Tweede laureaat proza

Wat ik nodig heb om u te kunnen schrijven

Anke Verschueren

 

 

Geachte Taal,

Ik ga beginnen met u een complimentje te maken. U bent een straffe madam. Ik heb een vraag voor u. Een grote. Want u bent dan wel een straffe, maar u werkt mij ook op mijn systeem.

Ik heb gemerkt dat u nogal dikwijls overal tegelijk bent. Als ik nu mijn ogen goed opentrek, dan kan ik in het rond zien. Maar zonder u had ik nooit geweten wat dat eigenlijk allemaal is, wat ik daar zie. Men neme nu bijvoorbeeld dat houten kader met vier poten, met daarop een soortement lang, dik kussen en daarop dan twee kleinere, meer vierkantige kussens en een bergje lakens. Dat is dus een bed. En het is door u dat ik dat weet en ’s avonds kan zeggen: ik kruip in mijn bed.

En als ik nu terwijl ik aan ’t zien ben naar mijn bed ook nog streel over de kleine haartjes tussen mijn neus en mijn lippen of ineens ruik dat de poes iets vies heeft gelegd naast mijn stoel, dan kan ik dat alleen maar voelen of ruiken door u en met u.

Ik heb het ook al voorgehad dat ik niet goed weet wat zeggen. Dat is ook uw schuld. Toen ik Mia leerde kennen bijvoorbeeld. Lang geleden. Ik zag haar staan op de speelplaats met haar twee staartjes, haar kapotte broekkous en haar oranje sneeuwbottinnekes en u gaf mij de woorden ‘ja, dat is ze’. Maar toen ik haar dat wou zeggen, was u ineens weg. Dat vond ik niet sympathiek. ‘Dat is de liefde’, zei ons moeke toen.

Echter, beste Taal, wat ik totaal schandaleus vind, is dat u de laatste tijd, ook als het niet over van die grote voeldingen gaat, gewoon ineens durft verdwijnen. U trapt het af en laat mij alleen achter gelijk een sukkelaar. Het woord dat ik dan wil zeggen ben ik kwijt en hoe hard ik ook zoek, ik vind het niet meer. Nu wil ik u vragen om mij die woorden terug te geven, want ze zijn van mij. Gegeven is gegeven. Ik heb ze heel hard nodig. Waarschijnlijk weet u zelf niet eens welke woorden u allemaal hebt gepikt. Waarschijnlijk kan u dat niks schelen. Maar mij wel. Ik zal ze u uitleggen en dan kan u ze teruggeven. Is dat goed zo? Dan stuur ik u dra wat ik zoal mis.

Gegroet, Odiel

 

 

 

Geachte madam Taal,

Zoals ik u in mijn voorgaande schrijven al heb gezegd, zou ik de woorden die u mij afpakt gaarne terug willen vorderen.

Eerst moet u weten dat er vorige week dinsdag iets in mijn rug is geschoten. Ik was samen met mijn kleinzoon Staf bezig in de tuin. De jongen wilde graag zijn eigen groentjes laten groeien. We zijn begonnen met tomaten, die mogen eerst op het veld na de IJsheiligen. Ik ging op mijn knieën zitten om eens te zien naar de kant van de bladeren die geen licht vangt. Ik liet mijn hoofd scheefzakken en toen schoot het erin. En de tranen sprongen in mijn ogen. Stafke zag zijn bompa voor de eerste keer in zijn leven wenen. Behalve toen dat hij geboren werd, maar zelfs u kan er niet voor zorgen dat hij dat nog weet. Hij maar strelen met zijn handje over mijn schouders. Het was een aardig zicht hem zo teder naar mij te zien kijken.

Afijn. Vandemorgen ben ik vroeg opgestaan. Ik wilde Mia nog eens verrassen met een ontbijt, dan blinkt ze de hele dag van contentement. Mia lust al eens een keer graag een croissantje, dus ik ben er voor haar gaan halen. Met confituur of met een beetje jonge Hollandse kaas. Daar is ze zot van. Ik ben niet zo voor dat hotelgedoe, ik heb het liever gewoon. Dus ik wilde lekkere havermoutpap klaarmaken. Ik had een verse fles melk van de koe van mijn broer uit de kelder genomen en een beetje in een pannetje gedaan om te koken. Ik wilde nog wat suiker pakken, maar met mij om te draaien, viel het dopje van de fles van de verse koemelk op de grond. Het rolde voort. Het kwam terecht in het midden van de ruimte tussen de servieskast en de vloer, die wordt geschapen door de aanwezigheid van de pootjes van de kast. Als er nu iets is waar Mia niet tegen kan, dan is het dat er geen dopje op de fles staat. Ze zegt dat wat erin zit dan rapper bederft. Maar ik kon me dus niet bukken omdat er iets in mijn rug is geschoten zoals ik u al heb gezegd. Toen kwam Mia beneden en ik wilde haar vragen om het dopje te pakken. Maar ik vond het woord niet om te zeggen waar het lag. Ik stond daar gelijk een onnozelaar te wijzen in mijn pyjamabroek. En Mia mij maar uitlachen.

