Leesfragment: De amazone van de Franse Revolutie

Anne-Josèphe Théroigne de Méricourt werd geboren in het Waalse dorpje Marcourt. Ze wilde operazangeres worden, stond op de eerste rij tijdens de Franse Revolutie, werd ontvoerd door de Oostenrijkse keizer en belandde uiteindelijk in de psychiatrische instelling Salpêtrière in Parijs.  De amazone van de Franse Revolutie schetst voor het eerst de fascinerende levensloop van Anne-Josèphe Théroigne de Méricourt voor een modern lezerspubliek. Ontdek hier een voorproefje.


De amazone van de Franse Revolutie
Luc Van den Broeck & Sarah De Grauwe 

ISBN: 9789464341591
Prijs: €23,50


Voorwoord

Het zijn de toevalligheden van het leven die ons het pad van Anne-Joséphe Théroigne hebben doen kruisen. Wij vonden het bizar dat er over een landgenote met zo’n uitzonderlijke levenswandel nog nooit eerder iets in ons taalgebied is verschenen. Tot op heden is deze ‘Belgische’ vrouw haast volledig aan de aandacht van historici en vrouwenrechtenactivisten in ons land ontsnapt. Daarom zijn wij op onderzoek uitgegaan; we hebben nationale en internationale archieven doorzocht en hebben vele boeken, brieven en manuscripten geraadpleegd. We hebben de oude Franse teksten zo nauwkeurig mogelijk proberen te vertalen naar het Nederlands. Hier en daar hebben we ervoor gekozen om bepaalde begrippen onvertaald te laten, omdat het Nederlandse equivalent naar ons gevoel afbreuk zou doen aan de betekenis.
       We beseffen terdege dat volledige objectiviteit niet bestaat, maar we hebben er zo veel mogelijk naar gestreefd om het
levensverhaal van Théroigne aan de hand van feiten te reconstrueren. Onvermijdelijk blijven er daardoor hiaten en onzekerheden bestaan, die we bewust niet hebben willen invullen met eigen meningen, maar die we openlaten voor interpretatie.
       Wat u te lezen zult krijgen is geen zuivere biografie. Om u een goed beeld te kunnen geven van het decor waartegen
Théroignes levenswandel zich afspeelde, vonden wij het van groot belang om ook kort de geschiedenis van het protofeminisme en het verloop van de Franse Revolutie uiteen te zetten. Zo krijgt u niet alleen een boeiend levensverhaal te lezen, maar wordt ook een zintuiglijk tijdsbeeld geschetst. Hoe zag Parijs eruit ten tijde van de Franse Revolutie? Wat was de positie van de vrouw? Hoe moest een meisje zonder middelen of stand zich handhaven? Wie maakte de dienst uit en wie stond aan de wieg van het nieuwe Frankrijk? We kunnen ons dan ook goed voorstellen dat u na het lezen van dit boek met meer vragen zal zitten dan ervoor. Hoe dan ook, wij zijn ervan overtuigd dat het verhaal van onze Belle Liégeoise u nog lang zal bijblijven. Veel leesplezier!


