Leesfragment: Antwerp Empire Palace - Patrick Conrad

In 1989 wordt in Hotel Billard Palace het lijk van diamantair Salomo Silbermann gevonden. Wat is verbeelding, wat overtreft de werkelijkheid, en hoe zit het nu eigenlijk met Bessie Rogers? Lees hier een fragment uit Antwerp Empire Palace, de nieuwe roman noir van Patrick Conrad.


Antwerp Empire Palace
Patrick Conrad

ISBN:  9789464341720
Prijs: €24,50

Proloog

Op het gebied van archeologische vondsten was oktober 2021 een uitzonderlijk vruchtbare maand in Antwerpen. Zo moest onder meer de nieuwe aanleg van de Sint-Michielskaai meermaals onderbroken worden nadat er op de werf meer dan twintig goed bewaarde skeletten werden opgegraven. Sommige lagen op minder dan één meter onder de grond begraven. Volgens de stadshistorici dateren ze uit de twaalfde tot de negentiende eeuw, de periode waarin op dezelfde plaats de Sint-Michiels Norbertijner abdij met haar aanpalende kerkhof gevestigd was, waar de tweede echtgenote van Karel de Stoute Isabella van Bourbon toevallig verbleef toen ze in 1465 stierf. Dat haar skelet zou teruggevonden worden in de blootgelegde catacomben was helaas uitgesloten. Haar stoffelijke resten werden na haar dood meteen in een loden kist onder een bronzen praalgraf geborgen, omringd door 24 pleuranten die nu verspreid waren over verschillende musea in Antwerpen, Leuven en Warschau.

      Daarentegen hoopten de archeologen dat ze op de nooit teruggevonden resten van de Heilige Norbertus zouden vallen, die de abdij in 1124 aan de oevers van de Schelde stichtte. Echter zonder resultaat.

       In dezelfde maand moesten ook in de Seefhoek de funderingswerken van een ondergrondse parkeergarage in de Pionierstraat na de ontdekking van een nog beter bewaard skelet stilgelegd worden. Dezelfde enthousiaste archeologen bogen zich over de intrigerende vondst en stelden vast dat er tussen de ribben van de dode iets uitstak dat op verroeste brokstukken van een zwaard leek. Daarom concludeerden ze eerst misschien wat voorbarig dat het om een landbouwer ging die op zijn akker door struikrovers was vermoord, omdat de stad vroeger niet zover reikte.

Bij nader onderzoek bleek het skelet echter veel jonger dan de gebeenten die ze op de kaai onder de loep genomen hadden. Het lag er hoogstens sinds het einde van de jaren tachtig en had dus geen enkel historisch belang. En de spies die zijn borstkas doorboorde was geen middeleeuws zwaard maar een vulgair stuk betonijzer. De opsporingsdienst werd ingeschakeld: resten van een verpulverde leren jekker en politieschoenen met typische dikke gummizolen deden de onderzoekers opperen dat het misschien om een lang vermiste collega ging. Maar achteraf bleek ook dit een doodlopend spoor te zijn. Een DNA-test leverde evenmin iets op.

Tot vandaag blijft de identiteit van het gespiesde lijk van de Pionierstraat een van de vele onopgeloste mysteries waar het parket liefst zo weinig mogelijk ruchtbaarheid aan geeft. Wanneer de zaak soms nog in de wandelgangen van het justitiepaleis of bij de cel vermiste personen toevallig aan bod komt, spreken de onderzoekers met gedempte stemmen over ‘de onbekende soldaat van Borgerhout’.


Deel 1

1

 

‘Ik steek er mijn hand voor in ’t vuur, Manu, dat zij het was.’
      ‘Ik dacht dat ze al lang dood was?’
      ‘Dat is ook zo. En toch was zij het.’
      ‘Wanneer is je vriendin ook weer overleden?’
      ‘16 maart ’79. Tien jaar geleden.’
      ‘Moet wel een zware schok voor jou geweest zijn.’
      ‘Om maar te zwijgen over de paniek bij Paramount.’
      ‘Ik heb de tijd niet zien voorbijgaan.’
      ‘En vandaag is het?’
      ‘16 maart.’
      ‘Juist. Toeval zeker?’
      ‘Ben je opnieuw aan de drank, Romain?’
      ‘Ik moet jou toch niet vertellen dat ik al zes jaar op Spa en Cécémel leef.’
      ‘Je weet toch dat je volgens tv-psychiater Maarschalk van te veel Cécémel visioenen kan krijgen?’
      ‘Die Maarschalk is een charlatan met aandelen bij Nesquik.’

