Ljicht

(Een fragment)

Bernard Dewulf

 

(1)

Liefste,
 
hoe lang is het geleden? Mijn geheugen. Vijf, zes maanden? Ik zou me het preciezer moeten herinneren. Maar de tijd verloopt nog slechts in het atelier, de wereld is het licht door de ramen.
            Ik heb geschilderd, zeker. Soms komt Jakob langs, dan vertelt hij wat over je. Allemaal waar. Maar ik weet niets meer.
            Ik weet nog: je geur.
            Omdat ik het morgen misschien niet meer weet, schrijf ik het voortaan op. Maar ik kan niet schrijven. Ik haper.
            Ik weet niet eens hoe ik 'volzinnen' moet maken. Laat staan alinea's.
            Mijn taal is zoals sommige schetsen van Hopper: halfweg een vinger hield hij op. Of die van Bonnard: alsof ze terwijl ze ontstaan willen verdwijnen.
            Maar ik zal mijn best doen. Jij houdt zo van schrijvers. Ik wil jou kunnen schrijven.
 
Gisteren was je er ineens weer hevig. Ik had langdurig mijn handen gewassen, helemaal onder de verf – toch weer dat blauw en zwart. En in het afdrogen dook je op.
            De gezonde boerendochtershuid.
            Het zoetige. Amandel. Marsepein. Of zoals ik het graag spel, marsepijn.
            Begrijp je?
            Die chronische synesthesie van mij – om het pathetisch te zeggen –, je werd er gek van, denk ik. Ik voelde je soms op zeven manieren tegelijk. Dat was te veel voor je.
            Ik begrijp dat. Misschien.
            Maar wat was dan jouw manier?
            Heb jij mij ooit willen ruiken, proeven, voelen, smaken, bekijken, beluisteren –helemaal? Of was ik gewoon de dagelijkse aanwezigheid? Zoals een barometer. Die je liet weten wanneer het zou regenen. In je gewrichten.
                       
Ze doen pijn, mijn handen. Jicht. Soms zeg ik het hier hardop, 'ik heb ljicht in mijn handen'. Zolang ik dat kan zeggen heb ik niet te veel gedronken.
            L-j-i-c-h-t.
           
Daar heb ik stiekem altijd graag naar gekeken, hoe je je afdroogde.
            Degas liet zijn modellen zich urenlang afdrogen. Altijd weer dezelfde beweging. Ik denk dat hij er iets elektrisch in zag. Zijn beste pastels knetteren.
            Ik herken dat. Als ik je dan naderde, rook je intenser dan anders. Je geur vulde me tot in het vervloekte kruis.
            Zou ik je geur kunnen schilderen? De vraag is zo oud als wijzelf.
           
Er zijn schilders die min of meer geur hebben geschilderd. Lucian Freud de stank. Van kutten, vies haar, van vouwen in dik vlees. Renoir daarentegen de parfums. En Schiele onze zieke okselgeur. En Francis Bacon onze ontbinding bij leven.
            Maar hoe ziet geur op zich eruit?
            Nu loop ik weer te denken, ik moet eindelijk haar geur eens schilderen. Het zal me niet lukken. Ik wil hem vasthouden, in een fles stoppen, zoals Marcel Duchamp ooit voor een verre vriend Parijse lucht in een flesje stopte, Aire de Paris. De grapjas.
            Ik zoende zo graag je rug. Tot in de nek. Het mocht niet te lang. Het moest per ongeluk, alsof ik me vergiste.
            Ik zou je rug willen schilderen, maar ik heb er geen foto van. Misschien uit het hoofd. Uit de hand.
 
Ik ga nu slapen. Ik stop graag mijn handen onder de deken, het doet ze deugd. De jicht trekt dan langzaam weg. Morgen schilder ik die rug misschien, wie weet. Als een landschap. Want alles is een landschap.
 
