Leesfragment: Bart Stouten over Proust & Beckett

In Bart Stouten over Proust & Beckett keert Bart Stouten terug naar zijn grote literaire liefdes die hem een leven lang inspireerden: Beckett en Proust. Hij bezoekt opnieuw Parijs, waar hij als jongeman op zoek ging naar overgebleven 'levende' sporen van beide auteurs. Kom alvast in de sfeer en lees hier de inleiding van het boek.


Bart Stouten over Proust & Beckett
Bart Stouten

ISBN: 9789460019746
Prijs: €20,99


1. Inleiding

 

Heb je dat ook, het gevoel nooit spijt te krijgen van wie je hebt bemind, hoe wreedaardig je ook werd afgewezen, hoe ongenadig ook de tijd is omgegaan met zijn of haar fysieke schoonheid, wanneer je het beminde wezen jaren later toevallig tegen het verouderde lijf loopt? Je zou iets moois willen formuleren, een ‘dank je om je schoonheid van weleer’, maar iets
weerhoudt je, een angst dat die woorden als een abdicatie zullen klinken, een omkering, een ‘god zeg, wat ben je veranderd!’, terwijl je alleen de dankbaarheid wil uiten dat er zich in de tijd ooit een moment heeft voorgedaan waarop het lichaam dat voor je staat een hint van paradijs belichaamde. Meestal zeg je dan gewoon, bang en schuw en gegeneerd door de situatie van nieuwsgierig pierende omstanders: ‘O nee, maar ... wat een toeval ... hoe gaat het met je?’ terwijl het beminde wezen veel liever een eerlijke versie van jezelf zou krijgen: ‘O nee, maar ... wat een toeval ... jij, die ik altijd heb willen weerzien!’ Ik weet niet of je dat gevoel herkent, maar eerlijk gezegd hoop ik van wel.
         Het is niet anders met de boeken die je hebt liefgehad. Je vindt ze beduimeld weer in de bibliotheek, prachtig heruitgegeven in de boekhandel, achteloos gedumpt in de wachtkamer van je huisarts. Daar ligt een meesterwerk dat ooit in staat was om je compleet binnenstebuiten te keren. Nu, een paar decennia later, voel je geen aandrang meer om opnieuw
kennis te maken. Herontdekking lijkt een illusie en de tijd die je zou kunnen nemen om dat te verifiëren, een nodeloze verspilling. Maar net zoals het oud geworden liefje nog nagloeit in een achtergebleven passioneel vuur, is de herinnering aan de tekst die ligt te glimmen op het bijzettafeltje een heerlijke sprankel van vergeten vreugde. Je zou het niet over je hart krijgen om enkele bladzijden op te slaan en dan zuchtend te besluiten dat je je niet meer thuis voelt in het boek. Maar je voelt je áltijd nog thuis in de boeken die je veranderd hebben.


* * *


Ik herinner me wat nooit gebeurd is. Ik heb nooit Marcel Proust ontmoet. Samuel Beckett evenmin. En toch herinner ik me alles. Het is alsof ze bij me zitten, hier en nu. Meelezen over mijn schouder. Benieuwd naar wat ik zeggen ga over hen, mijn vrienden.
Ik moet even de tijd nemen.
         Wie ook meelezen, zijn de academici. De Beckett- en Proustkenners. Alle respect voor hen. Wie ben ik om hen naar de kroon te steken? Maar ik heb mezelf beloofd om me niet te culpabiliseren met het gevoel dat ik zwijgen moet over de betekenis van Beckett en Proust in mijn leven. Hun impact is te groot geweest, hun blijvende betekenis te mooi.
         Wat ik met tijd heb, ik weet het niet. Tijd, daar sta je niet bij stil. Tijd overkomt je, tot je je afvraagt waar hij gebleven is. Dan lijkt het alsof je slordig geweest bent.
         Er is weer wat zand van de tijd weggegleden. Wordt tijd gedefinieerd door het horloge om je pols? Bekijk de zandloper. Mediteer over de zandloper, die zelf een soort meditatie is (dit is een doordenkertje). Een klein haartje in het zand, een strootje, een paar te dikke korrels, een iets te groot gat, wat gebeurt er dan met de tijd? Ik doe een beroep op de metafoor van de zandloper, omdat de tijd daarbinnen gevangen zit. Omdat heden, verleden en toekomst binnenin die zandloper samen bestaan. Tijd is als een partituurbladzijde. Heel je leven is tastbaar. Heel je leven is tastbare muziek.
         Er staat een klokje in mijn bibliotheek, in de onmiddellijke buurt van Proust, waar het thuishoort, denk ik maar. Probeer het je voor te stellen. Het ziet eruit als een grote luciferdoos, een muisstil object dat met een zacht bibberende wijzer van seconde naar seconde glijdt. De exacte tijd wordt vanuit Duitsland geregisseerd: een langegolfzender in Meinflingen, midden-Duitsland, zendt een tijdsignaal uit dat afkomstig is van enkele feilloze atoomklokken, en dat signaal pikt mijn klokje op. Rare dingen zie ik het doen: soms bedenkt de secondewijzer zich, staat een hele poos stil om dan pijlsnel naar een segment te spurten, ver verwijderd van die plek; in een soort deemoedige inhaalbeweging spurt de wijzer met twee, drie seconden tegelijk naar de juiste tijd die hij uit het oog verloren was. De bestaansreden van het klokje werd veronachtzaamd, er is geen ontkomen aan de plicht om uiterst precies te blijven. Wie die precisie nodig heeft, in deze kamer waar ik graag mors met tijd, weet ik niet. Maar dat het klokje niet anders kan dan zichzelf te corrigeren voor de geringste deviatie van de enige tijd die sterren op hun plaats houdt, dat maakt het tot een precieuze aanwezigheid op de plank van Proust.


