Leesfragment: De crèchecrisis - Celia Groothedde

Meer dan de helft van alle jonge gezinnen maakt gebruik van kinderopvang. Elke plek is voor de overheid zo goedkoop mogelijk. Maar hoe betalen kinderen, kinderbegeleiders en ouders daar de prijs voor? En wat kan kinderopvang echt betekenen voor jonge gezinnen? Lees hier een fragment uit De crèchecrisis.


De crèchecrisis
Celia Groothedde

ISBN: 9789464341713
Prijs: €17,50


Eerst onzichtbaar, dan politieke speelbal

Komt de crèchecrisis uit de lucht vallen? Eigenlijk zwelt dit probleem al jaren aan. De kinderopvang zelf, specialisten,
organisaties en gewone mensen zoals ik – eerst als schrijver en columnist, daarna als parlementair – zagen het belang én ook de problemen aankomen. Samen met de gevaren. We waarschuwden voor een grote ijsberg terwijl de kinderopvang, als een enorm schip met de Vlaamse regering aan het stuur, erop af vaarde. Maar de stuurlui beseften het maatschappelijke belang van de kinderopvang evenmin als die aanzwellende gevaren. Het leek wel alsof ze kinderopvang als iets vanzelfsprekends zagen, zoals mensen in een gezin de taken van een huismoeder zien. Toen de crisis losbarstte, was dat voor de sector, die specialisten, en ook voor mij helemaal geen moment van ‘gelijk krijgen’ maar van diepe rouw en schok.
      De bewindvoerders waren gewaarschuwd, net als de huidige regering van N-VA, Open Vld en CD&V onder Jan Jambon, met als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin eerst Wouter Beke en nu Hilde Crevits. Maar er is wel heel erg van de alarmsignalen weggekeken. Kinderopvang werd verwaarloosd; het moest er zijn, er moest meer van zijn, maar over de kwaliteit
en pedagogie werd weinig gesproken. Baby’s en jonge gezinnen waren geen politieke kwestie. Politiek is een machowereld, kinderopvang was ‘maar’ een kwestie van jong ouderschap. Begroting, defensie, Brussel-Halle-Vilvoorde, dát waren de onderwerpen waarover de politieke spierballen rolden.
      Onder de vorige regering werd onderwijs een politiek onderwerp, nadat specialisten al jaren voor een crisis waarschuwden. Onder deze regering is ook kinderopvang ‘hot’. Opeens heeft iedereen er een mening over, kan geen begrotingsdebat verlopen zonder dat het over kinderopvang gaat en spreken zelfs Wetstraatjournalisten over de sector – allemaal dingen die vroeger niet gebeurden.

      Soms vraag ik me af of we met al die meningen van ambitieuze mensen in beter vaarwater zitten dan toen de kinderopvang nog onzichtbaar was. Wat er moet gebeuren, is nog altijd hetzelfde als toen. De eisen zijn dezelfde, de waarschuwingen dringender, de crisis is nu volledig losgebarsten. En doordat ze
zo ontspoord is, zal ze veel moeilijker te keren zijn. Misschien denkt u dat ik zélf een beetje de politieke macho speel, en het belang van kinderopvang opblaas. Dat mag. Ik zal proberen u cijfers en feiten voor te leggen, dan mag u nadien uw eigen mening vormen.

Emancipatie en gelijke rechten

Op het vlak van emancipatie hebben Nederlandse en Duitse vrouwen net zoveel recht als wij op een bankrekening zonder toestemming van de partner, op opleiding en op scheiden uit slechte huwelijken. Belgische vrouwen kunnen die rechten echter beter uitoefenen.

      In België heb je niet alleen het recht op werken, op een bankrekening, op kinderen krijgen of op scheiden, maar is het ook sociaal aanvaard om fulltime te werken als ouder, kan je dat loon op je bankrekening laten storten en dus scheiden zonder dat het je in de armoede stort. Die rechten maken voor rijke vrouwen met een goed netwerk en een gelukkig leven niet zo veel uit. Die vrouwen hebben bij relatieproblemen allicht ouders of vrienden met een huis waar ze gescheiden van hun echtgenoot kunnen leven. Bij ziekte kunnen ze iemand inhuren om op de kinderen te passen; hun soort jobs betalen goed en ze hebben allerlei privéverzekeringen en luxe randvoorwaarden.

