Leesfragment: De knetterende schedels - Roger Van de Velde

In De knetterende schedels beschrijft Roger Van de Velde zijn compagnons de misère in de instellingen waar hij werd geïnterneerd. We ontmoeten Daniël, die drie dagen aan een stuk lange sigaretten rookt omdat Prometheus het hem zo instrueert, Jules Leroy, die de kat doodt waar hij zoveel van houdt omdat ze zijn rosbief opeet, en markies de la Motte, die schuldbekentenissen voor miljarden franken uitschrijft. Zonder meer het hoogtepunt in zijn literaire oeuvre. Lees hier een fragment uit De knetterende schedels


De knetterende schedels
Roger Van de Velde

ISBN: 9789460018800
Prijs: €20,00


Wit was de kater

Zoals hij daar groot en dreigend, met uitpuilende oogballen en met bloed besmeurde handen, wijdbeens in de deuropening van het trappenhuis stond, deed hij mij denken aan de blinde, woedende Oedipus.

      Er viel een kille verstomming als een nat laken over de zaal en iedereen keek met ingehouden adem naar Jules Leroy, die het slappe kadaver van de kater als een gruwelijke trofee grijzend in de hoogte stak. Het was de witte kater Poesjkin, die ons allen dierbaar was. Zijn kop was tot moes verbrijzeld. De hersens kronkelden wit en  slijmerig uit de hersenpan, de zwarte muil was boven de haakse tanden tot een lange streep opengescheurd en verstard in een laatste schreeuw; een geklonterd oog hing als een knikker aan een blauwe pees, en het donkere bloed druppelde traag en kleverig voor de voeten van Jules op de tegelvloer. Het was een weerzinwekkende slachterij maar de pels was smetteloos blank gebleven.

      Met één forse zwaai had Jules Leroy de kop van de kater tegen de muur vermorzeld omdat het beest zijn lapje rosbief had gestolen en opgevreten. Het gebeurde op een zondag. Op zondagmiddag kregen wij steevast een dun lapje rosbief bij de aardappels. Van die rosbief maakte Jules telkens een kermis. Hij wikkelde het stukje vlees behoedzaam in krantenpapier, borg het weg onder zijn hemd en vrat zijn aardappels schrokkig op met een berg groenten. Later in de namiddag degusteerde hij het lapje rosbief met veel toewijding en smaak, alsof het een zeldzame delicatesse was. Zorgvuldig bestrooide hij het vlees met zout en soms kreeg hij, in ruil voor een appel of een halve reep chocolade, het zeer begeerde flesje worcestersaus te leen van Kerhofs. Die zondagnamiddag echter had Poesjkin met roekeloze overmoed het lapje rosbief geroofd uit de gamel onder het bed van Jules.

      Het verwonderde mij, méér dan het mij pijn deed, dat Jules Leroy de kater had gedood. Hij hield van het beest met een kinderlijke genegenheid. Vaak liep hij opzichtig rond met Poesjkin op zijn brede schouder, ‘s vrijdags vergaarde hij de visresten in een speciaal daartoe bestemd blikje, en eens had hij Grégoire onder de tafel geknokt omdat die vals naar het dier had geschopt. Het mocht een geluk heten dat hij die keer Grégoire niet met het hoofd tegen de muur had geslingerd. Ik wist dat hij bereid was op elk moment voor Poesjkin slag te leveren, maar ik kon niet vermoeden dat hij zóveel belang hechtte aan
dat lapje rosbief.

      Een volle minuut of misschien nog langer stond Jules roerloos en in een doodse stilte met het bloedende, verminkte kadaver in de deuropening van het trappenhuis.

      Toen naderde de bewaker, schoorvoetend en bedachtzaam, met het hoofd een beetje schuin.

      ‘Gooi dat beest achter het brandhout in de  tuin,’ zei hij bijna toonloos maar met grote beslistheid.

      De uitstulpende oogballen van Jules Leroy draaiden naar het schuine, ernstige en ook ietwat verdrietige gelaat van de bewaker. Er was meer verbazing dan schuldbesef in die ogen. Maar ook een donkere gloed van nazinderende woede. Hij deed weigerig een stap achteruit en het kadaver slingerde in zijn vooruitgestoken hand, zodat een bloedvlek op zijn schoen
spatte.