* * *

 

                                         A. Wie is Proust?
Wie is Proust? Goede vraag. Vergeef me het antwoord voor wie Proust niet kent. Voor wie nog nooit over de naam Proust gehoord zou hebben. Een spoedcursus Proust serveren druist in tegen zijn eigen neiging om alle tijd te ‘nemen’ – tijd om elk detail een plaats te geven, elke psychologische kronkel, elke ontwikkeling in de psyche. Maar laat ik toch een poging wagen. Een poging om Proust te reduceren tot een paar wezenstrekken, opdat een (wellicht virtuele) niet-geïnformeerde lezer zich enig idee kan vormen over wie we het nu eigenlijk hebben. Tegelijk zullen die elementen mijn bespiegelingen straks gaan aandrijven. Want het zijn clichés die om een ontmaskering smeken. Hier komen ze.
         Marcel Proust is de auteur van een van de langste romans die ooit geschreven werd, A la Recherche du Temps Perdu. Oké, de zeventiende-eeuwse Artamène ou le Grand Cyrus van broer en zus Georges en Madeleine de Scudéry, een boek dat moed en moraal portretteert bij oneindig veel kleurrijke personages in alle sociale geledingen, helaas een beetje op een
eendimensionale manier, is met 7500 pagina’s vijf keer zo dik.
         Het onderwerp van A la Recherche du Temps Perdu is de coming of age van de verteller als schrijver. Hij is praatziek, dunkt me, al praat hij minder tegen ons, zijn lezers (hij is geen hysterische Max Havelaar), nee, hij is eerder de kletsmajoor die zijn gedachten en gevoelens van lopend commentaar voorziet. Hij heeft vooral iets van een zeurpiet, hij is overgevoelig, komt zelden buiten, blijft liever in bed, in zijn met kurk beklede kamer, onder vijf donsdekens. Hij is een mama’s-kind, een verkapte dandy. Maar hij weet dat allemaal wel. En hij behandelt die zaken als thematiek in zijn boek.
         Het boek gaat over de zoektocht naar vorm en inhoud van datzelfde boek. Alleen maar daarover? Nee, het levert om te beginnen veel commentaar bij eerdere vormen en inhouden, bij andere, oudere boeken dus. Het boek gedraagt zich als een bibliotheek waarin we als lezer onze favoriete auteur opzoeken: Honoré de Balzac, Fjodor Dostojevski, Charles Baudelaire, François René de Chateaubriand, Mme de Sévigné, Jean Racine. Zo is er bijvoorbeeld Prousts complexe, hoogmoedige, nichterige personage Charlus, de verwijfde, seksueel geobsedeerde masochist die Proust doorheen zijn roman op zoek laat gaan naar de meest argeloze prooien voor zijn bizarre lusten: hij zou verloren zijn zonder Balzacs hypermannelijke,
meesterlijk criminele personage Vautrin. Net zoals de verteller Marcel Proust ook verloren zou zijn zonder zijn dagelijkse portie Racine.
         De inhoud van de Recherche is een verstrengeling van thema’s als liefde en eenzaamheid, kunst en afleiding, ontmaskering van illusies en desillusies. Hoe haken ze in elkaar? De samenhang is het meest dwingende oogmerk van Prousts alwetende aanpak.
         Om de betekenis van de proustiaanse liefde te begrijpen moet je eerst analyseren hoe Proust tegen het leven aankijkt. Die kijk is in wezen boeddhistisch. Leven is voor Proust lijden. De bron van dat lijden is de begeerte. Alleen het blussen van het verlangen zou ons, volgens het boeddhistische principe, van dat lijden kunnen verlossen. Gelukkig is er de Gewoonte (met een hoofdletter G) die dat lijden onzichtbaar maakt. De Gewoonte is tegelijk veiligheidsagent en minister van verveling: ze verveelt ons, maar ze leidt ons ook af van en behoedt ons voor het lijden. Essentieel is nu dat de wetten van het leven, de waarheid – de prajna om het boeddhistisch uit te drukken – zichtbaar worden wanneer de werking van de Gewoonte buitenspel wordt gezet.
