Leesfragment: De lastige liefde - Walter van den Broeck

Jules van den Broeck, de dertien jaar oudere broer van Walter, vertrekt in 1950 als tweeëntwintigjarige naar Amerika, op uitnodiging van zijn grootvader. Hij werkt er als timmerman, magazijnmeester, bordenwasser en croupier. Maar het botert niet tussen de gewetensvolle grootvader en zijn levenslustige kleinzoon: Jules zit te veel achter de meiden aan. Lees hier het begin van De lastige liefde.

De lastige liefde 
Walter van den Broeck

ISBN: 9789464341652
Prijs: €23,50


Proloog

Eindelijk gedraagt het weer zich zoals het in dit seizoen hoort. Maar voor hoelang?
       Cuernavaca geniet het hele jaar door van gemiddeld 27 graden Celsius en draagt daarom terecht de bijnaam ‘stad van de eeuwige lente’.
       Een toeristische overdrijving? Sinds de klimaatverandering zou je het zo kunnen noemen, maar voorheen is Cuernavaca, hoofdstad van Morelos, ook al eeuwenlang een vakantiebestemming geweest voor de inwoners van de vallei van Mexico: voor de Azteekse vorsten, voor de Spaanse kolonisatoren en voor de hedendaagse inwoners van Mexico City.
       Het weer bestond in feite uit slechts twee seizoenen: de lente enerzijds, het regenseizoen anderzijds.
       Dat is de laatste jaren niet meer het geval. Ook in de lente kun je tegenwoordig elke dag verrast worden door snel opkomende stortbuien en helse onweders. Meestal zijn die van korte duur, maar je wordt er telkens door overvallen als door een bende struikrovers. De ooit zo betrouwbare regelmaat is zoek. Soms regent het in de lente weken aan een stuk. Je gaat van huis in een lichte zomerjurk en opeens doemen de donderkoppen op, en doet een snel opkomende stormwind de kruinen van de palmbomen voor het huis tot bijna tegen de grond buigen. Wat later liggen de straten vol afgerukte takken en knetterende
elektriciteitsdraden. Dan ren je voor je leven. De dikke, ijskoude regendruppels of keiharde hagelstenen mitrailleren je lichaam. Als je eenmaal binnen bent, lijkt het alsof je met jurk en al onder de douche vandaan komt. Even later gaat het geweld liggen en wordt het weer licht. Het lijkt alsof het je heeft opgewacht en je een poets heeft willen bakken om je in je gezicht uit te kunnen lachen.

Op dit moment wordt, net als de rest van de wereld, heel Mexico zwaar geteisterd door het coronavirus en is het verre van zeker dat ik dit geschrift tot een goed einde zal kunnen brengen.
       ‘Dit wordt erger dan de pest!’ zei Dad op een dag. Hij wees naar de televisie waarop almaar meer mensen te zien waren die een blauw mondmasker droegen tegen corona. Voorlopig werden wij er nog niet door geplaagd. Maar als Yvette boodschappen ging doen, droeg ze alvast zo’n masker.

Gelukkig bevindt Cuernavaca zich zo’n kleine negentig kilometer van de hoofdstad met zijn tweeëntwintig miljoen inwoners, en wonen wij, Dad en Lilli, en sinds kort ook weer mijn zes jaar jongere, briljant-irritante zus Yvette, in een villa met verwarmd zwembad achter hoge muren zodat het gevaar voor besmetting en invallen van geboefte gering is.
       Dad wordt 92 en komt nog slechts sporadisch zijn bed uit. Om acht uur ’s ochtends staat hij op en om negen uur ’s avonds gaat hij slapen.
       Hij is letterlijk ‘een zakenman in ruste’, heeft ze nog allemaal op een rijtje, kijkt de hele dag tv. Mankeren doet hij niets, op de typische ouderdomskwalen zoals vergeetachtigheid, hardhorigheid en slecht zicht na. Maar de ijdeltuit die hij nog altijd is, belet hem een hoorapparaat te dragen en zijn brilglazen te laten aanpassen.
       ‘Net zoals zijn vader,’ schrijft Aunt Elvire, zijn enige zus, vanuit België.
       Atypisch zijn zijn pijnlijke handen, het late gevolg van een korte bokscarrière toen hij nog bij het Belgisch leger was.
       In 1947 werd hij in het Koninklijk Circus te Brussel in de finales van de Liefhebberskampioenschappen van het leger kampioen van de Pluimgewichten, op punten. ’t Vrije Volksblad berichtte dat Van den Broeck veruit de beste was van het lot. Hij versloeg Charlot, zijn eigen luitenant.
       Zus Yvette is 61 jaar oud en was psychologe bij diverse ziekenhuizen in Mexico City. Nu heeft ze alleen nog een onlinepraktijk vanuit Dads kantoor. Ze is ooit anderhalf jaar getrouwd geweest.

Ikzelf heet Lilli en ben 67 jaar oud. Ik heb twee kinderen: Julienne, 41 en moeder van mijn driejarige kleindochtertje Johanna, en Ramez, 36 en eindelijk verkerend in een solide relatie met Alejandra.
       Het is intussen een jaar geleden dat ik ze allemaal heb gezien…
       Ik ben vertaalster van industriële en literaire teksten, schrijf en recenseer ook poëzie voor El Financiero, de krant waarvoor Mom eertijds werkte. Ik publiceerde drie poëziebundels en waag me nu voor het eerst aan proza.