Luc Van den Broeck
en Sarah De Grauwe


Inleiding

In de winternacht van 15 op 16 januari 1791 houdt een geblindeerde koets halt in La Boverie, een gehucht op een eilandje in de Maas, op een goede kilometer van Luik. Drie in burger geklede mannen stappen uit en begeven zich naar de Auberge de la Croix Blanche. Ze kloppen fel aan en eisen van de slaapdronken herbergier dat ze onmiddellijk naar de kamer van Mademoiselle Théroigne worden gebracht. De herbergier durft niet anders dan de mannen te gehoorzamen en gaat hen voor. De jonge vrouw wordt bruusk uit haar slaap gehaald, aangemaand om zich aan te kleden en onmiddellijk met de nachtelijke bezoekers mee te komen. Er is geen tijd voor verweer. Ondertussen nemen de mannen alle papieren mee die ze in de kamer aantreffen; alle persoonlijke documenten, kranten, brieven, enzovoort. Enkele minuten later zitten de drie mannen met hun slachtoffer in de koets, die in oostelijke richting weghobbelt over de winterse wegen…
       Nadat ze enigszins van de schok is bekomen, begint de jonge Anne-Josèphe Théroigne haar begeleiders, of moeten we hen ontvoerders noemen, vragen te stellen over de bedoeling van dit nachtelijk avontuur. Ze heeft namelijk geen flauw idee met wie ze te maken heeft, noch waar ze naartoe wordt gebracht. Een van de drie mannen werpt zichzelf op als de leider van het gezelschap en stelt zich voor als Le Gros. Zijn echte naam zou later Lavalette blijken te zijn, maar hij verzwijgt voorlopig nog zijn ware identiteit. Ze zeggen dat het hun bedoeling is om haar in veiligheid te brengen omdat de Franse royalisten het op haar hebben gemunt. De intelligente Théroigne betwijfelt echter de waarachtigheid van hun verhaal. Als ze het goed met haar menen, waarom dient deze ‘beschermende’ onderneming dan zo onaangekondigd te gebeuren? En dan nog wel bij nacht en ontij? Ze is op haar hoede, maar gaat met de mannen in gesprek. Onderweg spreekt ze over haar leven en maakt ze – zoals ze gewend is – geen geheim van haar patriottische sympathieën voor de Franse Revolutie en haar afkeer van de aristocratie.

De recente politieke gebeurtenissen in Frankrijk, maar ook in Brabant en Luik, zijn onderwerp van gesprek. De twee kompanen
van Le Gros houden zich op de achtergrond, terwijl de leider het hoge woord voert. Stilaan begint het gesprek de vorm van een ondervraging aan te nemen, waarbij Le Gros zijn ‘beschermelinge’ allerlei zaken in de mond probeert te leggen over haar politieke activiteiten in Parijs. Théroigne weerlegt zijn woorden fel en de sfeer wordt grimmiger, terwijl de koets zich steeds verder van Luik verwijdert. De jonge vrouw raakt er stilaan van overtuigd dat het hier helemaal niet om een reddingsactie, maar om een regelrechte ontvoering gaat. Ze raakt geprikkeld en provoceert haar belagers door met opzet onwaarheden te vertellen over haar rol in de Revolutie, die ze eerder overdrijft dan minimaliseert. Als ze drama willen, kunnen ze drama krijgen. Ze laat zich door niemand intimideren.
       Het gezelschap brengt de nacht door op Duitse bodem. Théroigne staat voortdurend onder streng toezicht van de drie mannen. ’s Morgens gaat de reis verder via de stad Koblenz richting Freiburg im Breisgau, vlak bij het Zwarte Woud. Zelfs nu ze enig vermoeden heeft met wie ze te maken heeft, blijft ze tijdens de reisgesprekken consequent haar patriottische principes verdedigen. Haar hooghartige houding irriteert de ietwat beschonken Le Gros mateloos. Op een bepaald ogenblik verliest hij zijn zelfbeheersing en poogt hij Théroigne zelfs aan te randen. Hij grijpt haar vast, maar de twee andere, meer gereserveerde begeleiders komen tussenbeide om de eer van de jongedame te beschermen en ze komt er met de schrik vanaf. Vanaf dat ogenblik worden Théroigne en Le Gros echter bloedvijanden. De sfeer in de karos is te snijden. In gespannen stilte gaat de reis verder langs de stad Worms, gelegen aan de Rijn.
       Op de avond van 25 februari bereikt het rijtuig uiteindelijk Freiburg, waar Le Gros – Lavalette voor zijn opdrachtgevers – zich direct naar een stadscommandant begeeft voor verdere instructies. Voorlopig blijft Théroigne tegen wil en dank onder de strenge bewaking van haar ontvoerders. Stilaan vallen de puzzelstukken op hun plek: ze is niet ontvoerd om haar te beschermen of uit te leveren aan de royalisten, ze is ontvoerd door de Oostenrijkse geheime diensten die haar van spionage verdenken en haar een gevaarlijke oproerkraaister vinden.

