Leesfragment: Wij zijn de optimisten - Jelle Dehaes

Wij zijn de optimisten is de debuutroman van Jelle Dehaes. Het is een verhaal over het verlangen naar verbinding en houvast in ons leven, over psychische kwetsbaarheid in een tijd waarin de snelheid van technologie en media lijkt te overheersen. Lees hier, als voorproefje, hoofdstuk 37 uit het boek.


Wij zijn de optimisten
Jelle Dehaes

 

ISBN: 9789464340891
Prijs: €23,50


37

Het publiek stond op straat tot aan de kale bomen op de middenberm. Mensen stonden in groepjes, bliezen zichzelf in de handen, nipten van hun cava. Gekwetter en gegier, iedereen kent iedereen; de animo van omhelzingen en begroetingskussen. ‘Hoe gaat het ermee?’, ‘Lang geleden!’, ‘Jij ziet er écht super goed uit. Echt waar.’ Nog meer geknuffel. ‘Waar ben je nu mee bezig?’ Ik herkende de gezichten van mijn opleiding in Brussel, van weekendavonden in andere galerijen, van het leven in de stad. Je kwam er steeds dezelfde mensen tegen. Ik probeerde de blikken te ontwijken, rechtstreeks oogcontact nodigt uit tot een gesprek. Ik had het gevoel dat iedereen hier alles over mijn vader wist, dat iedereen het verdriet om mevrouw Elavy van mijn gezicht kon aflezen.
       Naast de toegangspoort hing in groot formaat de flyer die ik in mijn brievenbus had gevonden. Ik probeerde de galerij in te
kijken. Je kon over de koppen lopen. Het was echt indrukwekkend hoeveel volk ze op de been had kunnen brengen. Existenz
was een van de grootste galerijen van de stad. Vier ruimtes, meestal verdeeld voor groepstentoonstellingen. Soms bleven de
twee achterste zalen gesloten. Bij mijn weten had er nooit een kunstenaar alle ruimtes gekregen voor een solo-expositie, maar
Lise was er nu toch in geslaagd. Waarschijnlijk had de galerij haar aanpak aangepast. Een doordachte strategie gebaseerd op
huidig onderzoek in de kunstensector; meer vernissages staan voor meer activiteit rond de galerij. Meer exposure, betere verkoopcijfers. Zoiets. 
       Ik besefte dat Lise de hele avond omringd zou blijven door faam ruikende aasgieren. Er waren wachtrijen voor korte gesprekjes met Queen Lisa. Misschien was ik beter op een andere dag gekomen. En natuurlijk vroeg ik mezelf voortdurend af of
het wel een goed idee was haar opnieuw te zien. Maar ik moest het weten. Ik kon maar niet geloven dat ze me zou bedriegen.
Niet op die manier.
       Ik had me vooraf moed ingedronken, maar toen ik aan de ingang een jonge kerel rijen glazen met rode wijn zag vullen,
twijfelde ik niet. Gratis drank gaf me iets om handen, het perfecte alibi voor degenen die geen aansluiting vinden bij de groepjes die worden gevormd. Ik sloop naar binnen, nam twee glazen en begaf me tussen de menigte. In de derde zaal liet ik het eerste glas leeg achter. Hier was het al iets rustiger, maar het was pas in de vierde zaal dat ik de ruimte vond om me ongestoord op Lises werk te concentreren. Er liepen slechts enkele koppels van muur tot muur. Het geluid van hoge hakken op gepolijst beton, zacht geroezemoes uit de andere zalen op de achtergrond. Aan de muren hingen enkele tientallen werken op groot formaat, zwart-wit, in een zachte zilvergelatinedruk. Steeds hetzelfde perspectief. Het suggereerde dat de foto’s door een bewakingscamera waren genomen. Van bovenaf keek je neer op figuren, dwalend in een troosteloze publieke ruimte, zichzelf verliezend in een labyrint van muren en wanden. Misschien wilde Lise de huidige discussie rond de opmars van reality-tv aankaarten. Het Big Brotherhuis met de immer goedlachse Betty. Hoe ze online te volgen was, elke seconde, dag en nacht, met infraroodcamera’s tot in de douche en de slaapkamer. In de krant verschenen opinies met verwijzingen naar 1984. De eeuwwisseling als bakermat van de totale controle, niet zoals in Orwells verhaal door een tirannieke macht ingesteld, maar door de media en het schermlievende publiek, dat alle vormen van privacyschending met voetbalsjaals en hoge kijkcijfers luid had toegejuicht.
       Een tik op mijn schouder.
       ‘Viktor!’
       Haar stem.
       ‘Fijn dat je bent gekomen.’ Ze omhelsde me.
       ‘Veel mensen hier,’ zei ik alsof het slecht nieuws betrof.
       ‘Je hebt duidelijk nog wat in te halen,’ zei ze. Ze wees naar mijn halfvolle glas en toverde een glimlach op haar gezicht.
Enkele opgewekte gezichten aan de ingang van de zaal riepen haar naam. Ik meende Elco Balthazar te herkennen.
       Opnieuw die knoop in mijn maag.
       Lise kneep in mijn hand. ‘Tot straks?’ Ze keerde zich om. Haar jurk danste de plotse beweging net iets later na. Ze liep in de richting van het groepje van Elco Balthazar. Hij zei iets tegen haar en toen ging ze met hem mee.