      Voor gewone mensen maken deze rechten en sociale voorzieningen wél een verschil. Voor wie arm is en dat huis niet heeft. Voor wie geen netwerk heeft dat hen op fijne jobs kan wijzen of kan helpen een woonst te vinden waar de huisbaas hen niet uitbuit. Voor kortgeschoolde mensen met meer kans op onregelmatige uren of jobs waar ze makkelijker ontslagen kunnen worden. Voor nieuwkomers die recht op bescherming hebben, maar geen taalkennis. Of voor mensen die uit een laag van de bevolking komen waar hen wordt aangeleerd om ’ja’ en ‘amen’ te zeggen als de baas, de dokter, de leraar of iemand van de overheid iets zegt.

      Gelijke rechten zijn mooi en belangrijk, maar zonder de praktische pilaren om die rechten op te stoelen, blijven ze theorie. Hoe moeilijker je het hebt in het leven, hoe meer die pilaren levensnoodzakelijk zijn, en hoe belangrijker het is dat je er ook makkelijk en snel terecht kan zonder te veel controle, straf en voorwaarden.

      Als u aan emancipatie denkt, is kinderopvang misschien niet het eerste wat in u opkomt. Wie denkt er aan vrouwenrechten bij goed onderwijs voor elk kind, goedkope en kwalitatieve voor- en naschoolse opvang, breed jeugdwerk, goede ouderenzorg, voldoende betaalbare sociale woningen, deftig openbaar vervoer enzovoort? Haal als denkoefening eens een van die pilaren weg. Waar valt de last dan? Het zijn de vrouwen die dan de zorgarbeid verrichten die wegvalt. Vooral moeders blijven thuis wanneer de kinderopvang weer eens moet sluiten, vooral zij helpen hun kinderen met schoolwerk wanneer er te weinig leerkrachten zijn op school. Zonder jeugdwerk moeten vooral moeders, oma’s en oudere zussen de vrije tijd van kinderen organiseren, als ze het geld niet hebben voor dure hobby’s of privéleraren. Zonder voor- of naschoolse opvang moeten vrouwen deeltijds of korter werken en zijn overuren taboe. Zonder betaalbare sociale woningen belanden vooral alleenstaande moeders in armoede.

      In al die onzichtbare pilaren heb je sterke instellingen en organisaties nodig, zodat meer dan de helft van de bevolking – vrouwen – zich kan ontwikkelen en ontplooien. Bijna alle taken die ik opsomde, vallen onder de bevoegdheid van de Vlaamse regering. Sinds 2019 ben ik verkozen in het Vlaams parlement. Groen, mijn partij, heeft sinds de Vlaamse regering bestaat slechts één legislatuur in die regering gezeteld. De Vlaamse regering is al bijna twintig jaar in rechtse handen, met sinds zo’n acht jaar N-VA als grootste en toonaangevende partij die het beleid bepaalt, en naast hen CD&V en Open Vld.

      CD&V levert al twaalf jaar onafgebroken de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Eerst acht jaar met Jo Vandeurzen, die op inhoud werkte met overleg en kennis van de sector, maar met toenemend beknibbelen op het budget. De middelen voor de werking werden al twaalf jaar niet geïndexeerd (wie de prijzen de afgelopen jaren heeft gevolgd, begrijpt dat dit een besparing is op jeugdhulpvoorzieningen, ouderenzorg, centra voor welzijnswerk en armoedebestrijding… Plekken die het al niet breed hadden.) In deze legislatuur nam eerst Wouter Beke de ministerpost over, daarna Hilde Crevits.

      Voorzieningen zijn heel belangrijk voor emancipatie, vooral voor wie niet héél rijk is. Die voorzieningen moeten robuust genoeg zijn, zodat ze goede kennis opbouwen. Goedkoop genoeg voor wie het niet breed heeft, makkelijk bereikbaar met makkelijk verkrijgbare zorg voor wie het moeilijker heeft. Ten slotte moeten ze ook echt kwaliteit bieden, anders vermijden mensen ze natuurlijk.

