Leesfragment: Vrijstaat Lux - Mathias Pagnaer

In Vrijstaat Lux sticht een groep dertigers een leefgemeenschap waarin ieder individu zijn specifieke eigenheid mag ontplooien. Door een uitgekiende socialemediastrategie groeit hun project uit tot een bastion voor ‘zoekenden’ en buitenbeentjes die nooit binnenbeentjes zullen worden. Al blijkt dit buitensporige succes uiteindelijk meer een vloek dan een zegen. Lees hier het eerste hoofdstuk van de debuutroman van Mathias Pagnaer.

Vrijstaat Lux
Mathias Pagnaer

ISBN:9789464340877
Prijs: €22,50


Het was waarschijnlijk het slechtste idee dat we ooit hadden gehad. Of het beste. Na alle jaren die ondertussen waren verstreken, was ik er nog steeds niet uit. Het leek absurd om een commune op te richten in een tijdperk waarin idealen evenveel praktisch nut hadden als een telefoonboek van een land dat niet meer bestond. Zeker als in datzelfde tijdperk het praktisch nut van een onderneming de ultieme maatstaf is om het succes ervan te bepalen. De wijsheid van de achteruitkijkspiegel leek echter te suggereren dat het stichten van onze leefgemeenschap en de resulterende gevolgen volledig onoverkomelijk waren geweest.
       De oerknal waaruit de chaos ontstond, vond plaats op een avond midden mei. Alle bomen en bijna alle mensen op aarde
stonden in bloei. Ze waanden zich onkwetsbaar. Ze geurden, meurden, flaneerden, koketteerden. Het verval was nog veraf. Het was zomer, hoewel het eigenlijk nog lente was. Wij verkeerden in een zeldzame soort melancholie.

 

De vader van Klaas was gestorven. Darmkanker. Hij was de eerste uit onze vriendengroep die iemand van die grootteorde
had verloren.
       Een van mijn oma’s was een jaar eerder al overleden, maar dat verlies was zo eerlijk als een verlies op deze aarde kon
zijn. De dood was jaren voor de invordering als een nazomers briesje – verontschuldigingen fluisterend – aan haar deur komen kietelen. Hij had haar de tijd gegund om te leven, om oma te zijn voor zes kleinkinderen, moeder van drie kinderen, trotse weduwe en stichtend lid van de lokale vrouwengilde. Ze had haar rollen met verve mogen spelen en was na de staande ovatie en een bisnummer gewoon doorgegaan. Ze begon te improviseren en verloor gaandeweg haar tekst, tot ze niet meer wist welke rol ze nu precies stond te spelen. Aangezien de souffleur het ook allemaal niet meer wist, werd in wederzijds akkoord besloten dat ze via de achterdeur mocht verdwijnen. Het merendeel van haar kinderen en kleinkinderen was aanwezig bij haar laatste ademtocht. Ook al was die reutel gehuld in de dichte mist van de bodemloze vergetelheid genaamd dementie. De deurwaarder van het leven was mild geweest. Hij had zijn best gedaan om dit voor alle betrokkenen zo beschaafd mogelijk te houden en was daar ook in geslaagd.
       Het afscheid van Klaas’ vader was het tegendeel geweest. De deurwaarder had haast en ging driest te werk. Hij achtervolgde de schuldenaar tot in een donker steegje en zette hem het mes op de keel. Schuimbekkend deelde hij hem zijn onredelijke eisen mee. Zes maanden na de diagnose kwam hij de schuld invorderen. Jan, Klaas’ vader, werd even compromisloos uit dit leven weggerukt als hij erin had bestaan. De allersterkste mens die ik ooit had gekend bleek plots even breekbaar als een doosje eieren in een huifkar op een hobbelige weg naar nergens.
       Dit soort pathetische, pseudopoëtische bullshit woekerde toen in mijn hersenpan als ik niet ingreep. Volgens de psychologe was het belangrijk om ongewenste gedachten als wolkjes te laten voorbijdrijven. Het probleem was alleen dat de wolken in mijn hoofd een ondoordringbare nevel hadden gevormd.

