Tweede laureaat proza van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2019.

 

Poeder

 

Ana van Liedekerke

 

 

 

Ten slotte strijk ik de haarlokken achter zijn oren glad. Hij is af. Zijn gekrulde tenen heb ik in zijn schoenen geschoven en met mijn duimen heb ik zijn mondhoeken tot een glimlach geboetseerd. Ik heb de knopen van zijn hemd gesloten, zijn das geknoopt, zijn kraag gesteven. Om zijn pols zit het horloge dat hij als geschenk voor zijn Heilig Vormsel heeft ontvangen – in het geloof dat hem een lang volwassen leven was beschoren. Uiteindelijk komt het neer op schoonheid. Als mensen hun dierbaren bezoeken, willen ze niet de snede zien van het mes of de uitstulpingen van de wonden. Mijn taak is het gaaf maken van wat zijn gaafheid heeft verloren.
 
Als ze de kamer binnentreden en ik hun gezicht zie uitdrukken dat ‘het lijkt alsof de dode slaapt’, dan glimlach ik op mijn beurt én bedenk dat de kloof tussen leven en dood met een poederlaag is te dichten. Want het koele wit van mijn dodengelaten is niets anders dan een laag witte wolken, uitgesmeerd over de gestolde blauwe aders aan de oppervlakte. Ik zwijg als men verwonderd stamelt dat doden en slapenden dus toch gelijk zijn; in de ontkenning van het werk vind ik de bevestiging van de kunst.
 
Als ze worden binnengerold in het Atelier, de kleine cel naast de koelzalen, inspecteer ik eerst de eigenschappen. Lengte, relatieve gaafheid en aanwezigheid van wonden – zodus: inschatting van de retoucheertijd –, schoonheid, proporties, ouderdom. Dan spoel ik hun huid schoon, neem de melk van het schap en wrijf in cirkels de plooien glad. Ik vul de kan met water en was hun haren. In de eerste dagen onthield ik hun namen, maar met de jaren zijn de mensen veranderd in onbeschreven poppen en hun huid in lappendekens die ik aan elkaar weef. De opdracht van de familie gehoorzaam ik zelden. Als ze schrijven dat men zuinig dient te zijn met schmink, dan breng ik een extra laag poeder aan. Het is precies de laag die de dode verder brengt van zichzelf en hem dichter brengt bij de persoon die hij was.
 
Toen men de tafel vanmorgen de kamer binnenrolde, voelde ik een vreemd soort medeleven opwellen, alsof het lichaam dat daar op het metaal lag nog een centrum van menselijke verhoudingen kon zijn. Het was mooi. Verkeersongeval. Niet het garnaaluiterlijk van de verrimpelde ouden. De jongen was met zijn hoofd tegen de straatstenen geslagen. Hij had enkele dagen in de koelkamer gelegen om te ontzwellen. Zijn ogen waren nog steeds paars, maar kleuren zijn altijd te trukeren. Uitstulpingen, gebroken botten en open wonden vergen vergevorderde technieken, maar zijn zelden aanknopingspunt voor virtuositeit. De beslissende factor is het gezicht zoals het er in de levende dagen heeft uitgezien. Schmink kan geen schoonheid maken, enkel accentueren. Op mijn tafel kunnen ze niets meer verbergen. Ik verberg hun oneffenheden, maar voor mij ligt alles open.
 
Gelukkig heeft de jongen zijn gezicht mee. Ik heb ze nooit als levenden gekend, mijn doden, en dat geeft me het recht om als objecten over hen te spreken. Precies de goede leeftijd. Zijn groeispurt nog niet ingezet, nog geen slungelige ledematen die het geheel ontsieren, en toch al oud genoeg om van bolle wangen verlost te zijn. Als men mij vraagt of ik ze als objecten of subjecten beschouw, dan zeg ik: ik beschouw ze niet, ik bepoeder ze. Maar dan brengt men tegen mij in dat juist dat de definitie is van een benadering als object. Misschien is het niet meer dan dat, toch heeft de repliek steeds gewrongen. Mogelijk slechts omdat het steek houdt en mijn kunst afdoet als techniek. Niet omdat ik de ‘waardigheid’ van de mens achter het dodengelaat wil erkennen, want dat vind ik even onnozel als wanneer een dokter zou beweren dat hij een patiënt voor meer aanziet dan zijn griep. Het is niet meer, en toch is de verhouding niet onverschillig. Ze zijn mijn doek, en ze zijn nooit dezelfde. Als ik mijn vingers over de plooien van het gezicht laat glijden, zijn er punten waarop ik denk aan vorige doden: flitsen van ter aarde gelaten gezichten trekken aan mijn geheugen voorbij. Maar er zijn ook punten waarop de lijnen afwijken zodat ik weet dat wat toen als juiste bewerking had gegolden, voor dit lichaam niet langer werkt. Als ze daarvoor objecten waren, krijgen ze op dat punt een adem. Elke kaaklijn heeft een eigen curve, en vereist een andere bepoedering.
 
