Leesfragment: Drarrie in de nacht - Fikry El Azzouzi

Vraag niet wat een Drarrie is, vraag liever wie Drarrie zijn. Vier jongeren dagen de nacht uit, maar die blijft onverstoorbaar. De nacht laat niet met zich sollen. Hij wacht geduldig af en slaat op het juiste moment meedogenloos toe. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Drarrie in de nacht.


Drarrie in de nacht
Fikry El Azzouzi

ISBN:9789460012600
Prijs: €20,-

1.

Er zijn van die dagen dat hij mij als een vuilniszak buitenzet. Alleen wordt een vuilniszak opgehaald en mij laten ze staan. Ik kan het wel begrijpen, zijn woedeaanvallen komen voort uit een agressiestoornis waar hij niets aan kan doen. Mijn vader kun je vergelijken met een kat die muizen moet vangen of een mug die bloed moet zuigen.
       Het is iets instinctiefs om zijn dominantie te moeten laten gelden en te tonen wie de man in huis is.
       Ja vader, ik weet het, in jouw huis ben jij de man. Daar twijfelt niemand aan. Jij hebt je territorium al lang voor mijn geboorte afgebakend. Maar is het nu echt nodig om mij de ijzige kou in te sturen enkel en alleen omdat ik om elf uur ’s avonds binnenwandel?
       Je zegt dat ik een man ben? Behandel mij dan als een man. Wat is elf uur? Sommige mensen werken op dat tijdstip. Sommigen schuiven op dat tijdstip aan tafel. Sommigen gaan op dat tijdstip naar de discotheek. Sommigen gaan op dat tijdstip bidden.
       Elf uur is een mooi uur om thuis te komen. Mocht ik nu dronken geweest zijn, of stijf staan van de coke. Ja, dan zou ik het begrijpen. Ja, dan heb je het recht om mij te onthoofden. Ik zou je zelfs het mes aanreiken.
       Zou hij beseffen dat zijn gedrag niet normaal is? Wie stuurt er nu een onschuldige zoon de nacht in? Levensgevaarlijk voor vijftienjarigen. Tenzij je Ayoub heet. En mijn naam is toevallig Ayoub. Maar iedereen noemt mij Youb. Kort en krachtig, net zoals ik.
       Misschien denk jij er anders over, beste lezer, maar ik ben er zeker van dat de vaders van dit achterlijke dorpje samen over de straffen beraadslagen in de moskee. Ik zie het zo voor mij. Zegt de ene vader: ‘Mijn zoon is te groot en te sterk geworden voor de riem. Ik heb het gevoel dat ik hem niet fatsoenlijk kan straffen.’

       Zegt de andere: ‘Gooi hem buiten. Laat zien dat het huis van jou is. Laat zien dat jij en alleen jij koning Mohammed VI van het
huis bent. Laat hem proeven van de regen en de kou.’
       Al die andere vaders staan dan in hun baarden te friemelen en er goedkeurend bij te knikken. Misschien klinken ze glazen muntthee tegen elkaar en zingen ze er nog een liedje bij: ‘Gooi ze buiten. Gooi ze buiten. Naar die warmte mogen ze fluiten.’
       Ik weet het, mijn liedje is flauw. En toch moet je ze bezig zien om te weten hoe flauw die vaders wel zijn. Maar goed, ik schrijf geen liedjes en ik ben niet de persoon die vaders moet opvoeden. Daar bestaan spiegels voor, en psychologen die hun gedrag kunnen verklaren.
       Ik moet welgeteld negenhonderd meter naar het wassalon wandelen om te zien welke vrienden ook van hun vaders moesten oprotten. Zo gaat dat als je in het Waasdorp woont. Ook al is het hier verder dood, toch heb ik het gevoel dat ik in een zoo leef. Bij elke stap die ik neem suizen mijn oren van de chimpansees die krijsen, olifanten die trompetteren en slangen die sissen. De mensen zijn als beesten die je gek maken, zo verstikkend is het hier. Toch let ik er steeds op hoe ik loop. Hier moet je op straat in stijl en met zelfvertrouwen wandelen, anders ben je niet meer dan een oude man die op zoek is naar zijn rollator. Ik zal het je uitleggen: Je moet een beetje achteroverleunen. Je borst wat opblazen en met je rechterarm zwaaien. Je linkerhand steek je in je broekzak, die dient toch alleen om je kont af te vegen. Dat is de Drarrie-stap.
       Ben ik nu de eerste die hier in het wassalon zit? Ik hoop echt dat ik hier niet de hele nacht in mijn eentje moet zitten. Vorige keer ging ik uit pure wanhoop op de strijktafel liggen. Ik viel in slaap en werd pas de volgende ochtend wakker. Met een stijve nek, een gebroken rug en een lading muggenbeten.
       Omdat de kans bestaat dat ik hier de hele nacht alleen moet blijven, heb ik voor de zekerheid een notitieboekje meegenomen.