En dat zal gebeuren door de liefde.
         Liefde doorbreekt die Gewoonte. ‘Dès qu’on aime une femme, on n’aime plus personne.’ Dus alle energie gaat naar die liefde, zoals naar een zwart gat, en de Gewoonte wordt doorbroken.
         Hoe ontstaat die liefde? Proust zegt: meestal door toevalligheden. De liefde richt zich op een onbekende
vrouw die dan beladen wordt met subjectieve indrukken: een verliefde sluit zijn liefde op in zijn
verbeelding, hij verdicht haar – dat wil zeggen: hij omhelst haar met zijn ideeën, ketent haar met zijn verlangens, verstikt haar met een schoonheid die hij rond haar weeft. ‘C’est surtout l’imagination et l’art qui se mettent au service de la passion.’ Hier is het de gelijkenis van een liefdesidool uit de Recherche met een mythisch personage uit de grote schilderkunst, die het liefdeswonder ontketent – de gelijkenis van het eerder ongevoelige, vulgaire maar wel mooie hoertje Odette, met Sippora, een van de dochters van de schoonvader van Mozes, Jetro, onsterfelijk gemaakt door Botticelli in een fresco van de Sixtijnse Kapel.
Proust maakt van haar – hij verheft haar tot – een kunstwerk.
         Maar de liefde wordt niet aangewakkerd door de positieve hoedanigheden van de beminde – ‘On n’aime pas une femme parce qu’on estime ses qualités, mais parce qu’on ignore tout d’elle’ (mijn cursivering, bs) – wel door een negatieve kracht, de jaloezie. ‘La jalousie naît de l’ignorance du temps de l’être aimé. Ce qui est terrible, c’est de ne pas savoir.’ Dus de liefde staat in functie van een negativum. Hoe groter de twijfels aan de geliefde, hoe groter de jaloezie, hoe groter de liefde. De beminde wordt een ‘être de fuite’. Liefde drukt een afstand uit. Een kloof.
         De dramatische en inherente onmogelijkheid van de liefde vat Proust samen in de volgende zin, en die geef ik hier in vertaling omdat hij zo ad rem is: ‘Waar halen we de moed vandaan om te willen leven, hoe kunnen we een stap doen om onszelf te behoeden voor de dood, in een wereld waarin de liefde wordt uitgelokt door een leugen en alleen maar bestaat uit de behoefte ons lijden te laten verzachten door een willekeurig wezen dat ons heeft doen lijden?’
         De beminde personages zullen altijd vluchten uit onze sentimentele gevangenis, vandaar de titels La Prisonnière en La fugitive. Het vluchten is op z’n mooist in de Recherche wanneer een personage, Albertine, wil leren vliegen. Al sedert Icarus staat het vliegen symbool voor een vrijheidsverlangen. De vlieglessen komen er wel, maar zoals elke liefde eindigt die van het meisje dat vlieglessen neemt in de dood. De liefde eindigt letterlijk in een vliegtuigongeval. Liefde krijgt nooit een kans in de wereld van Proust. Het einde is altijd een letterlijke of een overdrachtelijke dood, een scheiding.
         De allermooiste zin over de liefde vind ik overigens in het tweede deel van de Recherche, A l’Ombre des Jeunes Filles en Fleurs. Daar zegt Proust: ‘L’amour commence, on voudrait rester pour celle qu’on aime l’inconnu qu’elle peut aimer mais on a besoin d’elle, on a besoin de toucher moins son corps que son attention, son coeur.’
         Proust was een homo die zijn ware seksualiteit in deze roman verstopte. Het gerucht doet de ronde dat Proust jongens in meisjes veranderde, en vice versa. Waarom deed hij dat? En waarom gooide hij opeens de verborgen deuren open, om ons een brandende hel van zelfhaat te tonen?