       Ik stond daar, als aan de grond genageld, met een halfleeg glas rode wijn tussen mijn vingers. Een klein meisje met een te grote beer in haar hand staarde me aan alsof ik een modern kunstwerk was. Andere mensen gedroegen zich alsof ik niet
bestond. In de hoek van het plafond knipperde het rode lichtje van een camera.
       Ik draaide me om, dronk het glas wijn leeg en probeerde mijn aandacht weer op Lises werk te richten. Ik liep langs alle foto’s in de zaal. Op de laatste foto zag je een man wegrennen van de fotograaf. De man was onherkenbaar, maar had
ontegensprekelijk vaders postuur. Hij droeg een hemd dat mijn vader ook zou dragen en had dezelfde zwarte wilde haren. Hij
leek in paniek, alsof hij de uitgang van het gebouw zocht, maar die niet kon vinden. Ik nam enkele voorzichtige stappen, dichter
naar de foto toe.
       ‘Meneer, het werk niet aanraken, alsjeblieft!’ De suppoost riep het luid. Mensen keken op. Ik trok mijn hand terug, liep naar de suppoost, gaf hem mijn glas en vluchtte terug naar de vorige zaal. Ik baande me een weg door de massa. Pas aan de ingang van de galerij vertraagde ik mijn pas. In een hoek hingen een aantal monitors aan de muur. Ik zag beelden van de 
tentoonstelling, groepen mensen in de verschillende ruimtes, allemaal opnames in uitgesteld relais. Op een van de schermen
kon je zien hoe Lise naar een onverzorgde man toeliep en hem omhelsde. Ik zag hoe de man op het scherm zich vreemd bewoog en afstandelijk bleef. Het duurde even voor ik begreep dat ik naar een opname van mezelf keek. Iedereen kon zien hoe
ik Lise omhelsde. Of Lise mij. De beelden toonden hoe ik er niet in slaagde die omhelzing te beantwoorden. Je kon zien hoe
Lise naar me lachte en hoe ik mijn lippen op elkaar hield, hoe ze me ten slotte losliet en van me wegliep.
       Ik vroeg me af of ik altijd zo’n indruk naliet op mensen die ik graag zag.
       De jongen van de drankstand stond er nog steeds. Zonder hem aan te kijken, nam ik een glas, leegde het in een paar slokken
om meteen daarna een nieuw aan te nemen. Door het raam zag ik hoe Lise het buiten gezellig leek te hebben met professor
Balthazar. Ze leek te moeten lachen om elk woord dat de filosoof uitsprak. Met mijn glas in de lucht baande ik me tussen de lichamen een weg naar buiten. Toen ik bij Lise en professor Balthazar aankwam, stak de filosoof een hand naar me uit.
       ‘Viktor Sagal, hoe gaat het met je?’
       Ik negeerde het verzoek tot sociale wenselijkheid en trok aan Lises schouder.
       ‘Wanneer heb je die foto genomen, Lise?’
       De lach verdween van haar gezicht.
       ‘Wanneer Lise?’ herhaalde ik.
       ‘Waar heb je het in hemelsnaam over?’
       ‘De foto in de vierde zaal. Het is mijn vader. Wanneer heb je hem gezien?’ Ik bleef met gestrekte arm naar binnen wijzen. Een cirkel van geïnteresseerden vormde zich rond het gebeuren. Af en toe verscheen een flits.
       Elco Balthazar probeerde me in te tomen. Hij nam me mijn glas af en probeerde me van Lise weg te houden. ‘Rustig, Viktor, rustig.’
       Ik verdedigde me met bruuske bewegingen waardoor het glas met wijn tot algemene ontsteltenis in het rond vloog. Er
volgde gejammer over dure outfits en het ongemak van rode wijnvlekken.
       ‘Vanwaar ken je die filosoof?’ vroeg ik Lise terwijl ik beschuldigend naar Elco Balthazar wees. ‘Waarom ga je met hem om?’
       Lise gaf geen antwoord. Ze hield haar blik voor zich op de grond gevestigd.
       Ik keek naar Lise, naar de filosoof en naar alle mensen die zich rond ons hadden verzameld. Toen ik begreep dat niemand
me van een antwoord zou voorzien, deed ik enkele stappen achteruit, draaide me om en wandelde weg.
       Uit het gepraat achter mij meende ik enkele opmerkingen te horen; ‘Dus dat is ’m?’, ‘Waarschijnlijk stomdronken’, ‘Wat heeft ze ooit in hem gezien?’


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Lissabon - Bart Stouten

In het slotdeel van zijn essaytrilogie, dat een apologie is van de poëzie in zijn leven, dringt Bart Stouten zijn slaapbewustzijn binnen. Dit boek is voor mensen die een 'ander' Lissabon willen ontdekken. Lees hier een fragment.

Lees meer »

Leesfragment: Rebels - Ann Peuteman

Oude mensen zitten het liefst in hun luie stoel voor tv met een dekentje over hun knieën. Met dat beeld voor ogen bedenken we constant allerlei theorieën en projecten om hun leven zo comfortabel mogelijk te maken. Daarbij vergeten we keer op keer aan die ouderen zelf te vragen of dat wel echt is wat ze willen. In Rebels gaat Ann Peuteman in gesprek met rebellen op leeftijd. Elk op hun eigen manier verzetten ze zich tegen betutteling, doen ze er alles aan om gehoord te worden en vertikken ze het om oud te worden. Hier lees je het woord vooraf van Rebels. Het verzet van 75-plussers.

Lees meer »