Leesfragment: Gemis - Diane Broeckhoven

In Gemis ontrafelt Diane Broeckhoven de broze binnenwereld van een in de steek gelaten kind dat levenslang een groot gemis met zich meedraagt. Lees hier een fragment uit het vijftigste boek van Diane Broeckhoven.


Gemis
Diane Broeckhoven

ISBN: 9789464341867
Prijs: €20,-


WINTER 1973

De m van mama

 

Justus was een binnenvetter. Met zijn fijn afgestemde antennes ving hij stemmingen en signalen op, herkauwde ze en archiveerde ze in zijn inwendige ladekast. Daar bleven ze soms heel lang gisten en broeien. Soms verbrokkelden ze om daarna alsnog in de vergetelheid te verdwijnen.

Op een donderdag in november knetterde de lucht van vreemde voortekenen en raakten zijn laatjes overvol met gevoelens die hij niet kon benoemen. Tenslotte was hij pas zes. Traag en lusteloos schoven de wolken door een grauwe lucht, klaar om een pak sneeuw te lossen. Het schemerde al toen de school rond vier uur leegstroomde. Zijn moeder stond hem op te wachten bij het hek, omringd door andere moeders, grootmoeders en een enkele vader. Ze droeg haar lila winterjas die haar onderscheidde van de vrouwen in beige, bruin en grijs. De jas had een pluizige bontkraag, die als een konijntje om haar hals genesteld lag. Altijd stond ze op dezelfde plek: links van het rijtje lindebomen die hun takken als hunkerende armen omhoogstaken. Toen Justus voor haar stil bleef staan, deed ze precies wat ze iedere dag deed: een kus op zijn hoofd – in dit geval op zijn pet met gevoerde oorkleppen – laten landen, zijn sjaal wat steviger vastknopen – omdat moeders dat nu eenmaal niet kunnen laten – en zijn schooltas van hem overnemen. En ook iets geruststellends zeggen. Het waren nutteloze woorden en vragen die eigenlijk niet uitgesproken of gesteld hoefden te worden. Kom, we gaan naar huis. Had hij een fijne dag gehad? Wat had hij geleerd vandaag? Moest hij huiswerk maken?
Zo ging het vandaag ook, maar aan haar stem zat een verontrustend kartelrandje, net zoals aan de zwartwitfoto’s in het familiealbum.
      ‘We hebben de letter l geleerd,’ zei Justus en hij liet zijn tong tegen zijn gehemelte vibreren. ‘De l van lus, van lip en van lis. Dat is een bloem.’
      Ze luisterde niet. Ze staarde in de verte. Zijn kneepje in haar hand bleef onbeantwoord.

Ze stapten stevig door en gingen achterom hun huis binnen, dat slechts een paar straten van zijn school verwijderd was. In de keuken werden ze door een vlaag weldadige warmte verwelkomd. Mama begon meteen aan de vertrouwde dagelijkse rituelen. Ze vulde de waterketel, zette hem op de blauwige gasvlammetjes en wachtte tot het water begon te zingen. Daarna schonk ze thee met een scheut melk in de mok met de beer voor hem in. Ze legde er een Ligakoek naast,
schilde een appel en schoof de vier partjes op een schoteltje naar hem toe. Voor zichzelf maakte ze een kop Nescafé. Die dronk ze zwijgend op, nadat ze er zo lang in geroerd had dat de bodem van het gebloemde kopje bijna mee was opgelost. Justus legde zijn lijntjesschrift en zijn potlood klaar. Hij popelde om aan zijn huiswerk te beginnen, want schrijven deed hij graag. Zeker als zijn moeder toekeek. Terwijl hij het fluwelige gummetje tussen duim en wijsvinger kneedde, beloofde hij om een paar mooie l'en voor haar te schrijven. Met lange lussen. Toen zag hij dat ze huilde. Niet met lange uithalen of biggelende tranen, maar geluidloos. Haar ogen liepen vanzelf vol water.

