Leesfragment: Witte oren - Louis van Dievel

Begin oktober verscheen Witte oren, een vintage Van Dievel: een smeuïg en caleidoscopisch dorpsportret vol gekonkel, waar enkelingen – op eigen risico – naar de ware toedracht zoeken. Lees hier de proloog en het eerste hoofdstuk.

Witte Oren
Louis van Dievel

ISBN: 9789464340600
Prijs: €22,50


Proloog

Zondagmorgen bij de bakker

 

Een goeiemorgen iedereen. Wie was de laatste?
      Gij, Trees? Dan ben ik nu de laatste.
      Ja, ik ben er vroeg bij, dat zijt ge niet gewend van mij, hé? Ik ben niet alle dagen zat, hé.
      Fernand Van Hamel was goedgezind wakker geworden en hij was zinnens om zijn humeur door niets of niemand te laten bederven.
      Laat ge mij effe passeren, Mieleke?
      Nee, ik wil niet voorkruipen, ik wil een gazetje nemen.
      Ge moogt er mij ook een geven natuurlijk, ge staat er het dichtste bij.
      Merci, Mieleke.
      Fernand keek van de een naar de ander.
      Amai, dat is hier stil. Is er iemand gestorven of zo?
      Ja, Denis, ik kan niet zwijgen, ik weet het.
      Wat zegt ge, dat het een ziekte is? Het zou kunnen, maar dan zijn er nog mensen ziek in Kerkevoort.
      Wie het schoentje past, trekke het aan, Denis. Ge ziet, ik ken ook mijn klassiekers.
      Fernand keek naar het zweet in de nek van Trees die voor hem stond.
      Warm, hé. We krijgen weer een hittegolf, let op mijn woorden. Juist gelijk verleden jaar.
      Kunt ge wat opschuiven, Mieleke, de mensen kunnen niet binnen.
      Ja, ik ben de laatste, Germaine. Allez, ik wás de laatste, nu zijt gij het.
      Veel volk zeg, meer dan op andere zondagen. Zou de bakker van Oosterwijk met congé zijn?
      Ik kom daar eigenlijk nooit, wat heb ik in Oosterwijk te zoeken?
      Zijn pistolets zijn anders niet slecht, heb ik van horen zeggen.
      Te hard? Als gij het zegt.
      We hebben chance, het gaat goed vooruit.
      Als iedereen weet wat hij wil…
      Verleden zondag stond ik achter Madeleine Ceulemans. Ze kon niet kiezen tussen een taart met crème au beurre of een
met crème fraiche. Een kwartier heeft dat geduurd. Allez, vijf minuten toch. Dat is lang als ge moet wachten.
      Alles wel thuis, Trees? Ik heb uw Kevin gezien bij de doktoor. Heeft hij weer last van astma?
      Dat komt door de hitte, mijn gedacht.
      Op straat passeerde met luid gekwetter een peloton wielertoeristen.
      Hey, Dré, ge hebt zulke kleine oogjes, op stap geweest? Of zijt ge nog onderweg naar huis?
      Het was maar om te lachen.
      Nu heb ik nog geen letter in de gazet kunnen lezen.
      Westerlo thuis verloren, begot.
      Zijt ge gaan kijken, Dré?
      En, goeie match?
      Ze zijn aan een goed seizoen bezig.
      Als ge bedenkt dat ze twee jaar geleden bijna naar derde waren gezakt. En zie nu.
      Ik had het eigenlijk niet verwacht, met de Turken die nu baas zijn.
      Ge vraagt u toch af wat die hier komen zoeken.
      Straks moeten wij allemaal Turks spreken.
      Kijk, Lommel heeft ook verloren. Ze zijn mekaar waard in tweede klasse, zo te zien. Of 1B, gelijk dat nu genoemd wordt.
      Zijt gij gaan kijken, Denis?
      Voetbal is niks voor u, ik dacht het wel. Daarbij, ge hebt thuis uw handen vol, nietwaar?
      De wachtrij stond intussen tot buiten.
      Nee, het is nog niet aan mij, Arlette. Het is aan Trees, denk ik. Mieleke is nog voor mij en die meneer daar ook.
      Och, gij zijt het, Louis. Ik had uw achterkant niet herkend.
      Nee, er is niets mis met uw achterkant.

