De zeven levens van Matera - Isabelle Rossaert

Er lag een uitgebrand schip vlak naast het onze in de haven van Bari. Je kon het alleen zien vanuit de touringcar, daar zat je hoog genoeg om boven de met zeil beklede hekkens te kijken – zijn blauw-witte romp, de gapende gaten waar voorheen patrijspoorten en deuren waren, met rondom de zwarte blakering waar het vuur zich een weg naar buiten had gebaand.
          Ik had de indruk dat nauwelijks iemand in onze bus er acht op sloeg. Misschien keken de mensen wel bewust de andere kant uit – je wil niet worden geconfronteerd met wat er fout kan gaan als je net een dag geleden bent ingescheept voor een cruise op de Middellandse Zee. Op een Italiaans cruiseschip dan nog wel, en sinds de Costa Concordia weten we wat dat kan betekenen.
          Een vrouw had het wel opgemerkt, het uitgebrande schip. Ze zat achter me, het was een Italiaanse. Ze kreeg een telefoontje en ik hoorde haar zeggen dat ze de Anek-Ferry had zien liggen. Uit de manier waarop ze het vertelde, maakte ik op dat het om een bekend verhaal ging.
          We reden door een stad die het al snel opgaf om het decorum hoog te houden. Net nog had je de statige, mooi gepleisterde oude gebouwen en straten die een doorkijk gaven naar het zandsteen van historische monumenten, en zo goed als onmiddellijk ging de stadse elegantie over in de barre treurnis van woonkazernes met vuil geworden gevels en balkons die net groot genoeg waren om er was op te hangen in de van fijnstof en diesel doordrenkte lucht. Daarna deed Bari ons uitgeleide met een heel gebied van door onkruid overwoekerde, niet eens zo oude fabrieksgebouwen waarvan het soms niet helemaal duidelijk was of ze al volledig verlaten waren – of er achter de ramen met gebroken glas misschien toch nog iemand achter een bureau zat of een machine aan de gang hield.
          Ik was min of meer toevallig op het cruiseschip terechtgekomen, mij krijg je normaal gezien niet op zo’n schip. En ik hou niet van geleide excursies, waar je een gids dient te volgen van de ene naar de andere photo opportunity. Maar de avond voordien had ik gezien dat er een excursie naar Matera ging, en dat veranderde alles.  Want over Matera had Carlo Levi geschreven in Christus kwam niet verder dan Eboli. Ik had het boek bijna twintig jaar geleden gelezen. Levi had maar enkele bladzijden aan Matera gewijd, een stad waar de mensen in grotten woonden, in grote armoede. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog was dat. Noem het literair ramptoerisme: die paar bladzijden hadden me nieuwsgierig gemaakt. Ik wilde weten of er van de haast middeleeuwse levenswijze die Levi beschreef nog iets te zien was. Toen ik destijds Levi’s boek las, kwam het internet nog niet tot in de huiskamers. Mijn beeld van Matera was een klein prentje van in puin vallende, met onkruid begroeide daken in de Capitool reisgids. De plek leek me zo zuidelijk, zo ver afgelegen dat de kans klein was dat ik er ooit echt zou geraken. En ook al zat ik nu in een touringcar, ik zat wel in een touringcar op weg naar precies die stad. Dromen doen uitkomen is soms gewoon een kwestie van ze op het juiste moment te herinneren.
Na de fabrieken kwamen de olijfboomplantages, zo ver het oog over het golvende land strekte, en daarna stortte de weg zich in een dorstig, ros landschap, eindeloos uitgestrekt, van droge aarde en stug onkruid. Verspreid in het onbewerkte land stonden agaven met metershoge bloemen die verkoold waren door de zon, als om de onherbergzaamheid nog meer te benadrukken.
          Ik wist niets over deze streek. Er was alleen wat ik van het landschap kon aflezen: de verdorring, de golvende, desolate uitgestrektheid, hutten van conisch op elkaar gestapelde droge stenen die herders hier ooit hadden achtergelaten, de relatief nieuwe autobaan, schaarse wegwijzers naar dorpjes of stadjes 70 km verderop.
          De Italiaanse vrouw had haar telefoongesprek beëindigd en ik maakte van de gelegenheid gebruik om te polsen naar het uitgebrande schip. Het was een ferry, zo vertelde ze. Het brandde uit op volle zee, enkele jaren geleden, ze wist niet meer precies wanneer maar wel nog dat het winter was. Het ontij had de reddingsoperaties bemoeilijkt. Er was iets met Afghaanse verstekelingen, die in een van de vrachtwagens verstopt zaten, en misschien waren zij het die in het garagedek een vuurtje hadden gestookt tegen de vrieskou. Tientallen mensen vonden de dood in het vuur of verdronken.