Kijk, Taal, ik vind dat dus niet genoeglijk wanneer mijn vrouw mij uitlacht. Het zou mij dus verblijden, moesten zo van die voorvallen in de toekomst niet meer voorvallen. Daarenboven zou ik u bij dezen willen verzoeken om mij het woord terug te geven dat u hebt gepikt. Namelijk het woord dat men gebruikt om te zeggen dat iets zich niet boven iets bevindt, maar aan de andere zijde van het ding waar het zich boven bevindt. U bent bij voorbaat bedankt.

Gegroet, Odiel

P.S.: Ik zou het ten zeerste hoogschatten als ons Mia niet te weten komt dat ik met u in contact ben over deze kwestie. Zou u dat voor uzelf kunnen houden a.u.b.? Merci.

 

 

 

Geachte madam Taal,

U hebt zich meer dan een week gedeisd gehouden, maar vandemiddag bent u weer onmeedogend met één van mijn woorden op de loop gegaan.

Elke eerste zaterdag van de maand ga ik met de Willy en de Jokke biljarten op de Rooseveltplaats. Dat is al zo sinds de eerste van ons gedrieën in het huwelijk is getreden. Ik pak dan na het middageten tram 10 bij de Zwaantjes en ik stap af bij Astrid. Dan ga ik nog een stukje te voet verder. Zo kom ik ook nog eens iemand tegen.

Vandemiddag stond ik op het perron van de Zwaantjes te wachten. Het was een beetje aan het miezeren en de zon scheen tegelijkertijd. Kermis in de hel. Naast mij stond een jong moederke met haar twee zonen. Ze trokken grellig hard op elkaar, dus ik denk dat het een tweeling was. Een van die twee jongens was serieus aan het jengelen tegen zijn mama. Of de tram bijna kwam en dat hij honger had. Dat moederke bleef daar verdorie rustig bij. Ik zou hem al lang een pets om zijn oren hebben verkocht. Op een gegeven moment zette ze haar kolossaal grote sacoche op de grond en begon ze erin te rommelen. Ze pakte een verpakt plakske van het lekkerste wat er is. Het was een beetje plat, maar het zag er nog altijd smakelijk uit. Goudbruin en met van die kleine witte suikersteentjes. Het trekt op cake, maar het ligt veel voller in de mond. Ik kon het al bijna proeven. Zoet, maar toch kruidig en achteraf blijft er precies wat kaneel plakken aan uw tanden en op uw tong. Ik dacht bij mezelve: ‘Amai, ik heb ook goesting in zo’n stukske –.’ En hopla, daar verscheen u. En rapper dan u gekomen was, verdween u weer. Met het woord voor dat wat ik zo gaarne als versnapering nuttig.

Kan u mij dat woord a.u.b. terug verschaffen? Ik heb honger.

Gegroet, Odiel

 

 

 

Geachte vrouwe Taal,

Ik had mijn vorig epistel nog maar net op de post gedaan en u was daar al terug. Toen ik was wedergekeerd, vroeg Mia mij ineens wat mijn lievelingskleur nu ook alweer is. Ik wou juist antwoorden, maar de bel ging. Mijn dochter. Ik had u niet eens nodig om te weten dat ze degelijk in haar sas was. Dat flikkeringske in haar ogen vertelde genoeg. Ik dacht ‘het is weer zover’ en hetzelfde was waar. Een nieuw lief. Maar ze zei dat het deze keer een heel fatsoenlijke mens is en dat ze in de zevende hemel vertoeft. Ik zei haar dat ze moet zien dat ze niet naar beneden tottert van dat roze ding waar ze opzit. Dat ding is normaal wit of grijs of zwart en het zweeft met veel soortgenoten aan de hemel. Ze zien er zacht uit en ze vormen soms beesten enzo in de lucht. Soms zijn ze met zoveel dat ze precies niet te zien zijn. Soms zijn ze er echt niet en dan is er alleen de zon. Of de maan.

Ik zou u bij dezen nogmaals sympathiek doch kordaat willen vragen mijn verzoeken zo rap als mogelijk in te willigen, want dat hebt u precies op de lange baan geschoven. Merci.

Gegroet, Odiel

 

 

 

Geachte Taal,

Wat voor vogel is ons Suske? Hij zit in zijn kooi in de keuken. Hij is heel geel en fluit meestal schoon.

Gegroet, Odiel

 

 

 

Madam Taal,

Ik ben u moe. U denkt dat u overal iets in de pap te brokken heeft. U doet niks anders dan pikken en pikken, maar ook eens iets teruggeven? Ho maar. Dat is te difficiel voor madam.

