Leesfragment: Tijl Uilenspiegel - Walter van den Broeck

In Tijl Uilenspiegel van Walter van den Broeck, een vrije bewerking van Charles De Costers klassieker La Légende d’Ulenspiegel, ziet Tijl, bij terugkomst uit Rome, zijn vader op de brandstapel staan. Hij sluit zich aan bij de geuzen die de folteraars bestrijden in de eeuw van de heksenjachten. Lees hier het begin van dit verhaal.


Tijl Uilenspiegel
Walter van den Broeck

ISBN: 9789464340914
Prijs: €23,50

Dit is het verhaal van Tijl, zoon van Klaas de Kolenbrander en Soetkin, bijgenaamd Uilenspiegel, wat eigenlijk betekent: ‘kus mijn kont’. Het verhaal van een onbezorgde potsenmaker die van zijn aanstekelijke lach werd beroofd en worstelde om hem terug te krijgen.

 

In die tijd vroegen de mensen zich niet af of ze gelukkig of ongelukkig waren. Ze deden wat gedaan moest worden. Dat hadden ze van hun ouders geleerd, die hadden het van hun ouders geleerd, en die van de hunne, en zo tot aan Adam en Eva, amen. Dus ze werkten niet te veel, maar aten, dronken en vermenigvuldigden zich des te meer.

     God kon toen nog trots zijn op zijn schepselen, hoewel hij van daarboven gezien moet hebben dat zijn pastoors bijna allemaal een vrouw en een sliert kinderen hadden en dat zijn gelovigen ’s zondags alleen naar de kerk gingen om achteraf de taveerne in te kunnen duiken. En het zal hem vast niet ontgaan zijn dat ze alleen met Pasen ter communie gingen, niet om één te worden met hem, maar voor de gezelligheid, de klokken en de eieren.

     Want voor zo’n eenwording hadden de mensen geen Pasen nodig, laat staan een pastoor die met halfgesloten ogen een stukje lichaam van de Schepper op hun tong legde terwijl hij ‘ham bam boterham’ mummelde. De mensen waren immers jaar in, jaar uit en van ’s morgens tot ’s avonds één met Hem. Of ze nu een strodak repareerden of het veld ploegden, hun schapen schoren of hout kapten: het waren de handen van God die uit hun mouwen staken.

     De pastoors wisten dat ook en zij deden net als de mensen. Overdag hanteerden zij de gebaren die de Kerk voorschreef – ‘In nomine patris et filii et spiritus sancti’ – maar ’s avonds vierden zij het leven op dezelfde manier als hun parochianen: stevig eten en drinken en hun wijf eens goed pakken. Dat was verboden, maar het werd door de paus oogluikend toegestaan: zelf was hij er ook niet vies van.

     Pausen, paters en pastoors hebben nu eenmaal, zoals elke gezonde manspersoon, een pietje. En bij ’t zien van een jong en welgevormd wijf of een schoon gebouwde knaap, reageert hun pietje precies op dezelfde manier als dat van een bedelaar, boer of keizer. Wie iets anders zegt, liegt. Trouwens, wie zou er hen terechtwijzen? De bisschoppen hoefden in die tijd zelfs geen roeping te hebben, geld was voldoende. Rijke families kochten voor de verjaardag van hun jongste zoon een bisschopszetel, zo had die meteen een fatsoenlijk inkomen. En de pausen zelf? Breek mijn bakkes niet open! Die hadden verschillende maîtresses tegelijk en een trits kinderen, die ook allemaal aan de kost moesten komen. Neen, ik zal geen namen noemen, ’t is te pijnlijk voor die mensen en hun familie. Nieuw was dat trouwens in geen geval. Wie graag sappige verhalen hoort, moet zich de geschiedenis van het pausdom eens laten vertellen. Eerst had je pausen die van geen kanten deugden. Dan kwam er een tijd dat er twee pausen waren, één in Rome en één in Avignon. Die deden elkaar aldoor in de ban van de Heilige Kerk. Men zegt dat er op een bepaald moment zelfs drie pausen waren, waarbij de derde de twee andere in de ban deed. En dan zwijg ik nog over die pausin, die tijdens een processie een kind kreeg, zomaar in ’t midden van de straat. Het werd steeds erger. Er waren er die nog kind waren en geen Latijn kenden. Er waren er die hoereerden en boeleerden

met vrouwen, mannen en beesten.