 
(2)
 
Liefste,
 
vorige nacht heb ik je prachtig geschreven. Je luisterde versteld. Ik werd zwetend wakker. Ik dacht dat er was aangebeld. Dat ik je schrijvend had teruggelokt, midden in de nacht.
           
Ik heb het geprobeerd, je rug uit het hoofd te schilderen. Blote rug uit het blote hoofd. Het is niet gelukt. De hele dag heb ik eraan gewerkt, op klein formaat, dat leek het gemakkelijkste.
            Het licht was grijzig vandaag, zoals ik had gehoopt dat het zou zijn. Het mocht geen zoet doekje worden. Maar al dat gedoe over het licht. Noorderlicht, strijklicht, ochtendlicht, middaglicht, avondlicht. Het licht in het hoofd – daar gaat het om.
            En daar, dus, ging het niet. Het is of het aan het sterven is, het licht vanbinnen. Het is er nog wel, maar waar?
            Soms, als ik in een moeizaam verschijnend landschap zit, slaat het ineens aan, alsof het iets herkent. Dan ga ik vaak over op geel. Wie had dat gedacht. Je geliefkoosde kleur, maar gehaat door vele schilders.
            Ze zeggen dat het de allerlaatste 'toets' is die Bonnard heeft aangebracht, een vlek geel onder zijn amandelboom. We hebben er samen naar gezocht op dat schilderij.
            Eigenlijk is de vraag de laatste maanden, wat doe ik met je lichaam? Hoe minder het er is, hoe aanweziger. In zekere zin het omgekeerde van toen het er was. Het leek geen ander lichaam nodig te hebben. Soms dacht ik spelenderwijs, het is een antilichaam. Of kon het zich niet geven? Lag het aan mij? Die vreselijke vraag heeft me besmet.
           
Hoeveel lichamen vinden het noodzakelijke andere, of bestaat dat niet?
            Ik ben er nooit uitgekomen. Ik heb het dat lichaam wel eens gevraagd terwijl het sliep.
           
Je hebt nooit willen poseren. Ik mocht ook geen foto's maken. Dat is twee keer een vorm van overgave, van blootstelling. Twee vormen van verlies.
            Waarin heb je je ooit verloren? Of in wie?
           
Jakob kwam vandaag langs en ik heb hem gevraagd of hij ooit naar je rug gekeken heeft. Hij lachte verlegen en zei iets onverstaanbaars. Intimiteit zal nooit zijn sterkste kant zijn. Nog altijd omhels ík hem, hij niet mij. Maar we vinden elkaar wel.
            Je ogen staan nog immer helder in zijn grote hoofd. Toen ik hem vroeg naar zijn herinneringen aan je rug, keken die ogen een fractie lang net als jij dat kon: alsof ze bevroren.
            Maar je had een warme rug. Altijd koude billen, vingers en ogen, maar een warme rug. Soms denk ik dat de jicht in mijn handen gekropen is omdat ik die rug zo vaak gemasseerd heb. Altijd onhandig natuurlijk. Wat lukraak – dat dodelijke woord, lukraak – knijpen en kneden. Ik ben geen masseur, ik ben een schilder. Maar dat onhandige mocht, hoe vaker hoe liever.
            Strelen mocht dan weer niet, daar was ik goed in. Gevaarlijk goed.
 
Door onze ligging moest ik het meestal met mijn linkerhand doen. Die heeft nu ook de meeste pijn. Gelukkig maar, zo valt het schilderen nog mee.
            Ik zou hem uit mijn vingers willen halen, die rug. Zo ongerijmd warm als hij altijd was.
            Morgen probeer ik het opnieuw. Misschien neem ik een groot formaat, voor een reusachtige rug, en gebruik ik heel veel geel. Zoals op dat jubelende Nu jaune van Bonnard. In haar spiegel. Ik vond ze wel een belachelijk platte kont hebben. Zowat jouw spiegelbeeld. Weet je nog.
 