‘Wat scheelt er, mama? Wat is er?’
      Justus sloeg zijn armen om haar heen en wiegde haar zachtjes heen en weer. Haar haren kriebelden zijn wang. Hij voelde haar borsten op en neer bewegen tegen zijn ribben. Ze ademde diep in en uit, waarbij een halfslachtige snik uit haar keel ontsnapte. Daarna maakte ze zich los uit zijn omhelzing en beweerde met een doorzichtige stem dat er niets aan de hand was. Echt niet. Ze had wat last van haar maag, de hele dag al. Met haar handpalm maakte ze een paar rondjes over haar buik.
      ‘Je moet niet zoveel koffie drinken,’ zei Justus wijsneuzig. Dat zei papa ook altijd.
      ‘Laat me die l van lus, lip en lis eindelijk eens zien,’ commandeerde ze met een iets te schril lachje.

Na het huiswerk parkeerde Justus zijn autootjes nauwgezet in een lange file op de keukenvloer. Daarna ging hij weer aan tafel zitten, legde zijn kleurpotloden in de volgorde van de regenboog in de doos en knipte een paar plaatjes uit van honden en katten uit een oude Libelle. Ondertussen hield hij zijn moeder, die bij het fornuis stond, scherp in de gaten. Er was iets ongewoons met haar rug. Die bewoog niet soepel mee toen ze de braadpan van de haak nam en naar het zout op de plank reikte. Meestal leek het of ze danste als ze stond te koken en te redderen, nu leek haar hele lijf op slot te zitten. Als ze stilstond om in een pan te roeren, meende hij dat er weer een snikje door haar bovenlichaam schokte. Of had ze door haar maagpijn de hik? Hij gleed van zijn stoel en ging naast haar staan, zogenaamd om even te kijken wat voor vlees er lag te sissen. Plots sloeg ze haar armen om hem heen en drukte hem zo stevig tegen haar schort aan dat hij naar adem moest happen.
      ‘Mama,’ piepte hij, ‘ik stik bijna…’
      Met vochtige ogen keek ze hem aan en ze zei dat ze meteen konden eten. Samen. Papa zou wat later thuiskomen. Dat was geen bijzonder nieuws, zijn vader was vertegenwoordiger. Wat dat precies betekende, begreep Justus niet. Hij wist alleen dat zijn vader veel onderweg was en dat ze door zijn baan ieder jaar met een andere auto reden.
      ‘Het mag dan wel eentje van de zaak zijn, dat hoeven we er niet tegen iedereen bij te vertellen,’ zei vader altijd terwijl hij liefkozende klopjes op de motorkap gaf.

Justus zat naast zijn moeder, die om de beurt een worteltje, een stuk aardappel en een rondje braadworst aan haar vork prikte. Op haar bord lag een kleinere portie dan op het zijne, maar dat snapte hij wel. Met haar maagpijn had ze natuurlijk geen honger. Af en toe legde ze haar hand even op de zere plek. Zijn aardappelen en wortels had ze tot een oranje brij geprakt en er een klontje roomboter overheen laten smelten. De braadworst was in twaalf gelijke plakjes gesneden en die waren als bloemblaadjes om de pureeberg heen geschikt.

Toen er nog één stukje worst op zijn bord lag, kwam het leukste moment van de maaltijd. Het was een geheimpje tussen hem en zijn moeder, een kinderachtig spelletje waar hij eigenlijk al veel te groot voor was geworden en dat ze alleen speelden als papa niet in de buurt was, want die werd kribbig als hij het zag.
      ‘Je maakt een doetje van ’m,’ zei hij dan. ‘Je behandelt die jongen als een baby.’
      Terwijl Justus juist heel vrolijk werd van het kleine ritueel waarbij zijn moeder er op haar allerliefst en moederlijkst uitzag. Het ging zo: ze prikte een hapje op een vork of nam het laatste blokje brood tussen haar duim en wijsvinger. Daar maakte ze een soort kruisteken mee vlak bij zijn gezicht en ze declameerde er een versje bij: ‘Hoop, siroop, bloem, pap, kindje… hap.’ Daarbij tikte ze bijna, maar net niet helemaal, zijn voorhoofd, neus, linker- en rechterwang en kin aan. Als ze daar was aanbeland, sperde hij zijn mond wijd open en schoof ze het laatste hapje bij hem naar binnen. Het was een overblijfsel uit de tijd dat hij nog uitsluitend op maizenapap en slappe kinderkost leefde. Zijn bordje leegeten was toen van levensbelang: hij zou er een flinke, grote jongen van worden. Geen van beiden kon het kleine ritueel loslaten, kinderachtig of niet.

