Leesfragment: Zorgen voor morgen - Daan Duppen & Dirk Doucet

In Zorgen voor morgen tonen Daan Duppen en Dirk Doucet aan dat ouder worden een proces is. Door tijdig na te denken en te handelen kan je de regie van je latere leven in eigen handen houden. Lees hier het eerste hoofdstuk uit hun relaas.


Zorgen voor morgen
Daan Duppen & Dirk Doucet

ISBN: 978 94 6434 214 7
Prijs: €20,-


1 Oud versus jong

Leeftijden van de mens (Christoffer Wilhelm Eckersberg)


Jaren op de teller: we beginnen allemaal op 0


‘Hoe oud ben je?’ We vragen nooit: ‘Hoe jong ben je?’ Dat ene getal heeft zowel een emotionele als een culturele en sociale betekenis. De chronologische leeftijd of de kalenderleeftijd is bepalend voor tal van maatschappelijke regels en rituelen. Naar school vanaf 2,5 jaar, leerplicht vanaf 5 jaar, lentefeesten en communies op 6 à 7 en 12 jaar, zelfstandig autorijden vanaf 18 jaar. Betalen voor je bankrekening vanaf 26 jaar en met pensioen vanaf 65 en binnenkort 67 jaar. Tussen die laatste twee zit een leemte waarin we – hoewel sommigen dat misschien anders zouden willen – niet stoppen met verouderen. Hoe groot het getal aan het uiteinde van de x-as voor ieder van ons uiteindelijk zal worden, is onzeker. De x-as is in de wiskunde de horizontale lijn waar aan de linkerkant het getal 0 staat bij de geboorte en aan het uiterste een getal dat de leeftijd van een zeer oud persoon
aantoont. Christoffer Wilhelm Eckersberg (1783-1853) tekende dit kenmerkend in zijn Leeftijden van de mens.
      De enige zekerheid die je in het leven hebt, is dat het op een gegeven moment stopt. De chronologische leeftijd, dat ene getal, heeft een impact op mensen. ‘Je bent maar zo oud als je je voelt’ of ‘nog jong van geest zijn’ worden in één adem genoemd als er een verjaardag wordt gevierd waarbij de ‘gelukkige’ toch bedenkingen heeft bij de groter wordende kalenderleeftijd. De mentale leeftijd wordt niet gevierd. Terwijl je als kind vroeger blij was als je eindelijk 12, 16 of 18 werd, vervalt zo’n vreugde onderweg in het volwassen worden. In Italië is 40 jaar een eerste kantelpunt voor ouder worden. Het zit zelfs in hun taal.
      ‘Ik zit al in de anta-groep. Tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig. In het Italiaans is dat dieci, venti, trenta, quaranta,
cinquanta, sessanta. Vanaf veertig zit je in de anta-groep en dat heeft een bepaalde geladenheid.’ (Italiaanse vrouw, 46 jaar)
      Het getal 65 wordt vaak als een magische grens gebruikt om een etiket op ouder zijn te kleven, maar het getal op zich onthult niets over de persoon die zo oud geworden is. 65 jaar werd door Otto von Bismarck ingesteld als pensioenleeftijd. Daarbij werd in het achterhoofd gehouden dat de meeste arbeiders die leeftijd zelfs niet haalden. De levensverwachting is sindsdien gestegen en voorlopig lijkt aan de toename van extra levensjaren geen einde te komen. Elk jaar krijgen we er in België gemiddeld zeventig levensdagen bij en we worden almaar ouder. Maar een vraag die niemand wil beantwoorden is: ‘Wanneer is iemand oud?’ In het maatschappelijk debat worden de termen ‘oud’ en ‘jong’ gebruikt, maar zowel jongeren als oudere mensen hebben het moeilijk om het label jong of oud te krijgen. Het label wordt gekoppeld aan biologische processen en sociale constructies die in relatie staan tot de kalenderleeftijd. De leeftijd wordt binnen het biologisch ouder worden en het psychosociaal ouder worden te vaak zwart-wit én als probleem benaderd: jong versus oud, ziek versus gezond, actief versus inactief, bijdragen aan de sociale zekerheid versus gebruikers ervan. We kunnen bij elke tegenstelling voorbeelden bedenken.
De baby tegenover de honderdjarige, de atleet versus de oude aan bed gekluisterde patiënt, de blije werknemer ten opzichte van de fietsende gepensioneerde.
      Een oplossing om niet naar die extremen te kijken is om te werken met gemiddelden. In een Vlaams gezin wonen gemiddeld 1,79 kinderen, en een gezin bezit 1,8 auto’s. De waarheid ligt dus ergens in het midden, maar niet in het exacte midden. In het werken met gemiddelden zitten dus ook problemen. Dit helpt misschien om te benchmarken en bepaalde situaties te verklaren, maar niet om mensen te identificeren. Net zoals de uitersten die we eerst aanhaalden, zijn de gemiddelden geen representatie van een groep. Of deze nu jong, oud, of ergens daartussenin zit. De chronologische leeftijd is in onze maatschappij een identiteitsmarkeerder, maar weinig oudere mensen identificeren zich daarmee.
      Conclusie is dat je ouder wordt en niet plots oud bent. Het is een geleidelijk en voortdurend proces, geen zwart-wit gegeven van de ene dag op de andere. Iemand labelen als oud vanwege een kalenderleeftijd zal zelden op goedkeuring kunnen rekenen. Wij hanteren daarom twee regels:
      1. We spreken liever over mensen die ouder worden en niet over ‘de oudere’.
      2. We hanteren geen specifieke leeftijd om oudere mensen te labelen.


