Literaire kritieken

Vanaf het voorjaar van 2017 positioneert DW B zich nog steviger middenin het literaire debat. We blijven inzetten op gedegen teksten waarin critici de tijd nemen en de ruimte krijgen om zich op geheel eigen wijze te verhouden tot belangrijke literaire werken. Er is maar één verschil met het verleden: we drukken de kritieken niet meer af op papier maar plaatsen ze direct online op www.dwb.be. Zo zingt DW B ook digitaal mee in het polyfone koor dat de literaire kritiek is - met haar eigen, voldragen stem.

 

Voor de literaire kritieken die voor 2017 in de DW zijn verschenen kunt u terecht op de archiefwebsite.

Volg daarvoor deze link: dwbarchief.be

 

 


 

 

Afscheid van Cees Nooteboom

Auteur: Huub Beurskens - juni 2020

Cees Nooteboom, Afscheid. Uitgeverij Koppernik, Amsterdam, 2020.

Download deze tekst in pdf hier

‘Afscheid van Cees Nooteboom’. Toen ik dat noteerde, louter bedoeld als kopje boven mijn lectuurglossen bij een nieuwe dichtbundel (of een nieuw gedicht) van Cees Nooteboom, diende zich als uit zichzelf en tot mijn schrik de nogal ongepaste, want ontijdige betekeniscontext van een uitvaart aan. Tegelijkertijd zat juist hierin, zoals spoedig zou blijken, de crux, als ik dat woord in dit verband mag gebruiken, van wat de zesentachtigjarige dichter zelf, als enige die daartoe het recht had, zich voorstelde of probeerde voor te stellen aangaande zijn verscheiden en het al dan niet eindige van zijn einde.
            Nooteboom noemt zijn uit drie afdelingen van elk elf gedichten bestaande poëziepublicatie een ‘gedicht uit de tijd van het virus’. Wat een dichtbundel leek te gaan worden, ontwikkelde zich, zo blijkt uit het nawoord van de dichter, tot een soort schakelgedicht waarvan het beloop mede gedirigeerd werd door de bewegingsvrijheid beperkende omstandigheden vanwege de dreiging van de viruspandemie: ‘het zou vreemd zijn als het gedicht zich daar niets van aan zou trekken.’
            In de eerste afdeling van Afscheid is nog geen virusperikel aanwezig, maar de overdenking van de dood dient zich onmiddellijk aan in het even krachtige als prachtige, even vormvast ogende als losjes aandoende openingsvers:
 
Dit vroeg de man in de wintertuin zich af,
het einde van het einde, wat kon dat zijn?
Het leek hem geen enkele vorm van verdriet,
hij keek naar buiten, zag een wolk die er uit
 
zag als een wolk, loodgrijs, te zwaar voor
elke weegschaal, de ontbladerde vijgenboom
tegen de duizendjarige stenen van de muur,
de ganzen van de buren, hun censuur,
 
hoe de nacht gecorrigeerd moest worden,
de grammatica van onteigening, niemand
nog zichzelf, geen enkele verschijning,
terugtocht na de nederlaag
 
maar geen bestemming.
 
