Leesfragment: De Panter praat - Guinevere Claeys & Johan Faes

Adriaan Raemdonck is een pionier in de kunstwereld. Hij heeft het beroep ‘galerist’ zichtbaarder gemaakt, vocht voor de rechten van kunstenaars en speelde als voorzitter van de Federation of Art Galleries ook op Europees vlak een voortrekkersrol. Zijn galerie De Zwarte Panter is de langst bestaande van het land en beschikt over een levendig archief van de twintigste-eeuwse schilderkunst in België. In De Panter praat dienen twaalf postulaten als emblemen om vijftig jaar kunstgeschiedenis te markeren. Lees hier het eerste hoofdstuk.


De Panter praat
Guinevere Claeys & Johan Faes

ISBN: 978 94 6434 192 8
Prijs: €25,-


Ik heb God vervangen door Elvis

 

Ik denk dat het begonnen is met Elvis. Ik ben geboren in Pepingen, Brabant, Pajottenland, in 1945. Een kind van de bevrijding. Daar is het mijn hele leven om blijven gaan. Om bevrijding, om vrijheid. Die vrijheid heb ik vooral gevoeld in en via en dankzij kunst. En voor het eerst heel direct via Elvis. Via de zwarte muziek die dankzij Presley eindelijk tot bij ons raakte. Hoe hij alles ineens heeft opengebroken. Ik voelde: daar is buiten van alles te ontdekken. Vrijheid. Dat is wat de kunstenaar in mij zocht. Dat wat ik wist dat ik het in de kunst zou vinden. En Elvis zag ook zijn moeder graag, net als ik. That’s all right, mama. Dat mogen ze trouwens op mijn begrafenis spelen.

Voor dat begin was er natuurlijk al iets. Dat is altijd zo. Niets begint uit het niets. Mijn ouders hadden thuis een café-boerderij,
aan een van de tramhaltes op de weg Halle-Ninove. Den Blok of Bij Blokkes, zo werd het café genoemd, naar de houten klompen, de kloefen, waarin de mensen vroeger rondliepen. Ik heb nog een foto van bompa Flup op zijn blokken in 1910. Zaten er tramreizigers in het café, dan werd de vlag uitgehangen zodat de bestuurder op tijd wist dat hij moest stoppen. Stoppen en afstappen, want vaker dan soms kwam hij zelf snel een pint pakken in het café. Wat ‘snel’ heet. Op tijd, over tijd, ze keken daar niet zo nauw op toen.

Na zijn vader nam Maurice, mijn vader, het café over. Hij was een paardenkoopman, kende heel veel mensen en dronk voldoende. Hij is dan ook maar tweeënvijftig geworden. Mijn moeder kwam uit een goede, kroostrijke boerenfamilie uit Gooik. Zij was de harde werkster, mijn vader eerder de zwever. We leerden al snel met weinig content te zijn. Plezant was het leven niet altijd thuis. Ik heb veel gezien. Die realiteit, daar kun je niet tegenop. Drie van de zeven kinderen zijn gestorven aan een longvliesontsteking. Toch heeft mijn moeder het lachen nooit verleerd.

Als kind heb ik zelf ook pleuritis gehad. Fleuris, zeiden wij. Jaren later noem ik mijn hond dan stoemelings Fleurke. Een
overwinning op de dood. Want het hing af van één pikuur toen, een spuit penicilline van de dorpsdokter. Had mijn 
moeder dat niet vertrouwd, dan zat ik hier nu niet te praten. Alsof dat zo’n groot verlies zou zijn. Maar toch knap wat die
wetenschap allemaal heeft uitgevonden om ons langer te laten leven.

Ik was van kleins af gewend aan verschillende ondervindingen. Het café was ook een vorm van verbinden. Er zat volk uit alle klassen en standen. Geuzebrouwers, duivenmelkers, Brusselse stinkkaasmakers, lokale boeren en arbeiders, chique types in een schoon kostuum van La Petite Fabrique in Halle. Ik heb er fantastische verhalen gehoord, ook veel miserie gezien. Het heeft ermee te maken dat ik tot mijn twintigste geen druppel alcohol heb gedronken. Televisie hadden we niet, elke dag was daar een feuilleton. Drama’s, geen fictie. Als kind zie je wat er rondom gebeurt. Je hoorde het leven daar.