Vanaf nu schrijf ik al mijn belevenissen op telkens wanneer ik buiten gekegeld word. Je weet het nog niet, maar ik heb een heel interessant leven en schrijven is niet zo moeilijk, zeker niet als je een genie bent zoals ik. De enkele boeken die ik las, zijn ofwel doodsaai ofwel onleesbaar. Dan kan ik het veel beter. Niet dat schrijven zo bijzonder is. Waarom ik het dan doe? Waarom roken mensen als je ervan doodgaat? Waarom eten dikke mensen vettig voedsel? Waarom slaan ouders hun kinderen? Het antwoord is even simpel als de vraag: het is sterker dan jezelf.
       Ik ga alvast in het hoekje zitten. Net achter de strijktafel. Daar kan ik mij goed concentreren. Zo zien de flikken mij niet en word ik niet gestoord door voorbijgangers die graag door het raam gluren.
       Je vraagt je vast af waarom we voor een wassalon kiezen? Hier in het Waasdorp is niets open. Hier kun je voor niets schuilen. Zodra de zon zakt, gaan alle gordijnen dicht en sluiten ze alle cafés. Behalve Zwarte Maria. Die blijft open. Achter de toog staat een oude dame met zilvergrijze haren die vroeger zwart zijn geweest. Zij zorgt voor gefrustreerde bejaarden. Ze biedt hun een luisterend oor aan, en misschien nog veel meer. Oudjes lijken onschuldig, maar hoe ouder je wordt, hoe smeriger je gedachten. Ik spreek uit ervaring, als kind was ik in mijn hoofd heel onschuldig.
       Bij Zwarte Maria zijn we niet welkom. Ik snap Zwarte Maria wel. Wij zijn een bedreiging voor haar klanten. Wij zijn jong, knap
en we ruiken lekker. Bejaarden zijn… waar moet ik beginnen? Grijs haar, neushaar, oorhaar, ze ruiken raar en hun enige overwinning van de dag is een geslaagde stoelgang. Omdat ze dementeren weten ze niet meer of ze een scheet hebben gelaten of dat het de hond is die aan het blaffen is. Bejaarden hebben ofwel slechte tanden ofwel geen tanden, terwijl die van mij hagelwit zijn. Heb je ooit al eens met een bejaarde zonder tanden zitten praten? Ik heb er maar één
woord voor: ‘Tfoe.’
       Ik kan de hele nacht doorgaan over bejaarden, maar ik ga ophouden, slecht praten over bejaarden is haram en ik moet er niet teveel tijd aan verspillen, ze zijn toch op sterven na dood.
      Oh ja, er is ook een theehuis waar Marokkanen en andere bevolkingsgroepen,behalve blanken, theedrinken en zitten te dobbelen, te roddelen en wie weet welke spelletjes ze daar nog doen. Wij Drarrie noemen zo’n theehuis een vzw.
      Ik mag niet slecht praten over mijn eigen bevolkingsgroep, maar wij Marokkanen zijn de meest vervelende, de meest onbetrouwbare en de meest perverse van allemaal. Maar heel soms vind je in die mesthoop een onontdekt pareltje. Een pareltje met de naam Ayoub.
      In de vzw mogen wij niet binnen. We hebben een te grote mond, zoeken met iedereen ruzie en hebben geen respect voor de
ouderen. Wat respect? Ze zijn misschien tien jaar ouder, maar zien er vijftig jaar ouder uit en ze verwachten dat we op onze knieën vallen en hun hand gaan kussen. Die vzw kan voor mijn part de boom in. In het wassalon is het gezelliger. Je kunt in de automaten frisdrank, koffie en snoep krijgen. Er is zelfs een automaat waar je brood, eieren en confituur uit kunt halen. Bovendien heb je geen last van oliedomme mannen met lelijke smoelen en driedubbele kinnen die de hele dag verliefd naar elkaar staren en thee zitten te slurpen.