      Ook rijke mensen kunnen terecht bij deze diensten en instellingen. Het is zelfs goed als voorzieningen mensen van heel arm tot heel rijk bedienen: dat maakt hen beter en de steun ervoor breder. Lang was de kinderbijslag een goed voorbeeld en vroeg niemand om die af te bouwen. Het is geen wonder dat de voorstellen van N-VA of Vooruit om dat geld af te romen en dwingend elders te investeren op veel weerstand stuiten. Rijke mensen krijgen immers ook kinderbijslag. Dat maakt het een gedragen maatregel. Rijke mensen zijn ook mondiger dan mensen in armoede. Diensten en geld voor arme mensen staan al langer onder druk, met voorstellen om werkzoekenden tot gratis werk te verplichten of ouders die niet genoeg Nederlands spreken te straffen. Bij voorzieningen die alleen voor arme mensen zijn, geldt vaak de ondertoon: “Wees blij dat je dit krijgt, pauper.” Als rijke mensen van voorzieningen geen gebruik maken, maakt dat die diensten en zorg bepaald niet beter en het werk niet prettiger. 

      Waar algemene voorzieningen die iedereen gebruikt niet bestaan, kunnen rijke en goed geconnecteerde mensen zich nog uit de slag trekken. In Nederland en Engeland, waar kinderopvang een arm en een been kost, huren rijke gezinnen nanny’s in voor hun kinderen of blijven moeders meer thuis of werken minder uren. In Italië, waar weinig woonzorgcentra zijn, worden armere vrouwen zonder papieren ingehuurd om voor oudere mensen te zorgen of blijven vrouwen thuis voor die zorg. Ook bij ons bestaan dat soort informele en precaire zorgpraktijken onder de radar. Voor er dienstencheques bestonden, moesten poetsvrouwen in het zwart werken bij mensen die geld hadden, zonder de babysitservice van de Gezinsbond werken babysits vaak onverzekerd. Mensen die het moeilijker hebben, moeten alles zelf opvangen. Al deze belangrijke diensten, mensen en voorzieningen leken onzichtbaar, puur omdat ze ‘maar’ zorg en welzijn leverden – zowat de meest menselijke van al onze eigenschappen.

“Kinderopvang? Baby’s? Wie wil dát lezen?!”

In kinderopvang maakte ik die onzichtbaarheid zelf mee. Toen ik zo’n dertien jaar geleden begon te schrijven over ouderschap, zwangerschap, geboorte en eerste leeftijd, moest ik mijn teksten echt verkopen aan redacteurs: “Kinderopvang? Baby’s? Wie wil dát lezen?” Ouderschap, vrouwengezondheid, vruchtbaarheid, zorg… Zulke onderwerpen waren verbannen naar Flair en Feeling. Bladen die we dankbaar moeten zijn dat zij al die tijd wél een podium gaven aan die onderbelichte kant van de samenleving. Wie over deze thema’s diepgaandere artikels wilde lezen, bleef echter op zijn honger zitten.

      Nochtans zaten ouders en zorgverleners erg in de knel met taakverdeling, zorg die tekortschiet en kinderen krijgen. Nu nog altijd: onze samenleving is verder geëvolueerd sinds de jaren vijftig maar heeft nog niet de oplossingen voor deze nieuwe tijd. Vandaag sta je als kerngezin vaak alleen. Iedereen moet geld verdienen én zorgen tegelijk. Intussen bestaan de oude stereotypen naast de nieuwe verwachtingen.

      Voor een gemiddeld koppel zijn de dingen al erg gecompliceerd. Voor wie extra zorg of minder draagkracht heeft, is het helemaal moeilijk. Zo is er de groeiende groep alleenstaande ouders voor wie de problemen dubbel gelden. Zij moeten als Kali de achtarmige godin een belachelijke hoeveelheid taken in hun eentje volbrengen in een maatschappij die huurprijzen, werkuren en zorgtaken berekent op een basis van ouders mét grootouders en netwerk in de buurt.

      Ouders wiens eigen (groot)ouders ooit naar België emigreerden, botsen nog altijd op culturele verwachtingen die de hunne niet aanvaardden. Onbegrip en discriminatie remmen hen en hun kinderen van school tot de huurmarkt, van werk tot het openbaar en persoonlijk leven niet alleen af, maar brengen hen soms rechtuit in gevaar. Dat gevaar gaat niet alleen over georganiseerde of bewuste haat; in het kraambed hebben vrouwen met een migratieachtergrond een hoger risico op gynaecologisch geweld en zelfs overlijden.