      ‘Gooi die kat in de tuin,’ herhaalde de bewaker. Zijn stem klonk rustig in haar beslistheid, maar hij zag zeer bleek.

      Jules kwam twee stappen naderbij. Evenals in zijn ogen lag er meer verwondering dan woede in zijn grijns. Maar hij verstevigde uitdagend en vastbesloten zijn greep om de staart van de dode kater.

      In de zaal werd het opnieuw rumoerig en op dat ogenblik riep Sneyers schril en nijdig: ‘Salaud.’ Dat had hij niet moeten doen.

      Een nieuwe vloedgolf van uitzinnige woede overrompelde de verwondering en Jules werd zo wild dat hij zijn zware, besmeurde hand niet meer kon bedwingen. Hij zwaaide het kadaver in een cirkel boven zijn hoofd, de kladden hersens en het donkere bloed spatten over de tafels en tegen de gekalkte muren. Zelfs de bewaker week verschrikt achteruit. Er bleef hem geen andere keuze dan alarm te slaan voor versterking.

      Vijf minuten later kwamen vier bewakers de zaal binnenstormen. Zij hadden hun witte, gesteven jassen uitgetrokken en één hield een dik, vormloos pak onder de arm, terwijl een ander zenuwachtig met een gummiknuppel voor zich uit kliefde. Het leek een voorhistorisch tafereel op een rotswand van Lascaux. Jules zwaaiend met het verbrijzelde karkas van Poesjkin en de bewaker zwaaiend met die knuppel. Tegen de overmacht had Jules Leroy geen kans, want zij vielen hem met vier tegelijk op het lijf. Hij verzette zich briesend, stampend en vloekend, en toen ze hem eindelijk bedwongen hadden, stond hij daar benepen in een dwangbuis, als een sidderende, snuivende stier in een veel te klein hok. Zijn linkeroog was purperblauw, zijn neus was gezwollen en er liep een dwarse scheur door zijn hemd, waaronder zijn behaarde borst als een blaasbalg hijgde. Eén der bewakers bloedde uit zijn onderlip en bette de wonde met een geruite zakdoek tussen twee voorzichtige vingers.

      Toen men Jules strompelend en weerloos in zijn dwangbuis wegleidde, riep Sneyers nog eens driftig: ‘Salaud.’ Maar Jules wendde het hoofd niet om. Er kwam moeizaam gerochel uit zijn keel, en in zijn ogen lag een vochtige glans, zoals men soms ziet bij drachtige koeien.

      In een hoek onder de centrale verwarming lag de dode kater uitgestrekt met vier mollige pootjes onder de smetteloos
witte vacht.


Bevroren water

Séraphin, die doofstom was en over wiens misdrijf ook door de anderen in alle talen werd gezwegen, schoof over het tafelblad een papiertje in mijn richting. Er stond op geschreven: ‘Is het waar dat het menselijk lichaam voor het grootste gedeelte bestaat uit water?’
      Het gebeurde herhaaldelijk dat Séraphin mij dergelijke briefjes toeschoof. Het was zijn enig middel van communicatie en soms vond hij in die correspondentie een intense vreugde. Daarbij beperkte hij zich niet tot het vragen van inlichtingen of confirmaties. Vaak waren het gewone, voor de hand liggende vaststellingen en bij gelegenheid was het ook weleens de formulering van een persoonlijke mening. Zoals bijvoorbeeld: ‘Tibet is het dak van de wereld.’ Of: ‘Het is een leugen dat Jozua de zon deed stilstaan.’
      Het was mij meer dan eens opgevallen, dat zijn vragen of mededelingen, die meestal betrekking hadden op iets dat hij in kranten of oude tijdschriften had gelezen, over het algemeen een beredeneerde, logische inslag hadden. Zelden gebeurde het dat hij een volslagen zinloze vraag stelde, waaraan geen touw viel vast te knopen. En altijd, ook wanneer het gewone mededelingen betrof, eiste hij een prompt antwoord in de vorm van een schriftelijke bevestiging, ontkenning of verklaring. Het was tussen zijn gesloten en mijn vereenzaamde wereld een onuitgesproken verbond, dat mij af en toe wel boeide; al maakte hij het mij soms bijzonder lastig. Zoals die keer toen hij vroeg: ‘Wat is het verschil tussen de muziek van Bach en Beethoven?’ Men kan een blinde met de vingers leren lezen, maar hoe, met welke tastende hulpmiddelen, moet men het subtiele wonder van een fuga laten openbloeien voor een doofstomme?
     