Het schrijven vlot niet, ik kan mij niet concentreren. Je moet je geen zorgen maken hoor, straks probeer ik het gewoon opnieuw.
Wat moet ik ondertussen doen in dit wassalon? Het kan toch niet dat al mijn vrienden thuis braaf tv aan het kijken zijn.
      ‘Wat moet ik doen,’ schreeuw ik.
      Een beetje prutsen op mijn gsm? Veel te vervelend. Wat pompen? Veel te vermoeiend. Ik ben niet zo sportief als Fouad, hij
traint de hele dag door. Oh ja, ik ga een bericht sturen naar Fouad: Waar ben je? Zit in wassalon.
      Fouad mag niet meer binnen bij zijn ouders. Sorry, hij mag vooral niet meer binnen van zijn vader. Zijn moeder laat het toe
en heeft verdriet. Zo gaat dat met moeders. Wanneer Fouads vader het huis verlaat, gaat hij snel naar binnen om te douchen, doet hij een verse onderbroek aan en propt hij wat eten in zijn mond.
      Fouad hangt al enkele weken buiten rond. Hij doolt als een zwerver door de straten. Dat vindt hij niet zo erg. Ik denk dat hij
het zelfs goed vindt. Geen gezeur meer, geen gedoe en alleen maar doen waar je zin in hebt. Je hoeft je niet te verantwoorden als je niet voor het donker binnen bent. Je hebt de ultieme vrijheid.
      Het is een kwestie van tijd voor de politie langs het wassalon rijdt en ik moet ophoepelen. Dan kan ik samen met Fouad dolen, of met Karim, of met Maurice. Alleen is maar alleen. En toch voel ik me soms eenzamer als ik in hun gezelschap ben.
      Ewa Youb, weer buitengekegeld ofwa?’ lacht Karim die plots het wassalon binnenwandelt.
      ‘Nee, ik vind het hier gezellig en ik kan zo genieten van het uitzicht van de wasmachines en de droogtrommels.’
      ‘Waarom zit je zo verstopt? Was je aan het rukken? Ging je bijna klaarkomen? Oei, dan heb ik je vast gestoord. Moet ik je even
alleen laten en straks terugkomen?’ lacht Karim luid.
      Oké, eerst even verduidelijken, anders kun je het niet volgen. Karim heet eigenlijk Kevin. Karim die eigenlijk Kevin heet is zo blank als een glas melk op een slaperige zondagochtend. Hij is de enige blanke van ons gezelschap. Waarom hij met ons optrekt? Omdat hij zich goed voelt bij ons. Riskeer het nooit om hem Kevin te noemen, dan wordt hij helemaal dol. Karim is een minderheid bij ons en zonder dat hij het beseft, neemt hij de meeste dingen over van de meerderheid. Dat heet integreren. Laten we zeggen dat Karim een bekeerling is. Hij heeft alle eigenschappen van een bekeerling. Soms wordt hij echt gelovig, begint hij te bidden, draagt hij een djellaba op klaarlichte dag en steekt hij heel de tijd zijn vingertje op om ons de les te lezen. Nee, dat is niet waar. Hij wijst niet met de vinger, hij steekt die recht in ons oog om zijn punt duidelijk te maken. Gelukkig houdt hij dat niet lang vol, Drarries oefenen een veel te slechte invloed op hem uit.
      Het probleem bij Karim is dat hij zich telkens wil bewijzen. Hij wil donkerder en geloviger zijn dan wij. Aan de buitenkant lijkt
het niet zo, van binnen ziet hij eruit als een zwarte man met een hennabaard, een bidmuts, een djellaba en met de recentste Nike air max. Altijd wil hij gevatter en lastiger doen dan wij. En soms gaat hij te ver. Wat zeg ik? Nee, dat is niet waar, Karim gaat altijd te ver. Bijvoorbeeld vorige week, toen hij naar het gemeentehuis ging om zijn naam definitief te laten veranderen in Karim. De ambtenaar vroeg waarom hij een mooie naam in een lelijke wilde veranderen. Dat hij blij moest zijn met de naam die zijn moeder hem gegeven had. Dat hij trots op zijn afkomst moest zijn.
      Karim die een kort lontje heeft, waarschijnlijk door de integratie, ging door het lint. Karim dacht vast dat de ambtenaar zijn
moeder uitschold. Of nog erger, dat de ambtenaar het telefoonnummer van zijn moeder vroeg. Ik weet niet wat er in die bekeerlingen hun hoofden omgaat.
      De ambtenaar heeft die dag het pak slaag van zijn leven gekregen. Niet dat Karim hem wilde vermoorden, maar het scheelde
toch niet veel. Toen hij na de afranseling nog een sigaretje bij het gemeentehuis stond te roken, werd hij opgepakt door de politie en moest hij een nachtje brommen in de cel. De volgende dag keerde hij terug naar het gemeentehuis om zijn naam te veranderen. Enkel om de ambtenaar te tonen dat hij niet kapot te krijgen is. Maar de ambtenaar lag met verwondingen in het ziekenhuis en een aardige, mooie jongedame stond hem te woord. Zij vertelde dat het ontzettend moeilijk is om je naam te laten veranderen. En ontzettend duur. Moest het andersom zijn, Karim in Kevin laten veranderen, dat zou een fluitje van een cent zijn. En was het spotgoedkoop.