Wat u deze week hebt afgepakt: wat ik gebruik om de tv van post te veranderen als ik in mijn zetel zit, waar ik mijn koffie uit drink, de harde stukken van mijn vingers en mijn tenen die op tijd en stond moeten worden afgeknipt, waar ik mijn handen mee moet wassen, de kleine beestjes die ’s nachts rond mijn oren zoemen, wat ik achter mijn oren spuit om goed te rieken voor Mia, de emmer met scheel waar ik alles ingooi dat nog op mijn talloor ligt als ik genoeg heb gegeten, waar ik moet op stappen als ik gerust de straat wil overgaan, hoe ik moet zeggen dat ik hard met iets moet lachen, wat er in de kachel zit en wat ik het daarvan krijg als ze werkt.

Als u niet rap in actie schiet, zal ik ú eens iets flikken. En dan gaat u seffens niet meer zo parmantig zitten lachen op die troon van u.

Groet, Odiel

 

 

 

Beste mevrouw Taal,

In dit schrijven zou ik u mijn oprechte excuses willen offreren omdat ik ineens zo nijdig was.

Hartelijke groeten, Odiel

 

 

 

Geachte Taal,

Ze hebben vandenacht bij ons binnengezeten. En u was er natuurlijk weer bij. Ons Suske maar van zijn tak maken toen wij vandemorgen de keuken binnenkwamen. Alles overhoop. En ik heb geen trammelant gehoord in mijn slaap. Da’s toch straf eigenlijk. Alles waar wij uit eten en drinken uit de kasten gesleurd en tegen de grond gepleurd. In stukskes uiteen. Ook van alles gepikt.

Mia natuurlijk direct de politie gaan bellen. Ik stond daar wat te draaien in de keuken. Ik zag ineens allemaal gedroogd bloed op mijn hand. Een lange snee, maar niet diep. Ik wou dat rap afkuisen, maar toen riep Mia mij. Ze moest tegen de politie zeggen hoeveel eetgerei we nog over hebben. Ik tellen. Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven. Tot daar ging dat goed, maar toen kwam u weeral. U had u goed verstopt deze keer. Tot zeven en niet voort. Dat heb ik geroepen naar Mia.

Gegroet, Odiel

 

 

 

Geachte madam Taal,

Wat doe ik als ik alleen met mijn hand ‘hallo’ wil zeggen tegen iemand? Zonder u.

Groeten, Odiel

 

 

 

Madam Taal,

Waar ik door naar buiten zie, waar ik mijn voeten eerst insteek voor ze in mijn sloefen gaan, wat ik doe als ik een liedje zing door te blazen tussen mijn lippen, wat ik om de twee dagen moet afscheren, die lelijke stekelplant op de kast.

Gegroet, Odiel

P.S.: Ook nog wat ik op mijn boterham smeer alvorens ik er een schel gerookte hesp op leg. Ik vroeg daarjuist aan Mia om dat even aan te geven, maar het was weg. Godzijdank verstond ze me toch. Ze rolde in de rapte met haar ogen. En ze blies hoorbaar wat te veel lucht uit door haar neusgaten.

 

 

 

Taal,

Ik heb vandemiddag liggen slapen in de zetel. Het was koers op tv. Bij de aankomst schoot ik ineens wakker. Mijn kin hing vol gedroogd spuug en mijn mond was heel plakkerig. Ik wilde een glaaske water gaan drinken in de keuken, dus ik klefferde recht. Maar toen vond ik de dingen niet meer waar ik mijn voeten insteek om rond te lopen in huis. U hebt niet alleen het woord maar ook het ding afgepakt deze keer. Weer zeer geniepig van u. Afijn, ik ben dan maar zonder gegaan. Toen ben ik wel gestruikeld over de rand van de karpet. Helegans tegen de vlakte. Dat moet een schoon zicht zijn geweest. Ik kreeg mezelf niet rechtgetrokken aan de tafel. Ik heb dan maar geroepen op –

Verdomme Taal,

U hebt haar van mij afgepakt.

Het bruin bolleke schuin naast haar neus is er nog. Haar pink staat nog altijd even krom. Ze krabt nog altijd op dezelfde wijze met haar hand in haar haren. Dat het haar hoofd is, dat beweegt, in de plaats van haar hand. Ze zit nog altijd met één been te sjokkelen als wij zijn aan ’t eten. Haar juliennesoep is nog altijd de beste. Ze wast mijn rug nog altijd met een spons. Ze knort nog altijd gelijk een varkske als ze hard moet lachen. Maar ik ken haar precies niet meer.

Odiel

 

 

 

Geachte,

U mag alles wat u hebt gepikt bijhouden. Maar niet haar. Alstublief.
Odiel

 

 

 

 

Tweede laureaat proza van Babylons Interuniversitaire Literaire prijs 2018.

 

Comments