          Aan de kim van het rossige landschap doken windturbines op. Ik moest aan Don Quichote denken, en dan weer aan Carlo Levi. ‘Christus kwam niet verder dan Eboli.’ Dat zeiden de mensen hier in het Zuiden van Italië tachtig jaar geleden tegen hem. ‘Wij zijn geen Christenen’, daarmee bedoelden ze dat ze eigenlijk geen volwaardige mensen waren. Zou Levi ook door deze vlakten gereisd hebben? Ik had er geen benul van welke streek we precies doorkruisten, maar zeker was dat het ten zuiden van Eboli lag.
          Door de radio weerklonk Stromae, en daarna Lucilla Galeazzi. Buiten, in een landschap zonder schaduw, leek de tijd vreemde dingen te doen. Het heden leek zich eventjes met de dingen te hebben gemoeid, om ze vervolgens weer achter te laten. Er was aan de weg gewerkt. Sterker nog: in het midden van de woestenij dook er plots een heel nieuwe weg op, parallel met de onze, een weg met de allures van een snelweg. Hij stopte even abrupt als hij begon. En dan waren er de bedrijfsgebouwen. Ze doken op uit het niets. Hier was het een voormalige autohandel, op het verlaten asfalt rond het pand stonden nog een paar wagens. Verderop was er een gesloten baancafé. Het gebouw had nog glas in de ramen en er hing een bord aan de gevel waarop affitasi – te huur – stond, in letters die groot genoeg waren om vanaf de baan leesbaar te zijn.
          Niet zo ver daarvandaan stond het karkas van een bedrijfsgebouw, in vers beton nog, strak van architectuur, maar ramen en deuren waren er nooit gekomen. Vanuit onze bus konden we er binnenkijken naar de vloer van opgeschoten grassen. Een tweede lag enkele kilometers verderop. Het leek wel of de economie hier als een zee bij hoogtij even het land had overspoeld, en zich vervolgens had teruggetrokken in een diepe eb, de bedrijfsgebouwen in de vlakte achterlatend als lege schelpen op het strand.
          Vlak voor de Tweede Wereldoorlog was het land ten zuiden van Eboli ook al een armoedig land, waar malaria heerste. Het was niet voor niets dat Carlo Levi, toen hij het met de fascisten aan de stok kreeg, net naar deze regio werd verbannen. Vandaag regeert hier allicht de maffia. Ook daar konden die verlaten bedrijfsgebouwen mee te maken hebben.
          Pescariello was de eerste plaatsaanduiding die we tegenkwamen. Er stond een spoorwegstationnetje zoals in westerns, een gebouw van rode baksteen, eenzaam in de hete vlakte, waar de trein stopt om mensen uit te laten die vervolgens in het onbegrijpelijke niemandsland verdwijnen. Er was geen treinspoor meer te bespeuren.
Matera werd voorafgegaan door enkele dorpen, conglomeraten van dicht op elkaar gebouwde woonkazernes met aan de rand zelfs nieuwe appartementsblokken en ik vroeg me af, terwijl we door de stoffige straten reden, wat de mensen die hier woonden, in godsnaam deden.
           ‘Alle veelbelovende jongeren, en iedereen die maar enigszins in staat is zijn eigen weg te gaan, verlaten het dorp’, schreef Levi.  ‘De avontuurlijksten onder hen vertrekken naar Amerika, net als de boerenzonen; de anderen gaan naar Napels of Rome, maar naar het dorp keert niemand terug. In het dorp blijven de mislukkelingen over, zij die niets kunnen, de mismaakten, de hulpelozen, de luilakken.’
          De bus parkeerde bij een kasteel in Matera dat we niet te zien kregen. We volgden de gids door een beschaduwde steeg tussen hoge huizen. Hij gaf uit op een straat die zich tot een plein verbreedde met bars en terrasjes waar we geen consumptie konden nemen, daarvoor was de tijd te kort. Een Afrikaan met een grote plastic zak vol strooien hoeden over de rug wilde me de ene na de andere hoed op het hoofd zetten. Gedurende een half uur week hij niet meer van mijn zijde. Ik had de vergissing begaan een hoed te passen – de zon scheen ongenadig.
          Links van het plein was een borstwering en daarachter bevond zich een afgrond, een soort kloof met daarin opnieuw een oprijzende rots, een grijze, chaotische massa waaruit zich stilaan, naarmate je er langer naar keek in het zinderende licht van de middagzon, meer en meer herkenbare vormen losmaakten.