Kwaliteitsvol ouder worden is leven aan de jaren toevoegen in plaats van jaren aan het leven


Wat kwaliteitsvol ouder worden betekent, verschilt van persoon tot persoon. Het is dus zeer individueel bepaald, maar heeft voor de meeste mensen vooral met gezondheid te maken. Wanneer we er de definitie volgens de Wereldgezondheidsorganisatie bij halen, zien we dat gezondheid een toestand van volledig fysiek, geestelijk en sociaal welbevinden is en niet van louter het ontbreken van ziekte. Het genot van de hoogst bereikbare norm van gezondheid is een van de fundamentele rechten van ieder mens, zonder onderscheid van ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale toestand.
      We worden met zijn allen steeds ouder. Wanneer functionele, psychische of cognitieve beperkingen de extra jaren overschaduwen, wordt verouderen een uitdaging. Ondanks het feit dat heel wat oudere mensen weinig of geen beperkingen hebben, kun je vroeg of laat wel in een situatie terechtkomen waarbij je zorg en ondersteuning nodig hebt. Maar ook dan wil je comfortabel kunnen leven. De nadruk van het beleid, de zorgsector en de wetenschap ligt echter te sterk op fysieke gezondheid en kosten, en nog te weinig op levenskwaliteit. Er werden al heel wat inspanningen geleverd door het beleid, de sector en de wetenschap om de vergrijzing betaalbaar te houden. We vragen ons wel af of niet te veel wordt gefocust op de fysieke gezondheid en de kostenbeheersing.
      Beleidsmakers, professionals en wetenschappers laten zich graag inspireren door internationale modellen zoals active ageing (actief ouder worden) en healthy ageing (gezond ouder worden, zie ook de kadertekst). Dit zijn in theorie holistische modellen* die levenskwaliteit nastreven door in te zetten op gezondheid, participatie en veiligheid. Hoewel deze modellen rekening houden met ieders functionele bekwaamheden en capaciteiten (die gedurende ons hele leven kunnen variëren) schuilt er ook een gevaar in. Wat met mensen die niet succesvol ouder worden? Die inactief zijn of die ‘ongezond’ ouder worden? Ook zij hebben recht op een kwaliteitsvol leven. Zitten we hier met een nieuw spanningsveld?


* Holisme komt van het Griekse holos, wat ‘volledig’ of ‘geheel’ wil zeggen. In holistische modellen wordt de mens, in dit geval de oudere persoon, als geheel beschouwd en niet enkel als iemand met een hoge leeftijd.