       Mijn Belgische Uncle Walter is prozaïst en dramaturg. Zijn romans spelen zich net als die van Faulkner en Márquez doorgaans af in zijn geboortestreek. Zijn personages zijn veelal een mengsel van verzonnen en echte familieleden en dorpsgenoten. Dad, Jules van den Broeck, treedt al op in zijn debuut, naar het schijnt. Ik wilde dat ik Nederlands kende.
       Aan de hand van de familiecorrespondentie die Uncle Walter mij onlangs mailde en die uitgeprint vier dikke mappen beslaat – de Van den Broecken zijn altijd verwoede briefschrijvers geweest – aangevuld met de verhalen die Dad ons zijn hele leven heeft verteld en wat verder nog zo allemaal via mail van bij Uncle Walter komt aangewaaid, wil ik de roman van de Van den Broecken in Mexico schrijven. Het is een hels karwei.

Sinds het recente vertrek van Dads laatste geliefde dreigde ik er alleen voor te staan, maar gelukkig keerde Yvette terug.
       De aanwezigheid van vreemde vrouwen heeft zus Yvette altijd het huis uitgedreven.
       Nu de eenenvijftigjarige Maria Dolores Herrera Arreolo naar haar eigen huis aan de overkant van de straat is vertrokken, is Yvette weer thuis en helpt ze me met de verzorging van mijn hoogbejaarde Dad.
       ’s Ochtends helpen we hem de douche in, ’s avonds verschonen we zijn pamper en trekken hem een schone pyjama aan. Hij heeft een kast vol beeldige pyjama’s. Na het ontbijt schuifelt hij met zijn looprek naar het grote schuifraam, betreedt het terras en kijkt neer op de tuin en het zwembad zoals een veldheer zijn troepen schouwt.
       Hij roept een of andere opdracht naar Tomàs, de tuinman- conciërge, om te laten horen dat hij nog altijd de zaak in het oog houdt.
       Hij tuurt nog even in de verte naar de Popocatépetl, benieuwd of die zijn pijp al heeft opgestoken, en gaat dan weer naar binnen, zet de tv aan en gaat op het intussen opgemaakt bed liggen.
       Naast het bed hebben wij intussen zijn fles tequila, zijn fles water en een sixpack Corona neergezet.
       Dankzij de schotelantenne op het dak waarmee hij duizend kanalen kan ontvangen, zelfs de Belgische VRT, kan hij in het regenseizoen binnen tv-kijken.
       Hij volgt de Ronde van Frankrijk en het wereldkampioenschap voetbal. Dingen waar ik niets van begrijp.

Yvette rijdt naar het centrum om boodschappen te doen. Als ze terug is gaat ze voor haar iMac zitten en begint therapie te verstrekken aan haar patiënten. Dat zijn er meer dan in het precoronatijdperk.
       Ikzelf begin commerciële teksten te vertalen voor vier firma’s: Amazon, Gengo, One Hour Translation en Mother Tongue.
       In periodes dat er weinig opdrachten zijn, werk ik aan de tuintafel op het gazon aan het boek, of schrijf en vertaal ik gedichten voor enkele virtuele poëzietijdschriften.
       Lunchen doen we samen. Dad heeft intussen de hele wereld gezien op de tv. Hij moet zo’n honderd scheldnamen hebben verzonnen voor de Amerikanen in het algemeen en voor de Republikeinen in het bijzonder.
       ‘Het allerdomste volk ter wereld, nauwelijks intelligenter dan de homo erectus.’
       Gelukkig kan mijn GGDad (Greatgranddad) hem niet meer horen.

Na de lunch vertaal ik of werk verder aan het boek. Of ik pruts aan mijn gedichten. Vanaf vijf uur begin ik voor het avondeten te zorgen. Een taak die ik onmogelijk aan mijn zus kan overlaten.
       Als ik Dad een plezier wil doen maak ik frieten met stoofvlees volgens het recept dat Mom mij nog heeft geleerd. Die leerde het van haar Belgische GMom.

Onlangs las ik op internet dat Cuernavaca al 217 000 coronadoden had begraven. Nochtans is de Mexicaan minder bevreesd voor corona dan voor aardbevingen. Volgens hem zullen niet de virussen Mexico vroeg of laat vernietigen, maar de aardbevingen.
       Bijna dagelijks slaat ieders hart een paar keer een tel over als het zoveelste tremortje de champagneglazen in de kast en de tranen aan de luchters zachtjes doet rinkelen en de Mexicaan uit zijn nooit gehele rust doet opkijken. Heel even.
       Maar af en toe zijn er zware brokken makende bevingen, veroorzaakt door de drie tektonische platen waarvan er minstens twee tegen elkaar botsen. Dan rent iedereen met kloppend hart naar buiten, naar plekken buiten het bereik van instortende gebouwen.
       ‘Je voelt je belachelijk,’ zegt Dad altijd die naast duizenden kleintjes een handvol fameuze klappers heeft meegemaakt.
       ‘Je bent buiten en opeens begint alles te golven alsof het een reusachtig tapijt is dat in slow motion wordt uitgeklopt. Elke houvast ontglipt je. Je voelt je dronken, je valt, je glijdt uit, je staat op, je valt weer en je blijft liggen tot de laatste brokken zijn gevallen.’
       De laatste jaren komt ook dat onheil frequenter voor. Voelen de kleine bevinkjes eerder aan als waarschuwinkjes of plaagstootjes, de 7,2’s van Richter lijken daarentegen definitief korte metten te willen maken met Mexico.
       In 2017 hadden ze er een van 7,4. Toen vielen er meer dan tweehonderd doden in Mexico City en werden ontelbare
gebouwen tot op hun fundamenten verwoest. Het merkwaardige was dat de oudste gebouwen, zoals de kerken in Spaanse barok, overeind bleven.
       Een goede maand geleden schudde de aarde weer met een kracht van 7,2. Doods- en doodsbang waren we, want wat als er brokstukken van de rots waartegen de villa aan is gebouwd naar beneden zouden storten…?
       Ik bedoel maar: de heftigheid van die natuurfenomenen neemt hand over hand toe.
       ‘De ondergang van de wereld begint in de stad van de eeuwige lente,’ zei Dad onlangs nog. Een wat slap statement waarvan het karakter evenwel aan kracht wint.
       De oerkracht die vervat zit in de aarde is bezig meedogenloos de mensheid, omdat zij zich onwaardig heeft getoond deze planeet te bewonen en te beheren als een goede huisvader, van de aardbodem te vegen, niet alleen hem onder het puin te bedelven, maar hem ook met dodelijke, voortdurend van gedaante verwisselende virussen uit te roeien. Uiteindelijk zullen alleen de dodelijke virussen alle andere levensvormen overleven.
Omdat er in de loop der jaren zoveel huizen bij zijn gebouwd moest er een straatnaam worden gevonden. Dat werd, na een rumoerige wijkvergadering, de Pedro de Alvaradostraat, Lomas de Cortes, naar een Spaanse conquistador die aan de zijde van Hernán Cortés Mexico veroverde. Hoe masochistisch kun je zijn: pleinen en straten noemen naar figuren die je land hebben veroverd en leeggeplunderd en je volk hebben uitgeroeid.