 
(3)
 
Liefste,
 
nog altijd ben ik vroeg wakker en is de ochtend me het liefst.
            Ik ben er onmiddellijk aan begonnen. Een grote lap canvas tegen de muur geniet, het formaat afgelijnd, koffie, sigaret en aan het werk. Eerst het mengen van de kleuren, terwijl in de verte de ring op gang kwam. Van dat moment hou ik, dat weet je.
           
Nooit hebben wij de liefde bedreven in de ochtend. In geen enkel seizoen. Meer zelfs, zelden hebben onze lichamen elkaar ontmoet in het daglicht.
            Alsof wij alleen motten mochten zijn.
                                   
Gisterenavond heb ik ruggen gezocht op het net. 'In praise of the female back'. 'Twisted female back'. Honderden ruggen. Vaak zwart-wit, een rijk van schaduwen.
            Je had dik vel daar. Ik kon er rustig mijn tanden in zetten, wanneer ik het niet kon laten. In gedachten.
            Alleen aan je schouderbladen was het dun.
            Daar begon je soms ineens te kreunen – in weerwil van jezelf, zo wist ik wel.
            Daar hield zich kennelijk iets schuil. Een even ingeboren als zelfgekozen, elementaire weerstand tegen alle zinnelijkheid als, zowel, een diep verholen, onwillekeurig heersende lust, die zich vertoonde als een principiële spierspanning die mordicus – dat dodelijke woord, mordicus – elke overgave zou weigeren.
            Dat wist ik allemaal na jaren heel goed. Ik liet het graag, allengs wat boosaardiger, zo lang mogelijk duren voor ik daar aankwam. Aan de schouderbladen.
            Zoals altijd was ik – na altijd eerst, als een soort captatio benevolentiae, je vaak pijnlijke hielen en vermoeide knieën en je even begeerlijke als lustloze billen te hebben behandeld – pas echt begonnen bij je gevoelige staartbeen.
            Dat is een hele weg. De rug, tenslotte, is onze langste ononderbroken afstand.
            En hoe gaat dat vervolgens. Met de jaren vond ik er mijn eigen bijna wrede lust in. Om jouw lust in mijn knedende vingers tot net onder je dunste huid te krijgen. Tussen je schouderbladen. Je lamme vleugels.
            Verder, denk ik, ben ik niet geraakt.
           
Ik heb een rug afgedrukt die op de jouwe lijkt en hem hier aan de muur gehangen. Zo zou ik het, bedacht ik, met alles kunnen doen. Gelijkende foto's zoeken en ze allemaal opspelden. Je benen, knieën, liesstreek, buik, borsten en wat nog allemaal. Je staartbeen. De diepende venuskuiltjes.
            En ik stel je dagelijks anders samen.
            Of ik speel vogelpik. Ik hang je in een cirkel, geef je delen punten, de kont honderd – en dan gooien maar. Darts with her parts.
            Zo gaat het altijd door in het hoofd. De onzin. Wanneer houdt het eens op?
            Hoe vaak niet, als we ’s avonds samen in de woonkamer zaten, zwijgzaam, lezend of tv-kijkend, heb ik me afgevraagd wat er door je hoofd ging. Je was daar nooit erg mededeelzaam over, ik evenmin.
            Hadden we niet meer moeten zeggen?
           
Huidskleur maken is altijd weer lastig. Het moest een kleur zijn die tegelijk warm en koud was. Ik ben er lang mee bezig geweest, maar ik heb het opgegeven. Ik heb dan maar losjes getekend. Een gebogen of verwrongen rug tekent gemakkelijker dan een rechte. Ik kwam vanzelf uit bij je haar. Dat kan ik goed tekenen, dat weet je.
            Als het duidelijk gewassen moest worden, zei ik soms 'Je haar ruikt naar herfst'. Ik vroeg dan weleens om het nog een dag uit te stellen. Belachelijk natuurlijk.
           