      Karim werd volledig overmand door verlegenheid en kreeg koude rillingen van haar stem. Hij bedankte de jonge vrouw dan ook en verliet het gemeentehuis. Achteraf had hij verschrikkelijke spijt dat hij haar nummer niet had gevraagd. Ik ben er zeker van dat je nu je bedenkingen over Karim hebt. Ik heb maar één woord voor hem: debiel.
      Karim beslist zelf wanneer hij het huis verlaat. Hij wordt nooit het huis uit geschopt. Gelukkig heeft hij geen last van een vader, hij heeft alleen een moeder. Zijn moeder is niet honderd procent, ze heeft een alcoholprobleem. Elke avond verdrinkt ze zichzelf in de Duvel. Daardoor ligt ze de hele nacht te brabbelen in de zetel. Daarom hangt Karim ’s avonds liever buiten rond. En hij wil solidair zijn met ons.
      Stiekem fantaseert Karim over een onzichtbare vader die hem de les leest. Stiekem fantaseert hij over een vader die zijn moeder een pak rammel geeft. Dat verdient die dronken heks. Kijk niet zo verbaasd. Het zijn niet mijn woorden, het zijn die van Karim. Weet je waarom Karim met ons optrekt? Omdat hij bij ons lekker zichzelf kan zijn. Karim is niet honderd procent. Ik ben niet honderd procent. Al mijn vrienden zijn niet honderd procent.
      ‘Wat sta je te noteren? Heb je geen tijd voor mij? Wil je een beetje tonen dat je slim bent? De intellectueel uithangen. Wil je
soms zo een hipster-brilletje dragen? Wat ben je aan het schrijven, gaat het over mij? Schrijf over mij, ik ben heel interessant. Eigenlijk zou iemand een boek over mijn leven moeten schrijven. Ik heb al heel wat meegemaakt. Ik zou het zelf willen doen, maar ik ben altijd druk bezig. Eigenlijk heb ik een hekel aan woorden en van al die letters krijg ik stress en hoofdpijn,’ roept Karim.
      Ik haal mijn schouders op en blijf verderschrijven. Grootheidswaanzin, daar hebben al mijn vrienden last van.
      ‘Weet je wat ik gisteren heb gedroomd? Ik weet dat het vreemd is, maar ik droomde dat ik mijn moeder opat. In mijn droom leefde mijn moeder nog. Ze eiste dat ik haar handen afsneed. Daarna moest ik de handen bakken in een pan met wat ajuin en knoflook. Ze vond dat haar handen niet verloren mochten gaan, ze moesten nog nut hebben. In mijn droom smaakten de handen echt goed en mijn moeder kon geen blikje meer opendoen of een glas vasthouden. Misschien is dat de oplossing voor haar probleem,’ zegt Karim.
      ‘Haar handen afhakken? Ze kan toch een rietje gebruiken en handenvrij drinken.’
      ‘Idioot, jij moet het altijd verpesten.’
      ‘Ik snap niet waarom je moeder moet stoppen met drinken. Wees blij en geniet van je vrijheid.’
      ‘Waarom heb ik mijn droom ook verteld aan een debiel?’ zucht
Karim die naar buiten kijkt en een vrouw met een rode jas voorbij ziet wandelen.
      ‘Kom, we gaan haar volgen. Ik denk dat ze dronken is. Zoiets herken ik van mijlenver,’ zegt Karim.
      ‘En dan? Ze zal hoogstens in haar broek plassen of haar huis niet vinden. Ik weet niet wat al die dronkaards doen. Daarbij, volgens jou is iedereen ’s nachts dronken, ze kan toch ook gewoon naar huis wandelen.’
      ‘Komaan, we gaan een beetje zeveren, een beetje lachen, een beetje rwina, dan is de nacht zo voorbij,’ zegt Karim.
      ‘Je wilt haar bang maken?’
      ‘Ja, dat is toch lachen? Misschien ga ik haar een beetje aanraken. Wist je dat sommige vrouwen fantaseren over aanrakingen in een donker steegje? Zeker als de aanraking van knappe, jonge mannen komt. Yallah Youb, we laten haar droom uitkomen,’ zegt Karim.
      Dat vrouwen fantaseren over aanrakingen in een donker steegje. Daar geef ik hem honderd procent gelijk in. Zolang ze maar
aangeraakt worden door Drarries.
      Ik twijfel om mee te gaan, maar alles is beter dan de hele nacht op een wasmachine zitten.

      ‘Eerst even noteren dat ik en Karim een vrouw met een rode jas de stuipen op het lijf gaan jagen. Misschien gaan we haar tasje grijpen, maar de kans is klein. Karim kennende grijpt hij liever naar haar billen, ook al zal ze dat niet graag willen,’ zeg ik druk schrijvend in mijn notitieboekje. Ik stop met schrijven, schud mijn hoofd en schrap de laatste zin. Blijkbaar moet ik nog veel leren.
      ‘Ga je nu mee,’ roept Karim.
      Ik spring overeind en we gaan op zoek. In de verte zien we een grote slanke vrouw wandelen. We rennen naar haar toe en op vijf meter afstand stoppen we en slenteren we haar verder achterna. Karim sist. Ik doe ook mee. De vrouw draait zich niet om.
      ‘Wat een mooie zwarte laarzen heeft zij. Die zullen vast heel duur zijn. Ik ruik het leer gewoon,’ zegt Karim terwijl hij luid
snuift. ‘Mevrouw, wat een mooie rode jas heb jij.’
      De vrouw krijgt een zenuwachtige pas. Wij zijn als wolven, wij ruiken angst.
      ‘Wat een glanzende bruine haren heeft die vrouw. Ik ben er zeker van dat ze niet geverfd zijn. Die haren ruiken ook zo lekker.
Mevrouw, mag ik alsjeblief aan je haren ruiken,’ vraagt Karim.
      Allebei zijn we aan het gniffelen tot ik zeg: ‘Wat een lange benen heeft ze toch. Slank en gespierd, zoals het hoort. Ik vind
haar rode jas en haar zwarte rok er heel mooi bij passen. Ik ben benieuwd hoe haar voorkant eruitziet. Hopelijk is die even goed
als haar achterkant.’
      ‘Ik begin al te bibberen als ik eraan denk,’ zegt Karim met een bibberende stem.
      De vrouw grijpt steviger naar haar kleine lederen handtas.
      ‘Wat een mooi tasje heeft zij. Heel stijlvol, ik ben benieuwd
naar wat erin zit,’ zegt Karim.
      ‘Er zit klasse in haar tas. De vrouw druipt van de klasse,’ roep ik.
      ‘Wat, heeft ze een druiper? Wat een vuile praat, ik denk dat ze jou en je vuile praat niet zo fijn vindt. Laat haar nu met rust Youb. Nee betekent nee. Maar als ik naar haar kont kijk. Zo mooi, zo
groot, zo rond en zo alleen,’ zingt Karim die in de lach schiet om
zijn eigen grap.
      Plots stormen we naar de vrouw toe, halen haar in en draaien ons om. We kijken naar haar en zij kijkt met knikkende knieën en een angstige blik terug. Karim zegt met een brede glimlach: ‘Mooi.’
      ‘Heel mooi, vooral haar rode jas,’ zeg ik.
      ‘Mevrouw, wat een grote ogen heeft u.’
      ‘Mevrouw, wat een grote mond heeft u.’
      ‘Mevrouw, wat een grote tieten heeft u.’
      ‘Mevrouw, wat een grote kont heeft u.’
      ‘Mevrouw, wat een grote…’
      Omdat Karim niet weet wat te zeggen, houden we halt en laten de vrouw die eigenlijk helemaal niet zo mooi is voorbij wandelen.
      Weet je wat haar blik verklapte? Ik zal het je uitleggen. De donkere jongen wilde ze graag alleen tegenkomen en van die bekakte Belg moest ze niets weten.