Samen met twee vrienden – het ging hem toen voor de wind – kocht Dad, naast het ruime huis in de Parque Malinche, Lomas del Parque in Mexico City, hier in Cuernavaca een ruim stuk bouwgrond waarop in een mum van tijd drie omheinde villa’s en een conciërgehuisje werden opgetrokken.
       Toen ze klaar waren, rees er een probleem. Wie zou welke villa betrekken? In plaats van dat met geweld te beslechten, schreven ze alle drie hun naam op een papiertje en gooiden het in een urn. De jongste van Tomàs was de enige met een onschuldige kinderhand en mocht een papiertje trekken. Het bleek ‘Van’ te zijn, zoals Dad hier wordt genoemd, en die koos tot vreugde van zijn vrouw de villa tegen de rotswand die uitzicht gaf op het hele complex en heel in de verte de vaak rokende top van de vulkaan.
       De piloot koos na het tweede briefje het eerste huis links naast de drinkwaterfilter. Restte het tweede voor het gepensioneerde, immer lachende en zwaarlijvige juwelierskoppel, dat slechts op ongeregelde tijdstippen opdaagde, en hun villa eerder als een belegging zag dan als een vakantiewoning.
       Het grootste deel van de tijd waren de drie huizen onbewoond. In de weekends zouden we jarenlang de 85 kilometer afleggen tussen het omheinde ‘Malinche’ in Mexico City, dat elke ochtend werd gewekt door een overvliegende helikopter van de privéveiligheidsdienst, en de Pedro de Alvarodostraat in Cuernavaca, in de familie kortweg ‘Cuernavaca’ genoemd.

Tomàs opende de getraliede inrijpoort en ging weer aan het werk: de heggen een beetje snoeien hier, de bloemperken een beetje wieden daar, wat dode bladeren bij elkaar harken of ze met een schepnet uit het zwembad vissen. Het gazon maaien deed hij op andere dagen. Vermoed werd dat het een karwei was waarmee hij zijn vrouw of zijn oudste kinderen belastte.
       Dad maakte dan een praatje met Tomàs over de staat van het pand, het werk dat binnenkort gedaan zou moeten worden. Later begreep ik dat het slechts om een ritueel ging. Als er maar geen bladeren in het water lagen was hij al tevreden. Dat wist Tomàs ook, dus had hij daar al op voorhand voor gezorgd.
       Na het middageten zagen we hem niet meer terug. Vrouw en vier kinderen mochten de deur niet uit en zeker de tuin niet in.

Wie van de straatkant door de getraliede inrijpoort naar binnen keek zag een idyllische villa met verdieping en terras waarvoor vier palmboompjes stonden. Rechts, maar haaks op onze villa, waren de twee andere opgetrokken en helemaal aan de straatkant naast de poort de kleine conciërgewoning.

       De drie villa’s grensden aan een gazon, in het midden waarvan een niervormig zwembad lag dat vroeger met gas werd verwarmd maar vandaag met zonnepanelen. De smalle ruimte tussen onze villa en de rotswand betrad ik zelden, want hoe behoedzaam ik het ook probeerde te doen, toch schrok ik mezelf elke keer wezenloos van de wegschichtende, klikkende of gillende gekko’s, hagedissen en piepkleine maar venijnige schorpioentjes.
       De getraliede poort werd naarmate er in de straat meer huizen werden gebouwd vervangen door twee solide en ondoorzichtige poorten. Voor geteisem hoefde hier niet te worden gevreesd. Overigens wekte de conciërgewoning met getralied kijkraampje de indruk dat de poort constant werd bewaakt.
       De joviale piloot die maar zelden zou opdagen beloofde telkens een paar bewakingscamera’s te zullen installeren, maar dat plan verdween onmiddellijk als hij weer vertrok, alleen of met een beeldige stewardess. Nu, zoveel jaren later, zit ik hier aan mijn tafeltje aan de rand van het gazon naast het zwembad, dat nog maar zelden gebruikt wordt, in de schaduw van de hoge eik van de Franse buurman, Almada, aan mijn laptop. Ik wissel het vertalen van Amerikaanse artikels over van alles en nog wat af met het prutsen aan een gedicht dat uiteindelijk duizend verzen moet tellen, en het uitpluizen van familiecorrespondentie tussen Dad, Granddad (GDad) en Greatgranddad (GGDad). Die is overigens vaak in het Engels omdat GGDad de talenkennis van zijn zoon wilde onderhouden (en testen) en meelezers in Olen wilde uitsluiten.
De brieven in het Nederlands heeft Uncle Walter door zijn zoon Stefan in het Engels laten vertalen alvorens ze me te bezorgen. Dat moet ook een hels karwei geweest zijn.
       Af en toe kijk ik op naar het terras op de bovenverdieping naar Dad die tv kijkt en slokjes tequila tot zich neemt. Of in zijn lila- of pistachekleurige pyjama wat moeizame stappen zet over het terras, zich met beide handen vasthoudend aan de balustrade, kijkend als een heerser, goedkeurend knikkend en daarna terug naar binnen schoffelt.
       Van de vier palmboompjes voor het huis zijn er nog maar twee overgebleven. Reusachtige knapen die goed onderhouden worden door de oudste zoon van Tomàs. Ik blijf het vreemd vinden dat de kleintjes door stormwinden zijn weggeblazen terwijl de reuzen hun souplesse blijven bewaren. Stormwind kan hun kruin wel bijna tot tegen de grond doen doorbuigen, maar breken doen de stammen vooralsnog niet.