      Deze keer was het probleem minder ingewikkeld, al wist ik niet waar hij naartoe wilde. Ik schreef op de achterkant van het papiertje: ‘Het is inderdaad waar, dat het menselijk lichaam voor het grootste gedeelte  uit water bestaat. Ik weet het juiste percentage niet uit het hoofd, maar als je wilt kan ik het opzoeken. Het is trouwens wetenschappelijk bewezen dat alle leven oorspronkelijk uit de zee komt.’

      Zijn reactie was spontaan. Hij scheurde driftig een blad uit de vergeelde jaargang van de Soir Illustré, waarin hij had zitten lezen, krabbelde er haastig iets op, en gaf de boodschap door.
      Het was een ietwat gedemodeerde maar toch nog aantrekkelijke, gekleurde Foto van Dorothy Lamour in een suggestieve, gebloemde sarong. Onderaan had hij kernachtig en in vette letters geschreven: ‘En dit?’ Glimlachend plaatste ik mijn commentaar op hetzelfde blad: ‘Ook dit. En het lijkt mij heerlijk water. lk zou er godverdomme in willen zwemmen. Jij niet?’
      Ik schreef er opzettelijk ‘godverdomme’ bij, omdat ik uit ervaring wist, dat hij verslingerd was op aanschouwelijke krachttermen. Voor iemand die spreken noch horen kan, moet de plastische uitdrukking van een vloek ook wel een soort uitlaatklep betekenen.
      In tegenstelling met wat ik verwacht had, bleek hij niet opgetogen met het verhelderende antwoord. Hij zat een tijdlang somber naar de foto te kijken, verfrommelde het blad langzaam tot een prop in zijn vuist, en bladerde lusteloos verder in het tijdschrift. Voorlopig kwam er geen missive meer.

      Ik vroeg mij af wat Séraphin dwarszat in de chemische samenstelling van het menselijk lichaam. Toegegeven dat het vanuit esthetisch oogpunt een nogal bevreemdend feit is dat een aanlokkelijke figuur als Dorothy Lamour in haar beste jaren voor het overgrote deel bestaat uit een zo banale substantie als water. Maar was dit besef een reden om zich kwaad te maken?
      Ongetwijfeld moest er een andere, geassocieerde reden zijn voor zijn onvoldaanheid. Maar omdat Séraphin voor de rest van die avond geen schriftelijke of andere toenadering meer zocht, schonk ik er verder geen aandacht aan. Het gebeurde wel vaker dat hij zich plotseling, zonder voor de hand liggende oorzaak, hermetisch opsloot in de ontoegankelijke bunker van zijn doofstomheid. Hij had eens dagenlang wrevelig gekopt omdat ik op één van zijn vragen naar waarheid had geantwoord dat er bij mijn weten geen enkel betrouwbaar bewijs of voorbeeld bestaat van reïncarnatie na de dood.
      Twee dagen na de onverklaarbare recusatie van Dorothy Lamour, toen ik onhandig aan mijn defect draagbaar radiootje zat te frunniken, schoof Séraphin zonder aanleiding opnieuw een papiertje naar mij toe. Niet zonder enige onbehaaglijkheid las ik: ‘Geloof jij dat God bestaat?’
      Hij had mij dat zwaarwichtige probleem, waarop de mensheid zich al een zestal eeuwen blindstaart, vroeger reeds enkele malen voorgelegd, maar ik had steeds angstvallig vermeden kleur te bekennen, omdat ik het in zijn huiveringwekkende complexiteit een veel te gevaarlijk onderwerp achtte.
      Deze maal schreef ik nogal roekeloos en simplistisch: ‘Ik geloof wat ik weet en zie en begrijp. Van God weet en zie en begrijp ik niets.’
      Hij zat weer een tijdlang somber te staren op het nietszeggende antwoord. Dan kwam er een nieuwe vraag: ‘In de veronderstelling dat God bestaat, waarom heeft hij dan het water in mijn mond en in mijn oren bevroren?’
      Ik keek peinzend naar de gele en rode draden in het binnenwerk van mijn radiootje. Om geen antwoord te moeten geven stond ik langzaam op met een koud gevoel in mijn rug. In het voorbijgaan legde ik even mijn hand op zijn schouder.


