Leesfragment: De man die van mensen hield - Chris Ceustermans

Globalisering, godsdienststrijd, sociale ongelijkheid, taaldiscriminatie... De Antwerpse kleermakerszoon 'Mane' de Bom (1868-1953) groeit op in instabiele tijden. Met boezemvrienden als Vermeylen, Streuvels en Van de Woestijne wilt hij straks Vlaanderen naar de moderniteit stuwen. De Boms reis is die van de Vlaamse worsteling  met moderniteit en identiteit. Maar bovenal is het een ontroerend verhaal over de kracht van vriendschap. Lees hier het eerste hoofdstuk van De man die van mensen hield.


De man die van mensen hield
Chris Ceustermans

ISBN: 9789464340754
Prijs: €34,95


1.

Kleermakerszoon in
de schaduw van Benoit,
Rubens en Conscience

 


Karel Emmanuel ‘Mane’ de Bom werd geboren in een stad die op vele plaatsen nog in een middeleeuws gewaad gehuld leek. Een stad die zich vlijde in de kromming van een rivier en een nog niet rechtgetrokken Scheldekaai. Naast die met bomen omzoomde kasseivlakte meerden kneuterige houten visserssloepen en elegante driemasters aan. De Scheldetol was vijf jaar voordien van de Nederlandse regering afgekocht en de haven zou pas de volgende decennia opnieuw de wind in de zeilen krijgen. In 1911 werd de Antwerpse haven de grootste van de wereld, op die van New York na. Rubber en ivoor uit Congo, wol uit Australië, gezouten spek uit Amerika, rijst uit het Verre Oosten… duizenden tonnen werden dat jaar gelost en geladen.
          In 1868 was Antwerpen echter nog een omwalde vestingstad met minder dan 150.000 inwoners. Een rebelse stad. De Antwerpenaren voelden zich verstikt vanwege de door de Belgische staat en koning opgedrongen forten, omwallingen en het Noordkasteel. Van 1862 tot 1872 werd Antwerpen bestuurd door een aanvankelijk pluralistische Meetingpartij die de strijd tegen dat militaire korset koppelde aan flamingantisme.
          Antwerpen was een stad van kleine neringdoeners en in brede zwarte rokken en hoofddoeken gehulde matrones die hun waren verkochten op vis- en bezemmarkten. In die dichtbevolkte wereld van volkse ambachtsmensen en hondenkarren werd De Bom op 9 november 1868 geboren, in de schaduw van de massieve, nooit afgewerkte toren van de Sint-Jacobskerk met de grafcrypte van Peter Paul Rubens onder diens doek ‘Madonna omringd door de heiligen’.

 