 

Klaas was de zoon van zijn vader. We wisten allemaal dat hij de sterkste onder ons was. Zonder enige twijfel. Ook na het
overlijden van zijn vader stond hij zichzelf niet toe om zwakte te tonen. Hij had een muur opgetrokken tussen zijn etterende
pijn aan de binnenkant en het fundamentele onbegrip van de buitenwereld. Hij verstikte zijn pijn. Dit mocht geen uitslaande
brand worden. Hij wist dat het lijden van onbepaalde duur zou zijn. Een kruis voor het leven, waarvan hij misschien op een
dag gelijkmoedig de splinters uit zijn schouder zou plukken.
       Zijn vader stierf op een dinsdag. De volgende dag had Klaas iedereen van onze vriendengroep telefonisch uitgenodigd voor de begrafenis aanstaande vrijdag. Zonder pathos, zonder nodeloze uitweidingen. Hij zette niemand onder druk. Hij bracht ons op de hoogte zoals een griffier die een aanklacht voorlas. Het was te nemen of te laten. Hij vervulde zijn plicht en sprak over het onpeilbare verdriet dat zijn moeder gelukkig bespaard werd gebleven, aangezien zij al vlak na zijn geboorte was opgehouden te bestaan.

 

Ik moest die vrijdag in Noord-Holland een Limburgse wielerheld schaduwen om een profiel over hem te schrijven. Ergens was ik blij dat ik niet naar de begrafenis kon. Ik wilde Klaas niet zien knappen onder de dubbele last van een onmetelijk verdriet en een loodzwaar plichtsbesef. Hoezeer ik mezelf probeerde wijs te maken dat dit sentiment iets te maken had met eerbied voor hem, wist ik dat het ging om mijn onvermogen om hem te zien in al zijn kwetsbaarheid. Ik zou nooit weten of hij die dag gehuild had en zou dat nooit aan hem of de anderen durven te vragen.

 

De dag na de begrafenis was er een samenkomst in zijn rijtjeshuis in Leuven. Het was drie jaar geleden dat wij nog eens allemaal samen waren. Sommigen van ons hadden de magische grens van de dertig al overschreden.
       Om drie uur ’s nachts zaten wij samen met Klaas nog te zweten op een van de terrasstoelen die zijn allerliefste Louisa had uitgekozen. De maan stond hoog en in de verte blafte een slapeloze hond. Klaas’ neus en hoge voorhoofd werden onderstreept door licht van flakkerende vuurkorven. Zijn donkerbruine filosofenbaard vormde het tegenwicht voor zijn monumentale voorhoofd. In dit licht leek hij al grijze haren te hebben. Zijn ogen waren twee zwarte gaten in een doods universum.
       Hij sloeg een glas pure whisky achterover. Het hoeveelste wist ik niet. Hij dronk in stilte en de fles was bijna leeg. Hij hield er een gestaag tempo op na. Iedereen wist dat dit niet de beste manier was om zijn verdriet te verwerken, maar niemand ging hem daarop wijzen. Niemand zou tussen neus en lippen vermelden dat de Hoge Gezondheidsraad aanbeval om niet meer dan tien eenheden alcohol per week te drinken en dat zo’n bodempje van het Schotse drakengal als minstens twee eenheden telde. Ik geloof niet dat de Hoge Gezondheidsraad haar regels had opgesteld met in het achterhoofd een hoogbegaafde doctor in de taalkunde die werkzaam was in een gerenommeerde denktank, die zonet ook nog eens zijn vader had verloren. Trouwens, ook wij dobberden op de golven van een zoete zatheid die ons steeds verder deed afdrijven naar de welbekende rotsen waarop we als zorgeloze studenten maar al te graag te pletter waren gestort.

 

We moesten er nu gewoon voor hem zijn. Iedereen had al eens subtiel gepolst of hij wilde praten. Hij liet ons telkens
met een minzame glimlach weten dat hij het apprecieerde,
maar stuurde het gesprek dan met een gevatte opmerking in
een andere richting. Ook als kind was Klaas altijd al de eerste geweest die op de speelplaats ‘ben niet’ riep wanneer werd
bepaald wie de tikker moest zijn.