Op het eerste gezicht leken we voor een enorme krater te staan. Maar toen ik beter keek, zag ik in de grijze chaos van de rots daken, gevels, soms met barokke bas-reliëfs, en gaten in de rotswand die deuren of ramen waren van rudimentaire huizen. Trappen slingerden zich door dat alles heen, en in de oprijzende rots, met op de top een eenvoudig ijzeren kruis, kon ik de gevel ontwaren van de oude kerk die in het zachte gesteente was gehouwen. De onregelmatige volumes van wilde steen die boven en langs de gevels uitpuilden leken haast op gezwellen die rond de kerk waren ontstaan, in plaats van de materie zelf waarin het godshuis was uitgehold. Dit waren de wijken van de oude stad, de sassi, waarover Levi had geschreven, een labyrint van huizen die geheel of gedeeltelijk uit de wand van de kloof waren gehouwen, waar de straten en trappen over de daken en langsheen de schoorstenen van onderliggende woningen slingerden. 
          Terwijl ik de man met de hoeden probeerde duidelijk te maken dat ik er echt geen hoefde, dat hij mij met rust moest laten en bedacht hoe erg zijn toestand moest zijn dat hij wel een half uur bleef aandringen voor een hoed van minder dan tien euro, en dat ook hij, wellicht, met zo’n boot naar hier was gekomen in de hoop op een beter leven, probeerde ik zoveel mogelijk op te vangen van het verhaal dat de gids ons vertelde, eerst in het Italiaans, dan in het Frans.
          De sassi waren de oudste bewoningen van Italië. In het neolithicum hadden er al mensen gewoond in deze kloof. Toen al hadden ze een ingenieus systeem van citernen en kanaaltjes ontwikkeld om het water tot bij de in de rots uitgehouwen holen te brengen. Arme herders woonden hier en daarna Byzantijnse monniken, gevlucht uit Anatolië, die hier hun chiese rupestri – grotkerken – maakten, meer dan honderdvijftig van die kerkjes zijn er in de sassi te vinden. De stad kende een bloeiperiode toen ze een tijdlang hoofdstad van de provincie Basilicata werd. Maar toen Joseph Bonaparte, de broer van Napoleon, de hoofdstad naar Potenza verplaatste, kwam in Matera de armoede terug. En de arme inwoners trokken weer de grotten in, waar ze tot het midden van de vorige eeuw bleven wonen.
          Toen de gids was uitverteld en de hoedenverkoper het had opgegeven met mij handel te drijven, doken we rechts van de borstwering een smalle straat in die naar beneden leidde. We bezochten een van de kerkjes. Buiten waren mannen met een drilboor in de weer. Binnen waren de nog half zichtbare fresco’s te bewonderen die achtereenvolgens Byzantijnen, late middeleeuwers en renaissanceschilders op de rotswand hadden achtergelaten, in ruimten die later opnieuw dienst zouden doen als woonkamer en keuken – de brandplek van de haard was nog te zien.
          Verderop was een van de grotwoningen als museum ingericht. In een opeenvolging van steeds dieper gelegen ruimten konden we zien hoe mensen hier in de twintigste eeuw nog leefden, met hun grote gezinnen, hun kippen en geiten en de ezel die ’s avonds via het steile trapje vanuit de enige toegang tot het huis naar binnen werd gehaald – om voor warmte te zorgen in dat overvolle ondergrondse huishouden.   Er stonden potten voor meel in de nissen van het deel dat als keuken diende. Er hingen wat pannen en ketels aan de wanden. In de woonkamer hingen maiskolven te drogen, er stond een weefgetouw en er hing een jachtgeweer aan een spijker aan de muur, er stond een bed waaronder de kippen op hun eieren broedden, en dat dienst deed voor het hele gezin, met uitzondering van de baby, die gewoon in de onderste lade van de commode werd gelegd – de schuif was ten behoeve van de toeristen opengetrokken en bekleed met kussens en een lappendekentje. Er was stromend water noch sanitair. Mensen deden hun gevoeg in de pot die ’s ochtends buiten in de Gravina, een bergstroompje, werd geleegd. Op de kleine eettafel van donker hout lag een foto van het zevenkoppige gezin dat hier destijds gewoond zou hebben. Al bij al zagen ze er nog redelijk beschaafd uit, met op het eerste gezicht nette kleren en een gezonde aanblik. Heel anders dan je zou verwachten als je Levi’s verhaal had gelezen.
          Zelf was Levi niet in Matera geweest, hij verbleef eerst in Grassano en later in Aliano, 90 km van Matera verwijderd, een dorp dat balanceerde boven diepe ravijnen in de grijze kleiheuvels van Basilicata. Het was zijn zus Luisa, net als Carlo een arts, die op weg naar haar broer een stop maakte in Matera. Amper een dag was ze daar, maar met haar relaas zorgde ze voor een van de meest tot de verbeelding sprekende passages uit Carlo Levi’s boek.