De Oostenrijkse diplomatie is ondertussen zeer misnoegd over de gebrekkige geheimhouding van de hele operatie. Lavalette schept voortdurend op over de ontvoering en wil zelf alle eer opstrijken. De Oostenrijkers hebben genoeg van zijn gedrag en hij krijgt 100 gouden louis (Franse munt die tussen 1640 en 1792 gebruikt werd) in de hand gedrukt om – tot zijn opperste frustratie – van het toneel te verdwijnen. Voor de getergde Théroigne is het een hele opluchting om Lavalette en zijn gezellen te zien vertrekken.
       Ze wordt nu toevertrouwd aan kapitein baron de Lambesc, een beschaafd officier die zijn gevangene beleefd en hoffelijk
behandelt. Met een militaire escorte van twaalf soldaten en twee lagere officieren zet het gezelschap de reis verder oostwaarts.
De tocht moet zo geheim mogelijk verlopen en grote steden worden daarom vermeden. Ook de identiteit van de gevangene moet strikt geheim blijven en Théroigne dient voortaan als Mevrouw Théobald aangesproken te worden. Er wordt Théroigne niets meegedeeld over de eindbestemming en de onzekerheid blijft aan haar knagen. Hoewel ze eigenlijk niet weet wat haar concreet ten laste wordt gelegd, hoopt ze dat ze naar Wenen afreizen, waar ze haar zaak bij de keizer zou kunnen bepleiten. De lange reis begint zowel fysiek als psychisch zijn tol te eisen. Théroigne is moe en stelt zich vele vragen, maar ze bijt op de tanden en hoopt op een goede afloop. Er zal wel gauw een oplossing komen…
       De teleurstelling is dan ook enorm wanneer ze op 17 maart 1791 niet in Wenen, maar bij het fort van Kufstein in Tirol aankomen. Théroigne verstijft zowat bij de aanblik van het imposante slot boven op een bergtop, dat gedomineerd wordt door
een grote ronde gevangenistoren. De enige toegang tot het slot is een smalle, vochtige gang doorheen de rotswand. Via
verschillende controleposten bereikt de jonge vrouw met haar escorte de binnenkoer, waar de commandant-majoor haar in
ontvangst neemt. Zijn instructies zijn summier, maar duidelijk: Mevrouw Théobald dient streng maar rechtvaardig behandeld te worden en voor het overige dient ze in totale onzekerheid gelaten te worden.
       Théroigne wordt opgesloten in een cel in de koude gevangenistoren, met enkel zicht op het donkere woud en de besneeuwde bergtoppen. Ze heeft niets omhanden; geen boeken, geen kranten, geen schrijfmateriaal, niks. De dagen herhalen
zich in leegte en afzondering, en haar moreel en gezondheid gaan sterk achteruit. Ze verzwakt en begint zelfs bloed op te
hoesten. Pas op het einde van de maand mei komt majoor Schönniger haar meedelen dat er een van de volgende dagen een keizerlijke onderzoeksrechter wordt verwacht die haar zaak zal behandelen. Het vooruitzicht van een onderzoek doet haar hoop herleven en geeft haar de kracht om door te gaan. Men was haar tenminste niet vergeten.