 

Is er nog nieuws?
      Waarover? Allez, hang nu niet de onnozele uit, Louis. Ge weet goed genoeg waar ik over spreek.
      Uw zuster is gisteren nog bij haar langs geweest, ik heb haar zien binnengaan.
      Ja, wie rijdt er anders in zo’n autootje van het Wit-Gele Kruis.
      Nee, ik sta niet op de uitkijk. Ik toch niet.
      Wat ik daarmee wil zeggen?
      Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig, Louis.
      Maar weet ge iets of weet ge niets?
      Nu is het aan mij, Arlette. Twee tijgerkes, twee sandwiches en twee koffiekoeken, alstublieft. Met rozijnen is goed.
      En een volkoren, een lang.
      Ja, gesneden.
      Wat zegt ge, Louis?
      Witte oren? Oei. Dat is wel serieus. Dan is het hopelijk bijna gedaan met haar.
      Ik roep niet, Louis.
      Nee, ik roep echt niet. Ik verhef mijn stem, dat is iets anders.
      En daarbij, iedereen hier mag dat toch weten? Iedereen wil dat toch weten?
      Lucienne heeft al witte oren, mensen!
      Verstaat ge dat niet, Denis? Ge zijt nochtans van hier. Als iemand witte oren heeft gaat hij het niet lang meer trekken. In dit geval is het een zij.
      Allez, dat is nu eens goed nieuws.
      Nog een goeie zondag samen.
      En de groeten aan uw zuster, Louis.


1

Lucienne kan niet meer zwijgen

Louis Van Geel probeerde met één vrije hand op zijn fiets te klimmen. In de andere hield hij de zak met sandwiches die hij net bij de bakker had gekocht. Moeizaam zwaaide hij zijn rechterbeen over het zadel. Zijn gezicht vertrok even van de pijn. Smerige artrose. De zak raakte onzacht de metalen handgreep van de rem en scheurde. Een sandwich kwam al door het gat piepen. Louis vloekte luidop.
      Zal ik binnen een plastieken zak voor u vragen?, vroeg Denis S’Jegers, die met een stevige tas van de Carrefour naar buiten was gekomen en naar het gesukkel van Louis stond te kijken.
      Nee, merci, het zal wel lukken.
      Moet ik u in gang duwen?
      Fernand Van Hamel was ook naar buiten gekomen.
      De bemoeial, dacht Louis, de godverdomse bemoeial.
      Hij duwde zijn fiets met zijn rechtervoet in gang. Wankel en zigzaggend reed hij een eindje over het voetpad. Net toen hij vaart kreeg sprong het verkeerslicht op de hoek op rood. Foert, zei hij in zichzelf en reed door. 
      De chauffeur van de Mercedes die in de Abdijstraat ongeduldig had staan wachten, drukte op dat moment het gaspedaal in. Het had erger kunnen aflopen. Louis zag de auto op zich afkomen en gooide nog snel zijn zak met broodjes weg om met twee handen te kunnen remmen. Te laat. De sandwiches vlogen in het rond. Hij verloor zijn evenwicht en viel op de snuit van de Mercedes, die nog net een noodstop kon maken. Het stonk plots intens naar verbrand rubber.
      De chauffeur, een veertiger met een zonnebankkleur, sprong uit zijn auto en boog zich tierend van woede over Van Geel, die op zijn rug op de gedeukte en bekraste capot lag. Louis voelde speeksel in zijn gezicht spatten. Hij kokhalsde.
      Kalm aan hé, makker!
      Iemand trok de chauffeur weg van Louis. Het was Dré Meuris, die aan het kerkhof woont.
      Ge kunt dat ook op een beschaafde manier regelen.
      De chauffeur rukte zich los, duwde Dré van zich af.
      Blijf van mijn lijf, loser.
      Kan er iemand de politie bellen? vroeg Dré aan de omstanders, ik heb mijn gsm niet bij. Zeg dat het een geval van verkeersagressie is.
      De halve bakkerij was inmiddels naar buiten gelopen.
      Dat is voor niks nodig! riep de chauffeur ineens op een heel andere toon. Als meneer hier niets mankeert, zou ik liever doorrijden. Ik heb een dringende afspraak.
      Dré Meuris had de chauffeur bij de kraag van zijn polo vastgepakt.
      Ge zijt bang dat we de politie erbij halen, is het niet, makker?
      Ik laat de politie er liever buiten, dat is beter voor iedereen, ja toch?
      De chauffeur keek ongerust om zich heen. Was er al iemand aan het bellen?
      Wat denkt gij, Louis? richtte Dré zich tot betrokkene, die nu op zijn gat op het asfalt zat en mistroostig naar de sandwiches in de goot keek.
      Louis haalde zijn schouders op.
      Ge kunt misschien de schade vergoeden, sprak Dré tot de chauffeur.
      Het zal wel zijn, spartelde de chauffeur tegen, hij is wel door het rood licht gereden. Als er iemand schade heeft, ben ik het.
      Hij ging met zijn hand over de krassen en de deuk.
      Waarom bibbert gij zo? vroeg Denis die bij hem was gaan staan – om hem het vluchten te beletten, zei hij later. Zit gij aan de drugs of wat?
      De chauffeur kon inderdaad zijn handen niet stilhouden. Zijn rechteroog knipperde onophoudelijk. Haastig haalde de man zijn portefeuille boven.
      Is twintig euro genoeg, meneer?
      Zijn toon was opvallend onderdanig geworden.
      Maak er vijftig van en bol het af, makker, zei Dré stoer, voor we van gedacht veranderen.
      Een dikke minuut later was de Mercedes in de richting van Morkhoven verdwenen. Iemand raapte de sandwiches op.
      Ik zou die toch maar niet meer opeten.
      Mijn schapen lusten dat wel. Als het goed is voor Louis, natuurlijk.
      Louis inspecteerde zijn fiets. Alleen de ketting lag eraf.
      Gaat het, Louis?
      Zullen we u naar huis voeren?
      Wilt ge eerst terug naar de bakker? Ze zullen u zeker voor laten gaan.