         Proust is homo, maar hij leeft lang voor Christopher Isherwood, Yukio Mishima, Henry James of Edmund White. Hij verstopt zijn seksualiteit en gewaagt eufemistisch van ‘amitiés amoureuses’. Ook die conditie van hem is toch een handicap in het eerlijk peilen van zijn zielenwereld en het opzoeken van artistieke diepte, en al stelt Proust dan wel dat je homoseksuele liefde zomaar door heteroseksuele liefde kunt vervangen in een tekst, ik ben er niet zo zeker van of we dat met de literaire gevoeligheden van vandaag nog kunnen onderschrijven.
         Wel denk ik dat homoseksualiteit in de Recherche een krachtige metafoor biedt voor de inherente onmogelijkheid van de liefde. Proust argumenteert namelijk dat homo’s nog sterker dan hetero’s die onmogelijkheid aan den lijve ondervinden. Ze jagen de echte man na, maar kunnen die per definitie niet vinden, want de echte man is geïnteresseerd in vrouwen. Liefde is altijd de pathologische expressie van een gemis. Dat gemis kan niet groter zijn dan in de homoseksuele liefde. Daar heeft hij beslist een punt.
         Niet alleen Prousts homoseksualiteit, maar ook zijn astma verplicht hem tot een zonderling, teruggetrokken leven dat zich ‘s nachts voltrekt, omdat hij dan geen hinder heeft van de daggeluiden. De astma zal inspelen op zijn introverte aard, en die tekent natuurlijk heel zijn werk. Ook Prousts aangeboren luiheid speelt daarop in. Zijn luiheid laat zijn fantasie de vrije loop. De Recherche is in zekere zin een ode aan de verbeelding. Dit boek moet het Proust vergunnen om het soort leven te leiden dat hem ontzegd is in de werkelijkheid.
         Proust gaf immens veel geld uit. En toch kwam hij in 1896 niet opdagen voor de enige job die hem werd aangeboden, die van bibliothecaris van de Bibliothèque Mazarine. Al mogen we hem ten eeuwigen dage dankbaar zijn dat hij zijn tijd aan een mooi boek schonk.
         Maar bovenal:
         Proust schrijft in doorgaans ellenlange zinnen, die het hem mogelijk maken om weer te geven wat zich tegelijkertijd voltrekt in het bewustzijn van de waarnemer. Soms duren die zinnen meerdere bladzijden, wat Proust heel vermoeiend maakt. Hoe houd je dat vol? Door op te gaan in de muziek, denk ik, van stem en tegenstem, meander na meander in een muzikale stroom. 
         Stel, ik ben Proust en begin een boek met het onderwerp van mijn klokje. Dan zou de inleiding hierboven als volgt klinken – een dertigtal woorden zijn er een honderdtal geworden, terwijl er maar twee zinnen staan:
         Tijd, daar heb ik vele jaren van mijn leven geen aandacht aan geschonken. Zoals het gevoel dat je moet overvallen wanneer je een inbreker zijn gang laat gaan, er niet bij stilstaand dat je dan in een leeg huis zal eindigen, zou ik mezelf nu moeten berispen, veronderstel ik, dat ik niet streng genoeg de hand gehouden heb aan die tijd, terwijl ik vaststel dat ik me vandaag, als een oud geworden man, begin af te vragen waar de tijd gebleven is, als was die tijd een griepje dat me zomaar overkomen is als een plaag waarvan ik pas laat de desastreuze effecten vaststel.
         Zo is Proust. Hij haalt er beelden bij, werkt vergelijkingen uit, maar vooral: hij maakt muziek met zijn zinnen. Golvende muziek. Dat is het eerste wat je opvalt. Die golvende muziek van het laatnegentiende-eeuwse decadentisme, die Proust zelden naar de explosies van de aanstormende avant-gardebewegingen van het opkomende modernisme doet verlangen, maar hem eerder doet mediteren over de blijvende verdiensten van de literatuur en schilderkunst van de romantiek.