Romain peutert een sigaret uit zijn pakje Tigra en steekt die aan met zijn zilveren Zippo waarop aan de ene zijde For Romain en aan de andere with love, in gekrulde hoofdletters gegraveerd staat.
      ‘Nee, jongens,’ vervolgt hij, ‘ik vergis me niet. Ze keek me aan met haar priemende, paarse Liz Taylorogen. Niemand kent de doordringende blik van Bessie Rogers beter dan ik. Niemand. En toen ze mij daar in de regen tussen de mensen zag staan – ik had net iemand vuur gegeven – heeft ze haar tong naar me uitgestoken en heeft ze zich als een rat uit de voeten gemaakt. Die tong, die ken ik ook. Vraag me niet waarom, maar ze heeft mij herkend. Zoveel is zeker. Ik kon van haar lippen lezen dat ze mijn naam uitsprak.’
      ‘Ik begrijp er niets van.’
      ‘Ik ook niet, Manu.’

Het gesprek vindt plaats op de hoek van het Astridplein en de Gemeentestraat, aan de toog van het volkse danscafé Jozef, waar ’s zondags al dan niet vrolijke Beerschotsupporters de wedstrijd van de week in hun lokaal komen becommentariëren. Het is kwart voor twaalf, de lucht ruikt naar sigarettenpeuken en late verhalen, over de dansvloer walsen nog twee vrouwen met Lucille Ballkapsel waggelend op Een man mag niet huilen van Jacques Herb, ijskoude regenvlagen zwiepen tegen de ramen en buiten lijken de plassen die op de versleten voetpaden voor de bioscopen de neonreclames weerspiegelen op aan- en uitfloepende, fluorescerende bloembedden. In Ciné Astrid spelen ze Manhunt, Search for the Night Stalker, een thriller met Richard Jordan en Julie Carmen en daarnaast, in de Savoy, staat de horrorfilm Witchtrap, The Presence met James Quinn en Judy Tatum op het programma. Niet het soort films waar Romain zijn geld zou aan uitgeven, hij die eerder van artistieke romances houdt, het genre waarin Bessie Rogers niet te evenaren was. Onvergetelijk was zij in Next Time, Same Place, The Way We Loved, The Kiss of the Gladiator, Heartbreak Woman en vooral Love Gondola, films waarvan Romain alle dialogen en songs uit het hoofd kent.