We keren terug naar het wassalon.
      ‘Vond je het nu leuk?’
      ‘Eerlijk gezegd niet. Vrouwen bang maken verveelt mij. We zijn daar te oud voor geworden. Ik denk dat we een andere bezigheid moeten zoeken,’ antwoordt Karim.
      ‘Waarom heb je haar handtas niet gegrepen? We hadden nu de
kans.’ ‘Wat heb ik je gezegd? Zijn we nog twaalf jaar misschien? Daarbij, ik ben een goed mens,’ zegt Karim.
      In het wassalon vertelt Karim over de Rode Duivels. Dat Marc Wilmots eindelijk eens ontslagen moet worden. Marc Wilmots
heeft de kop niet om België te trainen. Te blank en te afgelikt.
      ‘Wie is Marc Wilmots?’ lieg ik.
‘De trainer van de Rode Duivels. Weet jij nu echt niets? Jij bent echt in niets geïnteresseerd. Schrijf dat maar op: Ik ben een schrijver
die voor niets belangstelling heeft.’
      ‘Jawel, ik ben heel erg geïnteresseerd in mezelf.’
      ‘Heb jij je nooit afgevraagd waarom de bestuursleden allemaal blank zijn? Bij de Rode Duivels zijn de spelers bijna allemaal zwart, maar de trainer is blank. Heb je daar nooit over nagedacht? Nee, jij hebt de me-myself-and-I mentaliteit. Ik zal het eens uitleggen. Vergeet dit niet op te schrijven in je dagboekje, meneer Kijk-eens-hoeslim- ik-ben-want-ik-heb-een-pen-in-mijn-hand. Soort zoekt soort. Dat is zo bij dieren, dat is zo bij mensen. Zo zit de wereld in elkaar. Blanken zullen nooit allochtonen voor topfuncties vragen. Nee, zij mogen enkel als aapjes op het veld spelen. Denk je nu werkelijk dat die voetballers echt zo goed zijn? Oké, misschien zijn ze wel goed, maar ze moeten vooral dom zijn. Racisten, we leven in een wereld vol racisten. Hou daar rekening mee als je naar een wedstrijd kijkt. Ik weiger om supporter van de Rode Duivels te zijn. Zodra ze een zwarte trainer hebben of een moslim als bestuurslid, ben ik weer fan,’ zegt Karim.
      Tarnon, jij bent echt domme praat aan het verkopen, bovendien klopt je verhaal niet. Wat doe jij bij ons? Soort zoekt soort?
Moet je niet met blanke Vlamingen optrekken? Denk aan je toekomst. Heb je er nooit aan gedacht om met je eigen soort op te
trekken? Dan zul je pas topfuncties krijgen en in een hele dikke BMW rijden. Ceo Karim Van De Walle,’ zeg ik.
      ‘Fuck topfuncties, fuck mijn familienaam. Ten eerste: ik heb meer zwarte sneeuw gezien dan jij, dus ben ik ook veel zwarter dan jij. Kun je je voorstellen hoe het is om zonder vader op te groeien? Nee, daar ben jij te dom en vooral te egoïstisch voor. Ten tweede: Ik verkoop mijn ziel niet, aan niemand. Jij zou zelfs je kont geven voor een dürum. Ik ben er zelfs zeker van dat een dürum perfect in je kont past. Ten derde: Ik ben misschien een leegloper, jij bent een nog veel grotere leegloper, alleen besef je het niet.’