 

                                         B. Wie is Beckett?
En hoe zit het met Samuel Beckett? Laten we dezelfde oefening voor hem uitwerken. Uiteindelijk heb  ik Beckett en Proust samengebracht. Mijn essay zal moeten uitleggen waarom. Wie is Beckett voor de niet-ingewijde?
         Een verlaten, kale boom in de schemering. Een haveloze man die zijn laars wil uitdoen. Daar komt Vladimir, een vriend, die hem eraan herinnert dat dit de plek is om te wachten op Godot. Waarom uitgerekend daar, bij die boom? Wanneer zal hij komen, waarom blijven ze wachten, en wie is die Godot? Wachten ze wel bij de juiste boom? En vooral: wat moeten de personages ondertussen doen in dit toneelstuk dat het moderne drama binnenstebuiten zal keren? Daar heb je de vragen die Beckett als een motor laat draaien om zijn stuk heel raadselachtig te krijgen: de steeds cryptischer wordende dialoog duwt het stuk in de richting van het theater van het absurde. Alleen, zoals ik straks zal uitleggen, hield Beckett niet van dat label dat gehanteerd werd door kunstenaars op zoek naar futiele betekenis in de verwoesting die de oorlog had achtergelaten. Absurdisme beoogde in het theater een deconstructie van plot, personage en taal om hun betekenis in vraag te stellen en die fundamentele onzekerheid tot een thema te maken op de bühne. Zelfs Beckett zou niet durven ontkennen dat die ontwrichtende krachten aan het werk zijn in Godot.
         Beckett is de auteur die je doet nadenken over de ongrijpbare Godot. Met creatief gestoei van dada tot Didi: met elementen van de antikunststroming (dada) tot het creatief gebrabbel van een personage (Didi) dat je entertaint terwijl je wacht op een god die afwezig is en misschien ook afwezig blijft.
         Becketts schrijverscarrière vertelt over een exuberante schrijver die een grote zwijger werd. Hij begon zijn carrière met grappige romans over babbelzieke clochards en eindigde die met tableau-achtig toneel over kwellende schimmen met stille woorden.
         Een mooie machtssfeer, waarbinnen fysieke en spirituele krachten op elkaar reageren, is het oeuvre van Beckett, met dominante invloed van de Italiaanse dichter Dante, de Franse filosoof René Descartes en zijn land- en tijdgenoot James Joyce. In die machtssfeer onderzoekt Beckett essentiële aspecten van de menselijke ervaring, hij beschrijft de mens in confrontatie met zichzelf, los van sociale relaties, bezit en sociale welstand. Hoe kan hij daar humor uit puren? Al bij al valt er met die dingen weinig te lachen, terwijl Beckett dat toch wel doet, de hele tijd. Het is sterker dan hemzelf. Het komt door de taal, die tegen zichzelf wordt uitgespeeld.
         Beckett ontbeent de realiteit in woorden die steeds kariger worden. Hij duwt de taal in de richting van de stilte. Maar hoe moeten we omgaan met die groeiende densiteit van de taal, die steeds meer met steeds minder verwoordt, of althans steeds beter de uitdrukking benadert ‘dat er niets uit te drukken valt’?
         Stel dat Beckett deze tekst was begonnen. Dan zou die ongeveer zo klinken:
         Tijd. Tijd rolt. Rolt voorbij. Snel. Haalt je in. Steeds sneller. Tot je je aandacht verliest. En Tijd uit het zicht verdwenen is. Daar ergens. Onzichtbaar in je hoofd. Hoofd van de oude man die je bent geworden. Die zich afvraagt waar de tijd gebleven is. Hier. Hier aan het einde van zijn Tijd. In een tekst die vergeefs stilstaat. Vergeefs probeert terug te blikken. Naar wie het was. Wie je bent geweest. Wie de man was voor hij, oud en versleten, geen benul had van Tijd. 


* * *


                                         C. Enkele smaakmakers
In een rustige wijk van Parijs zoek ik het onlangs gerenoveerde retrorestaurant Bonaparte op. Hout domineert, cocktails en whiskeys zetten de wat elitaire toon. Ik aarzel tussen een caesarsalade en een niçoise met tonijn, het zijn de meest betaalbare gerechten op de mooi gekalligrafeerde kaart. Daar zijn de amuse-gueules: palourdes au beurre (geen idee) en petitfours (klinkt me te zoet in de oren). Terwijl de ober tussen de ronde tafeltjes walst, scan ik in mijn hoofd mijn schrijfplannen voor vandaag.
         Eerst even, om de materie op gang te brengen, enkele gedachten die me, ook in tijden zonder schrijfplannen, steeds doen terugkeren naar Beckett en Proust. Zie deze gedachten als madeleines waarvan de smaak, via de herinnering, op onverwachte momenten zal terugkeren in mijn tekst.