      Manu, de barman van Café Jozef, kijkt door de druppels heen die van het raam glijden hoe Romain buiten de kraag van zijn regenjas optrekt, even aarzelt alsof hij niet weet welke kant hij uit moet en dan voorovergebogen door de regen lopend rechts uit beeld verdwijnt.
      Op hetzelfde moment floept in de Van Wezenbekestraat de verlichting van de reusachtige Sun Wahreclame op de zijmuur van de Chinese supermarkt uit. Het is middernacht.
      ‘Hij gaat achteruit,’ zegt Manu tegen de laatste habitués die nog voor halflege glazen aan de toog zitten.
      ‘Hij is ook sterk vermagerd. Alsof hij van binnenuit door zijn verdriet uitgehold wordt.’
      ‘Zoals de bomen van de Groenplaats door die parasieten. Hoe heten ze ook weer?’
      ‘De socialisten.’
      ‘Het geluk is gisteren noch morgen te zoeken. Het geluk, dat is vandaag. Kijk naar mij.’
      De man die tot nog toe gezwegen had en deze wijze woorden uitspreekt, is een indroevige, grauwe Chinees die zijn leven lang in de Lung Wah als kok werkte tot zijn linkerlong vorige zomer dichtklapte en die nu als amateur bookmaker aan de kost komt.
      ‘En Romain, die leeft in zijn dromen.’
      ‘Het is niet de eerste keer dat hij Bessie Rogers op straat meent te zien.’
      ‘Nee, maar deze keer leek het wel gemeend.’
      ‘Misschien heeft dokter Maarschalk geen ongelijk met zijn Cécémeltheorie?’
      ‘Ach, Manu, geloof mij, waar je echt visioenen van krijgt is van te lang zonder lief zitten.’
      ‘Van sommige Belgische pickles ook,’ zegt Manu.
Terwijl de laatste bezoekers de cinema’s verlaten, doven een voor een de spots die het kartonnen geweld en de gigantische kussende filmsterren op hun gevels verlichtten. In de vochtige nacht lijkt het Centraal Station met haar glimmende koepel op een aangespoelde brok grauwe melancholie. De menigte die zich ondanks de regen rond halfelf voor de ingang van de Billard Palace had vergaard toen in de buurt het gerucht de ronde deed dat er in een van de kamers van het hotel een lijk zou zijn gevonden, heeft zich inmiddels teruggetrokken. De snackbars laten ratelend hun ijzeren luiken neer. De muziek wordt in sommige cafés zachter gedraaid en op het Astridplein wordt het stil. Het is alsof de wereld al slaapt. Alsof er niets aan de hand was.
      Voor hij links van het Billard Palace Hotel het onopvallende, smalle gebouw binnenstapt waarin hij sinds januari 1980 op de tweede verdieping een gemeubileer  appartementje huurt van het OCMW, draait Romain zich een laatste maal om, om zich ervan te vergewissen dat Bessie niet op haar stappen teruggekeerd is of hem gevolgd heeft. Maar op een dronken student na die zijn roes tegen een geparkeerde wagen uitslaapt en een doorweekte agent die voor de ingang van het hotel ijsberend de wacht houdt, valt er geen levende ziel meer te bespeuren. Faits divers laten weinig of geen sporen achter en worden meestal gauw vergeten, denkt Romain, terwijl hij de deur achter zich dichtklikt en het licht in de gang aansteekt. Al wijst voor hem alles erop dat het drama dat zich vanavond in de Billard Palace heeft afgespeeld meer dan een gewoon fait divers is.

2


Het bericht van een mogelijke doodslag in een kamer van het Billard Palace Hotel kwam om kwart over tien
tegelijk op het commissariaat van de vijfde en de zesde wijk binnen zodat er zowel vanuit de Klappeistraat als vanuit de Florisstraat politiewagens met loeiende sirenes naar het Astridplein vertrokken. De reflectie van de talrijke blauwe zwaailichten op de natte ruiten trok de aandacht van Romain. Nachtelijke politie-invallen waren in deze uitgaansbuurt – vooral sinds de verloedering van het plein en de nieuwe openingsuren van De Lachende Koe in de Statiestraat – schering en inslag. Maar zelden met zoveel wagens tegelijk.

      Romain, die bezig was oude foto’s en krantenknipsels chronologisch in schoendozen te ordenen, staakte zijn werk, keek door het raam naar buiten en zag hoe speurders in burger en politieagenten in uniform het Billard Palace binnenstormden. Toen ook nog twee rijkswachtcombi’s en een ambulance van het Stuivenbergziekenhuis op het voetpad stilhielden, besloot hij om beneden bij de groeiende groep nieuwsgierigen, die van overal opdoemden en achter rood-wit gestreepte linten onder hun paraplu’s op afstand gehouden werden, te informeren wat er aan de hand was. Zoals hij Manu had uitgelegd, was het vooral de datum die hem opviel. 16 maart was ook de dag waarop hij Bessie tien jaar geleden als het ware aan de wereld had teruggeschonken en zij opnieuw Bessie Rogers werd – een schim op een scherm – en zijn leven als in de duisternis van een afgrond in de twijfel en de uitzichtloosheid wankelde. Het hele gedoe daar beneden wekte bij hem dan ook een gevoel van déjà vu op dat hij voorlopig weigerde te verklaren.

