Eerste laureaat poëzie van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2019.

 

Gedichten

 

Willem de Pessemier

 

 

 

 

2035: STATICA DYNAMICA
 
de wereld zal in pauze gaan
nee, de mensen erop
zij zullen in pauze gaan
 
de aarde zal tollen zoals ze nu doet
en in die achteloze bedrijvigheid zal je ons treffen – wij,
als geslagen honden, wij
die enkel dynamisch zijn in onszelf, wij zullen
dagelijks om onze eigen as draaien
in feite gebeurt er niets
alleen wij, met onze beide voeten in een of andere stille beweging
contradictio in terminis,
 
elke verandering zal in zijn eigen dynamiek verstrikt raken
en wij zullen hen aanschouwen
zien hoe ze te lang in cirkels over elkaar nadenken
begin aan einde aan begin knopen
in elke overtreffende trap enkel nog stagnatie vinden
 
iedereen wil veranderen in een leven,
groeien of krimpen betwisten
muntstukken opgooien zal enkel de illusie van een keuze opwekken
in zijn kern op vrijheid gelijken
in de manier waarop het zich aan ons toont
eerder aan gewenning doen denken
 
ik heb naar verandering gezocht in oude fotoboeken
jarenlang gekeken naar hoe een loot een knotwilg werd
nooit gezien wanneer wat precies wat werd
in de haarlijn van een grootvader die ik nooit heb gekend de essentie gevonden
in de manier waarop mijn moeders gezicht in de plooi gaat liggen als ze lacht
de betekenis
 
me terzijde afgevraagd of ik mezelf misschien kan voorspellen
ooit de grootvader zal worden die niemand zich nog herinnert
alleen nog in een plooi op zijn dochters gezicht betekent
 
de reïncarnatie van een glimlach - iemand die terloops zegt dat je sprekend op me lijkt
jij die daarna op zoek gaat naar verandering in oude fotoboeken
cirkelredenering
 
de wereld gaat in pauze - statica
wij draaien om onze eigen as - dynamica
daartussen blijft alles eindig
passen we in onszelf als het heden in morgen
monden we uit in een rivier die enkel nog droogte is
 
zo zal de wereld scheuren 
vallen wij ertussen
 
middelpuntbotsing
 
 
 
 
 
 
 
 
LIEFDE ALS EEN TULPENVELD DAT ZICH VAN SEIZOEN VERGIST HEEFT
 
we liggen in een uitgelopen tractorspoor te midden van een tulpenveld
twee buurjongens die met en in elkaar zijn gegroeid, vergroeid
als twee bomen die een kruin delen
zo verhouden we ons tot elkaar,
 
chronologisch: mijn hoofd aan zijn voeten, zijn voeten aan mijn hoofd
in die volgorde fantaseren we over vulva’s
bedenken er de meest gekke uitzichten bij:
de binnenkant van een gitaar
de oksel van de juf van meetkunde
de geopende snavel van een keizerspinguïn
elke plek waar we nooit eerder kwamen
 
een spanningsboog te midden van een tulpenveld
dat zijn wij, twee buurjongens, vergroeid
als regen die nooit alleen valt – accretie zonder partituur
onze handen plaatsen we op elkaars lichaam, berekend
op plekken die misschien een vulva zijn
zo ontladen we elkaar, noemen het een logisch gevolg
 
we klemmen de maan tussen onze duim en wijsvinger
tot ze onder onze ogen verkruimelt
vertellen elkaar dat we op z’n minst dat onder controle hebben
ontkennen zelfbegoocheling tot het niet meer bestaat
 
ik zie voor het eerst hoe hij één oog sluit wanneer hij haar probeert te vangen
hoe hij zijn lichaam vervolgens in kleermakerszit naar de lucht richt, een venster van benen maakt:
‘hoe kleiner, hoe dichter we bij een raken komen’
zo ontleed ik hem, ontmoet hem opnieuw en opnieuw en opnieuw
tot we enkel nog in een luchtledige omhelzing bestaan, zo dicht op elkaar
dat alles wat volgt afscheid betekent
 
maandenlang naar een antoniem voor vrijheid gezocht
enkel dubbelzinnigheid gevonden
in de ruimte tussen vrijheid en het antoniem waar nog geen woord voor bestaat
gezien hoe die ruimte als een lamlendige spatie tussen woorden mensen
beelden instaat
gezien hoe die ruimte de wereld in tweeën splijt
hem vervolgens doet openvallen als een perzik
als twee zijden van een rijpe avocado - zo glijden we van elkaar
 
rest ons enkel nog af te wijzen wat ons samenhoudt:
perzikpit
avocadopit
kruin
veilige gehechtheid
het bedrijven van de liefde in een tulpenveld dat vroegtijdig in bloei staat
 
bedrukt boodschappenlijstje
hoe in een omhelzing soms desolaatheid ontstaat
zoiets voorspelt niemand
 
echte tulpen bloeien niet in februari
 
 
 
 
 
 
 
EEN INTENS ZWIJGEN (ZN.)
 
er zijn mensen die in hun picknickmand naast
broodjes, plastic servies en
een veel te klein laken ook
levensadviezen stoppen
 
tijdens het eten discussiëren ze over
het gewicht van de wereld en
op wiens schouders hij de diepste sporen heeft achtergelaten
verwijzen ernaar alsof het een mens is
zo is het makkelijker te achterhalen wanneer hij hen precies pijn deed
 
‘want dat doen mensen’, zeggen ze
‘sporen achterlaten en
oude wonden openrijten
alleen als je geluk hebt maken ze nieuwe
blijft het verleden onaangeroerd onder je huid liggen’
 
geen hand geen vinger geen nagel
brengt soelaas
geen mens
kruipt er gewillig onder
 
de een laat in het voorbijkomen een huidschilfer achter
een pluk haar
een typische mannengeur
de ander een arm om je heen
een been in het jouwe verstrengeld
als het moet een heel lichaam en
een beklemmend gevoel dat blijft nagalmen
als het nooit zwijgen van de wereld:
 
hij is nooit stil, maar
dat merk je pas wanneer je de stilte opzoekt
haar niet vindt, queeste naar
wat precies?
 
elke stilte is een bijna-stilte en
sommige mensen zinderen precies zo na
als een onoverkomelijk iets
 
men raakt het niet eens over wie het hardst onder het leven gebukt gaat en
ze gunnen elkaar het winnen
ze smeren het beleg dubbel op hun broodjes
laten de wereld wegen
 
‘we hebben toch geleefd’, vertellen ze zichzelf
daar nemen ze genoegen mee
het plastic servies nemen ze mee naar huis
hun bijna-stilte hangt nog ergens in het park
 
wacht
als een bloem om geplukt te worden

 

Comments