      Voor ouders met een chronische of langdurige ziekte of een handicap wordt een kind krijgen soms bijna afgeschilderd als een soort persoonlijke fout. Een vrouw vertelde me huilend hoe ze bij de controledokter te horen kreeg dat ‘als ze zwanger kon worden, ze ook kon werken’. Iets gelijkaardigs geldt voor mensen in (kans)armoede. Volgens een deel van de publieke opinie moet je eerst genoeg geld en zekerheid hebben, pas dan mag je aan voortplanten denken. Maar een flink deel van de kinderen zijn “cadeautjes”, ook mét goed gebruik van voorbehoedsmiddelen. Veel mensen hebben hun hele leven lang geen “voorraadje” geld en veel huishoudens zijn maar één ongeluk verwijderd van armoede.

      We experimenteren ook als eerste generatie met een scala gezinnen die wars leven van het cis en hetero man-vrouwpartnergezin. Die mensen, relaties en gezinnen bestonden natuurlijk altijd al. Vroeger moesten ze elke wettelijke, maatschappelijke en publieke struikelsteen vermijden en zich ofwel uitgeven voor heel hechte vrienden of geïsoleerd leven. Nu botsen ze tegen de muren van de wet die hen soms niet erkent en een samenleving die hun bestaan soms ontkent, negeert, afkeurt, beschimpt of op agressie onthaalt.

      We leven ten goede, ten kwade en soms simpelweg door omstandigheden in een gigantisch maatschappelijk experiment. Toen ik veertien jaar geleden zwanger werd, verbaasde me vooral dat we dat toen in het publiek debat niet erkenden. Elders gebeurde dat namelijk wel: kranten als The Guardian, The New York Times en de Süddeutsche Zeitung hadden bijlagen over familie, gezin en ouderschap, wij hadden er over voetbal en auto’s. Ik voelde me als schrijver en columnist soms alsof ik stukken over het uitbroeden van eieren verkocht aan nijlpaarden. Gelukkig waren er ook al wat mannelijke vogels op redacties. Na een tijdje werden de zo vervloekte clicks een argument tegenover redacteurs: mijn stukken waren veelgelezen en populair. Ik denk niet dat mijn stukken zo bijzonder waren, wel dat veel mensen in dezelfde tang zaten die ik rond me zag.

De uitzondering op de onzichtbaarheid: de schandalen

Al jarenlang is er enorme publieke belangstelling voor zorg en gezin van zodra er iets heel ernstig misloopt. Van kinderopvang tot ouderenzorg en van misbruik door leerkrachten tot extremisering in het jeugdwerk: dan bemoeit zelfs de politiek zich ermee. Dan is het belang duidelijk. De politiek (vooral aan rechtse zijde) begint dan vaak te roepen over controle en rotte appels en scandeert luid: “Dit mag nooit meer gebeuren.” Vaak zijn het dezelfde politici die voordien slechtere normen invoerden, winst toestonden, inspecties afbouwden en de andere kant opkeken als men hen waarschuwde voor de mogelijke gevolgen.

      De zondebokstrategie van ‘rotte appels’ en ‘slechte mensen’ is makkelijker dan complexe en diepgaande debatten die ook behoorlijke gevolgen kunnen hebben voor onze gemeenschap. Die debatten ontstaan als mensen wél genoeg weten bij zo’n crisis. In de kinderopvang hebben we zo’n debat meegemaakt tijdens de afgelopen jaren. Men begrijpt hoe kinderbegeleiders moeten werken. Dat negen kinderen per begeleider te veel is. Dat mensen deze job wel willen doen, maar niet onder deze omstandigheden. Dat bepaalde politieke keuzes anders moeten. Soms vinden mensen zelfs dat de Vlaamse regering regelrecht schuld droeg.

      Ik hoop u méér geloof te geven in politiek. U bent net als ik een politicus. Politiek is samen rond het kampvuur zitten en beslissen hoe wij onze samenleving organiseren. Ik ben in het parlement een van de uwen, door u verkozen. Het zeteltje waarop ik zit, behoort u toe, om uw belangen te verdedigen, goed te studeren en te proberen u allemaal het leven fijner te maken. Dat geldt voor elke parlementair én voor de ministers in uw regering. Politiek is niet meer of minder dan wat u beslist. Politiek bedrijven is elke dag het meest publieke examen dat er bestaat: u kan zelf nakijken hoe politici stemmen en wat ze zeggen in het parlement. Geen enkele slogan maakt uit tegenover de optelsom van al die handelingen. Die som weegt misschien ook zwaarder dan gelijk welk schandaal.