De Lange Pijp, zo omschreef de Bom zijn geboortesteeg, vlak bij de straat waar de door hem bewonderde schilders Hendrik Leys en diens neef Henri de Braekeleer hadden geleefd – officieel Grote Kauwenberg – is net breed genoeg voor een wagen. Vandaag wordt het straatje overheerst door modernistische constructies van de Universiteit van Antwerpen die als ruimtetuigen tussen de arbeiderswoningen lijken geland. Een microkosmos, zo omschreef De Bom zijn geboortestraat in een jeugdherinnering: ‘Allerlei standen en bedrijven waren er vertegenwoordigd. Een rijke graankoopman leefde er, en iets verder
was een schavies of een schouwveger gehuisvest. Daar leefde een barbier, met een koperen scheerbekken als uithangbord, en in het toonraam van een snuif- en pijpenwinkel bewonderden we een rookend moorke met oorringskens aan.’
          Er woonden een goudborduurder die vaandels voor broederschappen maakte, een waarzegster, een notaris, een messenslijper, een sigarenroller (ook ‘poepdraaier’ genoemd), een mandenmaker en nachtwaker en nog vele andere figuren die met hun vaardigheden probeerden hun families te voeden. Een van hen was Petrus de Bom (1825-1907). Hij betrok een twee verdiepingen hoog huis op nummer zestien met de koperen plaat en opschrift ‘meesterkleermaker’. Petrus had zijn atelier op de tweede verdieping en zwoegde in de herinneringen van zoon Mane van zeven uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds, zoals zijn vader Jozef (1791-1853) had gedaan. Petrus was gehuwd met Francisca Dirven (1829-1891), dochter van een scheepstimmerwerker uit het Nederlandse Roosendaal die in de Scheldestad was neergestreken.
          De Bom omschreef zijn vader als: ‘dat kleine geestkrachtige pezige snijdersbaasje (…) Ongeletterd, met alleen zijn phenomenaal geheugen, en zijn door geen boekenstof besmette wereld-ervaring, was hij de stoere wilskrachtige, in verbeten halsstarrigheid, almaar voortwroetende werkos. Zijn hoofd had hij boordevol met het overdenken van zijn dagwerk, zijn ongeschooldheid moest hij door allerlei zelfbedachte middeltjes van scherpzinnigheid en natuurlijke schranderheid
vergoeden.’
          Petrus de Bom had geen keuze. Zwoegen moest hij om negen kinderen te onderhouden. Twee dochters en zeven zonen waren tussen 1853 en 1871 op de wereld gekomen, met Mane als jongste op zijn twee jaar jongere broer Jef na.7 De oudste broer Staf hielp vader in het kleermakersatelier. De jongere kinderen speelden op straat of in het tuintje met de seringenboom waarin ze plankjes nagelden om ‘mussen te lijmen’. Op straat lokte het kattenkwaad: gaslantaarns uitdraaien of bellekentrek doen bij een buurman die ‘den Neus’ van Laer heette en wiens poort men openstootte al zingend: ‘Neus, neus, tsjoek, tsjoek, tsjoek, voor zeven centen een peperkoek!’ 
          ‘We speelden bedot in een oud kloosterpand of zwermden uit tot aan de dokken, waar we suiker roofden uit de kanasters. Met kermis danste de kinderschaar rond het keerske en zong van “Keersken in den lanteern, is meneer pastoor niet thuis?” of “Van den wolf met zijn ijzeren tanden”. We vochten er verwoed tegen de jongens van aanpalende straten en kwartieren, en liepen al schuifelend mee als een kompanie soldaten voorbijtrok met muziek; we mochten de fakkel dragen als er een fakkeltocht uitging.’ Een van De Boms grootste passies was het bezoek aan de ‘poesjenellenkelders’ waar men volkse stukken met poppen zoals ‘de Neus’ opvoerde. Voordien had Hendrik Conscience zich al gelaafd aan deze oeroude traditie van burleske
verhalen en helden zoals Siegfried en Genoveva van Brabant en de slechteriken die niet zelden door een geëxalteerd publiek met appelschillen en notenschalen werden bekogeld.
          De familie was ambitieus. De jongens werden gestimuleerd om zich geestelijk en creatief te ontwikkelen. Vooral Manes twee jaar oudere broer Joris (1866-1926) bleek bijzonder muzikaal begaafd. Mane – op foto’s uit die tijd de haren netjes in de middenstreep gekamd en daaronder zijn ietwat bolle wangen – volgde naast de gewone lessen ook muziekonderwijs waar hij naar eigen zeggen ‘op een viool leerde krabben’. Als knaapje trok hij om zeven uur ’s ochtends naar de Blindestraat om er krijgshaftige Peter Benoit-liederen op teksten van Emanuel Hiel te studeren. Soms liep dit goed mis. Toen ze een keer moesten zingen: ‘wij hebben ons bloed voor de heimat veil’, brulden ze: ‘wij hebben ons bloed voor de vijgenmat veil…’

Jeugdportret uit 1879. (© Letterenhuis)