Op 28 mei 1791 arriveert een onderzoeksrechter van de Rijkshofraad, Monsieur de Blanc, met zijn secretaris in Kufstein.
Théroigne is opgelucht. De eerste confrontatie laat niet lang op zich wachten. Al na enkele dagen laat de Blanc de gevangene
voor het eerst voorleiden. Zoals het een ernstig keizerlijk ambtenaar betaamt, gaat hij met de nodige striktheid te werk.
Vooreerst drukt hij Théroigne op het hart dat het absoluut noodzakelijk is dat ze naar volledige waarheid spreekt, zonder
weglatingen of verdraaiingen. Hij beschikt immers over voldoende middelen om de waarachtigheid van haar verklaringen na te trekken en de clementie van de keizer zou makkelijk in genadeloosheid kunnen omslaan. Het zou van haar, en van haar alleen, afhangen of haar zaak verder in Wenen bepleit zou kunnen worden.
       Théroigne hoort Wenen vermeld worden en recht de rug. Ze looft de grootmoedigheid van de vorst en belooft zonder enige terughoudendheid de waarheid te zullen vertellen. Er is overigens niets, zo zegt ze, waarover ze zich hoeft te schamen of waarvan ze spijt heeft. Integendeel, ze is ervan overtuigd dat haar ontvoering op touw is gezet door malafide personen, met de bedoeling Zijne Majesteit te misleiden. De ondervragingen zullen het misverstand snel uit de wereld helpen. De
onderzoeksrechter krijgt een intelligent en uiterst strijdlustig persoon voor zich die, ondanks haar fysieke verzwakking en de onzekerheid over haar situatie, haar waardigheid weet te behouden. De Blanc geeft Théroigne twee dagen bezinningstijd
alvorens de echte ondervragingen beginnen.
       Terug in haar cel heeft ze het een en ander om over na te denken. De situatie is ernstig. Heel ernstig zelfs. De onderzoeksrechter beschikt niet alleen over middelen om haar verklaringen te toetsen, maar naar alle waarschijnlijkheid ook
over al haar papieren die in La Boverie in beslag werden genomen. Grote omzichtigheid is geboden en onwaarheden verkondigen zou bijzonder dom zijn. Ze moet goed nadenken over wat ze zal vertellen en hoe ze het zal vertellen. Ze heeft twee dagen om alles wat voorafging, haar hele leven voor haar ontvoering, te overzien en minutieus te ordenen…


De jonge Anne-Josèphe

De familie Terwagne in Marcourt
Alles begint op 4 oktober 1761, wanneer twee geliefden, Pierre en Elisabeth, elkaar het ja-woord geven in het kerkje van Marcourt; een klein, Waals dorp onder Oostenrijks bewind, met niet meer dan een paar honderd zielen, dat vanaf de boorden van de Ourthe omhoogklimt tegen vruchtbare, groene heuvels.
       Pierre Terwagne is afkomstig uit Xhoris, een gemeente in het Luikse. Zijn achternaam, Terwagne, is een veelvoorkomende
naam in de streek en wordt door de plaatselijke klerken op verschillende manieren geschreven: Terevaine, Therwigne,
Terwaigne, Terwoine, Thérouène, Thérouanne, en dus ook Théroigne. Pierre is dertig jaar oud en betrekkelijk welgesteld. Zijn kersverse echtgenote, Elisabeth Lahaye, is uit Marcourt zelf afkomstig en stamt uit een familie van zogeheten paysans propriétaires, welgestelde boeren. Een tak van haar familie is van Duitse afkomst en woont in Wenen onder de naam Campinado of Campinados (beide schrijfwijzen worden gebruikt). Er wordt verondersteld dat deze naam is afgeleid van La Campine Belge, de streek waaruit ze oorspronkelijk afkomstig waren.
       Het jonge koppel gaat in een huis tegenover de Saint-Martinkerk wonen, de kerk waarin ze dus zijn getrouwd. Pierre zet er een handeltje op, waarvan de aard ons helaas niet bekend is. Vermoedelijk gaat het om een bescheiden landbouwbedrijf of een handel in kalk- of natuursteen, een product waarvoor het dorp in die tijd bekendstond. Nog geen jaar later, op 13 augustus 1762, viert het jonge paar de geboorte van hun eerste kind, Anne-Josèphe, dat men volgens sommige bronnen ook soms Lambertine noemt. Waar de naam Lambertine vandaan komt, is echter niet bekend. De geboorteakte van de kleine Anne-Josèphe luidt als volgt: ‘Anne-Josèphe, wettige dochter van Petrus Théroigne en van Elisabeth Lahaye, werd geboren op 13 augustus 1762. Haar peter is haar oom Josephus Lahaye uit Marcourt en haar meter is haar tante Francisca Lahaye uit Magoster.’

Geboorteakte van Théroigne, rijksarchief Saint-Hubert,
verzameling parochieregisters Marcourt

Het meisje wordt gedoopt door dorpspastoor David. Het is een vruchtbaar gezin, want in de daaropvolgende jaren worden er nog twee kinderen geboren, Pierre-Josèph en Nicolas-Josèph. Maar het lot is de familie Terwagne niet bijzonder gunstig gezind. Kort na de derde bevalling wordt Elisabeth ziek en uiteindelijk overlijdt ze op 22 december 1767. Pierre blijft verweesd achter met een meisje van vijf, een jongen van drie en een pasgeborene. En daar blijft het niet bij. Pierre raakt ook in de problemen, zakelijke problemen (waarvan we de aard niet kennen) die ervoor zorgen dat hij het grootste deel van zijn bezittingen moet verkopen en bovendien ver-wikkeld raakt in een aantal lastige processen die hem veel geld kosten.