Ontluisterde fetisj

Ik had lang geaarzeld alvorens het besluit te nemen mij door Evarist te laten scheren. Niet alleen omdat hij zo erbarmelijk slecht schoor dat het telkens een avontuur was zich aan zijn handen over te leveren, maar ook en vooral omdat ik wist dat hij mij een onverzoenlijke haat toedroeg. Hij was in staat mij met vreugde de keel open te snijden.
      Zulke dingen gebeuren in een asiel. Enkele jaren voordien had een woedende barbier met zijn scheermes een lelijke wonde toegebracht aan een plaagzieke klant en de bewaker had toen maar net op tijd kunnen ingrijpen om erger te voorkomen. Eigenlijk was het hoogst onverantwoord dat men een delicaat bedrijf als het scheren na zo’n ervaring nog durfde toevertrouwen aan een patiënt, maar Evarist stond aangeschreven als volkomen ongevaarlijk, al was ik daar niet zo zeker van.
      Ik had een verzoek kunnen richten tot de directie om ‘wegens persoonlijke redenen’ door iemand anders geschoren te worden. Maar dan had men mij ook nadere uitleg gevraagd over aard en gegrondheid van die persoonlijke redenen, en misschien overschatte ik zijn haatgevoelens met een kinderachtige vrees.
      Overigens kon ik ook niet aan de verleiding weerstaan hem op zijn temperament te testen met een kleine uitdaging. Het was een grof waagstuk om voor dit experiment een bloedende keel te riskeren, maar het gevaar en het kansspel hebben mij, vaak tot mijn schande, steeds aangelokt.
      Bovendien wilde ik voor mezelf bewijzen dat ik moedig was. Ook daar ben ik nog altijd niet zo zeker van. De haat van Evarist had iets te maken met seksueel refoulement en waarschijnlijk ook met gekwetste trots. Op een dag had hij mij glunderend een gekreukelde foto getoond van een abondant vrouwelijk naakt. Een professioneel ‘nu artistique’ uit één van de talloze Parijse revues die sinds jaar en dag afzet vinden bij pubers en grijsaards.
      Het was niet te ontkennen, dat het een appetijtelijke mokkel was met billen en borsten om in te bijten, en ik had dan ook mijn waardering uitgedrukt voor het esthetisch genot waarin hij mij zo gul liet delen. Maar in een ogenblik van onachtzaamheid had ik er, ietwat laatdunkend, aan toegevoegd dat dergelijke erotische afbeeldingen in serie verkocht worden in vrijwel alle boekhandels en kiosken. Die opmerking was
al een psychologische fout, want de discriminatie tot gecommercialiseerd gemeengoed verminderde in niet geringe mate de waarde van de fetisj die Evarist kennelijk zeer na aan het hart lag.
      Op welke vernuftige en clandestiene wijze de foto in zijn bezit was geraakt, heb ik nooit geweten. Hij had er ongetwijfeld een hoge prijs voor betaald, maar dat waren zijn zaken. Als hij het daarbij gelaten had, dan had hij voor de rest van zijn dagen spinnend van het opwindende schouwspel kunnen genieten en ik zou hem dat genoegen graag gegund hebben.
      Evarist beging echter op zijn beurt een fout. Zoals ‘le cocu magnifique’ wilde hij voor iedereen paraderen met zijn verovering. Hij liep, opzichtig als een bronstige pauw, met zijn foto te koop en etaleerde roekeloos de weelderige billen en borsten, overal waar hij er de kans toe zag. Zijn manie ontaardde in een soort getransponeerd exhibitionisme, als zoiets mogelijk is, en na verloop van enkele dagen werd hij op al zijn stappen gevolgd door een sliert kijklustigen, die in een onstelpbare vervoering nóg en nóg eens wilden, zoals de extatische adepten van de Maagd van Fatima.
      Dit kon uitgroeien tot een gevaarlijke psychose want seksuele spanningen worden door de exploitanten van een asiel gevreesd als een woekerende epidemie.
      Omdat ik wilde vermijden dat hij met zijn magnetische geliefde tegen de lamp zou lopen, nam ik Evarist onder de arm en trachtte hem diplomatisch aan het verstand te brengen dat enige omzichtigheid in zijn colportage geboden was als hij niet de aandacht wilde wekken van de bewakers, met het daaruit voortvloeiende catastrofale gevolg dat de bron van zijn eclatante vreugde zonder pardon in beslag zou worden genomen. Ik wilde hem een dienst bewijzen maar het onheil was reeds geschied. Dezelfde namiddag werd Evarist op het rapport geroepen en deskundig gefouilleerd; hem werd de schurftige huid volgescholden en hij werd beroofd van zijn foto, die sindsdien waarschijnlijk de slaapkamer van de hoofdbewaker siert. Hij kon van geluk spreken dat hij zijn vertrouwenspost van barbier mocht behouden.