Actief ouder worden
In reactie op de wereldwijde vergrijzing van de bevolking heeft de WHO in 2002 ‘actief ouder worden’ als beleidskader geïntroduceerd. Om het beeld van ouder worden als een positieve ervaring in stand te houden, definieerde de WHO actief ouder worden als ‘het proces van het optimaliseren van mogelijkheden voor gezondheid, participatie en veiligheid om de kwaliteit van leven te verbeteren naarmate mensen ouder worden’. (World Health Organization, 2002, p. 12)
Gezond ouder worden
Sinds 2015 heeft de WHO het concept van actief ouder worden vervangen door dat van gezond ouder worden als basis voor het leidende beleidskader. Dit kader bouwt verder op het kader voor actief ouder worden uit 2002, waarbij de nadruk ligt op het behoud van hoge functionele vermogens op latere leeftijd. Het nieuwe kader is vooruitstrevend en houdt rekening met het functionele vermogen (vaardigheden die mensen in staat stellen om goed ouder te worden, zoals het voldoen aan hun eigen basisbehoeften of zich verplaatsen) en de intrinsieke capaciteit (de gecombineerde fysieke en mentale capaciteiten van een individu), die beide variëren gedurende de levensloop.
Leeftijdsvriendelijke steden en gemeenten
Leeftijdsvriendelijke steden en gemeenten zijn een strategie die door de WHO wordt gepromoot om actief ouder worden te bereiken. De strategie van leeftijdsvriendelijkheid werd oorspronkelijk ontwikkeld voor het stedelijk beleid, maar werd later aangepast naar leeftijdsvriendelijke gemeenschapsinitiatieven op meer landelijke plaatsen. Hoewel de initiatieven in eerste instantie gericht zijn op oudere volwassenen, omvat het concept alle leeftijden en is het bedoeld om meer dan alleen ouderenvriendelijk te zijn. Verbetering van de fysieke omgeving komt bijvoorbeeld ook minder mobiele mensen ten goede en een veilige omgeving stimuleert kinderen om deel te nemen aan activiteiten in hun buurt.

We nemen er nog eens de eerder genoemde x-as bij die de chronologische leeftijd aangeeft. Laten we daar een grafiek van maken en er een verticale y-as aan toevoegen die alle wensen van mensen voorstelt om kwaliteitsvol te kunnen leven. Belangrijke elementen van kwaliteitsvol leven zijn de eerdergenoemde gezondheid en de betaalbaarheid van de zorg. Maar er is meer! In een recente studie over vroegdetectie van kwetsbaarheid, een studie waar we later in dit boek nog op terugkomen, werd aan meer dan honderd oudere mensen gevraagd wat belangrijk was om kwaliteitsvol langer in de eigen omgeving te kunnen blijven wonen. Wat zagen zij als een kwaliteitsvol leven? De voornaamste resultaten waren een gevoel van zingeving te hebben in hun leven, van zelfregie of controle te hebben over het leven, een gevoel van inclusie en kwaliteitsvol thuis te kunnen blijven wonen. Zelfregie was een belangrijk aspect. Het ging dan niet zozeer over volledige onafhankelijkheid of autonomie, als wel over het eigenaarschap kunnen bewaren, en hoe de omgeving en zorgverstrekkers hen daarin kunnen ondersteunen.


Ouder worden binnen het biopsychosociale model: een spanningsveld tussen de negatieve en positieve gevolgen van ouder worden