Maar laat ik mij eerst even fatsoenlijk aan u voorstellen.
       Ik heet Lillian van den Broeck, ben geboren in El Paso op 30 juni 1954 en sinds 2008 gescheiden van de katholieke Libanese Mexicaan Michel Mawad, wiens vader aan de Unesco was verbonden, wiens oom René in 1988 tot president van Libanon werd gekozen en zeventien dagen later met een bom van tweehonderdvijftig kilogram de lucht in werd geblazen.
       Was Michel de liefde van mijn leven? Hij intrigeerde mij. Zijn pikzwarte, kortgeknipte krulletjes en dito snor gaven hem iets veldheerachtigs uit de revolutie.
       Hij was al even zwijgzaam als ik. 
       Ik leerde hem kennen aan het Instituto Superior de Intérpretes y Traductores waar ik studeerde. Ik vind mezelf geen beauty maar mag wel gezien worden. Ik heb het indiaanse van Mom: getaande huid, pikzwart haar, maar ook het mopsneusje van mijn Duitse Mom en vooral de blauwe ogen van Dad.
       Mexicanen zijn gek op blauwe ogen. Mijn jongere zus Yvette is helemaal indiaans, dus groeide haar jaloezie op mijn ogen elk jaar wat meer.
       Mijn zwijgzaamheid, gecombineerd met mijn blauwe ogen, stemde de meeste mannen onbehaaglijk. Alsof ik al een negatief oordeel over hen had gevormd voordat zij zich een houding hadden kunnen geven. Alsof ik dwars door hen heen keek. Mijn blik werd ook weleens als verwaandheid uitgelegd. Dat was het niet. Ik ging ervan uit dat ik er het zwijgen maar toe moest doen als ik niets interessants te vertellen had.
       Zus Yvette daarentegen was briljant maar leed van kleins af aan al aan logorroe. Geen onderwerp ging boven haar petje. Over alles had ze een mening, vaak een gefundeerde mening. Eerst bakende ze keurig een probleem af, vervolgens racete ze ijlings naar een onomstotelijke conclusie.
       Dad haakte meestal als eerste af en sloop met de krant naar het toilet. Mom gaf een tijdje weerwerk maar zei dan dat ze nog werk te doen had. Ik bleef onbeweeglijk zitten luisteren, vol bewondering voor de manier waarop ze de meest krankjorume stelling met behulp van lepe drogredenen, die zich soms pas laat als dusdanig lieten herkennen, tot een glinsterend schijnbewijs leidde waar nochtans geen speld was tussen te krijgen.
       Ik was al tevreden dat ik het tot vertaalster Spaans-Engels had weten te schoppen, maar Yvette trok naar de universiteit en haalde in vier jaar tijd haar psychologenbul. Vrijwel onmiddellijk kreeg ze een job in het psychiatrisch ziekenhuis Fray Bernardino Àlvarino, opende daarnaast een kleine privépraktijk waar ze uitsluitend een select publiek ontving.
       En alsof dat nog niet genoeg was, had ze ook nog een radioprogramma weten te versieren voor luisteraars met zielsproblemen.
       Lang hield ze dat allemaal niet vol, omdat haar op hol geslagen verbeelding haar voortjoeg. Een verhevigde versie van haar Dads verbeelding en dagdromerij.
       Ik was niettemin onder de indruk. Zoals zij onder de indruk was van mijn status als jonge, succesvolle dichteres, vertaalster en gezaghebbende poëzierecensente.
       Tijd voor een relatie had Yvette nooit gehad. De kandidatenstroom, onder wie de nationale judokampioen, schrikte ze af met haar intellectualistisch discours, dat zijn gevoelens in korte tijd drooglegde. Zij wilde hun de algemene relativiteitstheorie van Einstein bijbrengen, terwijl die jongens gewoon met haar naar bed wilden. Na het avondmaal keerden ze met een trommelvliesverlamming naar huis terug.
       Ik heb weleens gedacht dat ze lesbisch was maar de enige vrouw die haar leek te fascineren was zijzelf.
       Op een keer zei ze dat de voorliefde voor blauwe ogen van de Mexicaan te maken had met zijn zelfhaat.
       ‘Zelfhaat?’
       ‘De Mexicaan doet er alles aan om er niet uit te zien als een Mexicaan. Vooral de vrouw. Denk maar aan mama, die laat for God’s sake geregeld haar haar blonderen om er als een Zweedse schone uit te zien, maar wekt door die rare mix van donkere huid en blond haar de indruk dat ze een bejaarde prostituee is. Blauwe Europese ogen liegen niet, donkere Mexicaanse nog minder.’
       Ze had gelijk. Ik werd eertijds door mijn medestudenten aanbeden ter wille van mijn ogen. Ze namen er zelfs mijn mopsneusje bij dat zich nu al manifesteert bij mijn piepjonge kleindochter Johanna.
       Mijn zus, mijn lieve, krankjorume zus. Een jaar na de dood van Mom brak ze met de hele familie en verdween in de metropool die toen 23 miljoen mensen telde.
       Pas nu ze gepensioneerd is en alleen haar privépraktijk nog aanhoudt, komt ze me te hulp. Niets te vroeg want ik stond op het punt in te storten na het vertrek van Dolores.
       Dad, die ondanks zijn eeuwige hoesten in goede gezondheid verkeert, heeft steeds meer hulp nodig.
       Tot een jaar geleden correspondeerde hij voortdurend met Uncle Walter. Die hield zijn geest wakker door herinneringen op te halen of inlichtingen te vragen over mensen uit zijn jeugd. Een paar regels deed Dad een heel lang mailbericht terugschrijven.
       Uncle Walter: ‘Jules, wie woonde er ook weer naast de oude Wuytack in de Watertorenstraat?’
       Dat volstond om een ellenlang epistel over vroeger tevoorschijn te tikken.
       Maar hij is nooit een acrobaat geweest op zijn computer. Hij wiste per ongeluk oude mails of werkte urenlang aan een bericht en wiste dat vervolgens door op een verkeerde toets te drukken.
       Het ziet ernaar uit dat hij de computer heeft opgegeven, en zijn ‘broertje’, die intussen ook al tachtig is, schijnt
langzamerhand de zin ontschoten om hem wakker te houden door het verleden te herkauwen. En wat te schrijven over de toekomst? De ondergang van de wereld!
       Hij heeft nog zijn goede dagen, maar is lui, en zijn geheugen onthoudt niet langer wiens beurt het is om te schrijven. Daarom laat zijn broer mij geregeld door zijn zus, Aunt Elvire, vragen hoe Dad het stelt.
       Meestal ligt hij in zichzelf gekeerd het verleden te overdenken, tv te kijken of dutjes te doen. Hij herinnert zich zijn klasgenoten van de lagere school en van de Tweede Wereldoorlog weet hij nog alles, alsof die pas gisteren is geëindigd.
       Nu Yvette, na jaren onmin met ons, heeft besloten terug naar huis te komen lijkt hij gelukkiger en vooral ‘rustiger’, omdat na turbulente jaren de eenheid in de familie weer is hersteld, en hij zich goed verzorgd weet.
       Hij, de voormalige bokskampioen die jaren geleden zijn beide dochters verschoonde, moet zich nu door hen de kont laten schoonvegen.
       De argumentatiekunst en ziekenhuiservaring van Yvette zijn hierbij een grote hulp.
       Hij eet nog altijd heel goed en met smaak. Als hij een paar uur vanuit zijn bed tv heeft gekeken, komt hij overeind en krasselt met steunstok of looprek in pyjama rond op zoek naar een hapje of een slokje.

