Tweede laureaat proza van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2020

Je bent een schavuit

Arthur Hendrikx

 

 

Je bent een schavuit. Je geeft er eigenlijk helemaal niets om, het kan je allemaal gestolen worden, zolang je je pakje Gauloises maar hebt en je platenspeler en je gitaar, zolang je de mogelijkheid hebt weg te vluchten zodra iemand de andere kant op kijkt, ruimte om weg te manoeuvreren, soms voor een poosje, soms voor jaren, soms voor altijd, zoals nu. Ik weet niet waarom ik je in de tegenwoordige tijd aanspreek. Ook die laatste vlucht deed je zonder aankondiging, zonder afscheid te nemen, zonder met iemand rekening te houden; je bent een Icarus die niet neerstortte omdat je te dicht bij de zon vloog (nee, dat zou niet gebeuren, om de een of andere reden zouden de zonnestralen voor jou onschadelijk zijn, zonder dat je daar iets voor hoefde te doen, zoals altijd, je hoefde nooit iets te doen om te winnen, om mensen goedgunstig te maken, om de blik van de meisjes naar je toe te trekken, om donkere wolken te doen verdwijnen; en je leek je van dat door god gezonden geluk, als dat het woord is, nooit bewust, – schavuit), maar omdat je, het vliegen eventjes beu geraakt (want je had altijd elders interessantere dingen te doen), over een volgende activiteit nadacht en door die onoplettendheid je evenwicht verloor en neerviel, per ongeluk sierlijk tollend als een gevallen engel. Ook op momenten waarop je op je knieën zat aan de verliezende kant, wanneer je schaakmat stond en iedereen het wist, zweefde je een eindje boven de grond uit, boven ons, met die eeuwige jongensachtige grijns van je, die vanaf je veertiende nooit veranderd is, met die lichtjes in je ogen, je speels rollende ogen die alle momenten die ook maar in de verte naar ernst en plechtstatigheid roken door elkaar schudden en nieuw leven inbliezen; en als je rollende ogen en clownsgezichten niet werkten, als de anderen onverstoorbaar hun saaie burgermansgesprek voortzetten, gooide je je hele lichaam en je machtige stemgeluid in de strijd, zoals die keer dat we voor het huis aan de waterkant stonden met een groepje in maatpak gestoken heren die met papa aan het praten waren over financiën en aandelen en de banken en de volatiliteit van de beurs en je eerst ons, de drie kinderen die er een beetje beteuterd bij stonden omdat we niet tijdig waren weggeraakt en te laat beseften wat voor saaie richting het gesprek uitging, had zitten vermaken met je gekke bekken, daar staande te midden van de monotoon brommende heertjes, als enige in hemdsmouwen met de bovenste knoopjes open zodat een stukje van je begeerlijke borstkas te zien was (je was altijd de knapste, vooral omdat het een verwilderde, langharige schoonheid was, waarover je nonchalant deed alsof je er geen belang aan hechtte, maar wij wisten beter), en daarna was je plotseling, midden in het relaas van papa, beginnen te joelen als een indiaan, waarna je je omdraaide, de houten steiger oprende en het ijskoude water in dook met al je kleren aan, terug naar boven komend als een blije zeehond, het triomfantelijk uitproestend, lachend, naar ons kijkend vol trots alsof je een daad van het grootste gewicht had volbracht. De burgermannetjes keken verdwaasd naar het eigenaardige sujet in het water, alsof ze hem nu pas opmerkten; maar even later hervatten ze hun gesprek alsof er niets gebeurd was, zonder je nog aandacht te schenken. Ook jouw luidste paukenslagen konden de wereld maar enkele seconden doen verstommen, daarna draaide hij alweer apodictisch rond, en jij zag daar de symboliek van in, de prelude op wat er komen ging, het ongehinderd verder draaien na jouw passage onder ons; maar in plaats van daar larmoyant over te doen, je ogen ten hemel te richten en te jammeren, zwaarmoedig en zwijgzaam te worden, haalde je je schouders op en grijnsde je alsof het een waarheid was die je petje te boven ging. Ik denk niet dat iemand van ons je ooit op een verdrietig moment heeft kunnen betrappen. Die kant van je bleef verborgen, ik weet niet eens of je hem aan je vriendinnen toonde, ik heb het nog niet durven vragen, want er wordt maar weinig over je gepraat, de meesten schijnen een soort van boosheid of rancune mee te torsen als een slakkenhuisje dat hun pas vertraagt en hun blik versombert, ze hebben je nog niet vergeven, zowel het loutere feit dat je bent heengegaan als de manier waarop zijn nog niet verteerd, als iemand een anekdote bovenhaalt waarin jij als een kruising tussen Odysseus en Falstaff de protagonistenrol op je neemt, sluw en grappig, uiteindelijk winnend, ook als je verloor want je had ook dan de laatste lach, dan wordt er in eerste instantie gelachen en geknikt maar al snel verandert dat in een donkere blik en een hoofdschuddende zwijgzaamheid, en dan keert iedereen zich in zichzelf terug.
 