Op den duur werd daar door serieuze katholieken fel tegen geprotesteerd, maar Rome richtte als tegenzet de inquisitie op, een speciale rechtbank om ketters op te sporen, te veroordelen en terecht te stellen. Wie het wangedrag van de geestelijkheid aanklaagde, was er zelf aan voor de moeite. Paus Onnozele VIII liet daarbovenop twee paters een boek schrijven waarin stond hoe heksen herkend, vervolgd en berecht moesten worden: ook vele vrouwen waren vogelvrij.

Voorlopig was dat allemaal nog ver van ons bed. De pastoors namen kennis van al die nieuwigheden, en tapten vervolgens de kroezen nog eens vol. In heksen geloofden ze nog niet, de straffen voor zogenaamde hekserijen waren nog mild. Waarmee ik maar zeggen wil: het was een schone, rustige tijd. Alles was zoals het was, en dat was goed. De wereld was aan het wassen.

 

In de tijd dat mijn verhaal begint, maakten we deel uit van het Heilig Roomse Rijk. Onze streken hebben altijd al deel uitgemaakt van een groter geheel, we waren dat gewend. Tussen de vorsten en het volk bestonden solide afspraken. Zolang die werden geëerbiedigd, leefde iedereen in het paradijs.

     Onze keizer, Karel V, woonde in Madrid. Hij was weliswaar in Gent geboren, maar sprak allang geen bakkes Vlaams meer, alleen Frans en Spaans. Men zegt dat er precies een vodje rond zijn tong zat als hij sprak. En dat zijn hovelingen, uit schrik om hem te mishagen, op dezelfde manier begonnen te praten. Sindsdien spreken alle Spanjaarden zo, wordt gezegd: met een ‘suske,’ een slissende s.

     Hoewel hij de volkstaal niet sprak en bijna niemand hem ooit in het echt had gezien, was hij heel geliefd bij zijn onderdanen. Hij was niet de mooiste van Gods schepselen, met zijn vooruitstekende kin, en naar het schijnt had hij last van het pootje van het vele wijn drinken. Wie hem van dichtbij kende, fluisterde dat hij een groot chagrijn was. Als het pootje weer eens begon op te spelen, bleef men best uit zijn buurt, want dan kon hij serieus het beest uithangen. Gevraagt u af hoe het dan komt dat er zoveel plezante verhalen de ronde doen over hem, zoals dat over die pot van Olen met zijn drie oren, of het verhaal van rijstebrij.

 

Vanuit het verre Madrid probeerde Karel zijn rijk te besturen. Dat was niet gemakkelijk, want het was zo onmetelijk groot geworden dat de zon er nooit onder ging. Als het bij ons dag was, dan was het in Mexico nacht. Zoiets uitgestrekts was met de beste wil van de wereld niet te overzien. Ons land was klein en laag, en het lag zo ver van Madrid af, dat hij het vanaf zijn hoogste toren niet eens kon zien liggen. Dat was ons geluk. Zolang wij ons koest hielden, liet hij ons met rust. Slapende honden moet ge niet wakker maken, moet hij gedacht hebben – als hij al iets dacht.

 

Maar stilaan kondigde zich een weersverandering aan. Nieuwe godsdiensten begonnen onze contreien binnen te sijpelen, die katholieker wilden zijn dan die van de paus, ook al wilden ze geen paus. Ze werden ‘protestanten’ genoemd, omdat ze protesteerden tegen de wanpraktijken van de officiële kerk. In Duitsland ging Luther tekeer als een duivel in een wijwatervat. Zijn toorn richtte zich op een nieuw trucje uit Rome, waarmee de Kerk de brave burger geld uit de zakken probeerde te kloppen, zogezegd om de Sint-Pietersbasiliek te restaureren: de verkoop van aflaten. Vroeger was een aflaat een kwijtschelding van zonden die je kreeg door te bidden of door goede werken te verrichten. Tegenwoordig kunnen mensen die er het geld voor hebben hun zonden gewoon afkopen. Ge betaalde een som en ge kreegt een kwitantie: uw zieltje was weer zo blank als dat van een pas gedoopt kind.