 

Toen Tine, de zelfverklaarde carrièretijger van de groep, haar Prada op schoot nam en aangaf dat ze morgen – op een zaterdag – nog wat werk moest verzetten, zei Klaas droog: ‘Blijf nog even, alsjeblieft.’
       In eender welke andere situatie had Tine met een spitsvondig antwoord gepareerd, voordat ze in strakke pas, maar met een Mona-Lisaglimlach in de richting van haar BMW marcheerde. Ze zou voor ze opstond haar lange zwarte haren vlug fatsoeneren en hierbij elk oogcontact vermijden. Maar vandaag ging ze weer zitten en schopte haar hakken uit. Haar donkerrood gelakte teennagels reflecteerden het licht van de vuurkorven.
       ‘Gisteren vertelde mijn collega dat de prognoses voor volgend jaar binnen zijn,’ zette Tine aan, maar ze besefte dat dit de plaats, noch het tijdstip was om te beginnen over de belastinginkomsten van de Belgische staat. Ze greep dan maar naar de fles Cola Zero die op tafel stond en vulde haar nog meer dan halfvolle glas bij. ‘Nog iemand?’ vroeg ze. Niemand gaf een kik. Tine was in een ver verleden de vriendin van Geert geweest en was zo onze vriendengroep binnengerold. Aangezien ze zelf niet veel vrienden had, besloot ze maar te blijven. Ondanks het onmetelijke verschil tussen haar leefwereld en de onze. Ze was een knappe vrouw, maar maakte daar verder geen gebruik van. Ze had zichzelf het korset van een sterke carrièrevrouw aangemeten en leek hierbij al de rest te zijn vergeten.
       Maar wist ik veel? Mensen zijn optische illusies, afhankelijk van wie kijkt, wanneer en hoe je keek, zie je iets anders.
       Mijn spiekende, spiedende blik had gezien dat ze in haar Google Calendar de afgelopen twee uur als social time had
gecategoriseerd. Ze maakte overuren die avond.

 

Klaas schudde zijn hoofd met relais om aan te geven dat hij geen Cola Zero wou. Hij schonk zichzelf nog een glas Glenfiddich in. Louisa, zijn ongekroonde koningin, zat onbewogen naast hem. Ze was de zon en de maan van hun eigen, eenzame universum. Haar blonde engelengezicht, vandaag slechts subtiel opgemaakt, baadde eenzaam in het vale licht van de hyper- kinetisch kabbelende stroom beelden in haar Instagramfeed.
Ze had het fatsoen om vandaag zelf niets te posten – wat in haar hoedanigheid van influencer hetzelfde was als een kleine
zelfstandige die een dag de winkel sloot –, maar ze moest natuurlijk wel op de hoogte blijven van wat de concurrentie deed.
       Trends moest ze spotten al voor ze trends werden en als influencer moest ze van de trendtrein afstappen nog voor hij tot stilstand zou komen. In haar wereld bestond er niets zieliger dan iemand die half 2018 nog ‘yolo’ zei. Dit soort wijsheden kwamen meestal uit haar gestifte mond wanneer we vroegen hoe het met haar wellnessaccount ging, snel gevolgd door het aantal views, clicks en likes op haar laatste post.
       Gisteren had ze zich op haar kanaal officieel geuit als een apostel van de ultrarode lipstick. Maar natuurlijk alleen voor
vrouwen met een koele ondertoon. Anders leek je al snel op een clown.
       ‘Of een onderkoelde stoephoer,’ mompelde ik dan daar nog bij. Tot groot jolijt van de anderen, althans de meeste anderen.
Louisa had zelf een koele ondertoon. Ze was opgetrokken uit poolijs. Zij zou er nooit uitzien als een stoephoer.

 

