Leesfragment: Willem Elsschot in Parijs - Eric Rinckhout

In Willem Elsschot in Parijs neemt Eric Rinckhout ons mee op een wandeling door het Parijs van toen: de metropool van de innovatie, de ville lumière met haar metro, cinema’s, grootwarenhuizen en welig tierende prostitutie. Waar alles te koop was: het geknipte decor voor Elsschots Villa des Roses. Hieronder lees je de eerste hoofdstukken.

Willem Elsschot in Parijs
Eric Rinckhout

ISBN: 9789460019562
Prijs: €22,50


L’Humble vérité heeft Maupassant zijn prachtwerk Une vie ondertiteld, dat zelfde motto zou kunnen passen bij Villa des Roses van W. Elsschot.
Het is met ongemeen talent, zonder de minste aanstellerij, zonder de minste woordkunstelarij beschreven het scherp-comische en schrijnend-tragieke van het alledaagse leven in een Parijs pension. ’t Is door en door vécu. De toon is van ’t begin tot ’t eind zó zuiver volgehouden, dat het werk daar eindelijk staat als een levende brok complexe menselijkheid.’


CYRIEL BUYSSE
3 september 1913
in een brief aan Ary Delen

op zeer interessante wijze. […]
Als anderen uit de tijd stappen, kunnen
wij even lopen in die verdwenen tijd.
Dit tragische, romantische spel, dit
valsspelen met zachte, terugdraaiende
horloges, hebben wij samen nodig.’


KOEN PEETERS
Kamer in Oostende

‘‘We cannot know.’
If used sparingly,
this is one of the strongest phrases
in the biographer’s language.’


JULIAN BARNES
The Man in the Red Coat


Toen ik meer dan tien jaar geleden, gedreven door grote nieuwsgierigheid, voor het eerst door de rue d’Armaillé in Parijs wandelde, dacht ik het voormalige pension Villa des Roses te hebben gevonden. Niet op nummer 71, zoals het in Elsschots debuutroman uit 1913 Villa des Roses staat – zo lang is die straat nu eenmaal niet –, maar op nummer 30 of 32. Het waren de enige panden in de hele straat die opvallend laag waren. Dat klopte met Elsschots beschrijving in de openingsalinea van zijn roman: de Villa had ‘slechts één enkele verdieping’ terwijl de buurt ‘volgebouwd was met huizen van vijf en zes verdiepingen, welke aan weerszijden torenhoog boven de “Villa” uitstaken.’ Was de Villa dan tóch niet gesloopt, in tegenstelling tot wat enkele bevoorrechte getuigen en vrienden van de schrijver later hadden beweerd? Ik kwam er niet meteen uit. Bovendien was het pand dat het meest in aanmerking kwam, nummer 32, veel te statig: twee zijvleugels rond een voorpleintje, een smeedijzeren hek aan de straatkant en een voordeur omlijst met mooie zuiltjes. Dat kon toch niet de eenvoudige, weinig aanzienlijke Villa des Roses zijn?

     Het enige wat ik kon doen, bedacht ik, was een bezoek brengen aan het stadsarchief van Parijs. Dat zou uitsluitsel brengen. Ik dacht toen dat enkele uren opzoekingswerk zouden volstaan.

 

Ik moest daarvoor helemaal naar de andere kant van de stad. Het wat anonieme, moderne gebouw van de Archives de Paris ligt in het noordoosten, op 18 boulevard Sérurier in het xixde arrondissement vlak bij de boulevard Périphérique. Microfilm 2M13-144 bracht vrij snel opheldering: die bevatte de Bottin de Commerce van 1906, de adressenlijst van Parijse handelszaken. De huisnummers 30 en 32 kwamen zo te zien niet in aanmerking. Daarentegen bevond zich in 1906 op het nummer 13 van rue d’Armaillé een ‘pension de famille’ Gersberg, met op hetzelfde adres een wasserij en een arbeidsbureau. Er woonden ook een kunstschilder en een steenkapper. Erg veel volk op één adres. Het enige andere ‘pension de famille’ in de straat was op nummer 17, uitgebaat door een zekere Bridon. ‘Hoera voor nummer 17!’ dacht ik, zoals Laarmans uitroept in Het Dwaallicht. Want lag het niet voor de hand dat de gewiekste Elsschot een fijn rookgordijn had opgetrokken en het huisnummer eenvoudigweg had omgekeerd? Huisnummer 17 was 71 geworden in zijn roman.