 
 
Mama vond die eeuwige vrolijkheid gevaarlijk en vervelend, de pose van een idioot, het is nu eenmaal de taak van volwassenen om zich ernst aan te meten, je mag speels blijven maar uiteindelijk moeten we toch vooruit, ouder en wijzer worden, sommige zaken kunnen alleen serieus worden afgehandeld, sommige situaties vragen om iets anders dan impulsief en rusteloos jongelingengedrag; ik denk dat ze je je ludieke afscheidsmonoloog bij de begrafenis van nonkel Martinus nooit helemaal vergeven heeft, ze was toen zo geschrokken dat ze de hele avond en nacht lijkbleek voor zich uit zat te staren zonder iets te zeggen, ze kon niet geloven dat iemand zich op een begrafenis zo kon gedragen: je was als enige niet in een zwart pak maar in hemdsmouwen gekleed met mocassins aan je voeten en een strooien hoed, waarschijnlijk om je levenslange strijd tegen het motto ‘de kleren maken de man’ ook daar en toen voort te zetten, die zinloze strijd waar je alleen in stond en die je talloze jobs heeft gekost omdat je in korte broek en hemdsmouwen en met mocassins aan je voeten naar sollicitaties ging en op vraag van de ondervrager naar het waarom van je kledij argeloos antwoordde dat je geen idee had waarnaar hij verwees, wat kon je toch koppig zijn, oompje, god nog aan toe, zelfs ik werd het soms moe, als je bleef volhouden zonder dat het nog enige zin had, zonder dat je er nog iets uit zou kunnen halen, dan was je echt een vervelend ventje van dertien (het enige dat je op die momenten tot inkeer deed komen was mijn blik vol teleurstelling: zodra je die in de gaten kreeg, had je door dat je fout bezig was en maakte je een einde aan de klucht, met een kleine, spijtige glimlach, en dan keek je naar mij en stak je je twee handen de lucht in voor een gebaar dat een verontschuldiging moest voorstellen en ik begreep je; volwassenen nam je nooit al te ernstig, maar als kinderen teleurgesteld of verdrietig waren stopte je onmiddellijk en leek je pijnlijk getroffen; alleen dan was je niet onoverwinnelijk en alles en iedereen de baas, daarom vind ik het vreemd dat je kinderloos bent gebleven; ik vroeg eens aan mama hoe dat kwam, niet wetende dat ze toen erg dronken was en haar gebruikelijke decorum en gereserveerdheid ver voorbij en ze antwoordde omdat zijn spermatozoïden waarschijnlijk naar het beeld van hun heer en schepper dusdanig rusteloos zijn dat ze halverwege de reis naar de eicel van gedachten veranderen en een andere kant opgaan, op zoek naar een nieuw avontuur; laten we niet vergeten dat hij nooit langer dan vijf jaar met dezelfde vrouw is samen geweest, nietwaar, kennelijk gaan ze hem allemaal vervelen, – of was hij degene die ging vervelen? ging ze op boosaardige toon verder, uiteindelijk heeft hij ons nooit verteld wie er precies wie had weggebonjourd, ik vermoed dat al die vrouwen na een tijd genoeg kregen van die kinderachtige van hot naar her zwalkende cowboy met zijn gitaar en zijn grijns en zijn Gauloises en zijn godverdomde hemdsmouwen, altijd maar die hemdsmouwen, en zijn kinderachtige affectie voor katten, met wie hij pretendeerde conversaties te voeren wanneer hij ze minutenlang in het oor fluisterde en dan uit hun gemiauw antwoorden scheen op te maken, zodat ik aan omstaanders moest uitleggen dat het maar een spelletje was, dat hij geen gek was; toen had mama door dat ze aan een tirade bezig was en besloot ze ermee op te houden eer ze over woorden zou struikelen met haar dubbele tong; ik ben toen met een slecht gevoel gaan slapen).
 