      ‘Weet je wat jouw probleem is? Je bent jaloers omdat je geen vader had die je vroeger mishandelde,’ zei ik.
      Karim verandert lichtjes van kleur en begint te stotteren. Hij kijkt me enkele seconden indringend aan en zegt: ‘Weet je wat mij nu pas is opgevallen? Waarom noemen ze zichzelf Rode Duivels? Willen ze promotie maken voor satan? Willen ze dat wij supporteren voor de duivel? Ik had het moeten weten, de duivel is overal en voetbal is een sport die is uitgevonden door de duivel.’
      Plots horen we de claxon van een motorfiets. Het is Fouad die op een lichtgroene Vespa scooter komt aangereden. Hij heeft een Ray-Ban-zonnebril op en draagt een witte helm met op de zijkanten de Italiaanse vlag.
      Wajoow Hulk, hoe kom je aan die scooter en een oldtimer bovendien? Weet je hoe duur die wel zijn? Mag ik eens testen?’ vraagt Karim.
      ‘Brilletje, Italiaanse helm en leren jas. Zehma Chataar. Zehma stijl. Jammer van die jas die je blijkbaar op de groei hebt gekocht. Is dat een XXXX-L? Jammer van die kapotte Nikes en je zweetvoeten. Om van je remsporen maar te zwijgen,’ lach ik.
      ‘Jaloers,’ roept Fouad met een gemaakt piepstemmetje. ‘Vrouwen kijken alleen maar naar de buitenkant en wat er in je broek zit. En daarmee bedoel ik geld,’ zegt Fouad terwijl hij over zijn vingers wrijft.
      Ik wrijf over zijn handschoenen en zeg: ‘Je draagt ook leren handschoenen? Heb je iemand overvallen? Of heb je werk? Was je ergens af ? Bezorg mij eens werk, ik wil ook geld verdienen.’
      ‘Laat me eens rijden,’ zegt Karim herhaaldelijk.
      Fouad probeert hem af te wimpelen, maar zoals altijd laat Karim zich niet afwimpelen. Ze blijven bekvechten tot Fouad op een gegeven moment zucht en zegt: ‘Tot aan het einde van de straat. Niet verder.’
      ‘Waarom draag je een zonnebril? Het is toch donker,’ vraag ik.
      ‘Stijl, alles draait om stijl,’ zegt Fouad die zich plots bedenkt en de Vespa weigert af te geven. Fouad weet dat Karim het nooit bij het einde van de straat zal houden.
      Karim trekt aan het stuur van de Vespa en blijft een ritje eisen. Tussen beiden komt het bijna tot een handgemeen. En dat om een Vespa. Ze zijn er in ieder geval op vooruit gegaan. Vroeger vochten ze om een suikerwafel of een slokje cola.
      Nadat Karim herhaaldelijk heeft zitten zweren op God, zijn moeder en de heilige boeken, mag hij een ritje maken. Alsof die
drie dingen Karim op dit moment iets interesseren.
      ‘Dommerik. Die komt pas morgen terug.’
      ‘Wat had ik moeten doen? Die gast bleef maar zagen. Hij wilde bijna zijn kont geven om te mogen rijden,’ zegt Fouad.
      ‘Waar heb je die Vespa vandaan?’ vraag ik.
      ‘Een lang verhaal, ik zal dat nog wel uitleggen,’ zegt Fouad.
      Zehma dingen verbergen. Dat is nu typisch Fouad. Altijd geheimen, altijd mysterieus doen. Maar als puntje bij paaltje komt,
stellen zijn geheimen niets voor.
      Omdat het koud en druilerig is, gaan we in het wassalon zitten. Ik wrijf in mijn handen, krab in mijn haren en begin ijverig te
noteren. Fouad kijkt vreemd op, maar trekt dan zijn jas, zijn trui en al zijn andere kleren uit. Hij begint zich uitvoerig op te drukken.
      ‘Waarom trek je al je kleren uit? Straks gaan de mensen nog denken dat we zemmers zijn.’
      ‘Ik moet van dit rustige moment gebruikmaken. Als ik train,
dan wil ik al mijn spieren zien. Daar raak ik alleen gemotiveerder van. Jammer dat er hier geen spiegels zijn. Maar door het glas zie ik mijn spieren ook. Kijk naar mijn armspieren. Kijk naar mijn borstkas. Staalhard zijn ze en kijk hoe droog ik sta. Kijk naar mijn wasbordje. Kijk Youb. Debiel, kijk.’
      Ik richt mijn blik heel eventjes op hem.
      ‘Weet je wat het verschil is tussen mij en de meeste bodybuilders?
Ik heb ook de benen. Zij hebben van die magere spaghettislierten. Kijk eens naar mijn kuiten. Kijk Youb, kijk naar mijn kuiten.
Waarom kijk je niet? Heb je ooit zulke enorme kuiten gezien?’ roept Fouad.
      ‘Kuiten boeien mij niet zo, tenzij het die van een vrouw zijn.’
      ‘Vandaag was het een mooie dag voor mij. Ik heb goed geslapen, goed gegeten. Het begon met een flink ontbijt. Tien eieren, maar alleen het eiwit. Daarna een kom havermout met magere melk, een banaan en een kom magere yoghurt. Ik heb ook wat supplementen en vitamines geslikt. Een uur later at ik al droge rijst en gekookte kip. Heb jij al gekookte kip gegeten? Niet te vreten, maar het is goed voor mijn lichaam. Velen weten het niet, maar bij spieren draait alles rond voeding. De dag begint goed als ik goed gegeten heb. Wat sta jij daar te schrijven? Sinds wanneer ben jij Shakespeare geworden? Zeg ik Shakespeare goed of wordt dat anders uitgesproken? Wat dacht je, dat ik geen schrijvers ken? Dat ik een of andere dommerik ben? Zeg Youb, valt er geld te verdienen met schrijven? Schrijf anders een verhaal over mijn leven, dat zou pas verkopen. Maar ik wil wel een procentje dan. Wie maak ik wat wijs, jij een schrijver? Laat me niet lachen, jij bent in alles de middelmaat. Zou je niet liever beginnen met breien? Dat heeft tenminste nut, dan heb je af en toe een warme sjaal,’ hijgt Fouad.
      ‘Hoe kan ik nu schrijven over iemand die push-ups doet in boxershort? Wat is daar nu interessant aan? Tenzij je het wilt maken als stripper.’
      ‘Nu je het zegt. Zou een carrière als stripper iets voor mij zijn? Al die vrouwen die aan mijn lichaam hangen. Al die vrouwen die na mijn show iets meer willen. En jij Youb? Wanneer begin jij te trainen? Je hebt de houding van een zoutzak of van een luie vader die naar de moskee wandelt. Vergeet niet dat je uiterlijk toont wie je bent. En wat toon jij? Niks. Wanneer heb jij voor het laatst zitten pompen?’
      ‘Een paar maanden geleden. Toen mijn fietsband plat was.’
      Fouad zucht en kijkt me scheef aan.