Justus prikte het laatste stukje vlees aan zijn vork en duwde die in de hand van zijn moeder. Hij keek haar aan, dwingend en schalks tegelijk. Aan die blik kon ze niet weerstaan. Aarzelend begon ze met het versje. Haar hand beefde lichtjes, maar het koud geworden plakje worst raakte zijn huid net niet. Bij het woord ‘siroop’ zat hij al met zijn mond wijd open. Een glimlach brak door op haar gezicht. Na het ‘kindje hap’ perste hij zijn lippen op elkaar en bleef hij nog een poosje met een bobbel in zijn linkerwang aan tafel zitten. Zijn moeder kneep er even in en begon af te ruimen. De glimlach was alweer van haar gezicht verdwenen. Justus at zijn mond leeg, verzamelde de vorken en messen en gooide ze kletterend in het afwasteiltje.

Hij lag al een tijdje in bed toen hij het brommende geluid van de Ford Taunus hoorde die de oprit op draaide. Nadat de motor stilviel, klonken gedempte voetstappen op het tegelpad en knarste de sleutel in het slot van de voordeur. Justus spitste zijn oren. In de woonkamer hoorde hij gesmoorde stemmen. Een deur ging bruusk open en dicht, het glas in lood trilde in de sponningen. Dan was daar de van woede overslaande stem van zijn vader in de gang. Zijn woorden stuiterden de trappen op en rolden tot voor Justus’ kamerdeur.
      ‘Je weet wat ik gezegd heb. Je weet wat de afspraak is!’
      Hij schreeuwde alsof hij op het toneel stond en de mensen in de zaal hem tot op de laatste rij goed moesten kunnen verstaan. Justus hoorde zijn moeder snikken, protesteren en smeken. Er werd gefluisterd en gesist. Er volgde nog één knallende zin: ‘Wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten.’ Daarna was er geen enkel geluid meer te horen. De stilte suisde in zijn oren.

Justus lag te trillen onder zijn lichtblauwe deken, hij had het warm en koud tegelijk. Had mama tegen hem gelogen? Had ze haar gat – hij moest het eens wagen om dat woord uit te spreken – verbrand in plaats van aan maagkrampen te lijden? Wat was er gaande? Hij piekerde zich suf, woelde en draaide tot hij vanzelf werd meegezogen in een diepe, zwarte slaap. Hoorde hij de auto weer starten en wegrijden? Of werd het zachte gesnor veroorzaakt door het motorbootje waarmee hij in een verwarde droom rondjes voer op de vijver van het park? Hij voelde hoe zijn bed lichtjes bewoog, hoe de deken aan een kant werd opgetild en een vlaag nachtelijke kou zich heel even tussen de lakens nestelde. Een zacht lichaam kroop tegen het zijne.
      ‘Mama? Ben jij dat?’
      ‘Slaap maar lekker door,’ fluisterde ze in zijn nek. ‘Stil maar.’
      Ze draaiden zich tegelijk om. Hij drukte zich tegen haar rug aan en liet zijn hand even over de rondingen van haar billen glijden. Ze gloeiden, dwars door de flanellen nachtjapon heen.
      ‘Doet het erg pijn?’ vroeg hij.
      ‘Wat?’
      ‘Je gat. Dat heb je toch verbrand?’
      Er klonk een snuivend geluid dat op een lachje leek. Maar een antwoord kwam er niet.