     Kort daarna werd mijn vermoeden bevestigd door Peter de Bruijn, die in het Elsschot-archief, dat net overgedragen was aan het Letterenhuis in Antwerpen, een enveloppe met brief had aangetroffen, geadresseerd aan ‘Monsieur Alfons de Ridder, 17 Rue d’Armaillé, Paris’.

     Het ‘pension de famille de premier ordre’ had dus wel degelijk écht bestaan. Althans: De Ridder had op z’n minst verbleven op het adres 17 rue d’Armaillé, in het Quartier des Ternes van het xviide arrondissement van Parijs. Maar was alles in Villa des Roses dan ook echt gebeurd? Willem Elsschot heeft altijd beweerd dat hij geen fantasie had, zoals hij aan Simon Vinkenoog vertelde eind jaren 1950. ‘Hij zegt geen fantasie te bezitten,’ schrijft Vinkenoog, ‘en zoals de Ilias “gebeurd” is, en ook “Hamlet”, zijn ook al zijn boeken “gebeurd”. Ze berusten louter en alleen op de werkelijkheid, nauwelijks aangedikt of tot literatuur gemaakt, soms zelfs verzacht […].’

     Hebben de uitbaters, meneer en mevrouw Brulot, dan ook écht bestaan? Heeft Louise Créteur bestaan? Ze is het mooiste, aandoenlijkste, meest doorvoelde en meest hartveroverende vrouwelijke personage dat Elsschot schiep. En wat met haar laffe minnaar, de hardvochtige, doortrapte Richard Grünewald? En al die andere pensiongasten? Wat is feit en wat is fictie in Villa des Roses, dat schitterende literair bouwwerk dat Elsschot als 28-jarige opgetrokken heeft? Hoeveel Parijs en hoeveel Alfons De Ridder zitten in dat boek? En wat kan ik terugvinden over de periode medio 1906 - eind 1907, toen De Ridder anderhalf jaar in Parijs woonde?

 

Jaren later kan ik eindelijk met enige regelmaat in Parijs verblijven. Het echte onderzoek kan beginnen.

     Het is september en in Parijs schijnt de zon. Ik neem de metro en stap uit in station Charles de Gaulle-Etoile, dat zich onder de wereldberoemde Arc de Triomphe bevindt. Ik laat de gigantische triomfboog achter me en wandel de avenue Carnot in: een van de twaalf brede lanen die de stedenbouwkundige Georges-Eugène baron Haussmann vanaf 1850 als een ster liet aanleggen met de place de l’Etoile als middelpunt. De Arc de Triomphe – ooit ontworpen als megalomaan eerbetoon aan Napoleon – is niet toevallig op een heuvel gebouwd zodat de avenue Carnot licht afhelt naar de rue d’Armaillé, die zich in de verte als een flessenhals aandient. Een opmerkelijk nauwe straat in het verlengde van de brede, chique, met sierlijke bomen afgezoomde avenue Carnot. Zoals Elsschot in zijn openingsalinea schrijft, is de rue d’Armaillé ‘een straat van weinig aanzien’ in het ‘overigens breed aangelegde “Quartier des Ternes”.’

 

Ik diep een oude prentbriefkaart uit mijn tas, afgestempeld op 14 oktober 1906. Toen woonde Alfons De Ridder in Parijs. De twee hoekpanden die de toegang tot de rue d’Armaillé lijken te bewaken, staan er nog steeds. In dat opzicht is er nauwelijks wat veranderd. Links op mijn ansichtkaart bevindt zich een grote handelszaak: een groentewinkel annex poelier, die ‘fruits’, ‘primeurs’ en ‘charcuterie’ aanbiedt en reclame maakt voor ‘Cacao Van Houten’. Wat een toeval dat De Ridder later, begin jaren 20 als hij zakenman is, in alle Belgische stationskiosken reclameplaten zal laten aanbrengen voor chocoladefabriek Kwatta. In 1906 staan veel Parijse huisvrouwen bij de groenteboer aan te schuiven om hun boodschappen te doen: allemaal langgerokt, grote sjaal om de schouders geslagen en hoedje op het hoofd. Meestal in het zwart gekleed: zelfs op zwart-witfoto’s is dat duidelijk te zien. Vandaag is op die plek wijnbar ‘L’Ecluse’. In het kleine hoekpand rechts was toen en is nog altijd een brood- en banketbakker gevestigd.