1. Beckett liet zijn oeuvre geboren worden in de duistere complexiteit van zijn eigen karakter, zijn eigen depressiviteit, die een spiegel werd voor het gevoel van ontheemding in een door oorlog verwoest Europa. Maar wat dat laatste betreft, was Beckett geen T.S. Eliot. Hij hield zelfs manifest níét van die meest gevierde dichter van de twintigste eeuw, T.S. Eliot, zo vertelde mij aan het begin van de jaren negentig zijn maîtresse Barbara Bray (ik kom dadelijk op haar terug). Ik zal haar uitspraken tegen het licht houden van een gevoel dat beide modernisten ervaren – het gevoel verdreven te zijn uit een paradijs – en proberen te begrijpen waarom het niet klikt tussen de vroege modernist Eliot en de late modernist Beckett.
         Prousts proza rouwt altijd om het verloren paradijs en vraagt het geheugen om te spreken of te huilen. Proust ging op zijn beurt vooral te rade in de diepte van zijn bewustzijn om zijn angoisse extasié, het drama van de eenzaamheid na de dood van zijn ouders, een plaats te geven. Dat is alleszins een situatie die ik zelf, vroeg in mijn leven van mijn ouders en zusje beroofd, helemaal herken.

2. ‘No symbols where none intended’, stelde Beckett, daarmee waarschuwend voor een al te overdrachtelijke interpretatie van zijn teksten. Acteurs staan alleen op de bühne, het betekent dan niet dat ze alleen maar hun eenzaamheid verwoorden in de existentiële leegte. Becketts teksten zijn geen kopieën van elkaar, teksten met een overduidelijke, monolithische betekenis die schrijnend en onontkoombaar zou zijn: Beckett voelde niets voor de enscenering van de mens als een Sisyphus met een loodzware steen, waarin we meteen de draaglast van onze zware routine moeten herkennen. Beckett is geen Camus. Wat me opvalt, is dat hij vooral uit is op humor. Onovertroffen humor. Opnieuw mijn vraag: wat valt er eigenlijk te lachen met het menselijk leed? Humor is een uitweg, een manier om te verzilveren wat anders onuitstaanbaar zou zijn. De donkerste momenten van het leven overleef je door ze luchtig te maken met humor. Humor is een manier om ermee om te gaan, in de geneeskunde spreek je dan van een copingmechanisme, een gekietel van de geest dat je doet lachen met het onverwachte. Stress wordt ontladen, een teveel aan cortisol en adrenaline wordt afgevoerd. Humor is een uitlaatklep voor onleefbare
emoties of ontsnapt aan een gevoel van opluchting dat ons een groter lijden bespaard blijft.

3. Proust laat zijn verteller een madeleinekoekje dopen in de thee, en via de smaakherkenning – vanwaar ken ik die smaak ook alweer? – een rechtstreekse duik nemen in een vergeten gewaand brokje tijd uit zijn jeugd (de vakantietijd bij tante Léonie), waar filosofische essenties op opheldering wachten. Maar Proust heeft na dat voorsmaakje te zeer de smaak van een triomf over de herwonnen tijd te pakken om nog langer te treuren over vergankelijkheid. Het is trouwens de hang naar deze triomf die zijn race door duizenden bladzijden motiveert. Leven, voor Proust, is lang niet alleen een zandlopertje spelen en geduldig wachten op de val van de laatste zandkorrel. Dat is wel heel anders bij Beckett, waar geldt: ‘the end is in the beginning’.

4. Beckett, weet ik van zijn maîtresse, was geen heilige, zoals hij maar al te vaak geportretteerd wordt. Hij verstopte zijn ware gevoelens graag achter een façade van vriendelijkheid, stelde zijn vertrouwen slechts in een handvol intimi. Bovendien voelde hij zich een schim in (of zo je wil outsider van) zijn eigen leven, zodat het ook altijd maar weer de vraag is met welke Beckett je te doen hebt. Dat maakt het ‘raadsel Beckett’ er niet eenvoudiger op.