     Straks zouden er in de hemel alleen nog rijken zitten, zeiden de predikers die achter hagen en kanten uitleg kwamen geven over dat gesjacher met aflaten. Ze lazen ook voor

uit een bijbel die in het Vlaams gedrukt was, zodat ook de kleine man, die geen Latijn kende, hem kon lezen of beluisteren.

     De protestanten wonnen spoedig veld.

     De paus kon er niet van slapen. Hij riep zijn kardinalen bijeen en zei dat die ketters door de inquisitie serieus moesten worden aangepakt. Oorspronkelijk was die rechtbank bedoeld om Joden en moslims de duivel aan te doen, maar nu werd ze in stelling gebracht om de protestanten te pakken, die zich ook in Spanje als een lopend vuurtje verspreidden.

     Toen verscheen dus die Duitse monnik Luther op het toneel. Hij verwierp het pauselijke gezag, verkondigde dat alleen wat in de Bijbel stond telde, en dat iedereen de Bijbelteksten naar eigen inzicht uit mocht leggen. Hij vertaalde hem daarom zelf in het Duits, zodat elke Duitser hem zou kunnen lezen.

     Eeuwig heil werd in Luthers leer alleen gebracht door berouw en door geloof in Jezus Christus. Aflaten verloren hun nut. Maria en de andere heiligen werden niet langer vereerd, en hun beelden vlogen de kerken uit. De kerkdienst werd voortaan in de landstaal gehouden. Het celibaat was niet langer verplicht voor priesters, en alle geestelijke goederen werden aan wereldlijke vorsten overgedragen.

Ge kunt peinzen dat voor de paus de maat vol was. Luther werd in de ban van de Kerk gedaan. Ook de rijksban werd over hem uitgesproken, maar hij onttrok zich daaraan. Maar in het jaar dat Karel V troonsafstand deed, sloot hij met Luther de godsdienstvrede van Augsburg: elke vorst mocht voortaan zelf beslissen welke godsdienst vrij mocht worden uitgeoefend.

     In onze streken was Luther niet zo populair. In Antwerpen liep men eerder de Franse hervormer Calvijn achterna, die zo mogelijk nog strenger was dan Luther. Ook hij was van mening dat de Heilige Schrift de enige bron van het geloof was, en iedereen mocht die in alle eenvoud en naar eigen inzicht uitleggen. Tussenpersonen die moesten bemiddelen tussen de gelovigen en God schafte hij af, zoals de Maagd Maria en de andere heiligen. Hun bemiddeling was in feite een vorm van omkoperij, vond Calvijn. Hij wilde evenmin weten van geloften, de vasten of heiligenbeelden. En dat Christus werkelijk aanwezig was in het brood van de communie, vond hij al helemaal flauwekul. De enige taak van de geestelijkheid bestond erin gelovigen te onderrichten. Ze moest hen ervan doordringen dat ze hun eigen lot niet konden bepalen, omdat God dat lot tot in de eeuwigheid heeft voorbeschikt. Daarnaast was de Zwitser sterk gekant tegen tovenaars en heksen, toch iets dat hij gemeen had met de moederkerk.

     Calvijns leer verspreidde zich van onze contreien naar het noorden. De keizer liet plakkaten uithangen die niet mis te verstaan waren. Al wie zich met de nieuwe godsdienst inliet, moest danig op zijn tellen passen. Wie niet trouw was aan de Kerk van Rome was een ketter, en wie een ketter aanbracht, kon daar een schone stuiver mee bijverdienen.

     Meteen begon uit alle gaten en kieren het echte duivelsgebroed tevoorschijn te kruipen, dat leeft van verklikking en verraad. En omdat het jagen op echte ketters niet genoeg opbracht, gaven ze al snel iedereen aan die ze niet konden uitstaan, door hen te beschuldigen van hekserij, toverij, vogelen met de duivel of het bijwonen van zwarte missen. Ketters die het nieuwe geloof niet af wilden zweren, werden levend verbrand, vrouwen die van hekserij werden beschuldigd, werden in het water gesmeten omdat het moeilijker was te bewijzen dat een vrouw een heks was dan te insinueren dat een ketter een ketter was. Daarom lieten ze het oordeel aan God over. Bleef de vrouw drijven, dan was ze een heks en werd ze nadien verbrand. Zonk ze, dan was ze geen heks en kreeg ze na haar verdrinking een kerkelijke begrafenis om het abuis goed te maken. Want zich vergissen is menselijk, zelfs bij inquisiteurs.