Geert kwam met zijn nieuwe, veel te jonge, vriendinnetje weer naar buiten. Hij droeg zijn lange, donkerblonde haren in een
paardenstaart. Hij zag eruit als een anachronistische Viking en zij als de exotische schone die zich zonder al te veel verzet had
laten schaken.
       Ze waren in een nachtwinkel lange blaadjes gaan halen. Bevroren in het moment, daar vlak voor de schuifdeur, leken ze wel de albumcover van de beste liefdesplaat die nog niet gemaakt was. Bob Dylan die in een of ander hiernamaals weer eeuwig jong was geworden en een aria had geschreven voor een engel.
       Geert noemde zichzelf ‘een superheld’ met als superkracht dat hij extreem goed kon luisteren. Hij was het soort vlotte
motherfucker dat al een leven lang met deze praatjes was weggeraakt. Hij beweerde dat op deze wereld bijna niemand
bestond die echt luisterde naar andere mensen. Volgens hem was luisteren een van de moeilijkste dingen ter wereld, omdat je het alles becommentariërend stemmetje in je eigen hoofd het zwijgen moest kunnen opleggen. Hij deed er graag lyrisch over, de zeemzoete zeikzak, maar hij was daadwerkelijk een verdomd goede luisteraar.
       Het was wel mooi meegenomen voor een psycholoog. Of meer bepaald voor een hr-medewerker van een groot chemisch bedrijf met een diploma in de psychologie. Dat hij in deze goedbetaalde job vastzat, in plaats van de wereld een heel klein beetje beter proberen te maken als klinisch psycholoog, was zijn grote lijden. Zo ongeveer iedere keer dat we samenkwamen en nadat we de koetjes en kalfjes vakkundig hadden afgeslacht, begon hij te weeklagen. Wanneer iemand dan suggereerde dat hij misschien gewoon zijn eigen praktijk moest beginnen, werd de persoon in kwestie bedolven onder een lawine van eloquent geformuleerde excuses die Geert fijntjes afhaspelde, terwijl hij slurpende slokjes nam van zijn Kombucha of Vlierbesbionade. De excuses bevatten steevast volgende zinsneden: ‘gebrek aan startkapitaal’, ‘groot financieel risico, ‘afkomstig uit een arbeidersgezin’, ‘moordende concurrentie’, ‘er zit niemand op mij te wachten’.
       We vonden het allemaal ergens wel zielig, maar wie was ik om iemand anders zielig te vinden? Ik woonde opnieuw bij mijn ouders en versloeg het lokale wielrennen voor een krant die op sterven na dood was. Verder had ik alleen seksuele
betrekkingen met mijn rechterhand en als ik in een gekke bui was, nodigde ik mijn linkerhand uit in het blijde gezelschap
van een genereuze klodder Nivea. Maar hierover repte ik met geen woord. Al sijpelde de zieligheid natuurlijk uit de poriën van mijn bezweet voorhoofd, uit de klammigheid van mijn slappe handdruk. Het kroop in mijn stem. Alles wat ik zei, klonk als een gemompelde en vage vraag. Het ging in mijn nek zitten en in mijn schouders. In mijn loopje. In een gipsen dwangbuis schreed ik door het tranendal van mijn leven.
       Mijn ouders gingen verbazingwekkend goed om met mijn malaise. Zo goed als je kon omgaan met het loodzware besef dat je enige kind – je godenkind, je verlosser – alle verwachtingen dan toch niet ging inlossen, ondanks alle opofferingen die het ouderpaar had gebracht. De appel viel dan toch niet ver genoeg van de boom. De appel en de boom waren ondertussen al aardig aangevreten door de maden van de tijd. 
       De kansen om het tij te keren werden met de dag kleiner. Dat hadden mijn ouders zelf ook beseft. Ze hadden hun stem
verheven, ze hadden gedreigd en hadden dan ingezien dat de niet-wiskundige realiteit van twee keer min niet altijd plus was. Daarna hadden ze zich weer geschikt in die onveranderlijke constellatie waarin ze altijd hadden bestaan: zorgzaam, dienstbaar, met opgeheven hoofd.
       Ik ging ten onder in een warm en gezellig stukje drijfzand en riep niet om hulp. Iedere keer dat ik wilde roepen werd ik bang dat mijn metalige schreeuw zou klinken als een hijgerige bommelding, waardoor de omstaanders zo snel mogelijk zouden verdwijnen.

 

Ben kneep zijn ogen tot spleetjes, terwijl hij gretig door Klaas’ iTunes scrolde op diens MacBook. Zelfs met zijn hoornen
hipsterbril, dioptrie min zeven, zag Ben de wereld slechts wazig. Al lag dat waarschijnlijk ook aan de joint die hij losjes tussen zijn lippen klemde.
       Alles aan Ben was wazig: zijn ogen, zijn outfit, zijn achtergrond, zijn verhalen, zijn financiële situatie, zijn levensfilosofie. Dat laatste bestond uit een pseudoboeddhistisch samenraapsel van New Age-achtige toestanden waarbij L. Ron Hubbard een
spontane ejaculatie of twee niet zou kunnen onderdrukken.
       Toen Klaas indertijd het zoekertje voor een extra huisgenoot online had gezet, was Ben de eerste die had gereageerd. De volgende dag verscheen hij meer dan een uur te laat op de afspraak, maar Klaas was onvermurwbaar.
       ‘Deze dude is interessant. Raar, maar interessant. Exact wat we nodig hebben.’
       Ondanks ernstige bedenkingen gaf ik me gewonnen. Klaas was de hoofdhuurder. Ik niet. Het leven leverde soms treffende
metaforen. 
       Ben koos de hele avond nummers waarvan hij wist dat ze dat microscopisch kleine, tere plekje in Klaas’ hart konden raken. Het was een precisiebombardement. Bob Dylan met Tangled up in Blue, dat ene nummer van The War on Drugs dat minutenlang voortkabbelde vooraleer het transformeerde in een splinterbom van melancholisch verlangen naar een paradijs op aarde dat waarschijnlijk nooit echt had bestaan.
       Hij gooide Neil Young met Harvest Moon ertegenaan. Een nummer dat Klaas in stilte aanbad zoals zijn vader dat had gedaan. Klaas had dit terloops prijsgegeven tijdens een dronken avond wanneer het nummer gedraaid werd in ons stamcafé, terwijl wij ons tegoed deden aan overvloedige hoeveelheden bier en pinda’s.
       ‘Dit is echt een van mijn lievelingsnummers. Aller tijden. Mijn vader vindt dit nummer ook de max. Ik heb dit nummer
dankzij hem leren kennen.’
       Een seconde nadat hij het eruit had geflapt, leek hij beschaamd dat hij iemand, ook al waren het zijn beste vrienden, zo diep in zijn hart had laten kijken. Hij mompelde daarna snel iets over een feestje later op de avond ergens in de Tiensestraat. 