De onbezorgde kinderjaren lopen voor de kleine Anne-Josèphe – of Lambertine – ten einde wanneer vader Pierre niet langer voor de zorg van zijn kinderen kan instaan. Hij zendt zijn dochter naar ene tante Clamart in Luik, die het meisje al kort na haar aankomst in een kloosterschool plaatst waar ze leert naaien en waar haar eerste communie wordt voltrokken. Ze krijgt er een strenge en sobere opvoeding.
       Ongeveer een jaar later wil de gierige tante Clamart het pension in de kloosterschool echter niet langer betalen en ze haalt het meisje bij zich in huis om er haar simpelweg uit te buiten. Tante Clamart is getrouwd, heeft kinderen, en ziet in de jonge Anne-Josèphe dan ook het ideale huishoudhulpje en kindermeisje. Later verklaart Théroigne in haar zogenaamde
autobiografie dat ze door haar tante zodanig slecht behandeld werd dat ze geen andere keuze had dan terug te keren naar Marcourt. Maar ook daar wachten haar vooral ontgoochelingen.

In 1773 is Pierre hertrouwd met ene Thérèse Ponsard, een drieëntwintigjarige vrouw uit het naburige Erpigny. Ook dat blijkt een vruchtbare verbintenis, want er worden uiteindelijk niet minder dan negen kinderen uit het huwelijk geboren, zowel jongens als meisjes. Het eerste kind, Pierrot, komt in 1774 ter wereld. Anne-Josèphe heeft met haar stiefmoeder niet echt een band, maar voor de kleine Pierrot vat ze wel veel liefde op. Na enige tijd wordt het duidelijk dat Thérèse het grote gezin niet meer aankan, en de situatie ontspoort. Vanwege het geldgebrek en de aanhoudende onenigheid ziet Anne-Josèphe, evenals haar twee oudste broers, zich gedwongen het gezin in 1775 te verlaten. Pierre-Josèph wordt naar de familie Campinado in Duitsland gestuurd, terwijl Nicolas-Josèph met Anne-Josèphe naar verwanten in Xhoris vertrekt.
       Over het verblijf van Pierre-Josèph in Duitsland is niets bekend, maar wat vaststaat is dat de familie in Xhoris die twee extra monden om te voeden absoluut niet graag ziet komen. Nicolas-Josèph is nog klein en wordt enigszins gespaard, maar Anne-Josèphe krijgt met haar dertien jaar erg zwaar werk toebedeeld en wordt bovendien liefdeloos behandeld. Ze is de slavin van haar eigen familie.
       Ten einde raad besluit het meisje opnieuw bij haar tante Clamart aan te kloppen. De vrouw neemt haar nichtje opnieuw in huis, maar na een poosje blijkt de situatie al even penibel als de eerste keer. Anne-Josèphe wil het liefst weer vertrekken, maar haar tante dwingt haar om te blijven door halsstarrig te weigeren haar weinige bezittingen terug te geven. De jonge Anne-Josèphe heeft een sterke wil en blijft niet bij de pakken neerzitten. Ze laat haar spullen achter bij tante Clamart en vertrekt naar Sougnie, waar ze een jaar lang verblijft om er als koeienhoedster te werken. Al op jonge leeftijd leert ze met rampspoed om te gaan en leert ze het heft in eigen handen te nemen. Als ze een beter leven wil, zal ze er zelf voor moeten zorgen…


Madame Colbert en de Engelse minnaar
In 1778 keert het tij plots voor het meisje wanneer ze bij haar werkgevers een rijke, Engelse dame leert kennen: Madame
Colbert, de echtgenote van een aristocraat die in Engelse dienst in de kolonies verblijft, maar waarover verder helaas niets bekend is. Op een zeker moment besluit Anne-Josèphe om bij Madame Colbert in dienst te treden. Een goede beslissing, zo blijkt al gauw, want voor het eerst in haar leven wordt ze liefdevol behandeld en gerespecteerd. Door toedoen van Madame Colbert krijgt Anne-Josèphe een zekere vorming in de letteren, de zang en de muziek. Bovendien krijgt ze de kans om vier jaar lang met het gezin (waarvan we de samenstelling niet kennen) langs verschillende Brabantse steden te reizen.