 
 
Dat was een lang terzijde, ik lijk wel die bedachtzame Deense prins met zijn lange monologen. Jij las graag en veel, maar altijd vanop een afstand, je hield niet van intellectuelen en gewichtigdoenerij, je vond boeken goed of slecht maar je weigerde mee te gaan in diepgaande besprekingen die de waarheid van tussen de regels probeerden te halen, ik voel boeken met mijn hart en mijn ziel, zei je altijd, sommige zinnen zingen me toe, en die vind ik goed, en bij andere blijft het stil, de zinnen dansen niet voor me uit, en die vind ik niet goed; en dat is alles, meer hoef je er toch zeker niet over te zeggen; dat was ook typisch jij, het verwerpen van de notie dat je over kunst zou kunnen praten, kunst is voelen, zei je altijd, ofwel voel je het ofwel niet; maar die sentimenten zijn onmogelijk in woorden te vertalen, woorden kunnen misschien veel, maar dat niet; maar meer nog dan van boeken hield je van muziek, oompje, ik zie nog helder voor me hoe je laat ’s nachts, als alle anderen gaan slapen waren maar jij net thuis was gekomen van je tochtje naar god weet welke nachtwinkel, welk café, welke groezelige vriend (op elke plaats waar we kwamen verschenen mysterieuze vrienden van zodra we voet aan wal zetten, alsof ze op een appel geroepen waren, altijd dezelfde soort figuren, verlopen, langharig, leren vestjes, vreedzaam en gelukkig ergens in de marge van de samenleving vertoevend zonder al te veel werk te verzetten), naar de platenspeler strompelde, onverstaanbaar mompelend, en een van je favorieten speelde, laat ’s nachts had je een kleine selectie dierbare liedjes waar je voor zover ik weet nooit van afweek, en dan leunde je vermoeid maar gelukkig tegen de platenspeler, half in slaap vallend, en neuriede je mee als Glenn Gould maar dan minder storend, wat hoorde ik je graag mee neuriën, je leek dan een kant van je persoon bloot te geven die we anders nooit zagen, waarschijnlijk omdat je ook dacht alleen te zijn, – ik zat als je ’s nachts met veel bombarie op je brommer vertrokken was rechtop in bed te wachten tot ik je hoorde thuiskomen op die typische manier van jou, zo onhandig in je poging stil te zijn dat je meer lawaai maakte dan als je zonder nadenken naar binnen was gekomen, er was altijd wel een stoel die je omstootte en een asbak die je van de tafel deed glijden, en dan haastte ik me met trippelpasjes naar de overloop en liep ik de trap af, om vervolgens stiekem vanachter het hoekje naar je te gluren, iets wat je nooit doorhad en wat ik je nooit verteld heb tot nu, wie weet wat je ervan zult vinden; je zette een plaat op, leunde tegen de krakende platenspeler, en wiegde en neuriede mee, alsof je jezelf een slaapliedje aan het zingen was; en het werkte want je begon algauw staande te knikkebollen, waarna je je met alle moeite van de wereld naar de dichtstbijzijnde zetel verplaatste en daar met je kleren aan in slaap viel, luid ronkend, en af en toe je hoofd schuddend wanneer je denk ik in een akelige droom gevangen zat, – je zei me een keer dat je nachtmerries meestal bestonden uit wekkers die vroeg af gingen; ik denk dat bij mensen die van het echte leven een droom weten te maken hun dromen omgekeerd evenredig saai en mimetisch zijn.
 
 
 
– Hoewel: misschien stelt dat de dingen te rooskleurig voor, nu ik erover nadenk. Een droom? Dat is wat wij er allemaal graag in zagen; maar als we even eerlijk zijn, oompje, heb je over de hele lijn gefaald. Je had in meerdere domeinen iets kunnen bereiken, maar uiteindelijk ben je de oblomovistische pendant van een touche-à-tout geworden, een nietsnut die overal maar wat aanmoddert zonder werkelijk iets te bereiken, zonder dat het anderen duidelijk was waarom je niet doorzette. Je bent het soort persoon dat een peperdure, gloednieuwe hoed die door de wind wordt meegenomen langs de stoep zou laten ontsnappen, omdat je niet wil worden gezien terwijl je bezweet achter een hoed aanrent. Wat dondert het allemaal, – dat zeg je toch zo graag, nietwaar? Wat dondert het.
 
 
 