      ‘Je moet niet zo dwaas kijken en zuchten. Een ding is zeker, je lichaam laat je uiteindelijk toch in de steek.’
      ‘Tot mijn dood zal ik er afgetraind uitzien, maar jij… hoe kun jij ooit jezelf verdedigen met zulke dunne armpjes?’ vraagt Fouad.
      ‘Simpel, ik gebruik gewoon een mes.’
      ‘Debiel, op alles heb jij een antwoord. Wist je dat ik van plan ben om opnieuw een kuurtje te nemen?’
      ‘Veel succes en zoek maar een ander slachtoffer om een naald in je reet te stoppen.’

Oké, beste lezer, ik ga je uitleggen wat ik met Fouad deed. Heel lang geleden… Nee, dat is niet waar, zes maanden geleden spoot ik drie weken lang elke dag een injectienaald met anabole steroïden in zijn harige kont. Op de verpakking stond in het Engels geschreven dat het voor runderen was. Ik toonde het aan Fouad. Maar die vond het juist interessanter en vertelde dat stieren enorme spieren hebben. Eerst wilde ik het niet doen. Niet omdat het anabolen voor dieren zijn. Een rund is Fouad al sowieso. Maar zie je mij al als zijn verpleegster?
      Ik negeerde hem, nam niet op en antwoordde niet op zijn sms’en. Dagenlang bleef hij zeuren en mij verwijten dat ik geen goede vriend ben. Dat de zomer op komst is en dat hij er op zijn best wil uitzien. Dat ik hem saboteerde en hem het succes misgunde. Gewoon trainen duurde voor hem veel te lang en het had ook geen effect meer.
      Uiteindelijk gaf ik toe. Na de inspuiting liet ik hem het zelf met alcohol ontsmetten. Dat taakje ging mij iets te ver. Hij moest niet denken dat ik de inspuitingen uit liefde deed. Hij moest voelen dat ik het tegen mijn zin deed.
      Fouad veranderde zienderogen. Je zag hem echt in een gorilla veranderen. Met puisten welteverstaan. Zijn manier van wandelen. Hoe zijn huid rook. Om van zijn slechte adem maar te zwijgen. Hoe hij met een scheef hoofd en een glazige blik keek. Bij een gesprek kwam hij ook steeds te dichtbij staan en het was alsof hij je op elk moment kon verslinden. Fouad praatte niet meer, hij schreeuwde. Ik weet niet wat ik bij hem inspoot, maar het maakte van hem een andere Fouad. Laten we zeggen dat hij een foute versie van de Hulk werd.
      Ik ben niet verantwoordelijk voor Fouads gedaanteverwisseling. Als hij zo graag aandacht wil, moet hij achteraf niet komen
klagen als hij kanker heeft, of een hartaanval of wie weet welke vreselijke ziektes je ervan krijgt.
      Nadat hij dankzij mijn hulp in een gorilla veranderde, kreeg ik stank voor dank. Zo gaat dat bij vriendschap. Volgens Fouad had ik iets verkeerd gedaan, want er verschenen harde plekken op zijn kont die steeds groter werden. Op een gegeven moment kon hij niet meer zitten zonder het uit te schreeuwen. Eerst deed hij een luier aan om de pijn te verlichten bij het zitten. Uiteindelijk kon hij het niet meer uithouden en is hij naar de dokter gegaan. Die stuurde hem naar het ziekenhuis. Daar hebben ze in zijn bil moeten snijden om al de etter te verwijderen. En nu heeft Fouad een misvormd achterste. Enkel en alleen om in de zomer goed voor de dag te kunnen komen. Oké, ik had zijn kont misschien moeten ontsmetten. Oké, ik moest hem niet prikken alsof ik met een dolle stier te maken had. Oké, ik vind hem wel zielig als hij met een triestige blik over zijn schouder kijkt en zachtjes zijn gehavende billen aait. Het is zijn eigen schuld. Wie vraagt er nu zoiets aan een vriend?
      Ik schud mijn hoofd en zeg: ‘Blijkbaar heb jij je lesje niet geleerd. Ik dacht dat je nooit meer vergif ging inspuiten.’
      ‘Ja, dat dacht ik ook. Maar de zomer is op komst en dat is de belangrijkste periode van het jaar. Ik wil deze zomer weer uitpakken met mijn spieren. Weet je hoeveel succes ik vorig jaar had? Daarbij, de kans dat ik er kanker van krijg is heel klein. Dat zijn maar roddels. Ik heb gehoord dat één op tien er ziek van wordt. En hoe jonger je eraan begint, hoe kleiner de kans. Vergeet niet dat anabolen ook voordelen hebben. Bekijk mijn spieren eens en bekijk dan jezelf eens. Mocht ik een lichaam hebben als het jouwe, ik gooide mezelf meteen voor de trein. Ik zal je iets vertellen, maar hou dit onder ons. Toen ik anabolen en andere rommel nam, kreeg ik hem niet meer overeind. In het begin was ik bang. Ik dacht dat ik geen kinderen kon krijgen. Nooit nachten van plezier. Dat ik heel mijn leven letterlijk een slapjanus ging zijn, terwijl mijn andere spieren zo hard als beton waren. Gelukkig was het maar tijdelijk. Maar die periode was eigenlijk een zegen voor mij, daarvoor voelde ik mij echt een maniak. Je kent mij, ik ben niet honderd procent. Je weet hoe ik was met vrouwen. Ik had altijd een verschrikkelijke jeuk aan mijn je-weet-wel en soms staarde ik als een geile hond en greep ik onbewust naar mijn je-weet-wel als er een vrouw passeerde. Ik kon
er niets aan doen. Het was alsof de duivel mijn lichaamsdelen bediende. Weet je wel hoe beschamend dat is,’ zegt Fouad.
      Ja, vooral voor de vrouwen die moesten aanzien hoe een gorilla naar zijn je-weet-wel greep en het daarna op een lopen zette.
      Dit moet je wel onthouden, beste lezer. Fouads gedrag past niet voor een Drarrie. Een Drarrie weet hoe hij met vrouwen moet omgaan.
      We horen de claxon van de Vespa. Fouad is nog steeds push-ups aan het doen. Karim staat voor het raam te grijnzen.
      ‘Youb, hoeveel vraagt die harige aap voor een beurt? Is het volle maan vandaag, ik zie dat Fouad in een weerwolf is veranderd?’ lacht Karim.
      Met zijn rechterhand blijft Fouad gedisciplineerd pompen, terwijl zijn linkerhand een middenvinger toont.
      ‘Doe nog een ritje. Ik ga zo beginnen met mijn buikspieren,’ roept Fouad.
      Typisch, daarnet wilde hij bijna vechten. Nu interesseert die Vespa hem niet meer.
      ‘Youb, wat sta je te kijken naar die mislukte stripper,’ zegt Karim.