Ik heb het al gezegd, de vraag is nu al maanden: wat doe ik met je lichaam?
            Ze mogen beweren wat ze willen, dát is wat men mist. De loutere aanwezigheid uiteraard, maar ook het liggen, zitten, bewegen, het draaien van de hals, de stap, de slaapgeluiden, het hele repertoire.
            Het lichaam, geloof ik, is onherleidbaarder dan wat men zo onvatbaar de geest noemt. Natuurlijk verlang ik ernaar met je te spreken, over van alles, maar iemand anders kan ook zeggen wat jij zou meedelen, maar niemand op jouw manier. En jouw manier schuilt in je ogen, je mond, je handen, je huid, je neusvleugels.
            Je a en je o.
            Ik weet dus niet wat ik daar allemaal mee moet doen. Met de herinneringen eraan. Opschrijven, tekenen, schilderen? Het heeft alles iets tevergeefs. Iets hopeloos.
            Onlangs las ik iets. 'Wij moeten afleren te wanhopen.' Zal ik dat eens proberen?
 
 
 
(4)
 
Liefste,
 
vandaag de ochtend doorgebracht tussen foto's, in de hoop ergens je rug tegen te komen. Een beeld van een gala-avond of op het strand.
            Ik heb ruggen gedroomd vannacht, een kamer vol in alle houdingen. Ik mocht kijken maar niet aanraken. Hier en daar lachten uit die ruggen donkere ogen.
            Zo vreemd is mijn zoektocht niet. Heb ik iets van je intiemer aangeraakt dan je rug? En wat betekent dat?
            Ik heb een gedachte overgeschreven uit een boek, L' Homme de dos, over de rug in de kunst. De rug is ‘een blinde vlek, die de toeschouwer toelaat te projecteren, zich een gezicht voor te stellen dat hij niet ziet’.
            Wil ik me jou voorstellen als een blinde vlek? Of was je rug voor mij het bekendste van je, als het ware je gezicht?
            Soms overvalt mij de gedachte dat ik vooral je toeschouwer ben geweest. Op de eerste rij. Het is geen onprettige gedachte, meer dan ooit zie ik het als een voorrecht dat ik je mocht meemaken. De dagelijkse opvoering van gratie en raadsel, waar je geen moeite voor moest doen.
            Zo is elk samenleven: een choreografie.
            Ik vermoed dat ik, objectief, dezelfde bewegingen maak als altijd, maar soms lijkt het mij dat ik anders beweeg. Bij gebrek aan tegenbewegingen.
            Het zijn niet alleen die bewegingen, ook de geluiden. De melodie, de muzak van de dagelijkse handel en wandel. De stem van een stap. En de eenvoudigste handelingen: vingers door de haren, het tastend nagaan en thuisbrengen van diverse bekende vormen. Allemaal oplossingen voor onze kleine dagelijkse radeloosheid.
            Het ontbreekt nu allemaal, en soms voelt het alsof ik scheefloop.
            Het andere lichaam als een poolster in het huis: als het er niet meer is, dreigt stuurloosheid.
            Maar ik houd stand. Al weet ik niets meer, al heb ik geen hoogte van de dagen, ik probeer niet te wanhopen.
            Ook vanmorgen tussen al die foto's, wist ik het niet: lachen of huilen. Wat was je mooi. Wat bén je mooi. Jaren heb ik je dat dagelijks gezegd, maar ik moest ermee ophouden. Het verteerde mij langzaam. Ik wilde ook mooi zijn, in jouw ogen. Ik heb te laat begrepen dat dat nooit zo zou zijn. Het werd lastig voor mij om je blik te trotseren.
            In die tijd heb ik mijn beste werk gemaakt, om te schitteren in jouw ogen.
            En nu zou ik nog één keer opnieuw willen – een laatste overwinning. Het lijkt kinderachtig, maar het is meer dan pronkzucht. Hoe verlaten en eender de dagen ook zijn, het geheugen gloeit. Een koorts. Er willen beelden naar buiten. Ik weet niet precies wat ze inhouden of waar ze vandaan komen.
            Ze zijn langzaam dwingender geworden sinds je er niet meer bent. Ergens midden erin, als een baken, hoort het beeld van je rug. Als ik die eenmaal op doek heb gekregen, dan zal hij de rest verlichten.
 