      Alhoewel hij over geen enkel deugdelijk bewijs beschikte om zo’n ernstige verdenking te rechtvaardigen, was Evarist er stellig van overtuigd dat ik hem verklikt had, en hij liet mij dat duidelijk blijken. Toen hij, berooid en vernederd, uit het kantoortje kwam, stevende hij recht op mij af, spuwde mij voor de voeten, en riep zeer luid: ‘Mouchard!’
      ‘Mouchard!’ De meest weerzinwekkende scheldnaam die in het asiel gebruikelijk was voor de meest cretineuze individuen. Men kon, zonder al te veel minachting te wekken, ongestoord rondlopen met moorden, verkrachtingen en brandstichtingen op het geweten, maar een verklikker was in de ogen van die integere jongens, die het grootste gedeelte van hun tijd doorbrachten met elkaar konkelend en samenzwerend valstrikken te spannen, ontegensprekelijk het laagst gezonken creatuur, dat op geen enkele clementie aanspraak kon maken.
      Het was mijn vast voornemen Evarist met zijn belachelijk vermoeden links te laten liggen en het incident goedsmoeds te laten uitdoven. Maar ondertussen bleef mijn baard groeien, en ik was niet van plan vanwege een casus belli naar aanleiding van een jammerlijk verdwaalde blote juffer, te gaan rondlopen met een patriarchaal haargewas, en daar dan op de koop toe nog ongewettigde schuldgevoelens in te kweken.
      Toen ik mij, met de groezelige handdoek als een vod rond mijn hals, in de oude leunstoel zette, vertrok er geen spier op het gelaat van Evarist. In de spiegel zag ik hoe hij het lemmer met korte, driftige gebaren wette op de lederen riem en de zeep al even driftig tot schuim klopte in een roodlederen bakje. Ik liet mijn hoofd achteroverleunen op de beugel en sloot de ogen als een zwemmer onder water. Als hij kwade bedoelingen in het schild voerde zou ik het wel voelen. Ik kon in een reflex opspringen, en de bewaker stond vlakbij. Gedurende tien minuten bewerkte Evarist mijn gelaat zonder een porie van mijn huid te mishandelen. Het is waar, hij schoor erbarmelijk slecht met veel te strakke halen en abrupte onderbrekingen. Maar dat deed hij voordien ook, toen ik nog zijn vriend was. Hij verrichtte zijn werk naar beste vermogen en ik mocht niet beweren dat hij mij opzettelijk pijn deed. Mijn onbehaaglijkheid kreeg een andere inslag. Tien minuten lang voelde ik zijn handen bedrijvig onder mijn neus en om mijn mond glijden. Handen die tintelden van verlangen om een vrouwenlichaam te verkennen en in de intiemste verborgenheden te bepotelen; handen waarmee hij ongetwijfeld regelmatig masturbeerde. Het besef dat die handen, zachtjes ademend als weekdieren, hunkerden naar slijmerige vagina’s vervulde mij met meer afgrijzen dan de langzaam wegvloeiende angst dat hij met diezelfde handen het scheermes diep in mijn keel zou kunnen drijven. Ik klemde mijn lippen stevig op elkaar om vooral niet besmet te worden door een ziekte zonder naam, en tegelijkertijd steeg het bloed troebel naar mijn hoofd want kon ik, in alle rechtvaardigheid, beweren dat mijn handen niet hunkerden naar billen en borsten en vagina’s, al liep ik dan met dat kloppende verlangen niet te koop?
      Toen ik mijn ogen weer opende stond Evarist, met de rug naar mij toegekeerd, de vuile zeep weg te spoelen. Het viel mij voor de eerste maal op dat hij een smalle, enigszins gebogen rug had en plotseling voelde ik een mengsel van een vreemd verdriet. Spijt omdat hij zijn foto kwijt was, en schaamte omdat ik hem ten onrechte verdacht had van kwade bedoelingen.
      lk dankte hem zachtjes achter zijn gebogen rug en legde drie sigaretten op het zinken blad naast de spoelbak. Het was méér dan hem toekwam. Eén sigaret was het gebruikelijk tarief voor een scheerbeurt en eigenlijk was ik niet verplicht hem iets te geven, want hij werd voor zijn werk betaald.
      Terwijl ik mijn gelaat met de handdoek droogwreef, wendde Evarist zich om. Hij sprak geen woord, maar voor mijn droevige ogen brak hij de drie sigaretten één na één middendoor en wierp ze in de vuilnisemmer.
      Bevallige meisjes, die in Parijs en elders hun prijzenswaardige charmes voor een handvol geld verzilveren, hebben er geen flauw idee van tot welke grimmige haat hun billen en
borsten vereenzaamde mannen kunnen inspireren.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: De wiegjes van Lebensborn - Eric Bauwens