5. En verder. Proust heeft me door een microscoop leren kijken, naar alle kleine details die ertoe doen in een mensenleven; Beckett heeft er een telescoop voor in de plaats gesteld: hij nam afstand en hield zijn pen ‘tegelijk op de lege bladzijde en daarboven in de kosmos’. Decennialang bewonderde ik de sterren die zijn woorden zijn, een verblindend mooi uitspansel dat alleen de immense leegte tussen de atomen liet zien. Ja, ik heb het over zijn verblindende taal. Becketts dialogen zijn van goud,
zelfs wanneer hun inhoud over beschamende contactarmoede gaat, over de twijfels tussen het zelf en het geweten, tussen het geweten en een verdwenen god. Het is altijd bittere ernst bij Beckett, maar die wordt dus luchtig gemaakt door aanstekelijke humor, uitgerekend wanneer de zoveelste pijnzenuw wordt geraakt.

6. Proust reikte me het mooiste voorbeeld aan van hoe je de scherven van je ongeluk kan bijeenvegen en oprapen, hoe je je omgang met een verzonken wereld een plaats kan geven door op een zuivere, sensueel aantrekkelijke, waarlijk artistieke wijze de essenties van die wereld bloot te leggen. Proust doet dat in lange zinnen. Heel erg lange zinnen. Eindeloos lange zinnen.
         Becketts ‘mes van het nee’, waarmee hij valse zekerheden heeft weggesneden, was een scherp breekmes dat de zinsbouw elliptisch maakte: de korte zinnetjes, ontbeend van alle overtolligheid, soms zelfs ontdaan van onderwerp of werkwoord, leken haast een sloganeske reactie op Prousts ‘eindeloos teveel’.

7. Hoe kan het dat de ‘subjectieve’ ik-verteller van Proust die de hele kosmos van het eigen bewustzijn wil scannen plots, in het Recherche-deel over de liefde van Swann, ook alles afweet van de voorgeschiedenis van Swann en Odette, met alle details erop en eraan? Waarom vergrijpt die ik-verteller zich dan opeens aan een imitatie van de alleswetende verteller van voor het modernisme? Marcel heeft een opvallende neiging om te verdwijnen als verteller van A la Recherche du Temps Perdu telkens als Prousts verborgen agenda de alwetendheid veronderstelt of zelfs eist die zijn verteller hem ontkent. In het deel Un Amour de Swann weet de verteller bijvoorbeeld niet alleen perfect alles te verwoorden wat omgaat in het hoofd van Swann, hij kan ook integraal beschrijven wat zijn beminde, het hoertje Odette, ondertussen overpeinst en voelt, tot in de kleinste finesses. Zelfs heel het verleden van Swann en Odette wordt haarfijn gefileerd, in een detail dat Marcel-de-subjectieve-verteller niet alleen ‘van horen zeggen’ kan hebben. Idem voor de hoofden en verledens van de bekrompen Verdurin-familie. Mijn enige probleem
met de verteller Proust is dat hij te veel weet om zijn persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ geloofwaardig te houden. Kijk, meteen is aangetoond dat ik niet zonder kritiek ben op Proust.

8. Terug naar Beckett. Waarom vond hij zijn eigen Waiting for Godot, zijn toneeldebuut en grote doorbraak op 47-jarige leeftijd, het stuk waar volgens de criticus Vivian Mercier ‘niets gebeurt, twee keer’, ‘a bad play’? Ik denk omdat Godot over een ‘niets’ gaat dat toch nog ‘het alles’ bevat, te veel kleine afleidende prullaria die uitvergroot en gemanipuleerd worden om ons, zoals in een klassieke vaudeville, op de lachspieren te werken, en daarmee afleiden van het gebrek aan controle dat de tekst zou moeten hebben op de vertolking zelf, die Beckett vooral ‘dansant’ wilde houden, alsof het de leegte zelf is die aan het dansen
zou moeten gaan. De leegte, die zich langzaam in Beckett had uitgebreid. Zo voel ik dat intuïtief aan.

9. Waarom met korte, gebeitelde zinnetjes die stralen van schoonheid een verhaal vertellen over de chaos van het bestaan, de leegte, de eenzaamheid die ons allen tot hulpeloze vluchtelingen reduceert? Wat is de zin van Becketts theater tegen de achtergrond van de zinloosheid?


Meer leesfragmenten