Groenplaats Antwerpen in de 18de eeuw,
Prentenkabinet Universiteit Antwerpen

Het is een ware openbaring voor de opgroeiende vrouw om in moderne grote steden als Antwerpen, Brussel, Mechelen en Gent in contact te komen met de hogere cultuur van haar tijd. Opera, theater, winkeletalages, brede straten, monumenten, alles is anders dan op het platteland. Ze leert pianoforte spelen en zingt duetten met de dochter van Madame Colbert. Het boerenmeisje ontpopt zich tot een heuse dame en vindt in haar werkgeefster de zo gemiste moederfiguur die haar ondersteunt en stimuleert in haar ontwikkeling.
       In 1782 verlaat het gezelschap Brabant om naar Engeland te verhuizen en in de buurt van Londen te gaan wonen, waar ze hun leven op min of meer dezelfde manier voortzetten. Kunst en cultuur staan centraal. Anne-Josèphe, inmiddels twintig, groeit uit tot een mooie en karaktervolle vrouw. Met haar kastanjebruine haren, haar grote blauwe ogen en warme stem wordt ze door velen opgemerkt en bewonderd. 
       Na enige tijd begint een jonge Engelsman, wiens naam helaas onbekend is, haar het hof te maken. Sommigen beweren dat het om de jonge prins van Wales zou gaan, de latere koning George iv, maar daar zijn geen tastbare bewijzen voor. Hoe dan ook: de jongen komt geregeld op bezoek in huize Colbert en vraagt voortdurend naar de knappe Anne-Josèphe. Hij is niet onbeleefd of opdringerig, maar juist erg charmant en zeer discreet. Haar beschermdame waarschuwt Anne-Josèphe echter voor de avances van de jonge Engelsman en verbiedt hem zelfs nog op bezoek te komen. Maar bij het meisje is de vonk al lang overgeslagen. Ze is verliefd op die innemende kerel met zijn zachtaardige karakter, die haar tedere brieven schrijft en bijna dagelijks onder haar raam komt wandelen. Om Madame Colbert niet tegen de haren in te strijken, laat ze hem echter zijn brieven teruggeven en verzoekt ze hem om niet meer te schrijven. Gedurende een jaar zet de jongeling zijn inspanningen onverstoord voort.
       Op een avond, in afwezigheid van Madame Colbert, dient hij zich plots weer aan. Hij stelt voor aan Anne-Josèphe om samen te vertrekken en te trouwen. Het meisje is overweldigd. Wanneer hij haar vastgrijpt, verzet ze zich eerst en verwijt ze hem zijn opdringerigheid, maar uiteindelijk gaat ze overstag en geeft ze toe aan zijn avances. ‘Mijn liefde verstikte mijn verontwaardiging,’ schrijft ze later, en na enige tijd vertrekt ze met de Engelsman naar een van zijn familie-eigendommen
nabij Londen. Ondanks haar liefdesgeluk heeft ze het zwaar om Madame Colbert, de weldoenster aan wie ze zoveel te danken
heeft, op deze manier te verlaten. Maar het is tijd om een eigen leven te gaan leiden.
       Helaas wordt de huwelijksaankondiging door de familie van de jongeling met weinig animo onthaald. Het spreekt voor zich dat de ouders een verbintenis met een Waals meisje met middelen noch stand niet met enthousiasme tegemoetzien. ‘Des te meer,’ zo schrijft Théroigne in haar memoires, ‘omdat de Engelsen blijkbaar meer belang hechten aan fortuin dan aan goede manieren.’ De jongen is nog niet meerderjarig, maar er wacht hem al een jaarrente van maar liefst 10 000 louis (oftewel 240 000 pond). Inderdaad een groot verschil met de arme Anne-Josèphe die geen rooie duit heeft. Ondanks de tegenkanting van zijn ouders houdt de liefde van de jongeman stand. Het koppeltje blijft op het platteland wonen tot hij meerderjarig is. Bij het verkrijgen van zijn fortuin verandert de relatie echter volledig. Hij is niet langer dezelfde charmante man voor haar als voorheen, en de relatieve eenvoud van hun leven wordt ingeruild voor een jacht naar oppervlakkigheden, die hij zich met zijn groot fortuin natuurlijk gemakkelijk kan veroorloven. Toch voelt hij zich niet te goed om zijn geld met Anne-Josèphe te delen. Op een bepaald moment schenkt de Engelsman haar maar liefst 200 000 ponden – een reusachtig bedrag voor die tijd – en
vertrekt met haar naar het mondaine Parijs, het centrum van de Verlichting, maar ook van het vertier…