De ‘Vlaamse Filmpjes’, de jeugdboekjes uit Averbode, waren mijn eerste reizen. In mijn hoofd tenminste. Op den buiten ging je niet op vakantie. Met de lagere school gingen we hoogstens eens naar de Leeuw van Waterloo kijken. Het boeren zat niet in mij, voelde ik. Ik ging geen kip de nek omwringen. Ik hoorde liever de vogeltjes fluiten. Dan kwamen de chansons op de Franstalige radio RTB, de rock-’n-roll in Schudden voor gebruik van Guy Mortier op BRT Radio 1 en op Radio Luxemburg, The Station of the Stars, de nachtelijke uitzendingen, Elvis en via hem de blues, de jazz en de gospel. Ik was geweldig bevangen door muziek.

Op zondagochtend gingen we naar de kerk – je weet nooit waarvoor het goed is, zeiden mijn ouders. Er was weinig druk, veel meer dan een wekelijks kerkbezoek hebben ze me nooit opgelegd. Ik had een tante die zuster-verpleegster was in het Sint-Pietershospitaal aan de Hallepoort in Brussel, je weet wel, altijd in zwart-wit gekleed – een pinguïn, grapten wij. Toen ze stierf, ging het in een stoet biddend van de Lourdesgrot in Jette naar de begraafplaats in Grimbergen. Een scène zo uit een film van Fellini. Die waardigheid, wat kun je daar tegen hebben? Ik ben mijn leven niet begonnen door me af te zetten. Het heeft nooit in mij gezeten om tegen iets of iemand zomaar in opstand te komen. Ik ben geen rebel. Ik ben een bewonderaar. Opkijken, nooit neerkijken. Ik kan geweldig goed bewonderen. En het is mij gelukt om me via die bewondering te bevrijden.

Als je niet met de volle honderd procent je vertrouwen kunt leggen bij het begrip God, dan ligt je waarheid elders. Het zijn ook maar mensen die God geschapen hebben. En plots was er die geweldige concurrent. Elvis. Die met één heupbeweging de kerktoren deed wankelen en de klokken eruit rammelde. Met Elvis ging de wereld open. De vrijheid. Dat was niet tégen dat geloof, maar vóór iets anders. Voor de verwondering, voor de bevrijding. Dát is kunst. Verrijkend, verruimend, kunst die blijft vragen stellen en soms oplossingen biedt. Wat zoek je in het leven? Je gaat aan de slag met de tubes verf die je hebt. Doet ontdekkingen, hebt ontmoetingen, je luistert, je kijkt. Tracht keuzes te maken waarin je je kunt vinden. De poëzie, het schone, kunst is alles wat er gebeurt tussen geboren worden en wanneer je sterft. En lang daarvoor en nog veel langer daarna.

Bij de krant van mijn ouders, Het Laatste Nieuws, kon je een boekje bestellen van kunstcriticus Jan Walravens, Hedendaagse
schilderkunst in België. De werken in die bloemlezing van James Ensor, Jean Brusselmans, Gust De Smet, Constant Permeke, René Magritte, ook van de jonge Hugo Claus, die raakten me tot in mijn kern. Op de cover stond een schilderij van Jan Cox, Mama, ik ga eten – zelf noemde Jan het Mama, ik ga je opeten kwam ik jaren later te weten. Cox, de mens en zijn werk, zouden enorm belangrijk worden in mijn leven. Dat boekje bij de krant deed me geloven dat ik kon ontsnappen. Welja, in het leven komt het er toch op aan geregeld te ontsnappen. Jezelf te bevrijden. Om te beginnen, in mijn geval, uit Pepingen. Een schoon dorp, maar het hoogste daar was de kerktoren. En die was blijkbaar toch niet hoog genoeg voor mij.