De Bom en zijn kompanen kenden het woord ‘Heimat’ nog niet. Toch wekten de liederen veel enthousiasme bij de medezangertjes: ‘Wij hadden de vijand zonder twijfel armen en benen gekraakt of den kop afgebeten – ware hij op dat ogenblik komen opdagen (…)’ 
          In 1879 zong De Bom mee in De Kindercantate onder leiding van zijn levenslange held: de componist Peter Benoit (1834-1901). Franz Liszt bevond zich onder het publiek in de Harmoniezaal. Het bleef De Bom vooral bij dat Benoit deze op de wang zoende. ‘Dat behoorde tot de romantiek en ’t deed ons haast schrikken, al imponeerde het ons ook: ’t waren godenmanieren; Benoit was geen gewoon burgerman.’ En wanneer hij Benoit voor de Sint-Jacobskerk ziet stappen waar de kleine Mane vaak ging biechten of naar de kerkelijke gezangen luisteren, was het alsof er een halfgod door zijn wijk liep: ‘En daar tegenover, zag ik later zoo vaak de breede silhouët, de aan de keel wijd-opene redingote en den hoogen of ronden vilten hoed van den Maestro Peter Benoit verschijnen – dien ik, verstomd en bleek van ontroering, lang achternakeek, en daarbij opmerkte, dat hij een
mooi geurig boeketje in zijn hand achter zijn rug omklemde.’

 

          Geuzen & Letteren

Mane was gedoopt en ontving nadien het Heilig Vormsel. Toch bleek de familie eerder liberaal dan kerks. Ze waren geabonneerd op De Kleine Gazet, het blad van Antwerpse liberale voormannen zoals Jan van Rijswijck, Pol de Mont of Max Rooses, die later nog een grote rol in De Boms leven zullen spelen. Die generatie van flamingante liberalen – in de plaatselijk volksmond ‘de geuzen’ geheten, maakte deel uit van de sterke liberale beweging die vanaf 1872 tot de Eerste Wereldoorlog het Antwerpse stadsbestuur en de jaren van duizelingwekkende modernisering en geglobaliseerde economische groei zou
domineren. Alle technische nieuwigheden van de moderne wereld die tijdens De Boms jeugd nog spectaculaire snufjes leken, zoals elektriciteit, auto’s, foto en film, zouden in die decennia ingeburgerd geraken.
          De tengere, blonde Mane werd zoals zijn broers naar de lagere school in de Kipdorpvest gestuurd. Die keuze voor het kosteloze en in Antwerpen sterk ontwikkelde staatsonderwijs zou Mane en zijn familie in de godsdienststrijd doen belanden nadat in juli 1879 de Wet Van Humbeeck in het Belgisch Staatsblad verscheen. Die legde volgens liberale principes vast dat het lager onderwijs van het (katholieke) vrije onderwijs niet meer gesubsidieerd werd. De wet leidde tot een bitse polarisering waarbij de katholieke beweging met man en macht scholen op poten probeerde te zetten. Mane bleef in een staatsschool
ingeschreven, ook toen hij overging naar de middelbare school – école moyenne de l’état – in de Eikenstraat, waar zich toen eveneens een katholieke school van de Broeders van Liefde bevond. Zijn broer Willem (1862-1938) had voor onderwijzer gestudeerd aan de Normaalschool in Gent en gaf intussen les op een ‘goddeloze’ stadsschool. De familie De Bom werd daarom beschouwd als ‘geuzen’. Moeder Francisca kreeg zelfs geen absolutie meer in de kerk wegens die ‘hoofdzonde’. Midden in die woeste schoolstrijd las Mane, gezeten op de kleermakerstafel, zijn ongeletterde vader de krantenverslagen met de redevoeringen over de strijd voor ‘de ziel van het kind’ voor. De Bom bleek in het liberalere Antwerpen door die schoolstrijd nochtans minder getekend dan generatiegenoten als de latere socialistische politicus Camille Huysmans (1871-1968). Huysmans werd een paria in zijn Limburgse geboortedorp omdat hij er als een van de weinigen les bleef volgen in de leeggelopen officiële gemeenteschool.