Het eerste daglicht was zijn kamer al binnengeslopen toen Justus wakker werd. Had hij een enge droom gehad waarin geschreeuwd en gesmeekt werd? Was mama echt midden in de nacht bij hem in bed gekropen? Hij tilde een hoekje van het gordijn op en zag dat de Ford Taunus niet op zijn vaste plek stond. Met lood in zijn schoenen ging hij naar beneden. Zijn moeder was in de keuken met het ontbijt bezig en vroeg of hij hagelslag of bruine suiker op zijn boterham wilde.
      ‘Is papa al weg?’ vroeg hij.
      ‘Ja, hij heeft een drukke dag met veel klanten.’
      Het klonk heel gewoon.
      Ze ontbeten samen. Ze glimlachte naar hem terwijl ze aan haar mok Nescafé nipte. Hij hoorde de vertrouwde slurpgeluidjes en schoof het laatste vierkantje brood in zijn mond. Met haar vingertop veegde mama de chocoladekorrels van zijn lippen weg.
      ‘Kom, aankleden, het is al tegen achten,’ zei ze en ze trok hem van zijn stoel.
      Op de trap liep ze achter hem en ze greep hem onverwachts bij zijn enkels beet zodat hij bijna struikelde. Na een snel kattenwasje in de badkamer keek ze hem doordringend aan.
      ‘Justus. Jongen toch,’ fluisterde ze en ze omhelsde hem.
      Hij voelde de kusjes op zijn vochtige haren landen en rook haar koffieadem toen ze zijn gezicht tussen haar handpalmen nam. Ze zei dat ze van hem hield. Dat hij dat nooit mocht vergeten. Nooit. Beloofd?
      ‘Dat weet ik toch, mama,’ zuchtte hij terwijl hij zich loswurmde. ‘Dadelijk komen we te laat.’
      Buiten zetten ze er stevig de pas in en ze haalden het net. Justus gaf zijn moeder een snelle zoen en voelde het bontkonijntje aan zijn kin kriebelen.
      ‘Tot straks,’ riep hij zonder om te kijken. Hij rende nog net voor de conciërge uit, die demonstratief met zijn sleutelbos rammelde.

Ze leerden de h van hek, van hond en van hap. Het was ook de eerste letter van mama’s naam: Helga. Dat zou ze vast leuk vinden. Justus nam zich voor om zijn huiswerk straks extra netjes te maken: het zou haar opbeuren als ze nog maagpijn had of als haar verbrande billen nog schrijnden. Hij rende meteen naar buiten nadat de bel het einde van de schooldag had aangekondigd. In de verte zag hij de moeders al op een kluitje staan bij het hek. Hij liet nog even een langgerekte h als een zucht vanuit zijn keel over zijn tong naar buiten glijden. Er verscheen een wit wolkje dat meteen in sliertjes uit elkaar viel.
      Mama stond niet op haar vaste plekje bij de linde. Hij speurde het rijtje gezichten af, maar kon haar nergens ontdekken. Misschien was ze te laat. Plots zag hij Tantoma staan, half verscholen achter een vrouw met een wandelwagen. Ze zwaaide naar hem zonder haar arm op te tillen, het was een onopvallende handbeweging ter hoogte van haar jaszak. Tantoma was de zus van zijn vader. Ze was dus zijn tante, maar omdat ze al behoorlijk oud was en Justus geen oma’s had, noemde hij haar Tantoma. Twee voor de prijs van één, zei papa altijd. Ze was mollig en had grijzig haar dat onder een gebreide muts verscholen zat. Als ze op bezoek kwam, was ze best lief. Maar op een of andere manier hoorde ze hier niet te staan.
      ‘Waar is mama?’ viel hij met de deur in huis.
      ‘Dat vertel ik je dadelijk,’ zei ze en ze greep hem bij de hand.
      ‘Is ze ziek? Ze ligt toch niet in het ziekenhuis?’
      ‘Nee nee. Ik vertel het je meteen. Thuis.’

Bij de achterdeur van hun huis viste Tantoma een sleutelbos uit haar tas en probeerde een paar sleutels uit voor ze de juiste te pakken had. Justus herkende hem als die van zijn moeder: er hing een sleutelhanger aan in de vorm van een rond doosje La vache qui rit-kaas. Als ze straks thuiskwam, zou ze moeten aanbellen.
      ‘Doe je jas uit en ga zitten,’ commandeerde Tantoma, ‘en vertel me eerst maar eens of je een vieruurtje wilt.’
      ‘Ik wil niks. Waar is mama?’
      Zijn stem trilde, het leek of een grote hand zijn keel dichtkneep.
      Tantoma zette een glas koude melk voor hem neer en schoof haar stoel tot vlak naast de zijne. Ze haalde diep adem en keek hem aan met de ogen van een hond: smekend en hulpeloos.
      ‘Nu moet je heel flink zijn, jongen,’ zei ze en ze legde haar rimpelhand op zijn mouw. ‘Het is geen goed nieuws dat ik je ga vertellen. Maar het is niet anders. Mama is weg.’
      Mama is weg. Hij proefde de woorden op zijn tong. Mama is weg. Dat klonk minder erg dan ziek of dood. Ze was vast een boodschap gaan doen. Of was op reis ook weg?
      ‘Waar is ze dan naartoe?’
      ‘Ik weet het niet, lieverd. Ik denk dat alleen je vader het weet. En die wil het niet zeggen.’
      ‘Tegen mij vast wel,’ probeerde Justus. ‘Ik vraag het hem straks gewoon. En dan gaan we haar samen ophalen.’
      ‘Luister,’ ging Tantoma verder, ‘soms gebeuren er dingen tussen grote mensen die kinderen niet kunnen begrijpen. Je mama heeft een fout gemaakt. Daarom heeft papa haar weggestuurd. Of hij daar goed aan gedaan heeft… ik weet het niet. Daar spreek ik me niet over uit. Maar hij is onverbiddelijk. Je moeder is weg en het ziet er niet naar uit dat ze terugkomt.’
      ‘Dat kan niet,’ protesteerde Justus. ‘Mama maakt nooit fouten. Ze komt vast dadelijk weer thuis. En dan moet u gewoon de sleutelbos met de lachende koe aan haar teruggeven.’