 

     Het werd steeds erger. Nog niet zo lang geleden scheen hier altijd de zon, maar de jongste tijd wilde het maar niet opklaren. Donkere wolken joegen langs de hemel en mensen liepen gejaagd voort, op de tippen van hun tenen. De ene verdacht de andere van ketterij, en in plaats van samen te leven zoals vroeger, kroop iedereen in zijn eigen hol, en maakte zich daardoor nog verdachter. Sinds paus de Onnozele met zijn heksenjacht was begonnen, waren ongetrouwde vrouwen en bakels geliefkoosde slachtoffers. Bakels hielpen vrouwen te bevallen. Ze deden dat doorgaans beter dan barbiers, die, omdat ze mannen waren, verplicht op de tast moesten assisteren: geen denken aan dat de vrouw in kwestie haar geslacht aan mannelijke ogen zou vertonen. Maar ook bakels kregen een bevalling niet altijd voor elkaar en stonden soms met een doodgeboren of in stukken gereten kind in de handen, waarna ze zonder verpinken beschuldigd werden van allerlei hekserige en duivelse krachten.

     Ook ongetrouwde vrouwen waren per definitie verdacht. Lelijke ongetrouwde vrouwen, tot daaraan toe: die verborgen zich meestal in een begijnhof of een klooster. Maar mooie vrouwen die ongetrouwd bleven? Daar zat een reukje aan, althans volgens seksegenoten die zich wel in de echt hadden verbonden.

 

Ongetrouwd was ook Katelijne. Ze was vijfentwintig en woonde recht tegenover het wat afgelegen stulpje van Klaas de Kolenbrander en zijn vrouw Soetkin. Van een gekmakende, wilde schoonheid was ze. Lange zwarte haren, koolzwarte ogen onder dikke wenkbrauwen, een lange, stevige nek en een gulzige mond. Als ze passeerde met haar mandje vol kruiden die ze her en der had geplukt, deinden haar borsten als opkomend water, zwaaide haar kont alsof de aarde een grote dansvloer was. Dat alles was een lust voor het oog. Niemand begreep waarom ze nog altijd niet getrouwd was. Als ze voorbijkwam staakte iedere gezonde vent, getrouwd of niet getrouwd, zijn bezigheden, keek eerst of zijn vrouw niet keek, en keek de zwarte schoonheid dan aan en na tot ze een hoek omsloeg of in het struikgewas verdween. Want hun vrouwen hadden geen ongelijk: iedere gezonde vent wilde met haar de pijp in kruipen, maar geen enkele durfde dat, want hij wist dat onder haar vranke blik zijn kleren van zijn lijf zouden vallen, en zijn jef zich schielijk als een veldmuisje tussen zijn dijen zou verbergen in plaats van zich op te richten. Ja, een hete truffel was het, dat kon iedereen zien, maar hoewel haar deur altijd openstond, heeft niemand er ooit een vent zien binnen- of buitengaan. Kinderen die hun neus al eens om de deur hadden gestoken, vertelden achteraf dat er overal potjes en flesjes met blauwe, groene en rode drankjes op de rekken stonden, dat aan de zoldering gedroogde kruiden hingen die een sterke geur afgaven, en dat er een zwarte kat rondliep en een gekortwiekte kraai door het huis fladderde die ‘volk!’ kraste. En ook dat bij het kleine raam een uil roerloos naar buiten zat te kijken, alsof hij wreed veel compassie had met de wereld.

     Juist omdat ze niet getrouwd was, werd ze door de meeste vrouwen gemeden en gewantrouwd. Ze zouden haar allang als heks hebben aangegeven, als ze niet zo hulpvaardig was geweest. Want als hen iets mankeerde, dan wisten ze haar wel wonen. Ze had voor alles wat. Voor tandpijn, buikpijn, zweren, kwaaie dromen, zeer aan de loospijpen of aan de vrouwelijkheid. En als ze groot gingen en voelden dat het kind eruit moest, maar dat het precies niet wilde, stuurden ze hun vent met veel vertoon om de barbier, maar stiekem ook naar Katelijne, met de vraag zich klaar te houden voor alle voorvallen.

