nu voel ik ook mijn linkerhand. Mijn verschroeide vel is purperrood, met bijna zwarte randen. In het midden onder mijn knokkels liggen twee gelige, ovaalvormige blaren, vlak naast elkaar. Mijn huid staat zo gespannen dat het lijkt alsof ze is gekrompen. Voorzichtig voel ik met een vinger aan de blaren. Ik moet ze openprikken. Hoe lang heb ik hier gelegen?
          Naast me ligt Rosa’s jurk als een molshoopje in het gras. Rosa. De rivier. Ik zie haar niet meer in het water. Ik roep. Rosa. Misschien zit ze achter de put. In de schaduw. Ik loop erheen, struikel, kan me nog net rechthouden aan de waterput. Ik ren errond. Drie keer. Geen Rosa. In de put. Dat kan niet. Ik roep haar naam in de put. Rosa.
          Naar de rivier. Ik knijp mijn ogen samen. Kijk zo ver mogelijk stroomafwaarts. Blijf schreeuwen. Rosa. Ik ga het koude water in. Het klotst tegen de brandwonden. Ik ren met de stroming mee. Schuif uit over de gladde stenen. Val achterover. Mijn kind. Waar is mijn kind. Ik sta recht. Val opnieuw. Ik ga op mijn knieën zitten. Ze bonzen. Ik kruip over de stenen. Woel wild door het water. Rosa. Ik krijg een geut water naar binnen. Ik kan niet zwemmen. Ik moet hem halen. Hij moet haar zoeken.            
          Geen Rosa. Hij zal het meteen merken. Hij zal in de keuken zitten wachten. Het beest in zijn ogen, klaarwakker. Omdat ik hem achterliet. En nu heeft zij ons beiden verlaten. Dat weegt niet op. Hij moet haar vinden.                    
          Ik waad naar de oever. Grijp het gras vast, trek plukken uit terwijl ik het veld op klim. De helling. Nergens een klein bewegend stipje. Ik ren. Ik brul. Rosa. Rosa. Rosa. Mijn keel brandt. Mijn dijen schuren tegen elkaar. Mijn natte rok weegt een ons. Ik trap erop. Spring erop. Huil. Krijs. Stamp. Schop tot de rok uit is. Laat hem liggen waar hij neervalt. Ik ren verder in mijn doorweekte onderbroek. Mijn zwarte bos nat schaamhaar voor iedereen zichtbaar. Voor niemand. Nergens een klein bewegend stipje.       
 
De voordeur is nooit op slot. Ik trek ze open, ga de gang in. Ik grijp de trapleuning vast. Bij elke stap op elke trede spant mijn vel zich strakker om mijn knieën en onderbenen. Mijn hoofd bonst. Mijn geblakerde hand gloeit en jeukt en ik wou dat ik mijn vel er kon afschrapen.        
          Zijn deur staat nog steeds op een kier. Ik moet even stilstaan. Ademen. Kijken. Waar hij zat te schilderen, staat nu een bruine hondenkop op de muur. In zijaanzicht. Hij is klein ten opzichte van de rest van het schilderij. Zijn snuit steekt in de lucht, maar niet omdat hij snuffelt. Waar het lijf van de hond zou moeten zijn, is alles donkerbruin geschilderd. De kleur van natte aarde. Boven de kop is alles beige. De hond verdrinkt. In drijfzand. Hoe meer moeite hij doet om zichzelf vrij te worstelen, hoe dieper hij wegzakt. Hij heeft het opgegeven. Verroert zich niet meer.
          Ik duw de deur een stukje open. Ze zijn hier. Allebei. Mijn hoofdhuid begint te tintelen. Alsof ik kippenvel krijg en al mijn haar rechtop wil gaan staan. Hij zit voorovergebogen op zijn krukje. De zilveren haartjes in zijn nek plakken tegen zijn huid. Nat van het zweet. De hele ruimte stinkt. Rosa staat voor hem. In haar onderbroek en met haar armen gespreid. Haar gezicht, haar hals, haar armen, haar buik. Bruin. Hij is net aan haar benen begonnen. Strijkt nauwkeurig met het penseel langs de randen van haar vuilwitte onderbroekje. Hij kleurt haar in.            
          Mijn hoofdhuid jeukt. Ik moet krabben. Met twee handen tegelijk, als klauwen. Ik kan niets anders dan staren. Naar zijn zelfportret. Ik wil haar roepen. Rosa. Maar ze zullen niet omkijken. Hij niet, omdat hij me niet kan horen. Zij niet, omdat ze alleen hem nog ziet.
 
 
 
 
Download deze tekst in pdf hier