     Volgens Le Bottin de Commerce bevonden zich in de rue d’Armaillé in 1906 nogal wat uiteenlopende bedrijfjes: een wijnhandel, een schoenlapper, een wasserij, een kledingzaak, een krantenwinkel, een tuinman en enkele fietsherstellers – de fiets was toen een modieus rijtuig. Voor de bakkerij op mijn prentbriefkaart staat een man stil, zijn rechterhand rust op het zadel van zijn bakfiets. Hij kijkt in de richting van de fotograaf, toen nog een bezienswaardigheid. Verder in de straat zie ik koetsen en kleine bestelwagens, voortgetrokken door paarden. Het Quartier des Ternes was duidelijk een drukke, bruisende wijk, een heus dorp te midden van de grote stad Parijs. In deze buurt woonde en wandelde Alfons De Ridder dus aan het begin van de twintigste eeuw.

     Ik stap de nog altijd drukke straat in en stop voor het Hôpital Marmottan, met huisnummer 17-19. Het is een monumentaal, artdecoachtig ziekenhuis in oranjerode baksteen. Een modernistisch gebouw, daterend van de jaren 30, schat ik. Stond op deze plek dan ooit de Villa des Roses? Op mijn oude prentbriefkaart is – zelfs met een loep – de Villa onmogelijk te onderscheiden van de andere gebouwen. Werd het familiepension dan toch gesloopt kort nadat De Ridder er anderhalf jaar had verbleven, en zoals het ook wordt aangekondigd aan het slot van de roman? ‘… over veertien dagen wordt de Villa afgebroken…’

Familiepension

Waar haalde Elsschot de naam ‘Villa des Roses’ vandaan? In de Archives de Paris staat het pension op de microfilms van de Bottin de Commerce 1906 gewoon vermeld als ‘Pension de famille’. Maar behalve het Parijse stadsarchief is er nog een goud mijn: de Bibliothèque Nationale de France bnf heeft met Gallica een digitale bibliotheek én een zeer performante zoekmachine. Daar vind ik dat de Villa wel een naam had én dat de eigenaars van de Villa wel degelijk af en toe adverteerden, in tegenstelling tot wat Elsschot in de roman suggereert. In het Parijse dagblad Le Journal verschenen in maart en september 1906 enkele kleine advertenties. In die laatste maand streek De Ridder neer in Parijs. Heeft hij zich door zo’n advertentie laten verleiden? De Villa werd als volgt aangeprezen: ‘Pension de famille, rue d’Armaillé 17 (Etoile), villa d’Armaillé, conf., grand jardin, depuis 150 fr.’ In sommige advertenties werd gepreciseerd dat het om 150 frank ‘par mois’ ging.

 

De Villa heette dus ‘villa d’Armaillé’ en bood ‘confort’ en een ‘grand jardin’. Dat zweemt enigszins naar de manier waarop de Villa des Roses zich in de roman aanprijst op het grote zwarte bord met gouden letters naast de voordeur.

     150 frank per maand, dat is zo’n 5 frank per dag. Dat bedrag stemt overeen met wat Alfons De Ridder betaalde. Tegenover zijn vriend Fritz Francken verklaarde hij vele jaren later, in 1952: ‘Het was er een paradijs […] Vijf franks per dag, – logé, nourri et blanchi. Vin à discrétion!’

     Het dagblad Le Journal duikt trouwens zelf op in Villa des Roses. Op het einde, als het lot van het pension bezegeld is en de sluiting onafwendbaar, meldt hospita madame Brulot aan haar kostgangers dat ze het adres van haar nieuwe pension kunnen vinden ‘in “Le Journal”, waarin zij drie of vier zaterdagen achterelkaar een bericht plaatsen zou, wanneer alles in orde was.’