     Ook als de beesten in de stal het op hun asem hadden of onrustig waren van het zuur in de darmen kwam Katelijne met haar potjes en flesjes en gedroogde planten die ze had

samengeknoopt in een doek.

     Het zal maar de nacht van de 21ste mei van ’t jaar 1527 zijn en ge zult maar bezocht worden door een nachtmerrie van gaat-daar-liggen.

     Op een winderig galgenveld en onder een grauwe lucht hangen aan drie galgen drie halfrotte lijken te wiebelen. Dansende kraaien strijken er krijsend op neer, pikken wat vlees mee van de aldoor kaler wordende botten en vliegen weer op. Aan de voet van de galgen spelen twee jongetjes. Het ene draagt een onder de kin vastgeknoopt zotspak, gemaakt van overschotjes van blauwe, rode en gele stoffen en een driekantige muts met belletjes aan de punten. Het andere jongetje is een bleekschijter en bedpisser in een zwart Spaans prinsenkostuum met een witte, gesteven molensteenkraag. Het narretje lacht en maakt de hele tijd buitelingen in het gras, het prinsje kijkt hem gemelijk aan, de armen over de borst geslagen. Het narretje doet alles om zijn speelkameraadje aan het lachen te maken, maar als hij te dicht nadert, begint het prinsje te slaan en te schoppen en duwt hem van zich af. Plotseling vat hij hem in een houdgreep, gooit hem op de grond en gaat boven op hem zitten. Het narretje blijft lachen en rare snuiten trekken, terwijl het prinsje hem een strop om de hals doet. En als hij daar dan een stevige ruk aan geeft, sterft de lach op de lippen van het narretje; zijn ogen worden groot en kijken in die van het prinsje, en hij ziet ontzet dat diens norse gezicht veranderd is in een grijnzende doodskop met holle ogen.

 

Uit die angstdroom schrok Katelijne wakker met een rauwe schreeuw. Ze greep met bange vingers naast zich in de stinkende kafzak, zag nog net hoe een reusachtige, vleermuisachtige schaduw naar buiten glipte.

     ‘Hans! Hans! Hanske!’ gilde ze.

     Geradbraakt door de liefdesnacht waaraan alleen de slaap een paar uur geleden een einde had kunnen maken, krabbelde ze overeind. Ze hijgde als een paard, maar kreeg geen lucht. Zeiknat van het zweet zocht ze op de tast het houten vensterluikje en rukte het open, maar in plaats van frisse lucht kreeg ze een geut verblindend zonlicht in het gezicht die haar wel tien tellen lang de adem benam en de ogen dicht deed knijpen, alsof iemand haar een emmer water in het gezicht had gegooid. Toen pas bedaarden haar jachtige ademhaling en haar hamerende hart. Een diepe zucht begeleidde de aftocht van de zoete herinnering aan de hete, zweterige liefdesnacht.

     Katelijne hief haar gezicht en liet het met toeë ogen koesteren door de zon, terwijl ze de laatste restjes van haar kwade droom weg liet blazen door een frisse bries. Toen keek ze met wijdopen ogen naar het lachende landschap. Alles was goed. De helblauwe lucht, de weiden, de bomen en struiken met hun ontelbare tinten, van bijna geel tot bijna blauw. De veelstemmige zang waarmee de verschillende vogels hun bedrijvigheid begeleidden. Het gezoem van bijen, het geruisloze gefladder van vlinders. In één tel van de hel naar het paradijs. Ze schudde glimlachend het hoofd.

     ‘Hanske toch...’

     Weer eens was hij haar ontglipt zonder te zeggen wanneer ze elkaar weer zouden zien. Verslaafd was ze aan die man, ook al wist ze dat hij niet deugde, zo hevig zelfs dat er nachten waren dat ze het niet meer uithield. Dan brouwde ze een drankje, of rookte een kruid, streek haar vrouwelijkheid in met een groene zalf en ging op haar bed liggen tot ze gloeide, zich voelde opstijgen en schreeuwend van genot door de nacht vloog, schrijlings op haar bezem gezeten, met hoog opwaaiende, wapperende rok, zodat haar benen bloot waren tot aan haar gloeiende geslacht.

     Weer eens was hij haar ontglipt, haar Hanske, maar nooit eerder was hij zo lang gebleven.