Kunst begon in mijn hoofd te zitten. Het werd een obsessie. Ik knutselde, bewerkte houten plankjes, trok de natuur in en ging mee op in de landschappen met Georges, een huisschilder uit de streek, met wie ik als zomerjob de gevels van de boerderijen en villa’s ging verven. Die vonk kreeg extra zuurstof van een paar leraars in het atheneum van Halle. Zoals mevrouw Ottevaere, die het tijdens bijna iedere Franse les over Paul Gauguin of Pierre Bonnard had. Zij heeft mij artistiek aangewakkerd. Het geeft het belang aan van onderwijs in de ontwikkeling van je persoonlijkheid – de kracht van een leerkracht. Mijn ouders hadden niets met kunst. Het enige beeld dat ze hadden, was dat van de absolute armoezaaier. Van Gogh die van miserie zijn oor afsnijdt. Ik heb op mijn blote knieën moeten smeken om vanaf het vierde middelbaar naar het kunstonderwijs te mogen. Het mocht. Picasso, noemden ze mij op de fameuze tram van Leerbeek naar Brussel. Dat hoorde ik nog niet zo lang geleden van een oude klasgenoot. In het dorp was dat toen een ander woord voor een schilder. Ne picasso.

Het was 1962. Ik kwam niet bepaald uit een intellectueel milieu. Het grootste affront was dat je medestudenten op Sint-Lukas je scheef bekeken: Jongen, er hangt nog stront aan uw schoenen. Pepingen was niet ver, maar het bleef een serieuze afstand. Het was pas door tussen de zogezegde saloncommunisten op Sint-Lukas te zitten, dat ik hoorde hoe slecht de arbeiders het hadden. Dan kwam ik terug thuis in ons café: Het schijnt dat jullie het niet goed hebben. Waarop zij: Zedde zot, ga werken gelijk wij, dan verdient ge uwe kost en zijt ge gelukkig. Dat is een geweldige rijkdom die ik meegekregen heb, al die mensen met hun eigen betrachtingen. Iedereen denkt anders, vertrekt vanuit zijn ervaringen. Die sociale kant is en blijft erg belangrijk voor mij. In een kamp belanden: ik kan dat niet. En zeker niet aan de kant van het negativisme. Het sociaal gevoel moet primeren.

Adriaan, ik speel niet mee. Ik heb het zo vaak gehoord later. Ja, oké, dat is het ergste wat je kunt zeggen, want als er één ding
interessant is, dan wel de maatschappij. En je kunt ook niet meespelen als je niet weet wat die maatschappij is. Ik ga niet
zitten wachten tot wanneer ik de maatschappij goed genoeg vind om iets te doen. Want als je daarop moet wachten, dan komt er niets van. Ik probeer optimist te zijn en te blijven. Als je de kansen die je krijgt, niet grijpt, moet je niet zeuren als er geen meer volgen.

Op Sint-Lukas hoorde ik dat Paul Degueldre stagiairs zocht. Hij werkte als ontwerper en decorbouwer achter de schermen
bij de toenmalige Belgische Radio- en Televisieomroep (BRT). Hij woonde in Halle, ik op vijf kilometer van zijn atelier. Van geen televisietoestel thuis ging het ineens naar het Amerikaans Theater en de legendarische Studio Sonart in Sint-Pieters-Woluwe. De wereld ging weer wat verder open. 

Het was ten tijde van de overgang van zwart-wit naar kleur en Paul Degueldre had een vinger in zowat alles. Hij had decoratieve
kunsten gestudeerd aan Sint-Lukas, op zijn vijftiende zijn eerste tentoonstelling georganiseerd in Halle, geschilderde decors van vijftien meter lang gecreëerd voor Théâtre du Parc in Brussel. Een rasechte vakman. Van theater had hij de overstap gemaakt naar film. Degueldre stond bekend als de meester van de illusie. Hij bouwde meer dan zeshonderd decors voor televisieseries als Het Pleintje, ’t MannekeWij, Heren van Zichem, Een mens van goede wil en FC De Kampioenen. Ook de onsterfelijke sketch van Gaston Berghmans als Joske Vermeulen, het kleine ventje tussen te grote meubels, kwam uit zijn koker. Het klikte meteen tussen ons. Voor Paul Degueldre was het meegenomen dat ik met kunst bezig was. Ik had oog voor de abstractie, hij was meer toegepast grafisch ingesteld. Een absoluut wederzijdse verrijking en een groeiende vriendschap.