 
 
 
 
 
(5)
 
Liefste,
 
nog altijd valt het licht hier binnen zoals op dat schilderij van Hopper. Je hebt er me ooit een ansicht van gekocht. Vreemd hoe almaar sterker het licht op mijn geheugen werkt. Een bepaald licht brengt nu sneller dagen, mensen en dingen terug.
            Vandaag, een heldere dag, herinnerde ik me hoe je ooit op een ochtend hier, in het atelier, binnenkwam. Nog wat slaperig en, uitzonderlijk, ongegeneerd in ondergoed. Ook toen viel het licht jubelend naar binnen op de muur. Ik zag weer hoe we samen geglimlacht hebben, tegelijkertijd, om dat licht, alsof we allebei dachten: Hopper zelf is het die het ons stuurt. Ik heb je toen gevraagd om zo, zoals je er toen uitzag, zo prachtig en zo kwetsbaar, even tegen die muur in dat licht plaats te nemen.
            Je hebt het gedaan, nu nog verwondert me dat.
            En ik heb gekeken. Zelfs de haartjes op je dijen zag ik in die helderheid. Mijn grillige geheugen ziet ook felrode lippen, maar dat kan natuurlijk niet. Dan verwar ik je.
            Wat had ik toen niet allemaal met je willen doen. Je billen zoenen, ter bezegeling van het moment. En nog veel meer. Maar zo waren wij niet.
            Hoe waren wij? Dat is niet samen te vatten.
            Ik denk weleens: als twee mensen samenkomen moeten ze elkaars zwaartekracht kunnen verlichten en, in momenten, opheffen.
            Is ons dat gelukt? Toen, die ochtend in dat licht, enigszins wel. Maar nooit helemaal. Wij hebben ook op elkaar gewogen. Onze choreografie was er een van tegelijk naderen en afstand houden. Cirkelen om het onvermogen. Beducht voor overgave.
            Ik wilde me wel overgeven, maar hoe moest ik me verliezen in je voortdurende waakzaamheid?
            Bijna was je afstand opwindender dan de toenadering. Als ik al de uren optelde waarin ik naar je heb verlangd zonder dat je het wist, terwijl ik naast je lag of naar je keek tijdens je bezigheden, het zou een haast onafzienlijke tijdsspanne zijn.
            Of wist je het wel? Maar vond je er geen antwoord op? Of was ík de verkeerde vraag?
            Je hebt mij nooit begeerd, en al zeker niet zoals ik jou. Jarenlang heb ik gedacht, gehoopt: op een dag komt al het ingehoudene vrij. Ik vulde je met lust, die in mijn verbeelding klem zat in je lichaam, gevangen in je schoonheid. Het was voor mij onbegrijpelijk hoe je lichaam en alles wat daarbij hoort zich, om het zo te zeggen, in zichzelf schuilhield. Maar het was tegelijk wat je zo precieus maakte. En zo begeerlijk.
 
Je moest het weten, wat ik nu allemaal opschrijf. Je zou zo wreed glimlachen. En misschien door mijn haar gaan, zoals je dat bij Jakob graag deed. En nog altijd doet, neem ik aan. Een gebaar van ontferming. Je zat er helemaal in, in die beweging: een geste tussen deemoed en hoogmoed.
           
Vandaag heb ik je rug laten rusten. Ik heb me met dat licht beziggehouden. Dat was ook beter voor mijn handen. Het licht proberen schilderen is zoals omgaan met het geheugen, het ontglipt je. Ze hebben allebei geen vorm, maar ze vormen de dagen.
Comments