 

Louis Van Geel kwam vijftig euro rijker maar zonder sandwiches thuis. Er was nog brood in huis, pas vrijdag gekocht, dat was nog goed te eten. Hij zou maandagmorgen wel een zak sandwiches in de Carrefour kopen. Zijn vrouw had bijna geen tanden meer, het was voor haar dat hij ze kocht. Parodontitis, heette de aandoening. Het was een gevolg van haar leukemie, had de dokter gezegd. De ene miserie boven op de andere. Zijn vrouw zat in de veranda, weggedoken in haar rieten stoel. Het was nog maar halftien maar het was al zeker dertig graden binnen.
      Hoe houdt ge het uit, Mia, zei hij.
      De warmte doet deugd, dat weet ge toch.
      Noemt gij dat warmte? Het is hier precies een oven.
      Al een week lang steeg de temperatuur iedere dag boven de dertig graden. Louis verschanste zich na zijn werk in de kelder, waar hij de tijd zoek maakte met het timmeren van vogelhuisjes en het lezen van oude reclamebladen. Hij verdroeg de hitte niet, hij werd er misselijk van.
      Wilt ge een boterham, Mia? Er waren geen sandwiches meer.
      Zijn vrouw hoefde niet te weten wat er gebeurd was.
      Och gij!
      Haar stem klonk ongelovig.
      Louis smeerde vier boterhammen met speculaaspasta, drie voor hem en een voor haar.
      Wilt ge een glas melk?
      Mia antwoordde niet. Ze sliep, zag hij toen hij de boterham en de melk kwam brengen. Ze zag er bleek uit, lijkbleek. Hij was bang voor dat woord. Ze hadden volgende week een afspraak in het ziekenhuis, voor de op een na laatste bestraling. Veel helpen deed het niet. Ook de chemo had geen verbetering gebracht. Voor stamceltransplantatie was Mia te oud, had de specialist gezegd. Het zou niet meer helpen.
      Hij zuchtte, zuchtte diep. Liep terug naar de keuken mét de boterham en het glas. Het was veel te warm in de veranda, de melk zou gaan kabbelen en de speculaaspasta smelten.
      In de keuken sloeg hij met zijn vuist op het houten blad van het aanrecht, bleef voorovergebogen staan.