Het dondert een heleboel, oom. Ik moet toegeven nu een beetje boos op je te zijn. Ik begin alles op een rijtje te krijgen. Ik zie je helder voor me, in je hemdsmouwen, met je mocassins, met dat eeuwig smeulende licht in je grijsblauwe ogen, met een gitaar om je rug en een pakje Gauloises in je borstzakje. Ik wissel tussen tegenwoordige tijd en verleden tijd omdat je aanwezigheid nog aan het knipperen is, je deemstert langzaam weg maar dan flakker je weer een ogenblik op, je weigert met je gebruikelijke koppigheid zomaar te verdwijnen, dat zou je ook niet passen; maar evengoed zul jij moeten buigen voor de tijd, voor de ronddraaiende wereld die nu je er niet meer bent, iets trager lijkt rond te draaien (je hebt dus toch iets bewerkstelligd), de tijd is een zware, lijzige substantie geworden, een kleverige brij waar we ons doorheen moeten worstelen, nu jij er niet meer bent om voor verstrooiing te zorgen, om de orde van de wereld op zijn kop te zetten, ons te leren dat je trappen niet alleen voorwaarts kunt bestijgen maar ook zijwaarts (wat vreemd en moeilijk is maar eens iets anders) of, op een goeie dag, achterwaarts; je zult niet meer plotseling door het poortje een blitzbezoek brengen in ons huisje in Frankrijk met je gitaar op je rug en genoeg energie om ons allemaal gedurende enkele dagen volledig op te laden, ons naar jouw evenbeeld te scheppen en naar je hand te zetten als een kleine god, je verplichtte ons ons levensritme en onze activiteiten te veranderen volgens criteria die je nooit uitlegde en die we niet helemaal begrepen, maar jij zag het allemaal helder voor je, en je kon behoorlijk kwaad en teleurgesteld worden als iemand je afviel en iets deed wat niet in je plannen paste (je bent eens woedend weggelopen omdat we een dag op voorhand een picknick-uitje naar het meer planden), wat had je toch schrik voor het spook van de gelijkvormigheid, het leek wel alsof je dat spook heel je leven aan je broekspijpen voelde snuffelen en dat je daardoor zo rusteloos op eeuwige doorreis was, van de ene plek naar de andere en zo verder tot in het eindeloze - zodra er op je tijdelijke verblijfsplaats iets op regelmaat begon te lijken, vertrok je naar een nieuwe bestemming. Elke dag moest een op zichzelf staande gebeurtenis zijn, losstaand van alle andere dagen: je bent de enige persoon die ik ken die het gebruik van de weekdagen streng afkeurde en minachtte, je noemde dagen nooit maandag of woensdag of zondag maar alleen maar vandaag, vandaag moet het allemaal gaan gebeuren, zei je dan. Soms gebeurde er ook echt iets bijzonders en dan was je euforisch; maar meestal gebeurde er niets al te bijzonders en dan droop je af. Geen twee dagen mochten dezelfde zijn.
 
 
 
Nu ik over je nadenk zie ik de paradox: je bent een mislukkeling, de kluns van de familie, en toch kijkt iedereen naar je op alsof je grote dingen verwezenlijkt hebt. Ik denk dat dat komt door dat vreemde schijnsel in je ogen, dat vanuit de verte lijkt op de trots van de deugniet die een streek heeft uitgehaald, maar bij jou op iets groters duidt, alsof je iets wondermoois hebt gezien dat daarna voorgoed verdwenen is (zodat wij het nooit zullen aanschouwen) en dat je omdat we het toch niet zouden geloven voor jezelf houdt, als Columbus die de kusten van Amerika in de verte ziet opdoemen maar ze daarna ziet wegzinken. Papa zei eens: iedereen vond je verschrikkelijk, maar wilde je toch altijd in de buurt hebben. Omgekeerd ging het niet: naar jou op zoek gaan, jouw gezelschap nastreven, bij jou willen zijn, was spoken najagen, was vruchteloos in het spoor proberen te blijven van de verdwijnende grijns van de cheshire cat. We moesten thuisblijven en ongeduldig wachten tot je de tijd voor een bezoekje geroepen achtte, bezoekjes die altijd te kort duurden, maar zo ging het nu eenmaal.
 
 
 
Je hebt er de brui aan gegeven. Je bent van het leven verdwenen zoals je door het poortje verdween in Frankrijk, met nog een laatste, haastige, nonchalante groet met die lange arm van je, die mooie, verfijnde vingers, opgesierd met een heleboel ringen, ijdeltuit die je bent, waarschijnlijk lichtjes glimlachend alsof je iets overkwam wat je niet helemaal begreep maar waar je geen aanstoot aan nam, om dan zachtjes weg te zeilen van deze wereld, die naar jouw zin te snel en aan een te regelmatig ritme ronddraaide, jij die de tijd heel af en toe naar jouw wil kon doen buigen, jij die ervoor gezorgd hebt dat de tijd de rest van mijn leven te traag zal gaan, omdat wachten op jou vanaf nu is als wachten op die dekselse Godot, het wordt nog een leven lang wachten om je dan, misschien, daarna, op die plek waar je nu waarschijnlijk rusteloos zit te wezen, opnieuw te zien, al zal het dan opnieuw op jouw initiatief zijn, een kortstondige passage, met één oog zelfs tijdens een opperste moment van plezier op een onbepaald punt verderop gericht waar je iets ontwaart dat op je aan het wachten is, en dan een vluchtige groet en een verdwijning, met die hemdsmouwen van je, die gitaar op je rug, en dan die grijns …