Heinrich Himmler, een voormalig kippenkweker, is ervan overtuigd dat je het mensenras even goed kunt veredelen als dieren- en plantensoorten. Hij wil niets minder dan een Nieuwe Mens scheppen. Hij spoort zijn SS’ers aan om zoveel mogelijk kinderen te verwekken bij speciaal daarvoor geselecteerde, ‘raszuivere’ Arische vrouwen. Daartoe richt hij Lebensborn op, een SS-netwerk van kraaminrichtingen en kinderdagverblijven. Wie daar geboren wordt, zal de nieuwe Duitse elite vormen. Eric Bauwens neemt u mee in de geschiedenis van seksualiteit, voortplanting en kinderroof in het Derde Rijk. Duik hier in De wiegjes van Lebensborn en lees de proloog.

Lees meer »

Leesfragment: Bot mes - Dieter Rogiers

België is gesplitst. Brussel blijft achter als een verstoten kind, ten prooi gevallen aan vrijbuiters en lijkenpikkers. In een spannend verhaal vol moreel ambigue personages en verrassende plotwendingen gidst de Brusselse auteur Dieter Rogiers de lezer door een surreële stad waarin afkeer en liefde keerzijden zijn van dezelfde medaille. Lees hier een fragment uit Bot mes.

Lees meer »

Leesfragment: Scheiding van goederen - Roger Van de Velde

Scheiding van goederen is de niet eerder gepubliceerde debuutroman van Roger Van de Velde, de meest bekende ‘onbekende schrijver’ van de Nederlandse letteren. Willem Elsschot spande zich uitermate in om die gepubliceerd te krijgen. Hij vond het verhaal ‘goed, zelfs zéér goed geschreven’. Lees hier een fragment uit Scheiding van goederen. 

Lees meer »

Leesfragment: Antwerp Empire Palace - Patrick Conrad

In 1989 wordt in Hotel Billard Palace het lijk van diamantair Salomo Silbermann gevonden. Tijdens de zoektocht naar de moordenaar duiken de vrienden Manu en Romain op, de speurder Bob Snijders, de nachtportier Ousmane Ndourna en nog meer kleurrijke protagonisten en figuranten als Tien-voor-Twee, den Beer, Belinda Brasil en Astridje van Frituur Astrid. Maar het merkwaardigst van al is de passage van filmdiva Bessie Rogers. Werd zij tien jaar eerder niet dood aangetroffen in Hotel Antwerp Empire Palace? Lees hier een fragment uit Antwerp Empire Palace.

Lees meer »