Op de geïmproviseerde dansvloer in de tuin wiegde Geert ondertussen zijn vriendinnetje heen en weer. Zij begreep de poëzie van Neil Young niet. Haar ziel was nog geheel eeltvrij. Ze was nog nooit echt teleurgesteld geweest in het leven en dat was eraan te zien. Ze was misselijkmakend gelukkig. Haar bestaanswijze was fladderend, een vrije val zonder ooit echt te crashen. Een aangeschoten kolibrie. Ze begreep Neil Youngs fragiele hunkering niet, zijn gevecht tussen geweten en onderbuik. Ze heette Yasmine. Verder wist ik niets over haar, behalve dan dat Geert weer eens extreem goed had geluisterd naar een jong en knap meisje.
       Ik keek naar Klaas en was er zeker van dat hij een tel daarvoor ook naar mij had gekeken. Dit nummer deed pijn, zoals een goede wondzalf prikt bij het aanbrengen. Ik kon zijn lijden niet meer aanzien en werd weer de mislukte hofnar die ik tijdens onze studententijd was geweest.
       ‘Hé Klaas,’ zei ik en ik trok een grimas die de poort naar mijn inherente zieligheid wagenwijd openzette. Klaas schrok op.
       ‘Ja, wat is er?’
       ‘Adam en Eva liepen in het paradijs en Eva vraagt aan Adam: “Zeg Adam, hou je van mij?” Zegt Adam: “Tuurlijk, van wie anders?”’
       Klaas lachte oprecht. Ik was er zeker van dat ik deze mop meer dan eens had verteld. Misschien was het net daarom dat hij lachte. Zijn lach was warm en luid, een invers branddekentje. Ik kwam op dreef, zoals een zatte nonkel met een arsenaal aan belegen cafémoppen. Ik leefde voor de lach. Ik doorliep mijn schijnbaar eindeloze repertoire van dijenkletsers die anderen ooit al beter hadden verteld.
       ‘Jantje vraagt aan z’n leraar of die een snoepje wil. “Graag, dank je wel,” zegt de leraar en hij stopt het snoepje in zijn mond. “Is het lekker?” vraagt Jantje. “Héél lekker,” antwoordt de leraar. “Wel,” zegt Jantje, “dat verwondert mij nu toch. Ik heb het al twee keer aan mijn hond gegeven, en die braakt het elke keer uit.”’
       Klaas stootte een bulderlach uit en zelfs Louisa begon te gniffelen. Ook Tine, notoir voor haar immuniteit tegen alles wat geen directe verwant was van doodsernst, kon deze grap wel pruimen. Dit gaf me vleugels. Ze waren nu vast en zeker wel klaar voor het hardere werk.
       Ik lalde, maar het kon me niets meer schelen. Integendeel, ik vond het hilarisch. Ik begon al te gieren nog voordat ik een
grap vertelde. En het publiek gierde lustig mee.
       ‘Komaan Rob, verman je,’ bokste Louisa tegen mijn schouder. Ze had mijn naam altijd al uitgesproken als een moeder die diep in haar hart niet boos kon zijn op haar nageslacht. Ik moest zeker drie keer herbeginnen voor ik het eerste woord van de volgende grap volledig uit mijn strot kreeg.
       ‘Ik gaf mijn grootmoeder voor haar verjaardag een bukkake, als verrassing… Je had haar gezicht moeten zien.’
       Louisa probeerde nog een tel haar gezicht in bedwang te houden, maar toen gierde ze het uit. Tine snapte de grap niet,
maar dat was haar eigen fout. Mensen die niet wisten wat bukkake betekende, lieten steken vallen. In deze razendsnelle
informatiemaatschappij vol freaks was het je verdomde plicht om te weten wat een bukkake was. De ongemakkelijke stilte en de lach die ze daarna moest veinzen om toch maar niet uit de boot te vallen, waren haar verdiende loon.
       Klaas schreeuwde het uit van het lachen, alsof het pijn deed. God, wat duurde dat verschrikkelijk lang. Hij maakte een hoog, piepend geluid. Louisa was al lang uitgelachen. Het piepende geluid stokte en trok telkens weer op gang.
       Het duurde een tijdje tot we doorhadden dat Klaas huilde. Louisa omarmde hem als een scheidsrechter die een kamp
vroegtijdig beëindigde om de hopeloos verloren vuistvechter te behoeden voor onnodige klappen. In de verte blafte nogmaals
een slapeloze hond.