 

Lucienne Stassen kan niet meer zwijgen, had zijn zuster Ria gezegd. Dat was intussen drie weken geleden.
      Van het moment dat ik bij haar binnenkom tot als ik de deur achter mij dicht trek ratelt ze maar door. Over iedereen in het dorp. Over alles wat iedereen ooit eens heeft miskuist.
      Wat vertelt ze dan allemaal? had hij gevraagd. Hij had nog geen benul, toen.
      Allez, Louis, had zijn zuster verontwaardigd geantwoord, dat mag ik toch niet voortvertellen, dat is mijn beroepsgeheim.
      Maar ge zit er wel mee, had hij gezegd.
      Ha, ge weet het! Had Ria bijna geroepen.
      De zuster van Louis was verpleegster bij het Wit-Gele Kruis, ze ging iedere dag langs bij Lucienne. Om haar morfine toe te dienen, om haar doorligplekken in te smeren. Lucienne had overal kanker. Het was een kwestie van weken, had de dokter gezegd.
      Ik moet dat allemaal niet weten, Lucienne, heb ik haar gezegd, vertel het tegen de pastoor als ge de mensen per se zwart wilt maken.

 

Een week vroeger had zijn zuster nog lacherig gedaan over Lucienne.
      Ze waren op zondag vlaai gaan eten bij Ria en zijn schoonbroer, de Fik. De Fik kwam uit de Vlaanders, hij zat op zijn geld. De vlaaien mochten niks kosten. Zo smaakten ze ook.
      Moet ge nu weten, Louis. Ge kent Lucienne Stassen toch? Die daar over de frituur woont?
      Wie kende Lucienne niet. Het oude wijf dat altijd alles in het oog hield in het dorp.
      Wel, Lucienne kan opnieuw spreken.
      Was die dan stom of wat?
      Weet gij dat niet?
      Ik kom niet onder de mensen zoals gij.
      Sinds zijn vrouw Mia zwaar ziek was, ging Louis nergens nog naartoe, al meer dan een jaar niet meer. Zelfs niet naar de thuismatchen van Kerkevoort Vooruit, waar hij in het bestuur zat.

      Volgens haar dochter Colette had ze geen woord meer gezegd sinds haar vent gestorven is.
      En weet ge wat het eerste was dat ze tegen mij zei?
      Gij gaat het mij vertellen.
      Uw vader was een slechte mens, zei ze, hij heeft uw moeke veel verdriet aangedaan. En hij ging nooit naar de kerk!
      Ons vader was geen heilige, dat is waar, moest Louis toegegeven.
      Gommaar Van Geel had het nooit nauw genomen met de echtelijke trouw. Maar de mens was al tien jaar dood. Het was nergens voor nodig om oude koeien uit de gracht te halen.
      Wat hebt ge geantwoord?
      Ik heb niets gezegd. Ik ben de verpleegster, ik moet zwijgen. Ik heb de zalf er wat harder ingewreven dan eigenlijk nodig was. En die spuit had ik ook voorzichtiger kunnen zetten. Ik denk dat ze de boodschap begrepen heeft.
      Allez, begot…
      Louis had nog een stuk kartonnen vlaai in zijn mond gestoken. Zijn vrouw had in zijn arm geknepen, tijd om naar huis te gaan.

 

Een week later werd er niet meer gelachen. Het nieuws deed de ronde dat Lucienne met een kwaadaardig genoegen over iedereen in het dorp een boekje opendeed. Dat Lucienne niet te stoppen was. Maar wie vertelde dat voort? Wie kon er zijn mond niet houden?
      Ik zwijg als vermoord! had zijn zuster verzekerd.
      Zijn zuster leed onder de verdachtmakingen.
      Wie komt er bij haar over de vloer? had Louis gevraagd.
      Dokter Vekemans. De pastoor. En Colette, natuurlijk.
      Ria had aan het Wit-Gele Kruis gevraagd of ze geen andere verpleegster naar patiënte Stassen Lucienne wilden sturen, iemand die niet van het dorp was, iemand die al die mensen over wie Lucienne niet kon zwijgen niet kende. Ze had haar probleem niet uitgelegd gekregen op het bureau.
      Heeft ze iets over mij gezegd? had Louis op den duur durven vragen.
      Zijn zuster had zich rap omgedraaid, zodat hij haar gezicht niet kon zien.


Meer leesfragmenten


«   »