Ouder worden wordt nog te vaak als een puur biologisch proces bekeken. Het is echter naast dat biologische proces heel sterk sociaal geconstrueerd. Daarnaast wordt ouder worden vaak als een probleem benaderd:
      ‘Met het aantal ouderen dat in stijgende lijn blijft gaan, staat het mensdom voor grote problemen. Op deze problemen zijn we onvoldoende voorbereid. We weten niet wat we moeten doen met oudere mensen en oudere mensen weten niet wat ze met zichzelf moeten aanvangen.’
      Deze passage komt uit de eerste uitgave van het Engelstalige wetenschappelijke tijdschrift Geriatrics* (1946). Daarin werd al gewezen op de problemen die zich kunnen voordoen bij een demografische verandering waarbij meer mensen ouder worden. Gelukkig zijn er binnen de gerontologie, de wetenschap die het ouder worden bestudeert, in de loop van de jaren grote sprongen voorwaarts gemaakt en is de kijk op ouder worden enorm veranderd en wordt niet meer uitsluitend naar de problemen gekeken, maar ook naar de mogelijkheden.
      Er is echter een spanningsveld. Aan de ene kant zijn er de wetenschap, het ouderenbeleid en de belangenorganisaties die huidige tendensen promoten als actief en gezond ouder worden, leeftijdsvriendelijke gemeenschappen of zorgzame buurten.
      Aan de andere kant wordt ouder worden in een latere levensfase nog altijd bekeken als een louter aftakelingsproces. De visie op verouderen beperkt zich tot het onomkeerbaar aftakelen door ziekte en verval van fysieke mogelijkheden dat enkel kan eindigen in een opname in het woonzorgcentrum waar de laatste dagen gesleten worden in een stoel aan het raam. Het klopt dat ouder worden onomkeerbaar is, maar dit is een dynamisch proces: vele oudere mensen wonen tot op hoge leeftijd zelfstandig met een hoog welbevinden.
      Oudere mensen ervaren wel dat hun lichaam minder functioneert dan dat van jongere mensen. Het dynamische proces van ouder worden is niet louter fysiek. Op psychologisch vlak worden karakteristieken gegeven aan oudere mensen die positief of negatief worden gekenmerkt. Negatieve voorbeelden zijn het zich moeilijker kunnen aanpassen aan nieuwe situaties of cognitieve problemen. Positieve voorbeelden zijn het zich goed kunnen herinneren van gebeurtenissen die lang geleden plaatsvonden of het kunnen teruggrijpen naar een grote praktische ervaring en deze delen met anderen. Op sociaal vlak verliezen oudere mensen vaak mensen uit hun oorspronkelijk netwerk. Hun rol verandert ook in de loop van de tijd. Maar waar bepaalde rollen verdwijnen door pensionering kunnen ook nieuwe rollen ontstaan. Net zoals bij het fysiek verouderen kan dit per individu sterk variëren.
      Zal dit spanningsveld blijven bestaan? Onze samenleving is doordrongen van opvattingen welke eigenschappen bij het ouder worden horen. Leeftijd is een identiteitsmarkeerder, maar weinig mensen op hogere leeftijd identificeren zich daarmee. Met Nieuwjaar wensen we jongere mensen een goed lief en een bevredigende job, oudere mensen wensen we een goede gezondheid. Onze maatschappij is eveneens doordrongen van de individuele verantwoordelijkheid om gezond te blijven. Een gezonde ziel zit in een gezond lichaam. Mens sana in corpore sana. Maar kunnen we dit nog volhouden? Door frameworks als actief en gezond ouder worden en initiatieven als leeftijdsvriendelijke steden en gemeenschappen kunnen we evolueren naar ‘mens sana in contextu sano’: een gezonde ziel in een gezonde context. Want aan een groot deel van ouder worden kunnen we weinig doen. Onze genen kunnen we tot nu toe niet veranderen. Waar we wel een invloed op hebben is de context. Door preventie, zoals gezonde voeding en gewoonten als niet roken of meer bewegen en de locatie waar we opgroeien te verbeteren, kan de context aangepast worden. Als mens heb je de mogelijkheid om daar een bepaalde verantwoordelijkheid in te dragen, maar ook de verschillende overheden en gezondheids- en welzijnswerkers dienen hier aandacht voor te hebben. Om de context aan te passen moeten op verschillende niveaus vele handen in elkaar worden geslagen.


* Geriatrics (Eng.) of geriatrie (Ned.) is de medische discipline die oudere patiënten behandelt waarbij de oudere patiënten verschillende aandoeningen (polypathologie) hebben. Een ouder persoon zal bij hartproblemen in een ziekenhuis op de dienst cardiologie terechtkomen en bij een breuk op de dienst orthopedie. Maar als er bijvoorbeeld zowel hartproblemen, voedingsproblemen en psychosociale problemen zijn, dan zal deze persoon worden opgenomen op de dienst geriatrie.