De sigaret heeft hij jaren geleden opgegeven, maar hoesten doet hij nog altijd even erg. En twee- à driedaagse griepjes heeft hij ook nog altijd, maar nooit iets ernstigs dus.

Deel 1: 's Levens lust 

Heen

Wat kwam Jules van den Broeck uit het Belgische Olen eigenlijk in Mexico doen? Het begon allemaal met zijn overgrootvader (GGDad), Peter Jules. Of begon het met de Tweede Wereldoorlog?
       Toen die afgelopen was, werkte Dad een tijdje in Antwerpen bij een kleine firma die op bestelling insignes en eretekens ontwierp en vervaardigde. Elke dag met de trein heen en weer voor weinig geld, dat hield hij niet vol. Hij besloot in 1947 bij de luchtmacht van het Belgische leger te gaan.
       Zijn GDad Peter Jules, in de familie Opa van Herentals genoemd, volgde in de krant en op de radio vooral de buitenlandse politiek en werd almaar banger.
       De Berlijnse Kwestie was weliswaar geregeld maar nog niet achter de rug. Hij vreesde dat er spoedig een derde wereldoorlog zou uitbreken.
       Twee maanden voordat de Amerikanen middels hun ‘Berlijnse luchtbrug’ West-Berlijn met vliegtuigen een jaar lang van de nodige leeftocht voorzagen en aldus de blokkering van de toegangswegen door Rusland nutteloos maakten, besloot Opa van Herentals naar Amerika te verhuizen.
       ‘Minstens voor één jaar, tot de wind is gaan liggen in Europa.’