      U kan zelf beluisteren of nalezen welke parlementair of minister beweert dat er niet te veel kinderen per kinderbegeleider zijn, wie er niet investeert in kinderopvang of armoedebestrijding, wie er stemt zodat grote bedrijven winst op uw zorg kunnen maken, of wie er de buitenschoolse opvang voor te veel kinderen laat zorgen met slechte contracten. Geen enkel groot bedrijf of lobbygroep heeft de grote, belangrijke macht die u heeft: bepalen wie er in dat parlement jarenlang uw stem vertegenwoordigt.

      Velen zeggen dat politiek ver van hun bed is. Maar elke dag beslist politiek over u, vanaf het uur dat u moet opstaan om op uw werk te geraken, hoe gezond en menselijk dat werk is, of u goed openbaar vervoer kan gebruiken, of uw kind nog even makkelijk kan studeren als u, of onze vrouwen geëmancipeerd kunnen leven, of mensen onder een brug moeten slapen of zich kunnen ontplooien, of onze kinderen goede kinderopvang krijgen en of u na een lang leven goede verzorging krijgt als u niet rijk bent. Maar u beslist ook over de politiek. U maakt die beslissing samen, in het stemhokje en ook na de stembusgang door uw stem in het publiek debat.

      Na een paar jaar in de politiek kan het mij onder de indruk brengen hoe zwaar de verantwoordelijkheid is van een parlement en over hoeveel levens je beslist. Dat kan verlammen. Maar als je onderwerp per onderwerp bekijkt, krijg je inkijk in wat er nodig is en hoe je dingen kan veranderen. Wat in de kinderopvang gebeurt, is een symptoom. Eentje dat toont hoe hoeken zijn afgesneden, besparingen op mensen uitgevoerd, en wat belangrijk is in de maatschappij. We kunnen dat nog keren. Maar er is wel dringend actie nodig. Laten we de situatie eens van dichterbij bekijken.

De onderwijscrisis, de coronacrisis, de zorgcrisis, de armoedecrisis

Eerst barstte de onderwijscrisis los met leerlingen zonder leerkrachten los, zichtbaar voor iedereen. In de kinderopvang en de zorg- en welzijnssector werden de problemen op dat moment vooral nog ‘intern’ uitgesproken.

      Er was een wereldwijde pandemie voor nodig om te beseffen hoezeer zorg en welzijn basisfundamenten zijn van onze maatschappij. Leren, zorgen, genieten: doen mensen eigenlijk iets anders? Na de onderwijscrisis volgden die van de geprivatiseerde woonzorgcentra en de oververmoeide zorgverleners, de lacunes in armoedebestrijding en de gaten in ons sociaal vangnet, de oorlog in Oekraïne, de energie- en de inflatiecrisis en… de crèchecrisis.

      Tot voor kort was kinderopvang onzichtbaar. Politici hadden het over “genoeg goede kinderopvang”. Vooral het “genoeg” was belangrijk, het “goed” moest maar vanzelf spreken. Kwaliteit van kinderopvang, het belang ervan en wat de job inhield, werd veel minder besproken. Veel mensen dachten dat kinderbegeleiders babysitters waren.

      In 2014 trad een nieuw decreet (een wet in het Vlaams parlement) voor kinderopvang in werking. Dat decreet hertekende het landschap maar kreeg nauwelijks persaandacht. Ik schreef een jaar lang columns over jong ouderschap, verbaasde m over dat gebrek aan aandacht, las het decreet dan maar zelf en schreef er een stuk over op VRT NWS.