Terwijl hij het zei, sloeg de twijfel toe. Hij voelde dat niet alleen mama weg was, maar dat er samen met haar nog iets anders verdwenen leek. Als ze snel even naar de winkel liep voor een pakje boter of een paar eieren, bleef er altijd een stukje van haar achter. Dan zag hij haar uitgeschopte slippers op de deurmat staan. Of bleef haar schort, die ze inderhaast had uitgetrokken, slap over een stoelleuning hangen. Nu kon hij geen enkel spoor van haar ontdekken. Hij vreesde dat Tantoma de waarheid sprak. Maar die wilde en kon hij niet tot zich laten doordringen. Hij legde zijn hoofd op
zijn gevouwen armen en voelde hoe de wanhoop als een donkergrijze deken op hem neerviel.
      ‘Ik kom een tijdje voor je zorgen,’ fluisterde Tantoma tegen zijn achterhoofd.
      ‘Je doet maar,’ antwoordde Justus zonder zijn hoofd op te tillen.
      Hij hoefde niet eens zijn brutale mond te gaan spoelen met groene zeep.

Wat er verder gebeurde die dag herinnerde hij zich later niet meer, op een paar flarden na.
      Dat hij in een ingeving van tafel opstond en de trappen op liep.
      Dat hij in de slaapkamer van zijn ouders met een ruk de linnenkast opentrok en meteen weer dichtschopte toen hij de lege hangers en planken zag.
      Dat hij zijn gezicht in de poezelige sprei van het grote bed begroef en mama’s vertrouwde geur opsnoof. Zeep. Nescafé. Parfum. Cake.
      Dat hij huilend met zijn kleren aan in bed kroop en ondanks alles wegdreef in een diepe slaap.
      Dat hij plots een hand zachtjes over zijn rug voelde kruipen, van zijn nek tot aan zijn stuitje.
      Daar is ze weer, dacht hij opgelucht in die luttele seconden voor hij helemaal wakker werd. Maar het was zijn vader die op de rand van het bed zat.
      ‘Waar is mama?’ riep Justus.
      Het antwoord herinnerde hij zich niet. Wel het gevecht dat volgde: met zijn vuisten beukte hij op de borst van zijn vader, schreeuwend en tierend. Hij zag Tantoma handenwringend in het deurgat staan. Verblind knipperde hij met zijn ogen toen het licht aanging. Hoorde hij haar nu zeggen dat het eten klaar was? Wie dacht er aan eten? Wie zou er ooit nog een hap door zijn keel krijgen?
      ‘Nu is het genoeg geweest,’ gebood papa met een strenge vaderstem die geen tegenspraak duldde. Zijn handen sloten zich om Justus’ smalle polsen. 
      ‘Kijk me aan. Kijk naar me. En luister.’
      Het werkte. Door strak in de donkere pupillen te kijken, leek het of Justus weer vaste vorm kreeg en zichzelf weer vond.
      ‘Ze verdient het niet om je moeder te zijn.’ Zijn vader spuwde de woorden verbeten uit. ‘Ik wil er niets meer over horen. Begrepen? En nu gaan we naar beneden om te eten. Het leven gaat verder. Ook zonder haar, als ze dat maar weet. Wat schaft de pot?’
      ‘Bloemkool met een schnitzel,’ piepte Tantoma, die nog altijd als bevroren in het deurgat stond. Tot zijn eigen verbazing at Justus zijn bord tot de laatste hap leeg. Alsof het gat in zijn binnenste gevuld moest worden. Hij luisterde naar de gesprekken over sneeuw die in de lucht hing, over plannen voor het weekend, over boodschappen die gedaan moesten worden. Het woord mama viel geen enkele keer. Verdoofd bleef hij na het toetje aan tafel zitten.
      ‘Moet jij geen huiswerk maken?’ vroeg papa.
      Het was de eerste keer dat hij dat vroeg. Bijna antwoordde Justus dat hij zich daar niet mee hoefde te bemoeien.
      ‘Dat doe ik morgen wel,’ zei hij. ‘Ik moet de letter h oefenen. En woordjes met een h verzinnen.’
      ‘Ik weet er wel een paar.’ Papa’s lach klonk schril toen hij een rijtje opnoemde. ‘Huis. Hond. Hand. Hoer…’
      ‘Vic, alsjeblieft.’
      Tantoma gaf haar broer een tik op zijn handen alsof hij een kind was.
      ‘Wil jij nog even televisiekijken?’ vroeg ze. ‘Of spelen? Hoe laat ga je altijd slapen?’
      ‘Van mama krijg ik altijd een snoepje na het eten.’ Hij wees het trommeltje met drop aan op de plank boven het aanrecht. Hij koos er twee uit en propte ze in zijn broekzak.
      ‘Zal ik je komen instoppen?’ vroeg Tantoma nadat hij naar een tekenfilm had gekeken.
      Zonder te antwoorden klom Justus de trappen op. In zijn kamer kleedde hij zich uit en hij liet zijn kleren op een hoopje op de grond vallen. Daarna trok hij zijn pyjama aan en hij stak de twee dropjes tegelijk tussen zijn lippen. Vanavond sloeg hij tandenpoetsen over.  Het was zijn protest, al maakte niemand er zich druk over. Met zijn mond vol zwarte zoetigheid ging hij voor het raam staan en zag de maansikkel oplichten in de winterlucht. Zou mama ook ergens voor een raam staan? Zou ze aan hem denken?