     Waar komt de benaming ‘Villa des Roses’ dan vandaan? De Ridder haalde zijn inspiratie voor de fleurige naam eenvoudigweg om de hoek. Op het nummer 9 van de passage Doisy, een doodlopende zijstraat van de rue d’Armaillé, pal tegenover het huidige nummer 17-19, bevond zich het ‘maison de santé chirurgicale du docteur Emile Nitot’. Dat privéhospitaal voerde in 1906 de naam ‘Villa des Roses’. Het oorspronkelijke pand is helaas gesloopt en vervangen door een nieuwbouw.

 

Om maar meteen een misverstand uit de wereld te helpen: een Parijse ‘villa’ was en is geen ‘landhuis’, hoewel Elsschot in de openingsalinea’s schrijft dat de Villa enigszins deed denken ‘aan een gewezen landhuis’. Maar laat er geen twijfel over bestaan: de omschrijving ‘villa’ sloeg vroeger en slaat heden ten dage in Parijs nog steeds op één of meerdere gebouwen die in en om een doodlopende straat – ‘une impasse’ – staan. Ook de doodlopende straat zelf wordt vaak ‘villa’ genoemd. Soms maar niet altijd gaat het om ‘une voie privée’, afgesloten met een hek: zeg maar een ‘gated community’ avant la lettre.

     De Belgische fotografe Karin Borghouts heeft recent die doodlopende Parijse straten geduldig in beeld gebracht. Ze verzamelde er zo’n tweehonderd in haar imposante boek Paris Impasse (2020). In het straatnamenregister staan, naast ‘impasses’, ‘cités’, ‘cours’ en ‘squares’, enkele tientallen ‘villa’s’ opgelijst. In haar boek prijken onder meer de hierboven vermelde passage Doisy en de Villa Guizot, een doodlopend zijstraatje van de rue des Acacias, om de hoek van de rue d’Armaillé. De Villa Guizot werd aangelegd in 1819 maar kreeg haar huidige naam pas in 1936. Daarvoor heette de doodlopende straat Impasse des Acacias. In de Villa Guizot staan – toeval of niet – enkele lage gebouwen, die aan Elsschots pension doen denken.

 

Als ik foto’s sta te nemen van Villa Guizot numéro 1 bis komen twee dames uit het huis naar buiten en vragen me of ik geïnteresseerd ben om het pand te huren. Of ben ik in dienst van een immobiliënkantoor? Als ik antwoord dat ik informatie verzamel over een Villa die zich enkele straten verder bevond, vertellen ze me: ‘O, maar dit pand was ook ooit een klein hotel. Nu zijn het kantoren, twee verdiepingen hoog.’ Juist, ja. Dat doet dus wel héél erg aan Elsschots pension denken.

Buenos Aires of Parijs?

Wanneer, waarom en hoe kwam De Ridder in Parijs terecht? Op 31 augustus 1906 werd de toen 24-jarige Alfons Jozef De Ridder – beroep ‘klerk’ – uit het Antwerpse bevolkingsregister geschreven. Hij vertrok met bestemming ‘Buenos Aires (Zuid-Amerika)’. Zo staat het toch officieel genoteerd, maar daar kwam hij om onduidelijke redenen nooit aan.

     Buenos Aires was op dat moment de belangrijkste haven van Zuid-Amerika en Argentinië hét immigratieland bij uitstek, zoals De Ridder jaren later zelf zou schrijven in het artikel ‘La République Argentine’, gepubliceerd in 1912 in La Revue Générale Illustrée, het legendarische tijdschrift dat Elsschot als het Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen vereeuwigde in zijn roman Lijmen (1923).