      Het decreet legt mooie normen op. Over pedagogie en de sociale functie van kinderopvang bevat het goede ideeën: kwaliteitsvolle opvang kan gezinnen vooruithelpen, mensen een omgeving bieden, de werk-, zorg- en denklading van ouders verlichten en gezinnen uit armoede houden. Maar als het gaat over hoevéél kinderen elke begeleider moet opvangen, lijkt het geschreven door iemand die met babypoppen speelde: die blijven immers stil, vragen niets, en doen hun ogen vanzelf dicht als je ze neerlegt. Het aantal baby’s per persoon ging van zes en een half à zeven naar een hoge acht à negen terwijl men in Engeland op dat moment moord en brand schreeuwde over een verhoging van drie naar vier. Op ‘rustmomenten’ mocht een kinderbegeleider voor veertien kinderen zorgen. Iedereen die ooit probeerde één baby liefdevol in slaap te krijgen, weet: dat is best moeilijk. De kinderopvang en ouders reageerden druk op die column.

      De kinderopvang had echt naar dit decreet uitgekeken. Men hoopte op leefbaardere normen maar kreeg het veel zwaarder, was daar erg door teleurgesteld en tegelijk opgelucht dat er eindelijk wat over geschreven werd in de populaire pers. Ouders deelden de column massaal. Ze toonden dat ze niet alleen wilden dat hun kinderen het goed hadden, maar ook de mensen die voor hen zorgen. Een paar jaar schrijven over eerste leeftijd en jong ouderschap bevestigde voor mij dat mensen wilden nadenken over zorg en welzijn, ook al werd er niet vaak over gepraat. De hele bevolking zorgt en heeft zorg nodig. En die zorg verloopt niet zo vanzelf als belangrijke mannen het decennialang dachten.

      In het parlement had Elke Van den Brandt, mijn voorgangster die nu Brussels minister is, bij het decreet wel de bezorgdheden aangekaart. Ze had lang voor het grote leed tijdens de coronacrisis belangrijke lacunes aangeduid in zorg en welzijn, bijvoorbeeld met een campagne rond ouderenzorg. Maar in het publieke debat kenden weinig mensen dit decreet. Zelfs na alle problemen weten velen niet dat het mee aan de oorsprong van de kinderopvangcrisis vandaag ligt.

      Zorg en welzijn zijn er voor iedereen; niet voor winst maar voor mensen. De politiek en onze maatschappij moeten die zorg organiseren en beschikbaar maken. Iedereen moet even goede toegang krijgen en het zich kunnen veroorloven, vooral wie het moeilijk heeft en geïsoleerd staat. Het moet goede zorg zijn, of mensen vermijden die. Het moet betaalbaar zijn, en betaalbaarder naarmate je minder inkomen hebt. Het moet goed georganiseerd zijn, zodat die pilaar stevig staat voor ons en de generaties na ons, en we onze maatschappij verstevigen. En wie in zorg en welzijn werkt, moet niet alleen leefbaar, fijn en warm werk kunnen bieden, maar het zelf ook hebben.

 


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Breydel - Lisa Demets

In Breydel brengt Lisa Demets de geschiedenis achter de succesvolle branding van de Brugse familie Breydel. Middeleeuwse kronieken vormen de rode draad in dit verhaal over de weg naar de macht van de beroemdste Brugse beenhouwersfamilie in de veertiende en vijftiende eeuw. Lees hier het eerste deel van de inleiding.

Lees meer »

Leesfragment: Over dit gevoel is nagedacht - Tyche Beyens

Over dit gevoel is nagedacht van Tyche Beyens is een queeste naar de liefde van vier eind-twintigers, die dat veelzijdige begrip stapsgewijs proberen te ontleden. Het is een liefdesverhaal over voelen in een eeuw waarin zo veel wordt nagedacht. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Beyens' debuut. 

Lees meer »

Leesfragment: NOU EN - Patrick Van Gompel

In NOU EN gaat Patrick Van Gompel onverdroten op zoek naar de ziel en het karakter van de Nederlanders. Hij baseert zich hiervoor op tientallen interviews met spraakmakende BN’ers en gewone noorderburen. Hij vult dit aan met een rijke voorraad aan liedjes, boeken, cabaret en media. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Van Gompels boek over het land van kaas en klompen.

Lees meer »

Leesfragment: We worden er niet jonger op - Michel Follet

We worden er niet jonger op is het vervolg van het in 2021 verschenen relaas Wanneer zien we u terug? over twee eigenzinnige negentigplussers in een woonzorgcentrum. Veel lezers herkenden zich in de petites histoires vol tragiek en humor. Nooit zwaarmoedig, wel realistisch en vaak onverbloemd. Lees hier het voorwoord van het nieuwste boek van Michel Follet.

Lees meer »