In het weekend dat volgde, voerde Justus een heleboel dingen voor het eerst helemaal zelfstandig uit. Als zijn moeder er niet was om hem te helpen, deed hij het net zo lief in zijn eentje. In bad gaan op zaterdagochtend bijvoorbeeld. Tantoma liet de kuip vollopen en legde een blauwe badhanddoek met een bijpassend washandje klaar. Voor hij zijn pyjama uittrok, stuurde hij haar naar beneden. Hij stapte in het schuimende water, liet zich tot onder de waterspiegel zakken en
beeldde zich in dat mama op de rand van het bad zat en zachtjes neuriede. Hij waste zichzelf grondig, ook achter zijn oren, tussen zijn tenen en in alle geheime plooien. Bibberend droogde hij zich daarna af en hij stak met de handdoek als een fladderende cape rond zijn schouders de overloop over. In zijn kamertje greep hij van alle stapels in zijn kast het bovenste exemplaar: ondergoed, een ribfluwelen broek en een trui. In de la zocht hij naar een paar sokken. Een kam kon hij nergens vinden, dus streek hij zijn haren maar glad met zijn gerimpelde vingers, alles in dezelfde richting.

Beneden aan tafel wimpelde hij Tantoma’s hulp af en hij smeerde zijn eigen boterhammen. Eerst boter, dan een plakje jonge kaas. De randjes sneed hij er nauwgezet af en hij brak ze in stukjes. Die zou hij straks op de voederplank voor de vogels strooien. Er volgde nog een boterham met appelstroop. Eerst hartig, dan zoet. Zo hoorde het. Zo zou het altijd blijven.
      Daarna maakte hij zijn huiswerk. Hij gebruikte papa’s woorden. Omdat hij nog niet alle letters kon schrijven, mocht hij ook woorden tekenen in zijn kladschrift. Op een vel tekenpapier tekende hij de omtrek van zijn linkerhand met potlood. Op een tweede vel tekende hij een huis met twee ramen en een schoorsteen waar een grote rookpluim uit opsteeg. Op het gras zat een hond met slappe oren die op een koe leek. Het woord waarvoor zijn vader een tik op zijn hand had gekregen, was hij vergeten. Hij schreef nog een heel rijtje h’s en bij iedere lange lus die tot precies tegen het bovenlijntje reikte, fluisterde hij ‘Helga’, hopend dat ze zijn stem zou horen. Ergens.
      Net voor het avondeten rende hij op verzoek van Tantoma naar de buurtwinkel voor een fles melk die ze vergeten was bij het boodschappen doen. Hij telde het geld tot de laatste cent op de toonbank en glimlachte toen de winkelierster zei dat hij een geweldige hulp voor zijn moeder was.