          Net zoals zijn broer Joris die onderwijzer-componist zou worden, was De Bom een van de beste leerlingen van zijn klas. Daarom mocht hij vaak van de leraar de les openen met Notre père. Tot de taalwet Coremans van 1883 werd op ‘langue Flamande’ na, zowat elk vak in het Frans gegeven in de Vlaamse middelbare scholen. Sommige vakken, zoals aardrijkskunde, staken bovendien in een taaie ideologische verpakking. In een aardrijkskundeschrift van De Bom kan men lezen over het koloniale project van koning Leopold II : ‘Ouvrir à la civilisation la seule partie de notre globe où elle n’ait point encore pénétré, percer les ténèbres qui enveloppent les populations entières, c’est j’ose dire, une croisade digne de ce siècle de progrès.
          Die strenge middelbare school schonk De Bom ervaringen die aan hem zouden blijven kleven. Mane had toen al een gewoonte die hij het grootste deel van zijn leven zou aanhouden: hij schreef schriftjes vol met invallen en waarnemingen. Tussen zijn tiende en zijn vijftiende begon hij romans te lezen. De leesvoorraden sloeg hij in bij de eerder proletarische volksbibliotheek ‘De Toekomst’ in de Wapperstraat en in de schoolbibliotheek. De volksbibliotheken voor ‘kleine lieden’ waren in de jeugdjaren van De Bom bijzonder populair en een alternatief voor de meer elitaire stadsbibliotheek. Zoals zo velen in zijn tijd stortte hij zich op Conscience, ‘die natuurlijk boven alle anderen uitverkoren was en steeds op de bovenste plank bleef’.
De passie voor Conscience leidde tot taferelen die recht uit De Witte van Ernest Claes zouden kunnen komen, de roman die hij vele jaren later zelf zou ‘ontdekken’ en uitgeven: ‘Toen ik den Leeuw las, en Jan Breidel’s heldendaden, heb ik me als jongen dikwijls op fantasieën betrapt: ik heb zorgvuldig mijn beide armsmouwen opgestroopt; daarna greep ik naar een inktpot, en op mijn beide bloote armen schilderde ik met een penseel, links Jan Breidel, en rechts Pieter de Coninc. En zoo begon ik, op mijn kamer, alleen tegen de Leliaarts uit mijn verbeelding te vechten; ik heb me daarbij wel eens onzacht tegen den muur gebonkt, en me ook wel eens gekneusd.’
          Naast Conscience greep De Bom vaak naar auteurs zoals de gebroeders August en Renier Snieders. Verhalen met spannende intriges die zich afspeelden in zijn Antwerpen zoals Antwerpen in brand of Op den toren. De volgende jaren vond de boekenwurm nieuwe favorieten zoals Jules Verne, Charles Dickens of Hildebrand. De lectuur zette Mane aan tot het schrijven van een eigen ‘roman’: De wraak des vaders. Hij liet dat boekje lezen aan een van zijn klasgenoten met de bedoeling dat die het zou illustreren. In plaats daarvan verklikte die alles aan de leerkracht. De Bom moest zijn manuscript overhandigen aan de leraar die – althans in De Boms eigen herinneringen – opmerkte: ‘Misschien komen uit deze klas nog mannen van waarde voort.’