Ouder worden binnen de gemeenschap: ageing in place


Buurten, gemeenschappen, steden, landen, economieën: de hele wereld is continu in transitie. De ooit zo typische Vlaamse kleine dorpen en stadswijken met een homogene bevolkingsgroep zijn veranderd in uitdijende steden en grote gemeenten met een zeer diverse bevolking. Wereldwijd trekken steden meer mensen aan en is er sprake van een plattelandsvlucht. Op economisch vlak worden digitalisering en deeleconomie belangrijker en tendensen volgen elkaar zo snel op dat het een kunst is om ervan op de hoogte te blijven. Op sociaal vlak veranderde onze samenleving: van het klassieke kroostrijke gezin met één kostwinner ging het naar tweeverdieners met een beperkt aantal of geen kinderen en meer recent een toename van eenoudergezinnen. Op cultureel vlak werd de samenleving alleen maar diverser. In een dorp is nu sprake van twee types ‘vreemden’. Mensen trekken weg uit hun dorp om in de stad te gaan wonen en keren later (misschien) terug naar het platteland, maar niet per se naar hetzelfde dorp waar ze opgroeiden. Door migratie arriveren mensen met een totaal andere achtergrond. Beide groepen moeten aansluiting kunnen vinden bij de ter plaatse gebleven leden van de gemeenschap. Wie niet mee is met al deze tendensen en transities dreigt uit de boot te vallen. Deze exclusie is bijzonder complex: mensen hebben elkaar nodig om te kunnen leven. Alleen wordt het moeilijk. Een enkele mier kan een paar zandkorrels verplaatsen, maar een kolonie mieren bouwt samen torenhoge bouwsels. Hetzelfde met mensen. We zijn tot grootse dingen in staat maar kunnen dat niet alleen. Bouwprojecten kunnen gemanaged worden en dankzij een goed geolied organisatiesysteem werken alle disciplines samen tot de oplevering, waarna een nieuw project gestart kan worden.
      Bij buurtgemeenschappen ligt dit moeilijker. Daar is een sociaal weefsel nodig tussen de leden van een gemeenschap. Het sociale weefsel, door sommigen ‘sociaal kapitaal’ genoemd, is de laatste decennia afgenomen, of op zijn minst sterk veranderd. Een Afrikaans spreekwoord zegt: it takes a village to raise a child, je hebt een gemeenschap nodig om een kind groot te brengen. Zonder ondersteuning van anderen is een kind opvoeden voor één ouder of maximaal twee ouders die beiden gaan werken een grote opdracht. Waar vroeger een beroep kon worden gedaan op familie of andere leden van de gemeenschap is het nu door de veranderde samenstelling van de gemeenschap moeilijk om die hulp nog in te roepen. Werkende ouders van jonge kinderen maken dus gebruik van betaalde initiatieven ter ondersteuning van hun gezin. Wanneer we naar mensen op latere leeftijd kijken, zien we dat zij meestal vlot kunnen terugvallen op hun netwerk of gemeenschap voor allerhande ‘gewone’ activiteiten. Wanneer er een hulpbehoevendheid ontstaat, volstaat dit netwerk niet altijd, zorgorganisaties vullen de leemtes waar mogelijk aan. De rol van de gemeenschap voor hulpbehoevende mensen is aanzienlijk. Een zeer grote groep mensen koestert de wens om oud te worden in de vertrouwde leefomgeving. Je hebt dus een gemeenschap niet alleen nodig om een kind groot te brengen, maar ook om ouder te kunnen worden.
      Binnen de internationale literatuur wordt de term ageing in place gehanteerd om de tendens te omschrijven waarbij oudere mensen zo lang mogelijk thuis willen blijven wonen. Deze sterke verankering van mensen in hun woonomgeving heeft een aantal verklaringen. Een eerste vaststelling is dat bij het ouder worden de mobiliteit en buitenhuisactiviteiten langzaam afnemen, waardoor je meer aangewezen bent op de directe woonomgeving. Naast dat meer afhankelijk worden van de woonomgeving speelt ook de emotionele betrokkenheid bij deze omgeving een significante rol. Mensen voelen zich vertrouwd met hun woning, waar allerlei herinneringen aan vasthangen. Naast een wens van de mensen zelf is dit ook een beleidsideaal en krijgt het zowel op de Europese agenda als wereldwijd de nodige aandacht in de vorm van ‘vermaatschappelijking van de zorg’.
      De vraag is vaak wie de zorg binnen de gemeenschap op zich gaat nemen. Traditioneel werd die opgenomen door vrouwen. Moeders zorgden voor hun kinderen en dochters zorgden voor hun ouders. Later, toen mensen ouder werden en gezinnen uit tweeverdieners gingen bestaan, veranderde de situatie. Grootouders stonden in voor de opvang van hun kleinkinderen en moesten daarnaast ook nog voor hun eigen ouders zorgen. Deze sandwichgeneratie, die geklemd zit tussen de zorg voor de oudere en de jongere generatie, evolueerde de jongste jaren tot de octopusgeneratie. Naast het opnemen van de zorg voor jong en oud wordt soms verwacht dat zij zich ook nog inzetten voor hun sportclub, vrijwilligerswerk of burencomités. Ze komen handen tekort.