Natuurlijk krijg ik vooral te maken met oude mensen. Men kan dat een geluk noemen; gezegend de vooruitgang van de wetenschappen die ervoor zorgt dat mijn gemiddelde model de leeftijd van het pensioen ver overschrijdt. Misschien ben ik de enige die oprecht inwendig juicht als een leven te vroeg wordt afgebroken. Al heb ik nooit precies begrepen wat dat betekent: te vroeg. Het gave gelaat van een jonge vrouw heeft mij steeds het werkelijke gezicht van de dood toegeschenen. Het is wat mij een relatieve befaamdheid heeft verleend: de onbenaderbare harmonie van mijn dode goden, de gelukkigen in een categorie die reikt van de allerkleinsten tot jonge dertigers.
 
Deze adonis behoort tot die goede bepoederden. Het is alsof ze in hun dood met zichzelf samenvallen. Ik geloof niet in God, maar als ik in God had geloofd, had ik geloofd dat hij hem tot zich had willen nemen in een vorm die de eeuwigheid toekwam. Denkt u zich in, u zegt dat u een lang en weldadig leven wil, maar in de hemel loopt u de volgende oneindig paar jaren rond met een kalende plek op uw schedel. Wat hebben daartegenover die paar tranendallen waarin uw gezinsleden bij uw afwezigheid dralen voor betekenis? Want Johannes zegt: ‘De tijd komt en is nu, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en dat die haar horen, zullen leven.’ Zij zullen opstaan in hun dode gedaante; als ik één zaak heb begrepen over het hiernamaals, dan is het dat de christelijke hemel een paradijs is van zombies. Ik heb weleens een grap met mijn doden uitgehaald en in hun oor spreuken gefluisterd als was ik Christus. Maar tot nu toe heb ik niemand kunnen foppen: ze houden hun ogen stijf gesloten. Ze wachten koppig op klaroengeschal (en een snelle zoektocht leert dat men voor een goede klaroen toch snel een aardig bedrag dient neer te tellen).
 
De kist staat klaar in de hoek van de kamer. Het kussen is opgeschud, de lakens zijn naar buiten geplooid, we tillen de jongen op en laten hem zakken op het bed dat met hem tot stof zal vergaan. Mijn compagnon kijkt me aan met een mengeling van bewondering en beklemming. In de ochtend heeft hij de vreugde in mijn ogen gelezen om het sterven van deze jongen. Nu leest hij mijn vaardigheid op het dode gezicht. Zou hij weten dat de guillotine werd ontworpen door een klavecimbelbouwer?
 
Ik kijk naar de klok. Het is bijna middag. Ik verheug me al op de familieleden die straks zullen binnensijpelen en in de aanblik van mijn witte god beseffen dat deze jongen met zijn veertien jaren hen in het geheim van zijn perfecte dood in eer ver voorbijsteekt. Ik zou het kunnen verzwijgen, maar ik verkies te zeggen: ik ben geen goed man. En toch heb ik enkel goeds gedaan. Ik ben de meester in de constitutie van de kijkervaring. Mensen zijn mij dankbaar om de waardigheid terug te schenken aan hun verminkte geliefden, zodat ze een mens voor zich zien en niet louter lichaam. Ze hebben gelijk, maar hun dankbaarheid heeft geen spiegel in mijn motieven. De ogen van doden zinken weg in hun kassen. Met een scherp licht schijn ik hun oogleden kapot zodat ze gesloten blijven, en mensen noemen het ‘een vredig gezicht’. Het laatste leven, het steenrode bloed dat samentroept in de vingertoppen, verruil ik voor giftig blauwe chemicaliën, maar de mensen lezen vrede in de ontspannen handen. De slagader til ik naar de juiste hoogte door het openrijten van de hals, maar poeder verhult de kerving en mensen verwachten haast een ademteug. De dode slaapt enkel zacht doordat ik al het resterende leven uit hem wegzuig. Dat is de harde waarheid. Dat ik de veerman ben die hun geld in, om hen de verdoemenis in te leiden. En ze buigen voor mij.
 
Later op de dag spreekt een oude man me op de drempel naar het Atelier aan. ‘Bent u het, die hem heeft klaargemaakt voor vertoon?’ Ik knik en voel mezelf een tel lang een defensieve houding aannemen. Ik vraag me af hoe hij het heeft kunnen raden. ‘Ik ken u’, zegt de man, terwijl ik in zijn ogen peil naar een teken dat aantoont dat hij de eerste is om mijn goochelkunst van tovenarij te onderscheiden. ‘Ik zag uw doden in de krant. Maar met Emile hebt u zichzelf overtroffen.’ ‘Hij is mooi’, beaam ik.
 
‘Zeer’, zegt de oude man. ‘Wat is uw geheim?’
 
Poeder, denk ik, maar met een hoofdbeweging naar de jongen antwoord ik: ‘schoonheid’.