 

          De onafscheidelijken

Een van de meest indringende jeugdervaringen was zijn vriendschap met de joodse Ben Meyer-Van Praag. Een vriendschap tussen zijn twaalfde en vijftiende jaar die hem zozeer is bijgebleven dat hij er veel later over zal schrijven in het humanistisch tijdschrift De Stem tijdens het door oorlogsdreiging en raszuiverheid geobsedeerde jaar 1939. In zijn fascinatie voor Ben toonde zich voor de eerste keer de dweperige passie waarmee De Bom zich in vriendschappen kon storten.
          Hij herinnerde zichzelf als de voorbeeldige leerling, die altijd vooraan in de klas werd geparkeerd. Als iets minder voorbeeldige leerling zat Ben meestal op de laatste rij. In zijn herinneringen aan Ben schrijft De Bom: ‘Gedurig keek ik achter mij naar den hoek daar aan de kachel waar zijn mooi zwartgelokt hoofd met de wat orientaalsche smachtende oogen. Ik vond hem schoon, schoon als een meisje, neen schooner met zijn blank doorbloosd vleesch zoo teer, zoo zacht – met zijn mond als een kers zoo rood en frisch, en vooral met iets onzeglijk bekoorlijks, iets wat ik niet kon uitleggen, maar wat mij tot hem trok, altijd even begeerig: een wasem van schoonheid over hem, het meisje, ik voelde onbewust in hem reeds het meisje. Ook was het geen gewone brutale vriendschap. Er was teerheid, drift, ijverzucht bij, als bij geslachtsliefde. Wij zoenden elkaar gedurig in
onze brieven.’
          ‘Les deux inséparables’ doopten de leraren hen. Hoewel ze samen in de klas zaten, schreven de vrienden elkaar ’s avonds brieven waarin ze terugblikten op de voorbije uren. De briefjes werden bij het huis van de boezemvriend gedeponeerd in een plantsoen of struik bij diens huis in de Van Leriusstraat, een smalle straat tussen spoorweg en stadspark. De dromerige Mane werd aangetrokken door het kosmopolitische dat Ben in zijn leven bracht. Nederlandse taalbeheersing bleek niet diens grootste troef, maar de jongen sprak van huis uit vlot Engels, Duits, leerde Hebreeuws en was een virtuoos violist. Op zondag mocht Mane met Bens familie naar de Harmonie in het stadspark voor muzikale uitvoeringen van Verdi. Samen verslonden
ze de 26 deeltjes van La Comptesse de Charny van Alexandre Dumas. De Bom beschrijft hoe ze arm in arm door de straten zwierven en droomden over artistiek succes en over Amerika waar ze op jakhalzen zouden jagen. ‘Het was dan ook een absolute, zelfzuchtige, tyrannieke vriendschap, waar geen derde bij gevraagd werd of gewenscht was. Onze liefste kindergeheimen, ons verdriet om onoverkomelijke rampen, onze weelde om kleine genoegens of om hoog opgevijzelde en eindeloos bedroomde kalverliefdes: dat alles werd, geregeld, door de onafscheidbare kameraden in hun wederzijdse
boezems uitgestort (…)’
          Wanneer De Bom de zomervakanties in het Kempische Westmalle bij boeren doorbracht, snakte hij naar Antwerpen om er het geschreven verslag van zijn avonturen aan Ben uit te brengen: ‘Mijn kroniek over ’t weer was religieus bijgehouden, trouwens. En hij kreeg erbij de eerste impressies in proza van een jong studentje in mensch-kunde, naar de wijze van Multatuli.’
          De Bom werd door Bens moeder vaak geïnviteerd. Niet alleen voor zijn Joodse vriend, maar ook voor diens zus Rachel kwam De Bom graag bij de Joodse familie over de vloer: ‘een levenslustig guitig Jodinnetje, zonder het tragische van de meeste Israëlitische karakters’ en die graag operettedeuntjes zong. De Bom stak liefdevol de draak met haar, maar durfde haar nooit zijn verliefdheid bekennen. Ten huize Meyer-Van Praag leerde De Bom vreemde smaken kennen die hem plots angst voor het onbekende aanjaagden: ‘Nooit vergeet ik mijn ontreddering, toen me daar aan tafel een gerecht werd voorgezet dat me onbekend was, en dat ik hield voor iets speciaal-Joodsch, dat me zeer kwalijk zou opbreken. ’t Zweet barstte er me vanuit,
als ik bedacht, dat ik dat bordje niet vol mocht laten teruggaan. Wat ik voor een onder rabbianaal toezicht, alleen voor Hebreeuwsche magen bestemd olla podrida hield, was eenvoudig spinazie.’