In St. Cloud, een klein veteranenstadje in Florida, werd hij gul ontvangen door een handvol medeveteranen van de Filippijns-Amerikaanse Oorlog, dat in de winter in het noorden de solide woning afsloot en naar zijn buitenverblijf in het zuiden trok.
       Omdat GGDad zo zuinig mogelijk wilde leven, vroeg hij zijn vrienden hem te helpen bij het zoeken naar een betaalbaar huurpand.
       ‘Ben je gek!’ riepen ze in koor. Ze zouden een oudmedestrijder op zijn oude dag toch niet laten betalen omdat hij destijds voor Amerika had gestreden!
       Mrs Hill, een levendige weduwe van vijfenzestig, met twee zoons en een ongetrouwde dochter van eenenveertig die in het noorden woonden en werkten, bood hem zelfs aan bij haar in te trekken tot de zomerhitte haar en haar vrienden weer naar huis zou drijven. Dat was an offer he couldn’t refuse. Dus ging hij gretig, na wat pseudotegenpruttelen, in op haar voorstel. Niet omdat hij Mrs Hill – zeg maar Hannah – aantrekkelijk vond, maar vooral omdat hij geen cent voor zijn verblijf hoefde te betalen.
Een doodgewone kamer met minimale voorzieningen zou hem een rib uit zijn lijf hebben gekost, had hij snel berekend.
       Daar hadden ze allebei voordeel bij. Als zij in het milde seizoen bij haar dochter inwoonde, kon ze er gerust op zijn dat haar lodge in St. Cloud niet ten prooi zou vallen aan allerhande schorremorrie, en GGDad had een gratis dak boven zijn hoofd.
       Mrs Hill verzorgde hem alsof hij haar kleinkind was. Ze maakte er voor de anderen geen geheim van dat ze best wel met hem zou willen trouwen, maar GGDad hield de boot af. Hij had slechte herinneringen aan het huwelijk. In een vorig leven was hij al eens naar de States geëmigreerd, had er in het leger gediend, de Filippijns-Amerikaanse Oorlog meegemaakt, en was schatbewaarder geworden van het Filippijnse eiland Bohol. Daar was hij getrouwd met de beeldschone Dolores Vital y Garcia, dochter uit de Spaans-Filippijnse burgerij op de archipel. Toen bleek dat ze hem bedroog met een Spaanse provinciegouverneur was hij zodanig beledigd dat hij het kind dat die twee tijdens zijn afwezigheid hadden verwekt in het geheim liet onderbrengen bij een kinderloos Amerikaans echtpaar, en met zijn eigen kinderen naar zijn vaderland terugkeerde.
       Dat was heel lang geleden.
       Wel bleef hij, ondanks zijn reserves, als roommate samen met Mrs Hill in haar gezellige lodge wonen. Zij kookte voortreffelijk, hield het huis netjes en wist wanneer ze haar mond moest houden.
       Hij schreef de hele dag brieven, las kranten, bladen en tweedehandse pockets en luisterde naar de radio.
       GGDad had een hekel aan vrouwen, maar Hannah Hill vond hij aangenaam gezelschap: zij kon urenlang babbelen maar wist ook perfect wanneer ze daarmee moest ophouden, zodat een gezellige tweezaamheid haar intrede kon doen.
       Zijn medeveteranen deden hun uiterste best om het hem naar de zin te maken.
       Haast elke dag werd met de oude Studebaker van Mrs Hill een tripje gemaakt. Tot zijn geniepige genoegen hoefde hij nooit wat te betalen.
       Na een tijdje begonnen de tripjes hem te vervelen. In zijn brieven naar zijn zoon liet hij zich vaak laatdunkend uit over de Amerikaanse cultuurloosheid.
       Van de hele groep was er niemand met wie je een echt gesprek kon voeren over de wereldproblemen. De kranten stonden bol van reclame en stripverhalen en hij miste een écht radiostation, zoiets als het NIR in België, het Nationaal Instituut voor de Radio-omroep, dat elk uur wereldnieuws uitzond.
       In heel Florida werd haast uitsluitend naar lokale zenders geluisterd. Doordat die gesponsord werden door de kleine middenstand werd alleen maar lokaal nieuws uitgezonden.
       Dat ene Mr Hawkins een nieuw restaurant had geopend, of dat Garage Parkers een uitgebreid assortiment tweedehandswagens tegen spotprijzen verkocht. En wie met wie was getrouwd, of wie het tranendal voorgoed had verlaten.
       Hij spreidde na het middageten de krant altijd helemaal open op de door Mrs Hill ontruimde en schoongemaakte tafel, zette zijn leesbril op, en dweilde langzaam de pagina’s af. Alsof hij God de Vader was die zijn schepping elke dag aan een scrupuleus onderzoek onderwierp!
       Veel te snel vouwde hij ontgoocheld de krant weer dicht en verdiepte zich in een of andere pocket. Erskine Caldwell, Rex Stout, John Steinbeck, Ernest Hemmingway…

Van zijn kleinzoon Jules vernam hij dat diens contract met het Belgisch leger weldra af zou lopen. Zijn oude hart maakte een sprongetje en snel schreef hij hem aan. Hij kon naar St. Cloud overkomen, zich tot Amerikaan laten naturaliseren en beroepssoldaat bij het Amerikaans leger worden. Dat betaalde veel beter dan het Belgische, zodat hij geregeld wat geld naar zijn ouders kon sturen, zoals hijzelf gedaan had naar zijn eigen moeder. Tot op haar laatste dag.
       Hij moest alleen maar een aanvraag indienen om Amerikaans staatsburger te kunnen worden en de machine kon al in gang worden gezet.
       ‘Stuur eens een foto in uniform,’ voegde hij er in een PS aan toe.
       Daar kon hij alvast mee pronken bij zijn vrienden.
       Hijzelf zou de overtocht betalen en hem een maand lang onderhouden, daarna moest hij het zelf zien te rooien. Dat was nu eenmaal the American way of life.
       ‘Begin maar alvast te sparen!’
       Dad wilde meer weten over St. Cloud. ‘St. Cloud was de hemel op aarde,’ schreef hij. ‘Maar je moet hem wel verdienen.’
       En: ‘De vrijheid heeft haar prijs.’