 

Voor het eerst in Parijs
Op het moment dat het jonge koppel in Parijs aankomt, is de stad danig aan het veranderen en wordt er druk gerenoveerd.
Onder invloed van de koningen Lodewijk xiv en xv had de Franse hoofdstad er heel wat riante paleizen en paviljoenen bij gekregen, maar toch behoudt de stad goeddeels zijn middeleeuwse structuur met smalle en vooral zeer vuile straatjes. De meeste huizen zijn opgetrokken uit grijsbruine kalksteen en zijn erg klein. Ze hebben vaak meerdere verdiepingen waarop verschillende gezinnen wonen, maar ontberen met enige regelmaat eigen toilet- en watervoorzieningen. De meeste mensen doen hun behoefte in kamerpotten, die ze daarna doodgemoedereerd uitgieten op straat. De stank in de Parijse straten is ondraaglijk en het wemelt er van de ratten.
       Ongeveer een derde van de bevolking is behoeftig en werkt – ironisch genoeg – in de luxesector voor de rijken, onder andere in de manufacturen die zorgdragen voor de productie van wandtapijten (gobelins) en bedrukt behangpapier. Het aantal huisbedienden wordt op 40 000 mensen geschat en het aantal rijtuigen op 10 000. De arme inwoners van Parijs halen water uit de fonteinen of uit de Seine, die echter sterk vervuild is door de riolen en door het afvalwater van de stadsindustrie. Heel wat mensen verdienen de kost als waterdrager. Zoals het woord zegt, dragen zij het water in emmers rond door de stad, en sjouwen het naar de verdiepingen van de hoge woningen.
       Op de Seine is er een grote bedrijvigheid van boten die voedingswaren aanvoeren. In de Port Saint-Paul ligt tevens een groot aantal bateaux lavatoires, oftewel ‘wasschepen’, waar de bevolking tegen betaling de was komt doen, en een aantal
‘badschepen’ voor de bewoners die geen eigen wasgelegenheid hebben. Door de vervuiling is Parijs lange tijd een broeihaard
van ziektes en zijn sommige stadsdelen amper leefbaar. Noodgedwongen starten architecten her en der opknapbeurten op om de ondermaatse hygiëne van het krappe en overvolle stadscentrum aan te pakken. Straten worden verbreed, pleinen en kruispunten worden uitgebreid. Overal in de stad verrijzen monumenten, die de bewoners vooral moeten herinneren aan de grootsheid van de monarchie. Maar tussen al die architecturale prestigeprojecten blijft de dagelijkse ellende van het gewone volk natuurlijk voortbestaan. De stad stinkt naar armoede en ontbering, en de sociale onrust is overal voelbaar.