      Nu steek ik mijn middenvinger omhoog. Plots zie ik lichten en hoor ik sirenes.
      ‘Politie, politie,’ roept Karim.
      Vliegensvlug raapt Fouad zijn kleren bij elkaar en we zetten het meteen op een lopen. Alle drie stuiven we verschillende richtingen uit. De politiewagen weet eerst niet wie te kiezen, maar rijdt de Vespa achterna. Ik blijf lopen tot ik in het park eindig. Ik ben draaierig en heb hoofdpijn gekregen. Ik denk dat ik moet overgeven. Fouad heeft gelijk, ik moet dringend sporten. Ik ga op een bankje zitten en begin te schrijven. Jammer dat hier zo weinig licht is. Ik schrijf op dat ik de longen uit mijn lijf heb gelopen. Eerlijk, beste lezer, dat van die longen en dat lijf is toch een grave zin.
      Een oudere, lijvige man met een grijze regenjas gaat op het uiteinde van het bankje zitten.
      ‘Hallo,’ zegt hij. ‘Het is een mooie nacht en ik merk dat de nacht je inspiratie bezorgt. Als je wil, kan ik je helpen. Ik kan zorgen voor meer inspiratie.’
      Ik werp hem een vieze blik toe.
      ‘Je lijkt me vrij jong. Ga jij nog naar school?’ vraagt de man.
      ‘Vijftig euro, op voorhand te betalen,’ antwoord ik.
      Zonder iets te zeggen en met trillende hand reikt hij mij een briefje van vijftig euro aan. Ik neem het briefje aan en sta recht. Ik zet het op een lopen en op tien meter afstand roep ik: ‘Rot op, ik ben geen flikker. Laat je maar pakken door de takken van die bomen daar.’
      Ik heb ook weer een plek gekozen. In een park vind je alleen duivels, demonen en zemmers. Met mijn zelfverzekerde Drarriestap wandel ik weg. Hopelijk geilt die flikker nu niet op mij. Of laat hem maar genieten. Hij heeft er vijftig euro voor betaald.
      Ik ga eens kijken of mijn moeder de deur op een kier heeft gedaan. Misschien kan ik terug naar binnen. De hele nacht buiten
ronddolen is echt niks voor mij.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Breydel - Lisa Demets

In Breydel brengt Lisa Demets de geschiedenis achter de succesvolle branding van de Brugse familie Breydel. Middeleeuwse kronieken vormen de rode draad in dit verhaal over de weg naar de macht van de beroemdste Brugse beenhouwersfamilie in de veertiende en vijftiende eeuw. Lees hier het eerste deel van de inleiding.

Lees meer »

Leesfragment: Over dit gevoel is nagedacht - Tyche Beyens

Over dit gevoel is nagedacht van Tyche Beyens is een queeste naar de liefde van vier eind-twintigers, die dat veelzijdige begrip stapsgewijs proberen te ontleden. Het is een liefdesverhaal over voelen in een eeuw waarin zo veel wordt nagedacht. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Beyens' debuut. 

Lees meer »

Leesfragment: NOU EN - Patrick Van Gompel

In NOU EN gaat Patrick Van Gompel onverdroten op zoek naar de ziel en het karakter van de Nederlanders. Hij baseert zich hiervoor op tientallen interviews met spraakmakende BN’ers en gewone noorderburen. Hij vult dit aan met een rijke voorraad aan liedjes, boeken, cabaret en media. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Van Gompels boek over het land van kaas en klompen.

Lees meer »

Leesfragment: We worden er niet jonger op - Michel Follet

We worden er niet jonger op is het vervolg van het in 2021 verschenen relaas Wanneer zien we u terug? over twee eigenzinnige negentigplussers in een woonzorgcentrum. Veel lezers herkenden zich in de petites histoires vol tragiek en humor. Nooit zwaarmoedig, wel realistisch en vaak onverbloemd. Lees hier het voorwoord van het nieuwste boek van Michel Follet.

Lees meer »