     Argentinië ontving tussen 1900 en 1912 maar liefst twee miljoen migranten op een bevolking van zeven miljoen inwoners. Een niet onbelangrijk detail: De Ridder sprak uitstekend Spaans, zoals blijkt uit zijn studieresultaten van het Institut Supérieur de Commerce d’Anvers, het zogeheten Handelsgesticht. Hij was er ingeschreven van 1901 tot 1904 en in zijn laatste jaar studeerde hij af als primus van zijn klas met het diploma ‘Licencié du degré supérieur en sciences commerciales et consulaires’. Voor het vak Spaans haalde hij een 9 op 10, zowel voor zijn mondeling als voor zijn schriftelijk eindexamen. Hij zou zich dus in Argentinië zeker uit de slag kunnen trekken.

     Hij stapte in Antwerpen niét op een schip naar Buenos Aires maar nam de trein naar Parijs, een stad die toentertijd zeker een aanlokkelijk alternatief was. Vermoedelijk was daarbij een zekere Alfredo H. Bustos in het spel, over wie later meer.

 

Er was natuurlijk de aantrekkingskracht van Parijs zelf… In het begin van de twintigste eeuw was Parijs met zijn bijna drie miljoen inwoners nog altijd dé magneet van Europa, hoewel de stad al op diverse vlakken voorbijgestoken was door het grotere Londen, het financiële hart van de wereld, en Berlijn, met zijn belangrijker industriële en wetenschappelijke activiteit.

     Parijs was nu eenmaal dé broedplaats van artistieke creativiteit met avant-gardekunstenaars als Picasso en Matisse, de kunststad bij uitstek met de impressionisten en het toen al mythische Montmartre en bovendien ‘la ville lumière’, een imago dat de stad te danken had aan de Wereldtentoonstelling van 1900, die in een overdaad aan elektrisch licht had gebaad. Het Paleis van de Elektriciteit werd verlicht door vijfduizend gloeilampen en zoeklichten hadden de kracht van driehonderd miljoen kaarsen. De in totaal vijftig miljoen bezoekers stonden er met hun ogen te knipperen. Elektriciteit was een revolutionaire nieuwigheid waardoor de stad probleemloos 24 uur op 24 kon leven. Decennia voor New York was Parijs al ‘the city that never sleeps’.

     Parijs was daarenboven de metropool van de innovatie door zijn splinternieuwe metro, zijn hypermoderne buizenpost – de ‘pneumatiek’, die opduikt in Villa des Roses –, zijn cinema’s – de gloednieuwe uitvinding van de gebroeders Lumière dateerde nog maar van 1895 – en natuurlijk de Eiffeltoren, die als ongenaakbaar symbool van moderniteit opgetrokken was in 1889, zo’n vijftien jaar voor de aankomst van Alfons De Ridder. In zijn standaardwerk The Shock of the New noemt kunstcriticus Robert Hughes de Eiffeltoren ‘the one structure that seemed to gather all the meanings of modernity together.’

 

Parijs maakte een verpletterende indruk als stad van winkelgalerijen en warenhuizen, die hun dure waren uitstalden onder imposante koepels van glas en ijzer, ‘dat nergens zo kwistig en kunstig werd gebruikt’, aldus Geert Mak in zijn boek In Europa. Het was de stad van Haussmann, die met brede boulevards en eindeloze zichtlijnen Parijs een overweldigende orde had opgelegd en er zo de moderne metropolis van Europa van had gemaakt.

     Niet in de laatste plaats was Parijs de stad van het grenzeloze vertier, een droomwereld waar de kapitalistische wareneconomie breed werd uitgestald en de bourgeoisie door de koopwaar in vervoering was gebracht. Dit zijn uitspraken van de Duitse filosoof Walter Benjamin in navolging van de Franse schrijver Charles Baudelaire. In hun vaarwater schrijft Eric Min in zijn boek Gare du Nord. Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs 1850-1950: ‘In een theatrale setting is hier alles te koop’ en ‘Winkelparadijzen als Le Printemps, Les Grands Magasins du Louvre, La Samaritaine of Au Bon Marché […] fungeerden als de kathedralen van de moderne handel.’