 

Ze wilde net het raampje sluiten toen ze opeens een geur van kabeljauw meende op te vangen. Vlak daarna verscheen het bolle hoofd van Lotte de visvrouw in het raamgat.

     Ze hijgde als een paard, zwaaide met de armen, schreeuwde onverstaanbare dingen. Zou haar vent, de gierige Grijpstuiver, haar weer geslagen hebben? Of zou ze Hanske weg

hebben zien rijden? Nee, daar was hij te slim voor. Toen ze uitgehijgd was, stamelde ze:

     ‘Soetkin is zover!’

 

Het was de middagzon die de markt de vrolijkheid van weleer voor een paar uur terug had gegeven. Niemand scheen te willen opkramen. Om en bij het stadhuis stond nog zoveel volk dat de vele kraampjes met potten en pannen, kleren en klompen, korven en manden, hoeden en laarzen, boter en eieren, groenten en fruit, geslachte konijnen en levende kippen, vlees maar vooral ook vis, die pas enkele uren geleden gevangen was, en zo sterk rook dat het leek alsof hij door de zee tot aan de rand van de markt mee was gevoerd. De kraampjes waren helemaal aan het gezicht onttrokken. Vrouwen zeulden met korven. Mannen laadden karren af, grote en kleine. Tussen de voeten van de kooplustigen zochten honden en kippen naar iets eetbaars dat op de grond was gevallen. In zijn open smidse stond Kobe de smid verwoed op een gloeiende staaf te slaan, terwijl zijn leerjongen, aangegaapt door jaloerse vriendjes, met een air van onmisbaarheid aan de blaasbalg rukte.

     Wat verder prees de visverkoper met schelle stem zijn waar aan en jaagde de vele katten weg die verlekkerd waren op zijn pas aangevoerde kabeljauwen.

     Bij het kraam van de goudsmid stond ridder Hilbert. Hij leek met veel aandacht de uitgestalde waren te keuren en keek voortdurend om zich heen alsof hij iemand verwachtte. Opeens naderde zijn vriend, Joos Damman, hem van achteren, en pakte hem met beide handen in de lenden beet terwijl hij een dierlijk gebrul uitstootte. De twee vrienden deelden bij wijze van begroeting nog een paar plaagstoten uit. Net voor het tot een echt handgemeen kwam, passeerde een viertal welgevormde deernen. Ze droegen alle vier een korf aan de hand, maar hun gegiechel en getater liet vermoeden dat die alleen maar als excuus diende voor hun aanwezigheid op de markt. Hilbert en Joos staakten hun gedonderjaag. Met grote ogen keken ze het viertal na.

     Het geblaf van de biedende marktkramers overstemde het geschreeuw van de afbiedende vrouwen en had iets speels gekregen. Het scheiden van de markt was nu bijna aangebroken. Om klokslag twaalf uur zou er niets meer verkocht mogen worden. De kramers wilden zo weinig mogelijk waar terug meenemen en verlaagden snel hun prijzen, de armste klanten hadden daarop gewacht, maar wilden nog minder betalen. Er werd gevloekt en gelachen, gesakkerd en geschaterd. Maar de goederen en de munten wisselden zo vlot van eigenaar dat het wel leek of het de laatste marktdag was die ooit in Damme plaats zou hebben.

     Niemand had intussen de dikke schepen Aernouts op zijn vette knol zien aankomen. Zoals gewoonlijk werd hij begeleid door Peer, de oude, kortademig geworden klaroenblazer wiens wangen bijna tot op zijn schouders waren afgezakt, en die het slaperige paard in toom hield. Het duurde een eeuwigheid voor Aernouts was afgestegen, ook al omdat hij zich niet wilde laten helpen door Peer, die veel ouder was

dan hij.