 

Wat Louisa daarna tegen ons zei, vergat ik bijna ter plekke. Ik was dronken, moe en droef. Veel hoefde ze ook niet meer te zeggen. Iedereen besefte dat de avond erop zat. Wat lauwe knuffels, gemompelde clichés, meer konden wij niet doen. Dit lijden vereiste het soort zielenzorg dat je in het beste geval alleen van een zielsverwant kon krijgen. Al moest de echte remedie voor dit soort verdriet waarschijnlijk nog worden uitgevonden. Tine was, zoals altijd, bob die avond en bracht mij en de anderen naar Geerts appartement, waar we zouden overnachten. De rit verliep in doodse stilte.
       ‘Wat is een bukkake nu eigenlijk?’ probeerde Tine de stilte te doorbreken.
       Iedereen bleef zwijgen. We beseften allemaal dat er iets moest gebeuren. Alleen wisten we niet wat, of hoe, of wanneer. Misschien had ik moeten blijven, misschien had ik geen domme moppen moeten vertellen. Hoe dan ook, het zou nog een hele poos duren vooraleer we weer samenkwamen.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Chronisch genezen - Dirk Nielandt

Alles in Dirk Nielandts leven liep op rolletjes tot multiple sclerose bij hem werd vastgesteld. De diagnose sloeg in als een bom. Het was het begin van een kronkelig pad met veel hobbels, verrassende wendingen en een onzeker einde. Een chronische ziekte betekent echter niet dat het leven stopt. Dirk is ervan overtuigd dat je met de juiste levensstijl (en wat lef en verbeelding) een auto-imuunziekte kan afremmen of voorkomen. Lees hier het woord vooraf van Chronisch genezen.

Lees meer »

Leesfragment: Wij zijn de optimisten - Jelle Dehaes

Wij zijn de optimisten is de debuutroman van Jelle Dehaes. Het is een verhaal over het verlangen naar verbinding en houvast in ons leven, over psychische kwetsbaarheid in een tijd waarin de snelheid van technologie en media lijkt te overheersen. Lees hier, als voorproefje, hoofdstuk 37 uit het boek.

Lees meer »

Leesfragment: Drijven - Myrthe van Velden & Lander Severins

Drijven is een realistisch relaas van twee theatermakers aan het begin van hun carrière wier relatie op de klippen loopt. Een pakkend en bezielend verhaal, gebaseerd op het parcours van de schrijvers zelf, over het onvermogen om vast te houden en de angst om los te laten, en bovenal over halsstarrig willen blijven proberen. Ontdek hier een voorproefje.

Lees meer »

Leesfragment: Vrijstaat Lux - Mathias Pagnaer

In Vrijstaat Lux sticht een groep dertigers een leefgemeenschap waarin ieder individu zijn specifieke eigenheid mag ontplooien. Door een uitgekiende socialemediastrategie groeit hun project uit tot een bastion voor ‘zoekenden’ en buitenbeentjes die nooit binnenbeentjes zullen worden. Al blijkt dit buitensporige succes uiteindelijk meer een vloek dan een zegen. Lees hier het eerste hoofdstuk van de debuutroman van Mathias Pagnaer.

Lees meer »