     Alles was dus in Parijs te koop, niet het minst de liefde. Parijs stond immers bekend als de stad van gewillige vrouwen, vrije seks en betaalde liefde. Zo denkt Richard Grünewald dat hij de dienstmeisjes van de Villa kan versieren door hun enkele glaasjes triple-sec aan te bieden. Vervolgens is hij diep ontgoocheld als ze niet meteen op zijn avances ingaan. ‘De meisjes zijn hier heel anders dan in Breslau verteld wordt’, bedenkt hij zuur. De vrouwen van Parijs hadden nu eenmaal een andere reputatie… Niet toevallig roemt de legendarische Baedeker-gids Paris et ses environs in zijn edities van 1903 en 1907 de stad als ‘la séductrice’ en ‘une ville de plaisir, toujours en fête’.

     De ‘Guide des plaisirs à Paris’ – die titel alleen al – deed er in 1908 nog een schepje bovenop: uitvoerig geïllustreerd met foto’s die de vrouwelijke verleiding extra accentueren, wordt Parijs getypeerd als ‘la grande ville, qui crie, qui chante, qui mange, qui boit, qui se trémousse et qui danse jusqu’à l’aube’. En: ‘On a de Paris une vision sardanapalesque, qui le grave pour toujours dans l’oeil et la mémoire. C’est le grand banquet de la joie et du plaisir […].’

     Uitgesmeerd over 245 pagina’s worden alle gastronomische en vleselijke geneugten van Parijs bezongen, samen met allerlei rijkelijk dubbelzinnige raadgevingen die ervoor moeten zorgen dat de argeloze maar geile burger c.q. toerist, gelokt door de zoete zonde, niet ten prooi zou vallen aan bedrog en diefstal. Tegelijk worden toch maar mooi alle ‘dubieuze’ en dus ‘interessante’

adressen vermeld.

     Eric Min schrijft dat in de ‘verhitte verbeelding’ van de ‘artiesten, burgers en buitenlui die naar de Franse hoofdstad trekken’ Parijs ‘een zedeloze, redeloze plek en een theater van seksuele attracties’ is, terwijl Luc Sante in zijn boek Het andere Parijs kortweg meldt: ‘Prostitutie, een fenomeen zo oud als de handel en het reizen, wordt in de populaire cultuur al zo lang geassocieerd met Parijs dat je haast de indruk krijgt dat het er werd uitgevonden.’


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Wij zijn de optimisten - Jelle Dehaes

Wij zijn de optimisten is de debuutroman van Jelle Dehaes. Het is een verhaal over het verlangen naar verbinding en houvast in ons leven, over psychische kwetsbaarheid in een tijd waarin de snelheid van technologie en media lijkt te overheersen. Lees hier, als voorproefje, hoofdstuk 37 uit het boek.

Lees meer »

Leesfragment: Drijven - Myrthe van Velden & Lander Severins

Drijven is een realistisch relaas van twee theatermakers aan het begin van hun carrière wier relatie op de klippen loopt. Een pakkend en bezielend verhaal, gebaseerd op het parcours van de schrijvers zelf, over het onvermogen om vast te houden en de angst om los te laten, en bovenal over halsstarrig willen blijven proberen. Ontdek hier een voorproefje.

Lees meer »

Leesfragment: Vrijstaat Lux - Mathias Pagnaer

In Vrijstaat Lux sticht een groep dertigers een leefgemeenschap waarin ieder individu zijn specifieke eigenheid mag ontplooien. Door een uitgekiende socialemediastrategie groeit hun project uit tot een bastion voor ‘zoekenden’ en buitenbeentjes die nooit binnenbeentjes zullen worden. Al blijkt dit buitensporige succes uiteindelijk meer een vloek dan een zegen. Lees hier het eerste hoofdstuk van de debuutroman van Mathias Pagnaer.

Lees meer »

Leesfragment: Besloten stad - Jos Pierreux

Maart 2020, COVID-19 lockdown. De mondaine badplaats Knokke verandert in een spookstad, zijn inwoners zijn voorzichtig bij alles wat ze doen. De speurders werken maximaal van thuis uit. Wanneer in het Koningsbos een anoniem lijk wordt aangetroffen, zit rechercheur Stefaan Athenus met de handen in het haar. Door de pandemie is de politiebrigade onderbemand en er daagt geen versterking op. De brigadier dient te improviseren. Lees hier het eerste hoofdstuk.

Lees meer »