Op zondag bleef hij voor het eerst een hele middag alleen thuis, terwijl Tantoma naar haar eigen flat was om spullen op te halen en zijn vader iets moest regelen dat blijkbaar niet tot morgen kon wachten. Justus liep doelloos door het huis tot hij in de ouderlijke slaapkamer terechtkwam. Hij trok alle laatjes en deurtjes van mama’s toiletkast open en ontdekte dat ook al haar haarspelden, flesjes parfum, potjes crème, doosjes met sieraden en andere vrouwendingen verdwenen waren. ‘Mama is weg,’ prevelde hij zachtjes, terwijl hij zijn gezicht en zijn achterhoofd tegelijk in de spiegels zag. Hij kon het niet geloven, dus zei hij het nog eens luid en nadrukkelijk. ‘Mama. Is. Weg.’ Met zijn vuist sloeg hij een deuk in de bedsprei.

Om kwart over vier ging hij naar beneden, knipte alle schemerlampen aan en ging in mama’s fauteuil zitten. Hij stelde zich voor dat de leuningen haar armen waren die hem omvatten. Maar een veilig gevoel gaf het hem niet. Integendeel. Een vlaag van paniek kroop over zijn rug en zijn mond werd kurkdroog. Misschien waren zijn vader en Tantoma ook verdwenen en moest hij hier helemaal in zijn eentje blijven wonen tot hij volwassen was. Gelukkig hoorde hij na een poosje de Ford Taunus aan komen rijden en op de oprit parkeren. Na wat gemorrel aan het slot van de voordeur klonken
stemmen in de gang. Nu wist hij het zeker: dadelijk zouden zijn vader en moeder gearmd binnenkomen, elkaar verliefd aankijkend. Hij had haar ergens opgehaald. Haar straf was voorbij. Voor de zekerheid zou hij het nog één keer duidelijk zeggen: wie niet horen wil, moet voelen. Zij zou plechtig beloven dat ze het nooit, nooit meer zou doen. Daarna zou ze Justus op schoot nemen en hem met kussen en kneepjes overladen. Alles zou vergeven en vergeten zijn.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Breydel - Lisa Demets

In Breydel brengt Lisa Demets de geschiedenis achter de succesvolle branding van de Brugse familie Breydel. Middeleeuwse kronieken vormen de rode draad in dit verhaal over de weg naar de macht van de beroemdste Brugse beenhouwersfamilie in de veertiende en vijftiende eeuw. Lees hier het eerste deel van de inleiding.

Lees meer »

Leesfragment: Over dit gevoel is nagedacht - Tyche Beyens

Over dit gevoel is nagedacht van Tyche Beyens is een queeste naar de liefde van vier eind-twintigers, die dat veelzijdige begrip stapsgewijs proberen te ontleden. Het is een liefdesverhaal over voelen in een eeuw waarin zo veel wordt nagedacht. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Beyens' debuut. 

Lees meer »

Leesfragment: NOU EN - Patrick Van Gompel

In NOU EN gaat Patrick Van Gompel onverdroten op zoek naar de ziel en het karakter van de Nederlanders. Hij baseert zich hiervoor op tientallen interviews met spraakmakende BN’ers en gewone noorderburen. Hij vult dit aan met een rijke voorraad aan liedjes, boeken, cabaret en media. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Van Gompels boek over het land van kaas en klompen.

Lees meer »

Leesfragment: We worden er niet jonger op - Michel Follet

We worden er niet jonger op is het vervolg van het in 2021 verschenen relaas Wanneer zien we u terug? over twee eigenzinnige negentigplussers in een woonzorgcentrum. Veel lezers herkenden zich in de petites histoires vol tragiek en humor. Nooit zwaarmoedig, wel realistisch en vaak onverbloemd. Lees hier het voorwoord van het nieuwste boek van Michel Follet.

Lees meer »