      ‘Voor zover ik weet gaat het om een banale echtelijke ruzie die uit de hand gelopen zou zijn,’ antwoordde de conciërge van het hotel aan wie Romain vroeg wat er gebeurd was.
      ‘Een vrouw?’
      ‘Meneer bedoelt het slachtoffer?’
      ‘Ja.’
      ‘Ik denk eerder een man.’
      ‘Dan is het zelfverdediging,’ becommentarieerde een vrouw die letterlijk uit haar NMBS-uniform barstte.
      ‘In hotelkamers kan het vrij vlug ontsporen,’ antwoordde de man naast haar. ‘Ik spreek uit ervaring.’
      ‘De liefde is een virus waar je nooit van geneest,’ hoorde Romain de travestiet fluisteren die op zijn versleten hoge hakken in een walm Sultan Essancy White Patchouli als een paradijsvogel naast hem was neergestreken.
      ‘Heb je toevallig een sigaretje voor mij, Milord?’
      Romain wees naar de vrouw met de gestreepte tijgerhuid op zijn pakje Tigra en zei: ‘Wist u dat zij ook op 16 maart vermoord werd?’
      ‘Nee.’
      ‘In haar villa in Brasschaat.’
      ‘How fucking glamourous! Mag ik misschien ook een vuurtje?’
      Romain stak de sigaret van het geparfumeerde, buitenaardse wezen met zijn Zippo aan, keek als naar de schoonheid van de nacht naar zijn lange valse wimpers, zijn zware, nachtblauwe oogleden en de zwarte baardstoppels die in de gloed van de trillende vlam door de uitgelopen schmink heen begonnen te priemen. Hij was geen onbekende in de buurt, maar Romain had hem nooit van zo dichtbij benaderd.

      Toen vervaagden, alsof hij door een plotse doofheid getroffen werd, alle klanken rond het Centraal Station.

      Daar stond ze, op geen vijf meter van hem, onbeweeglijk in een aan en uit flitsende blauwe halo, als een nat spook in de nacht. Ze droeg een glimmende, nauwsluitende, zwarte plastic regenjas en keek dwars door hem heen. Bessie. Bessie Rogers, vroeger en volledig ten onrechte ook wel eens de nieuwe Rita Hayworth genoemd. Bessie Rogers was zichzelf en kon met geen ander vergeleken worden.
      Romain sloot even de ogen, opende ze weer en wreef ze dan uit om zeker te zijn dan hij niet opnieuw in een van zijn verliefde dromen beland was.
      Ze was nauwelijks verouderd, alsof de tijd sinds het drama van de Antwerp Empire Palace op 16 maart ’79 besloten had een pauze in te lassen of gewoon op filmsterren geen vat had. Al kleefden haar lokken in deze maartse bui onder haar doorzichtig plastic kapje aan haar voorhoofd, Bessie had nog altijd die kastanjebruine haarkleur die vanaf de Paramountmusical The Way We Loved haar handelsmerk was geworden. Zeggen dat ze nog even mooi als vroeger was zou op zijn minst triviaal geklonken hebben. Schoonheid was een te zwakke term wanneer het over Bessie ging. Men spreekt ook niet over de schoonheid van de zon. Zij oversteeg de schoonheid, Romain sprak liever over haar aura, haar betovering of haar uitstraling, wat gepaster was wanneer men een raadsel of een ongenaakbare ster aan het firmament probeerde te beschrijven.

      ‘Vermijd de spiegels,’ zei hij haar nog de dag voor haar overlijden, ‘je bent mooier dan je spiegelbeeld.’
      Romain, die nog altijd niet de minste klank om zich heen waarnam, keek naar haar roodgeverfde lippen en had de indruk dat zij, net voor ze de punt van haar tong uitstak, zijn naam als in een vertraagde film uitsprak. Omdat het voetpad voor de ingang van het hotel voor het publiek afgesloten was moest hij om de ambulance heen lopen om tot bij haar te geraken. Maar toen hij de andere kant bereikte, bleek ze verdwenen te zijn. Op de plaats waar ze nog geen minuut eerder naar hem had staan staren en zijn naam had gefluisterd, lag nu een platgetrapt doosje lucifers in een troebele plas te drijven.
      De omstanders aan wie hij vroeg waar de slanke vrouw in zwarte regenjas gebleven was, antwoordden geërgerd dat ze alleen oog hadden voor wat zich in het hotel afspeelde. Behalve zijn bovenbuur die zijn pyjama nog onder zijn winterjas droeg en beweerde haar in de richting van ‘de Chinezen’ te hebben zien rennen.