     Ontstemd keek hij om zich heen, niemand scheen enige aandacht aan hem te besteden. Hij fatsoeneerde zijn te grote hoed en zijn kleren, sjorde aan zijn gordel tot de gesp weer in het midden van zijn buik hing, pakte het gevest van zijn sabel vast en beklom inwendig vloekend en hijgend de pui van het stadhuis. Peer zette de klaroen aan zijn tandeloze mond en blies verzamelen, tot Aernouts verrassing helemaal in de toon. Het volk keek op, liet met tegenzin de kraampjes in de steek en liep te hoop. De marktkramers reikhalsden naar de pui en telden intussen hun munten. Een kleine, halfblinde bedelaar wurmde zich met rinkelende bedelnap tussen het volk en sneed in de gauwte een paar beurzen. Schepen Aernouts ontrolde een groot papier en begon voor te lezen. Maar hij was niet bij stem. De beklimming van de pui was hem op de asem geslagen. Toen de woorden ‘keizerlijk verzoek’ eindelijk door iedereen konden worden verstaan, maakten de meesten al meteen rechtsomkeert. De vrouwen bleven echter staan tot ze het einde van het verzoek hadden opgevangen:

     ‘... derhalve wordt de bevolking verzocht te bidden voor de aanstaande verlossing van hare doorluchtigheid keizerin Isabella. Men zegge het voort! Men zegge het voort!’

     Iemand spuwde op de grond. Iemand anders liet een scheet. Er werd gegrinnikt en gegrapt en met een ‘suske’ gesproken omdat verteld werd dat de keizer lispelde.

     ‘We gaan een “prinfke” krijgen!’

     Twee ratelende karren vol biertonnen maakten de rest van ’s keizers verzoek onverstaanbaar, en nog voor de schepen zijn papier weer had opgerold, waren alle toehoorders al huns weegs gegaan.

     Klaas de Kolenbrander kwam met een lege zak uit de woning van een van de gegoeden, en gooide hem op zijn ezelskarretje. Terwijl hij de munten in zijn zwarte hand

natelde, riep een drietal meisjes hem plagend toe:

     ‘Kolenduivel! Kolenduivel!’

     Klaas grijnslachte, greep er een paar beet en maakte hun snoet zwart met zijn handen.

     ‘En gij zijt nu kolenduivelinnen!’

     Het was een spelletje dat zich elke week herhaalde. En terwijl Klaas hen smakelijk lachend nakeek, stond daar opeens hijgend en zwetend Lotte van de visboer voor hem. Ze was helemaal hierheen gehold. Het duurde even voor ze een woord kon uitbrengen. Klaas vreesde een ogenblik lang dat ze hem uit ging schelden, dat die meisjes veel te groot waren geworden voor dat soort spelletjes. Maar toen legde ze een hand op zijn arm en zei:

     ‘Klaas, het is zover!’ Klaas begreep meteen wat ze bedoelde. Hij gooide zijn lege zakken op zijn karretje, en porde de ezel in de kont.

     ‘Wacht!’ riep Lotte. ‘Wacht! Ik ga mee!’

 

Als kippen op een hoop voer, zo jachtig en kakelend troepten bij huize Klaas alle buurvrouwen samen. Klaas sprong van zijn karretje en probeerde zich een doorgang naar de deur te worstelen, maar de vrouwen hielden hem tegen.

     ‘Hier blijven, Klaas, dat zijn vrouwenzaken!’ zei Trui, de wasvrouw, en plooide haar forse armen voor haar borst. Haar blik duldde geen tegenspraak. Toch deed Klaas nog een vergeefse poging om de muur van vrouwen te doorbreken. Toen hij voor de vierde keer een aanloop nam, klonk vanuit zijn huisje het iele gehuil van een baby op. Iedereen begon te glimlachen. De muur van vrouwenvlees veranderde als vanzelf in een erehaag voor Klaas, die nu opeens niet meer zo gehaast leek om naar binnen te gaan.

     ‘Wacht! Wacht op mij!’ klonk het. Dat en een doffe bons deed de vrouwen omkijken. Lotte van de visboer lag plat op haar buik achter het ezelskarretje. Klaas maakte van de gelegenheid gebruik om zijn huis te betreden.

     ‘Deur dicht!’

     Katelijne stond gebogen over de ruwe houten tafel en was in de weer met warm water en doeken. Ze sloeg geen acht op Klaas, die geen blijf wist met zichzelf. Waar was de anders zo zelfverzekerde kolenbrander gebleven? Het leek alsof hij het huis van een vreemde had betreden. Er hingen dingen die hem vreemd waren en geuren die verbonden waren met de diepste geheimen van vrouwen, van het leven zelf. Het duurde even voor hij zich weer eigenaar van zijn huis durfde te voelen, maar nog gunde Katelijne hem geen blik waardig. Niet alleen haar aandacht, maar haar hele wezen was zodanig in beslag genomen door het nieuwe mensje dat ze in doeken wikkelde, dat het leek alsof het een deel van haarzelf was.