          De Bom werd uitgenodigd om Bens Bar Mitswa mee te vieren waarop Ben zijn eerste lange broek droeg en een zwart vilten hoedje. De Bom was zo sterk aan Ben gehecht dat hij niet kon verdragen dat hij zijn vriendje na de dood zou moeten missen. Mane maakte zich nog meer zorgen wanneer hij merkte dat Ben de boeken van de ‘goddeloze socialist’ Eugène Sue stuk las. Ondanks de weinig ‘paapse’ houding van zijn familie, moet Mane als kind nog erg gelovig zijn geweest. Hij schonk Ben Consciences De Kwaal des Tijds waarin elitaire hoogmoed en dwaling van de ware god aan de kaak wordt gesteld. De Bom hoopte dat Ben zich tot het katholicisme zou bekeren, zodat ze ook konden samen zijn na de dood ‘waar we broederlijk
rijstepap en suikerboonen zouden deelen’. ‘Dat ge zoo’n leelijke Jezwiet waart, dat had ik nooit verwacht,’ antwoordde Ben, aldus De Boms herinneringen. De Bom excuseerde zich, maar de vriendschap werd nooit meer zoals voordien. Het zou de eerste zijn van de intense mannenvriendschappen die De Boms leven tekenden. Zijn fascinatie voor de joodse levenswijze zou hem nooit meer verlaten. Enkele vriendschappen met kosmopolitische figuren van joodse afkomst zullen erg veel voor hem betekenen.
          In de periode dat de vriendschap met Ben bekoelde door zijn bekeringsdrang, werd het taalregime in zijn school soepeler. Door de taalwet van Edward Coremans uit 1883 zouden niet alleen het vak Nederlands maar ook Engels, Duits en nog twee andere vakken in het Nederlands moeten gegeven worden – iets wat in de schoolse praktijk vaak niet werd nageleefd. Voor Coremans, de volkse Antwerpse Meeting-politicus achter de taalwet, zou De Bom ook als volwassene veel respect voelen. Als jong mannetje observeerde hij ‘menigmaal de woeste kohorten’ die geuzenliederen zongen en die in de verkiezingsstrijd naar de straat trokken waar Coremans woonde en waar er in 1876 zelfs een stormloop op diens voordeur en vensters plaatsvond.
          De laatste jaren van de middelbare school haalde De Bom erg goede punten. Tijdens zijn afstudeerjaar in 1885 was hij, althans naar eigen zeggen, de eerste van zijn klas en werd zijn opstel bekroond met de tweede staatsprijs. Niet lang nadat hij de middelbare school in de Eikenstraat vaarwel had gezegd, werd De Bom lid van de ‘Kring Studie’ van het Antwerpse Koninklijke Atheneum. Die studiekring ijverde ervoor om de taalwetten in de staatsscholen te doen respecteren en het Nederlands meer plaats te geven, door onder meer Nederlandstalige boeken als prijzen uit te reiken. De scholieren probeerden elkaar te vormen in de Nederlandse cultuur die op school weinig aan bod kwam. De Bom leerde er een bijzonder intelligente knaap kennen
die de volgende decennia een belangrijke rol zal spelen in zijn bestaan: de latere advocaat en liberale toppoliticus Louis Franck
(1868-1937) die de jonge Mane toen al wist te boeien. ‘Louis Franck welsprekend redenaar, toen reeds, die er o.a. over geschiedenis e.d. oreerde,’ herinnerde De Bom zich meer dan een halve eeuw later. Franck bleek een hoogbegaafde scholier die in 1883 een studie had geschreven over zijn leraar Pol de Mont. Omdat Mane net zo’n snuggere leerling was als zijn broers Joris en Willem, had de familie verwacht dat ook hij hogere studies zou aanvatten. De Bom had echter geen zin meer in studeren. Later zal hij beweren dat de examens hem schoolmoe hadden gemaakt. Zoals andere autodidacten die later in zijn leven zouden komen, bleef hij zijn hele leven gretig op zoek gaan naar nieuwe kennis en voelde zich het best op zijn gemak bij vrienden die zoals hijzelf self made waren.
          De basis van zijn passies en latere activiteiten bleef altijd de wereld die hij in zijn jeugd had leren kennen. De kracht van romantische verhalen, Hendrik Conscience en de volkscultuur. De bibliotheek als baken van volksontwikkeling. Zijn liefde voor schilderkunst en voor de muziek van Peter Benoit. Zijn gevoeligheid voor de taalkwestie, als kind van de taalwetten en de schoolstrijd. Zijn fascinatie, maar af en toe ook terughoudendheid ten aanzien van het jodendom. En vooral zijn ontzuilde manier van in het leven te staan. Hij kwam uit een liberaal nest, wat niet wilde zeggen dat de familie antikerkelijk was.
Integendeel. Het niet van wieg tot graf tot een levensbeschouwelijke zuil behoren was in die tijd zeldzaam. Die ondogmatische houding zou De Bom blijven tekenen en maken dat hij vrienden in de meest uiteenlopende ideologische kringen had. Maar zijn ondogmatische houding, gekoppeld aan een tot dwepen neigende emotionaliteit, zou hem ook diep in de problemen brengen.


Meer leesfragmenten