Romain besloot om de buurt af te lopen, beginnend met Chinatown en de straten rond het Koningspleintje, maar moest zich algauw neerleggen bij de vaststelling dat het onbegonnen werk was en dat hij haar, in de veronderstelling dat ze geen waanbeeld was geweest en daar inderdaad als een onbegrijpelijke, sublieme verrassing tussen de mensen stond, vanavond onmogelijk zou terugvinden. Voor haar was het niet moeilijk om zich te verstoppen in de achterkeuken van een Chinees restaurant of een van de tientallen duistere bars, peepshows, dancings, striptenten en speelholen die tot laat in de nacht open bleven. Morgen zou het waarschijnlijk ophouden met regenen en zou hij rustig verder kunnen zoeken en, eens bedaard, logischer kunnen redeneren en met een klare kop zijn kennissen uit de buurt kunnen ondervragen.

Van slapen zou er vannacht niet veel meer komen. Het was alsof Romain in een andere dimensie beland was, in de schaduwzone tussen droom en realiteit waar nog meer dan in het werkelijke leven al wat schijn is echt lijkt en niets is wat het is. Daarom stapte hij voor hij huiswaarts keerde opnieuw zijn stamkroeg binnen waar hij, zoals dagelijks, in de vooravond al voor het happy hour was langsgeweest.
      Hier zou hij ongetwijfeld nog een of andere halfwakkere nachtvlinder tegen het lijf lopen bij wie hij zijn hart kon uitstorten en die naar zijn verbijsterend verhaal zou willen luisteren. Of die zou doen alsof.

      De habitués van Café Jozef waren de sterke verhalen van Romain gewend, vooral wanneer hij in een nostalgische bui over Bessie begon. Maar het relaas van wat hem pas overkomen was, klonk weer zo ongeloofwaardig dat de barman Manu en de paar stamgasten die nog aan de toog hingen er eerder uit medeleven dan uit belangstelling, gemoedelijk knikkend mee instemden.

      ‘Ik begrijp er niets van,’ zegt Manu iets voor middernacht om het gesprek af te sluiten.
      ‘Ik ook niet, Manu,’ antwoordt Romain met een zucht en hij stapt verdwaasd naar buiten, nietsvermoedend van wat hem nog te wachten staat. ‘Waarom is zij in hemelsnaam gevlucht toen ze mij zag,’ vraagt hij zich hardop af. Hij trekt zijn kraag omhoog, draait rechtsaf en loopt gebukt door de regen naar huis, zichzelf niet eens de vraag stellend wat een vrouw die tien jaar voordien overleden was, plots op het Astridplein kwam uitspoken.


Meer leesfragmenten

Leesfragment: Breydel - Lisa Demets

In Breydel brengt Lisa Demets de geschiedenis achter de succesvolle branding van de Brugse familie Breydel. Middeleeuwse kronieken vormen de rode draad in dit verhaal over de weg naar de macht van de beroemdste Brugse beenhouwersfamilie in de veertiende en vijftiende eeuw. Lees hier het eerste deel van de inleiding.

Lees meer »

Leesfragment: Over dit gevoel is nagedacht - Tyche Beyens

Over dit gevoel is nagedacht van Tyche Beyens is een queeste naar de liefde van vier eind-twintigers, die dat veelzijdige begrip stapsgewijs proberen te ontleden. Het is een liefdesverhaal over voelen in een eeuw waarin zo veel wordt nagedacht. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Beyens' debuut. 

Lees meer »

Leesfragment: NOU EN - Patrick Van Gompel

In NOU EN gaat Patrick Van Gompel onverdroten op zoek naar de ziel en het karakter van de Nederlanders. Hij baseert zich hiervoor op tientallen interviews met spraakmakende BN’ers en gewone noorderburen. Hij vult dit aan met een rijke voorraad aan liedjes, boeken, cabaret en media. Lees hier het eerste hoofdstuk uit Van Gompels boek over het land van kaas en klompen.

Lees meer »

Leesfragment: We worden er niet jonger op - Michel Follet

We worden er niet jonger op is het vervolg van het in 2021 verschenen relaas Wanneer zien we u terug? over twee eigenzinnige negentigplussers in een woonzorgcentrum. Veel lezers herkenden zich in de petites histoires vol tragiek en humor. Nooit zwaarmoedig, wel realistisch en vaak onverbloemd. Lees hier het voorwoord van het nieuwste boek van Michel Follet.

Lees meer »