     Klaas probeerde een paar keer zijn stem uit, en vroeg toen manmoedig:

     ‘En...?’

     ‘Nog even.’

     Toen draaide Katelijne zich om. Het viel Klaas op dat ze mooier was dan ooit tevoren. Haar ogen blonken, haar hele wezen straalde. Verbouwereerd door die pracht vergat Klaas haast waarom hij hier was. Daarvan werd hij zich weer bewust toen Katelijne hem met de ogen de weg wees naar de pas gewassen en in een witte doek gewikkelde dreumes op haar armen.

     ‘En...?’ vroeg Klaas weer.

     Katelijne sloeg het doek op. Klaas zag het kleine piemeltje en glimlachte breed naar Katelijne.

     ‘Hier, pak aan, Klaas de Kolenbrander, en wees fier!’

     Voorzichtig legde ze de boreling op Klaas’ koolzwarte armen.

     ‘Alles zit eraan,’ lachte Katelijne, en terwijl ze de lichaamsdelen aanwees benoemde ze die ook: ‘Oortjes, oogjes, armpjes, beentjes, vingertjes, teentjes.’ Bij elk onderdeel knikte Klaas goedkeurend. Plotseling fronste hij de wenkbrauwen. Op de schouder van het kindje zag hij een zwarte moedervlek. Hij wist dat de ketterjagers zoiets als een verdacht merkteken beschouwden. Als er bloed uit kwam nadat ze er met een vlijmscherpe priem in prikten, was het volgens hen het teken van de duivel. Verschrikt keek hij Katelijne aan.

     ‘Maak je maar niet ongerust, Klaas. Hij is met de helm geboren. En onder een gunstig gesternte.’

     Klaas zuchtte opgelucht. Hij liep met het kind naar de alkoof en legde het naast Soetkin, zijn vrouw, die van Katelijne een drankje had gekregen om in te slapen. Uit de zak van haar schort nam ze twee kleine geschenken die ze aan de voetjes van de baby legde.

     ‘Engelwortel tegen de ontucht en venkel tegen Satan.’


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Chronisch genezen - Dirk Nielandt

Alles in Dirk Nielandts leven liep op rolletjes tot multiple sclerose bij hem werd vastgesteld. De diagnose sloeg in als een bom. Het was het begin van een kronkelig pad met veel hobbels, verrassende wendingen en een onzeker einde. Een chronische ziekte betekent echter niet dat het leven stopt. Dirk is ervan overtuigd dat je met de juiste levensstijl (en wat lef en verbeelding) een auto-imuunziekte kan afremmen of voorkomen. Lees hier het woord vooraf van Chronisch genezen.

Lees meer »

Leesfragment: Wij zijn de optimisten - Jelle Dehaes

Wij zijn de optimisten is de debuutroman van Jelle Dehaes. Het is een verhaal over het verlangen naar verbinding en houvast in ons leven, over psychische kwetsbaarheid in een tijd waarin de snelheid van technologie en media lijkt te overheersen. Lees hier, als voorproefje, hoofdstuk 37 uit het boek.

Lees meer »

Leesfragment: Drijven - Myrthe van Velden & Lander Severins

Drijven is een realistisch relaas van twee theatermakers aan het begin van hun carrière wier relatie op de klippen loopt. Een pakkend en bezielend verhaal, gebaseerd op het parcours van de schrijvers zelf, over het onvermogen om vast te houden en de angst om los te laten, en bovenal over halsstarrig willen blijven proberen. Ontdek hier een voorproefje.

Lees meer »

Leesfragment: Vrijstaat Lux - Mathias Pagnaer

In Vrijstaat Lux sticht een groep dertigers een leefgemeenschap waarin ieder individu zijn specifieke eigenheid mag ontplooien. Door een uitgekiende socialemediastrategie groeit hun project uit tot een bastion voor ‘zoekenden’ en buitenbeentjes die nooit binnenbeentjes zullen worden. Al blijkt dit buitensporige succes uiteindelijk meer een vloek dan een zegen. Lees hier het eerste hoofdstuk van de debuutroman van Mathias Pagnaer.

Lees meer »