Ook die kunst verstond hij, van je te omringen met de juiste mensen, die kunnen wat jij niet kunt. Interessante figuren als
Kris Vanhemelrijck, de beeldend kunstenaar die doorbrak met zijn grassculpturen en eind jaren 1970 het Herman Teirlinckhuis
mocht inrichten als galerie. Of realisator en producer Hugo Hellemans, die meewerkte aan het Songfestival van Knokke – de latere Knokke Cup – en aan Canzonissima in het Amerikaans Theater. Maar die ook muziekshows maakte om jonge mensen aan te trekken, zoals Pop-Eye en Tophits. En regisseur Lode Hendrickx, zelf een amateur-schilder. De man die Elton John naar hier heeft gehaald. Waarop die hem vroeg om zijn impresario te worden. In die periode heeft Elton John zijn song Just like Belgium geschreven. 

Dag en nacht was Paul Degueldre als een bezetene bezig met ontwerpen en uitvoeren. En ik kon alles mee volgen achter de schermen om dan te zien hoe het op die schermen weer tevoorschijn getoverd werd. Onbetaalbaar leergeld. Ik zag de regisseur van dichtbij bezig, in de omgang met de acteurs, de techniekers, de hele crew. Ik had tijd nodig om dat allemaal te begrijpen. Het realisme had ik mee van het café thuis, van Paul leerde ik hoe je dingen kon realiseren. Ideeën omzetten in werkelijkheid. Kunst doen werken. Paul stond met handen en voeten in de praktijk. Hij wist wat mogelijk was. Onze professionele band werd algauw persoonlijk. Ik kon creatief zijn en tegelijk een cent bijverdienen. Hij is een van de mensen die mijn pad mee bepaald hebben. Zelfs al ben ik op een gegeven moment toch uit zijn spoor gestapt.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Naakt - Mel Meliciousss

Mels ochtenden beginnen jarenlang op dezelfde manier: met de spelletjes die ze met haar vader en zus moet spelen. Mel wil niet, maar ze weet dat het enkel erger wordt als ze zich verzet. Dus Mel droomt. Over hoe ze ooit heel ver weg zal zijn van hier. Jarenlang werd Mel niet gehoord, maar nu doet ze eindelijk haar verhaal,onverbloemd. Lees hier een fragment uit Naakt.

Lees meer »

Leesfragment: Breydel - Lisa Demets

In Breydel brengt Lisa Demets de geschiedenis achter de succesvolle branding van de Brugse familie Breydel. Middeleeuwse kronieken vormen de rode draad in dit verhaal over de weg naar de macht van de beroemdste Brugse beenhouwersfamilie in de veertiende en vijftiende eeuw. Lees hier het eerste deel van de inleiding.

Lees meer »

Leesfragment: Over dit gevoel is nagedacht - Tyche Beyens

Over dit gevoel is nagedacht van Tyche Beyens is een queeste naar de liefde van vier eind-twintigers, die dat veelzijdige begrip stapsgewijs proberen te ontleden. Het is een liefdesverhaal over voelen in een eeuw waarin zo veel wordt nagedacht. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Beyens' debuut. 

Lees meer »

Leesfragment: NOU EN - Patrick Van Gompel

In NOU EN gaat Patrick Van Gompel onverdroten op zoek naar de ziel en het karakter van de Nederlanders. Hij baseert zich hiervoor op tientallen interviews met spraakmakende BN’ers en gewone noorderburen. Hij vult dit aan met een rijke voorraad aan liedjes, boeken, cabaret en media. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Van Gompels boek over het land van kaas en klompen.

Lees meer »