Zicht op de Seine in de 18de eeuw,
J. Raguenet, Musée Carnavalet, Parijs

In deze hoofdstad van grote sociale contrasten en tegenstellingen, waar de rijken zich natuurlijk alle luxe kunnen veroorloven,
gaat het met de jonge Engelsman van kwaad tot erger. Tot grote ergernis van Anne-Josèphe gaat hij zich voortdurend te buiten aan allerlei excessen zoals gokken, feestjes en rokkenjagen. Ze probeert hem in toom te houden en hem te overtuigen om terug te keren naar hun vroegere en nog enigszins sobere levensstijl, maar onder invloed van slechte vrienden, die de jongen blijven meeslepen in het verval, slaagt ze niet in haar opzet. Anne-Josèphe wil de relatie nog niet meteen opgeven. Ze houdt nog te veel van hem, maar de twijfel slaat meer en meer toe.
       Na veel moeite kan ze hem uiteindelijk toch overhalen om terug te keren naar Engeland. De kans dat haar geliefde zijn
flamboyante levensstijl in zijn thuisland gewoon zal voortzetten is natuurlijk groot. De breuk is dus bijna onafwendbaar, maar nog geen vaststaand feit. Op dit moment wordt er als het ware een nieuwe vrouw geboren; een sterke, onafhankelijke vrouw, die zich perfect weet te handhaven in een wereld vol uitdagingen, en die voorbereidingen treft voor haar eigen toekomst, los van een man. De kleine Anne-Josèphe Terwagne wordt Mademoiselle Théroigne. En zo laat ze zich vanaf nu ook noemen.
       Théroigne mag dan nog wel verliefd zijn op de Engelsman, het leven heeft haar geleerd dat ze voor zichzelf moet zorgen.
Noodgedwongen creëert ze in Parijs dus een zekere mate van onafhankelijkheid. Ze neemt alleen haar intrek in de drukke rue de Bourbon-Villeneuve, de huidige rue d’Aboukir, in de buurt van het Palais Royal. Omdat ze zich in het begin van haar verblijf zo op haar relatie heeft geconcentreerd, is ze nog niet vertrouwd met de Franse hoofdstad en kent ze er helemaal niemand.
       Geld opent echter vele deuren en al gauw maakt Théroigne kennis met enkele belangrijke personen die een grote rol zullen
spelen in haar latere leven. Een van die personen is de Zwitserse bankier Jean-Frédéric Perregaux, een man die gepokt en
gemazeld is in de financiële wereld. Hij werd in Amsterdam, Londen en Mulhouse opgeleid in de handel en financiën, en
vestigde zich in 1765 in Parijs, waar hij vrijwel onmiddellijk voor de steenrijke bankier Jacques Necker begon te werken. Necker zou later minister van Financiën worden en was ook de vader van Madame de Staël. Samen met een vriend richtte Perregaux in 1781 een eigen bank op, en werd zo al gauw zelf een rijk man die zich door de Parijse salons bewoog als een vis in het water.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Breydel - Lisa Demets

In Breydel brengt Lisa Demets de geschiedenis achter de succesvolle branding van de Brugse familie Breydel. Middeleeuwse kronieken vormen de rode draad in dit verhaal over de weg naar de macht van de beroemdste Brugse beenhouwersfamilie in de veertiende en vijftiende eeuw. Lees hier het eerste deel van de inleiding.

Lees meer »

Leesfragment: Over dit gevoel is nagedacht - Tyche Beyens

Over dit gevoel is nagedacht van Tyche Beyens is een queeste naar de liefde van vier eind-twintigers, die dat veelzijdige begrip stapsgewijs proberen te ontleden. Het is een liefdesverhaal over voelen in een eeuw waarin zo veel wordt nagedacht. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Beyens' debuut. 

Lees meer »

Leesfragment: NOU EN - Patrick Van Gompel

In NOU EN gaat Patrick Van Gompel onverdroten op zoek naar de ziel en het karakter van de Nederlanders. Hij baseert zich hiervoor op tientallen interviews met spraakmakende BN’ers en gewone noorderburen. Hij vult dit aan met een rijke voorraad aan liedjes, boeken, cabaret en media. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Van Gompels boek over het land van kaas en klompen.

Lees meer »

Leesfragment: We worden er niet jonger op - Michel Follet

We worden er niet jonger op is het vervolg van het in 2021 verschenen relaas Wanneer zien we u terug? over twee eigenzinnige negentigplussers in een woonzorgcentrum. Veel lezers herkenden zich in de petites histoires vol tragiek en humor. Nooit zwaarmoedig, wel realistisch en vaak onverbloemd. Lees hier het voorwoord van het nieuwste boek van Michel Follet.

Lees meer »