Het antwoord van zijn kleinzoon stelde hem zwaar teleur. Hij kon niet ingaan op dat royale voorstel omdat hij sinds enige tijd serieuze verkering had, en dat het na zijn legerdienst wellicht niet lang meer zou duren voor hij zou trouwen.
       GGDad schreef hem een van venijn druipende brief terug.
       Alweer een vrouw die roet in het eten kwam gooien! Hij wist niet waar hij aan begon!
       ‘“De tefkens” altijd “de tefkens”, ge zijt juist gelijk uw vader!’
       Hij wist niet wat hij naast zich neerlegde! St. Cloud was het paradijs op aarde, een Amerikaans soldaat werd er respectvol behandeld.
       Dat het er in de zomer nauwelijks te harden was van de hitte verzweeg hij wijselijk. Zijn oude vrienden woonden
allemaal in het noorden in grote appartementen of villa’s. Omdat de winters er bijzonder bar konden zijn, zakten ze af naar Florida, waar dan een weldadige lentewarmte heerste.
       Snowbirds werden ze genoemd. Ze verbleven in hun lodge tot het te heet werd in Florida. Dan reisden ze weer af naar het noorden, waar de sneeuw intussen was verdwenen en de lente haar intrede had gedaan. Zo wisten ze elk jaar de extremen te ontwijken.

GGDad ontving tot zijn vreugde en verrassing alsnog een aangename brief van zijn kleinzoon. Hij had het willens nillens uitgemaakt met zijn Brussels lief, de beeldschone Angèle B.
       Dad toonde mij enkele jaren geleden een fotootje van haar. Een beeldige vrouw. Mooier dan Mom zelfs.
       ‘Zij heeft mij mijn eerste “vlieglessen” gegeven,’ zei hij.
       Hij had haar al eens een paar weekendjes meegebracht naar Olen. De hele Koperstraat kwam in de deur staan, alsof Julleke het wereldkampioenschap boksen had gewonnen en zijn trofee aan de hele cité kwam tonen. Er werd nog net niet geapplaudisseerd.
       Ook de hele familie raakte in de ban van haar charmes. Vooral GDad. Zij was stewardess en verdiende goed. Elke week, als hij met verlof kwam, vroeg GMom of hij haar al ten huwelijk had gevraagd.
       En toen kwam het er op een keer hakkelend uit.
       ‘Angèle is nog maar pas gescheiden…’
       ‘Gescheiden??’

       Met een schok van 7,2 op de Schaal van Richter kwam de hele wereld even tot stilstand.
       Verstomd en verstijfd keek iedereen hem aan. Ieders mond stond open, niemand knipperde nog met de ogen. Alleen de adamsappel van broer Staf ging heel langzaam en geluidloos op en neer.
       ‘Maar Julleke toch…’
       Huilend liep hij naar zijn oude slaapkamer.
       Iedereen bleef huilend achter.
       Hij begreep dat zelfs in de allesbehalve piëteitsvolle cité er niet met gescheiden mannen of vrouwen werd getrouwd. De schande die dat teweegbracht zou langer nawerken dan die van de zwartzakken van na de oorlog.

GGDad was in zijn nopjes toen hij het nieuws vernam. Het ‘tefkensgevaar’ was afgewend. Niets zou hem nu nog kunnen tegenhouden om zijn kleinzoon naar Amerika te lokken. In Florida zou hij een nieuw leven kunnen beginnen. Of beter: zou zijn leven eindelijk kunnen beginnen. Hij moest hem dringend aanschrijven. ‘De gierigaard’ noemde Daddy hem altijd. ‘Hij zou een
cent in twee hebben gebeten.’ Daarom verraste zijn gulheid hem deze keer zo.
       Hij was jaren geleden met zijn twee kinderen als bemiddeld persoon teruggekeerd uit de Filippijnen, had op de Wittenberg in Herentals een huis gebouwd, en om iets om handen te hebben een kippenkwekerij opgezet, die sneller failliet ging dan ze gebouwd was. Een ramp was dat niet.
       Toen zijn kinderen het huis uit waren, verkocht hij zijn onroerend goed en zette het om in waardepapieren. Hij solliciteerde bij de gloednieuwe radiumfabriek in het naburige Olen en werd vanwege zijn talenkennis en zijn spectaculaire curriculum vitae prompt aangenomen als magazijnbeheerder. In de aanpalende cité kreeg hij een woning ter beschikking, het nummer 45 in de Koperstraat.
       Magazijnmeester! Een kolfje naar zijn hand. Gebruikmakend van zijn Filippijnse administratieve ervaring reorganiseerde hij het magazijn grondig. Het systeem dat hij had ontworpen was zodanig praktisch dat het tot in de jaren zestig van de vorige eeuw werd gehanteerd.
       Zijn zoon had intussen met avondlessen het brevet van elektricien, specialisatie ‘telefonie’, verkregen en werkte als specialist in de koperraffinaderij, die als uitbreiding van de radiumfabriek mocht worden gezien.
       Hij kreeg toestemming van de directie met zijn gezinnetje in te trekken bij GGDad. Daar was iedereen mee gebaat.
       Tussen mijn Duitse GMom en GGDad Peter Jules boterde het niet, omdat hij zijn zoon voortdurend achter zijn rug verweet dat hij te veel zoop en achter de vrouwen aan zat. Voortdurend zette hij haar aan hem zijn losbandigheid te verwijten.
       ‘Uw vader zegt het ook!’
       GGDad werd ter verantwoording geroepen.
       ‘Waarom maakt gij mij zwart bij mijn vrouw?’
       GGDad deed alsof zijn neus bloedde.
       ‘Ik? Wie zegt dat?’
       ‘Elly, mijn vrouw!’
       ‘Ze overdrijft.’
       Dan ontvlamden angstaanjagende ruzies tussen GDad en GMom.
       ‘Gij liegt, niet hij!’
       GDad was vaak dronken, dat kwam doordat hij niet zo goed tegen alcohol kon en om dat te camoufleren voortdurend dure rondjes gaf.
       Het volgend weekend probeerde hij GMom geld af te troggelen, wat soms makkelijk lukte, maar meestal, als van haar huishoudportemonnee alleen de bodem nog zichtbaar was, helemaal niet. Dan barstte alweer een homerische ruzie los.
       Als GGDad olie op het vuur wilde gooien begon hij in zijn zoons afwezigheid over diens wijvenloperij, in de hoop GMom zodanig te choqueren dat ze terug naar haar vader in Duitsland zou trekken.
       Maar zij antwoordde laconiek:
       ‘Och, hij komt toch altijd terug.’
       Dat heb ik later nog gehoord.
       GMom was echter niet op haar mondje gevallen, bij zijn volgende preek kreeg GGDad de wind van voren.
       ‘Als gij alleen mijn man zwart wilt maken, heb ik liever dat ge zwijgt.’
       GGDad kreeg het op de zenuwen van zijn spilzieke goddeloze zoon. Uiteindelijk verhuisde hij terug naar Herentals.