          Luisa beschreef haar bezoek aan de sassi als een afdaling in Dantes hel.  De grootste verschrikking waren de kinderen. Massa’s kinderen kwamen tevoorschijn, zoals zij het verwoordde naakt of gehuld in lompen, in de hitte, te midden van de vliegen en het stof. Kinderen die in de volle zon op de dorpels van de huizen zaten met rode, gezwollen ogen, waar vliegen over kropen die ze niet eens leken te voelen, kinderen met kleine, rimpelige gezichten als van oude mensen, met grote, gezwollen buiken en een gelig, van de malaria aangetast gezicht, ongewassen zuigelingen aan de lege borsten van hun moeder, kinderen die zich moeizaam voortsleepten, uitgeput van de dysenterie of liggend op de grond, onder lappendekens, bibberend van de koorts, en Luisa vermoedde allerlei ziekten, exotische ziekten waarvan ze niet wist dat ze in Italië voorkwamen. Terwijl ze steeds dieper in de sassi afdaalde, volgde haar een almaar groeiende groep bedelende kinderen, die haar allemaal om hetzelfde vroegen, ze begreep niet wat, de kinderen waren niet blij met geld voor snoepjes. Tot ze uit hun zuiderse klanken begon op te maken dat ze allemaal om kinine smeekten.
          Het was eind jaren dertig van de vorige eeuw toen Luisa Levi dit schouwspel zag en er haar broer over vertelde. Pas in 1945 verscheen het boek. Onze gids vermeldde het. En toen vertelde ze iets wat ik niet wist. Het drietal pagina’s die Levi aan Matera had gewijd, zorgde voor een schok bij de Italianen. Levi had hen de ogen geopend voor de armoede die hier, in het zuiden van hun eigen land, heerste. De open riolen, de primitieve manier waarop mensen en dieren samenhokten, de alomtegenwoordige malaria en de kindersterfte van vijftig procent die van dit alles het gevolg was, werden een bron van nationale schaamte - vergogna nazionale, zei de gids. Begin jaren vijftig werd een wet uitgevaardigd die verbood om nog in de sassi te wonen. De mensen die er nog woonden werden ondergebracht in sociale woningen in het nieuwe stadsgedeelte. Wat er met hun kippen en ezels gebeurde, vertelde de gids er niet bij. Of het verhuizen van de bevolking ook hun armoede oploste al evenmin.
          De verlaten sassi werden een geliefde locatie voor cineasten. In een van de holen van het museumpje werden de films opgelijst. Francesco Rossi, Roberto Rossellini, de broers Taviani, Giuseppe Tornatore, Pier Paolo Pasolini, allemaal waren ze hier gepasseerd … Tegen de grotwand hingen zwart-witfoto’s van vrouwen in gescheurde kleren, met een verwilderde blik. Verhalen over geliefden die tot waanzin waren gedreven. Later kwam ook Hollywood. Mel Gibson draaide hier voor ‘The Passion of Christ’.
          In de jaren negentig werden de sassi weer bewoonbaar gemaakt. De grotwoningen kregen elektriciteit en stromend water. Nu wonen er opnieuw enkele duizenden mensen, vertelde de gids, veel minder dan de dertigduizend die er ooit huisden. Nu vind je er restaurantjes en zijn sommige van de grotten ingericht als luxehotels. De sassi zijn hip geworden.
          Op de terugweg, toen we opnieuw langs de onvoltooide fabriekshal reden, zag ik dat ook daar aan de gevel een bord ophing. Vendesi – te koop, blokletterde het. Met een telefoonnummer erbij. De Afrikaan met zijn hoeden en de Afghanen die zich in vrachtwagens hadden verstopt, de monniken uit het oosten die hier de grotwoningen van herders vonden en die herders zelf, en hun voorgangers uit prehistorische tijden die aan de oorsprong lagen van de vreemde stad die Matera zou worden, ieder die hier kwam, verbeten of verlamd in dit onbarmhartige land, en wij, de toeristen, allemaal meenden en menen we hier iets te vinden. Intussen rolt de geschiedenis met golven over het land, geeft en neemt, teistert en zalft.  
          In de bus, aan de andere kant van het gangpad, zat een meisje in een flamingoroze jurk en legging. Ze had in Matera een plaasteren souvenir gekocht in de vorm van een hart, met daarop een bas-reliëf in felle kleurtjes dat de kerk in de oprijzende rots voorstelde. Ze legde het plaaster in de palm van haar linkerhand en strekte haar arm zo ver mogelijk uit. In haar rechterhand hield ze haar smartphone, waarmee ze een foto maakte. Allicht verscheen de foto ’s avonds, zodra het meisje op het schip zat en wifi had, op Facebook.
          En ik bedacht hoe wonderlijk het was dat boeken zoals dat van Carlo Levi de tijd weerstaan.  Ze tonen hoe het ooit ook was. Ze leggen een laag over de wereld die maakt dat we nooit alleen maar de pure materie zien – altijd  is er ook verhaal, verleden, verlangen.
 
 
 
Download deze tekst in pdf hier
Comments