Kwaliteitsvol ouder worden in de eigen omgeving: het doel


Naarmate de leeftijd toeneemt op de x-as mag de levenskwaliteit op de y-as niet afnemen. Dit wordt een moeilijke opgave als je een grote zorgbehoefte krijgt.
      Zorg op maat, person-centered care, vraaggestuurde zorg: het zijn enkele begrippen waarbij de autonomie en de wens van de zorgvrager op een prominente plaats staan.
      Deze begrippen botsen met de huidige zorgmodellen. Hier is eveneens een spanningsveld. Is zorg op maat echt mogelijk als organisaties voornamelijk aanbodgestuurd werken? We komen hier later op terug. Daarnaast is thuis blijven wonen misschien wel een wens, maar niet langer haalbaar. Van ageing well at home naar ageing well in place. Oud worden in de buurt, in een meer aangepaste woning volstaat voor veel mensen als alternatief voor oud worden in de eigen woning, die vaak te groot is. Maar ook dan kunnen er grenzen opduiken. Voor sommige mensen is de hulpvraag zodanig groot dat de zorg niet meer mogelijk is in de eigen woning, ook al is die volledig aangepast.
      Als in ons huidige zorgmodel de grenzen van de thuiszorg bereikt zijn, is residentiële zorg nodig. We kunnen dan een stap verder gaan en niet meer over ageing well in place spreken, maar over ageing well in the right place. De opsplitsing van thuiszorg en residentiële zorg is typerend voor een aanbodgestuurde zorg. We zullen later zien dat een vraaggestuurde zorg een flexibelere manier van denken en organiseren vraagt waarbij de grens tussen thuis- en residentiële zorg vervaagt.
      Als zou blijken dat thuis wonen niet meer mogelijk is, is de bereidheid om te verhuizen bij mensen doorgaans bijzonder klein. Allereerst is er de vertrouwdheid en de emotionele binding met de woning en zijn er de herinneringen. Maar ook financiële redenen spelen een rol. Een eigen woning wordt gezien als het appeltje voor de dorst. Daarbij wil men vaak de woning nog bewaren voor de kinderen of de kleinkinderen. Een derde reden waarom iemand niet meer wil verhuizen op latere leeftijd is omdat men bang is de regie kwijt te raken. Het is immers vaak geen spontane, zelfgemaakte keuze. Het wordt in veel gevallen gesuggereerd, aangepraat of opgelegd door de omgeving. Ten slotte zijn er in Vlaanderen momenteel weinig alternatieven. Er zijn maar drie woonvormen voor mensen met zorgnoden: de eigen woning, een assistentiewoning of een woonzorgcentrum. Er is dus weinig keuze om de right place te vinden. Er zullen zeker mensen zijn die door de intensiteit van de zorg enkel gebaat zijn bij een opname in een klassiek woonzorgcentrum, maar meer alternatieven zijn nodig. Die alternatieve woonvormen, met innovatieve en creatieve aandacht voor zorg en ondersteuning, blijken echter (bijzonder) moeilijk van de grond te komen. Aangepaste zorg in een aangepaste woonomgeving blijft evenwel primordiaal voor het welbevinden van kwetsbare mensen.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Naakt - Mel Meliciousss

Mels ochtenden beginnen jarenlang op dezelfde manier: met de spelletjes die ze met haar vader en zus moet spelen. Mel wil niet, maar ze weet dat het enkel erger wordt als ze zich verzet. Dus Mel droomt. Over hoe ze ooit heel ver weg zal zijn van hier. Jarenlang werd Mel niet gehoord, maar nu doet ze eindelijk haar verhaal,onverbloemd. Lees hier een fragment uit Naakt.

Lees meer »

Leesfragment: Breydel - Lisa Demets

In Breydel brengt Lisa Demets de geschiedenis achter de succesvolle branding van de Brugse familie Breydel. Middeleeuwse kronieken vormen de rode draad in dit verhaal over de weg naar de macht van de beroemdste Brugse beenhouwersfamilie in de veertiende en vijftiende eeuw. Lees hier het eerste deel van de inleiding.

Lees meer »

Leesfragment: Over dit gevoel is nagedacht - Tyche Beyens

Over dit gevoel is nagedacht van Tyche Beyens is een queeste naar de liefde van vier eind-twintigers, die dat veelzijdige begrip stapsgewijs proberen te ontleden. Het is een liefdesverhaal over voelen in een eeuw waarin zo veel wordt nagedacht. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Beyens' debuut. 

Lees meer »

Leesfragment: NOU EN - Patrick Van Gompel

In NOU EN gaat Patrick Van Gompel onverdroten op zoek naar de ziel en het karakter van de Nederlanders. Hij baseert zich hiervoor op tientallen interviews met spraakmakende BN’ers en gewone noorderburen. Hij vult dit aan met een rijke voorraad aan liedjes, boeken, cabaret en media. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Van Gompels boek over het land van kaas en klompen.

Lees meer »