Toen had je dat gehannes met Berlijn. GGDad was doodsbang. Hij vreesde dat de Russen weldra West- Europa zouden inpalmen, en hem uit zijn stulpje zouden komen halen om hem te folteren en op te hangen omdat hij ooit Amerikaans soldaat was geweest.

Hij nam contact op met enkele medeveteranen in Florida en binnen de kortste keren was zijn vertrek geregeld. Eerst deelde hij zijn meubilair uit aan zijn kinderen. Zijn zoon kreeg twee fauteuils met verstelbare rugleuning en een keukenkastje. Zijn dochter kreeg het tweepits gasfornuisje dat op dat kastje had gestaan.

Op 1 november 1948 kwam hij aan in St. Cloud, ver buiten het bereik van de Russen, zijn kinderen en kleinkinderen.
       Toen begon hij schriftelijk te bedelen bij zijn zoon. Omdat daar niet op werd ingegaan, begon hij zijn schoondochter weer tegen zijn zoon op te zetten.
       ‘Sparen heeft hij nooit gekund. Zuipen en u een stel horens opzetten des te beter. Ge moet strenger tegen hem zijn, Elly!’
       Elke bedelbrief werd gevolgd door een ruzie. GMom zei tegen GDad dat er geen sprake van kon zijn. GDad mocht dan geen ‘alcolieker’ zijn, toch ging zijn geld goeddeels aan alcohol op. Om zijn schaamte te verbergen verweet hij zijn vrouw dat ze spilziek was. Op dat verwijt was zij voorbereid. Prompt nam ze de doos met de winkelbriefjes, trok de som van zijn loon af, waarna bleek dat er nauwelijks iets overschoot, of erger: dat ze eens te meer winkelschulden had.
       Maar GGDad liet niet af en verweet zijn kinderen nu dat zij niet voldeden aan hun plichten. Toen ze de laatste zin had gelezen schoot er zodanig veel bloed naar GMoms hoofd dat de kinderen dachten dat zij dood zou vallen.
       O, ze kende hem maar al te goed, de oude opstoker! Alles moest gaan zoals hij het wilde. Daardoor had hij zijn twee kinderen totaal verknoeid. Ze durfden zich niet tegen hem te verzetten, bedachten allerhande trucs om onder zijn tirannie uit te komen, trucs die ze later ook toepasten op hun eigen kroost.
       Maar toen was de maat vol. GMom greep naar pen en papier, maakte de jongste huishoudrekening voor hem op. Er was één kostwinner. Ze had vier kinderen die naar school gingen. Die moesten allemaal gekleed en gevoed worden. Ze had nauwelijks geld genoeg om iets nieuws voor hen te kopen, laat staan voor zichzelf. Ze zat voortdurend aan de naaimachine kleren te vermaken. Kortom, zij was niet in staat hem uit zijn geldproblemen te helpen.
       Zijn lankmoedige antwoord volgde snel en toen GMom het las werd ze bloedrood en barstte in snikken uit van machteloze woede.
       ‘Tja, als gij mij niet wilt helpen, zal ik mijn aandelen en obligaties moeten verkopen, hè.’
       Ik denk dat GGDad niet echt een goed mens was.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Breydel - Lisa Demets

In Breydel brengt Lisa Demets de geschiedenis achter de succesvolle branding van de Brugse familie Breydel. Middeleeuwse kronieken vormen de rode draad in dit verhaal over de weg naar de macht van de beroemdste Brugse beenhouwersfamilie in de veertiende en vijftiende eeuw. Lees hier het eerste deel van de inleiding.

Lees meer »

Leesfragment: Over dit gevoel is nagedacht - Tyche Beyens

Over dit gevoel is nagedacht van Tyche Beyens is een queeste naar de liefde van vier eind-twintigers, die dat veelzijdige begrip stapsgewijs proberen te ontleden. Het is een liefdesverhaal over voelen in een eeuw waarin zo veel wordt nagedacht. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Beyens' debuut. 

Lees meer »

Leesfragment: NOU EN - Patrick Van Gompel

In NOU EN gaat Patrick Van Gompel onverdroten op zoek naar de ziel en het karakter van de Nederlanders. Hij baseert zich hiervoor op tientallen interviews met spraakmakende BN’ers en gewone noorderburen. Hij vult dit aan met een rijke voorraad aan liedjes, boeken, cabaret en media. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Van Gompels boek over het land van kaas en klompen.

Lees meer »

Leesfragment: We worden er niet jonger op - Michel Follet

We worden er niet jonger op is het vervolg van het in 2021 verschenen relaas Wanneer zien we u terug? over twee eigenzinnige negentigplussers in een woonzorgcentrum. Veel lezers herkenden zich in de petites histoires vol tragiek en humor. Nooit zwaarmoedig, wel realistisch en vaak onverbloemd. Lees hier het voorwoord van het nieuwste boek van Michel Follet.

Lees meer »