Die wintertuin van de eerste regel mag gerust symbolisch worden geduid, lijkt me, en de man en de wintertuin zijn één. Wanneer de man vervolgens kennelijk vanuit zijn huis naar buiten kijkt, zijn het concrete zaken die in hun aanwezigheid zoiets als het laatste stadium vóór een antwoord lijken, net voor depersonalisatie en finale oplossing, ook van de taal, van het besef dus – en waarschijnlijk ook van het gevoel: ‘geen enkele vorm van verdriet.’
            De laatste woorden van deze eerste gedichtschakel, ‘terugtocht na de nederlaag / maar geen bestemming’, doen me denken aan Rilkes slotwoorden van zijn ‘Requiem. Für Wolf Graf von Kalkreuth’ (1908): ‘Wer spricht von Siegen? Überstehn ist alles.’ Rilke heeft het daar echter over een leven dat geen overwinningen hoeft op te leveren maar dat volgehouden en doorstaan moet worden (de veelbelovende dichter Von Kalckreuth maakte op zijn negentiende een einde aan zijn leven), terwijl Nooteboom de onherroepelijke, niet vrij gekozen, in ons bestaan meegegeven dood aankaart, die onherroepelijke nederlaag van het leven, waaruit je je hebt terug te trekken zonder dat er nog een weg of bestemming achterwaarts bestaat.
            Dit meditatief onder ogen zien van het onontkoombare wordt in het volgende vers van de eerste reeks als het ware weer in de nog bestaande en al bestaand hebbende, veelal schrikwekkende werkelijkheid geaard, want:
 
Dat had hij in de oorlog gezien, verslagen
soldaten bij hun aftocht, bang, vuil, de monden
die zo hadden gezongen toen ze kwamen,
nu gesloten. Over triomf hadden ze gezongen […]
 
Herinneringen volgen, aan dood door oorlogsgeweld, in het derde vers aan het ‘met een droom een wereld ingetrokken’ zijn van de man (als jongeman), ‘met nergens een plaats.’
In de volgende verzen, die net als alle andere in elke afdeling van Afscheid bestaan uit drie strofen van vier regels met onderaan een coda, een staartje, passeren tal van mensfiguren uit het arsenaal aan beelden in het geheugen van de man. Zo doemen er beelden op van ‘goedgeklede mensen die op reis gaan / op zoek naar een coupé die er niet is’; veel uitleg over om wie het daarbij gaat hoeft er dan niet meer bij. En de foto van ‘het meisje tussen de deuren, laatste blik op de wereld’, zullen velen van ons kennen. Vrienden zijn er, overledenen. En hoofden, steeds meer, terwijl gaandeweg de man een ‘ik’ wordt: ‘De stoet / die zich in hun dromen mengde, / verscheen aan het hij van mijn / ik, het ik van mijn hij.’ Het is welhaast een poëtische definitie van de zogenaamde Rückenfiguren in de schilderijen van Caspar David Friedrich, waar je een of twee mensfiguren met hun rug naar je toe ziet staan kijken naar een landschap en je je afvraagt wat je nu allemaal ziet, het landschap dat jij ziet en dat jij denkt dat ook zij zien of zoals jij het zou zien wanneer jij daar stond …
            ‘Hoofden zag ik, talloze hoofden’, zegt het laatste vers van de openingsafdeling, ‘veldheren, minnaars, reizigers / tussen de sterren. Elk hoofd zijn / eigen verhaal.’
            Er zit veel mededogen in deze afscheidspoëzie van Nooteboom, en ook angst voor de niet-aflatende wreedaardigheid van medemensen, in elk geval geen zelfbeklag, maar wel de erkenning dat elk menselijk wezen, dat elk mensenhoofd, of beter: in elk mensenhoofd, uiteindelijk hetzelfde lot wacht waarmee men voor de gegeven tijd moet zien te leven. Iedereen is ‘op weg naar het gevecht in de / spiegel’ heet het op het einde van het tiende vers. Dat laatste woord vormt het codaatje ervan. Ik meen te begrijpen waarom het daar bungelt, ik denk ook aan te voelen waarom al die verzen zo’n staartje hebben: omdat geen enkele vorm al af en gesloten kan zijn zolang er navolgbare beweging in zit. Maar niet ook omdat uiteindelijk alles afbrokkelt en loslaat? Ja, dat eveneens.
De tweede afdeling begint met een zelfreflectie naar aanleiding van het voorafgaande, te beginnen met de man in de wintertuin, uitkomend bij al die hoofden, personages zowel uit de eigen geschiedenis als uit de historie van de mensheid. Dat laatste betekent andermaal veel moordzucht en waan. De man zou het liefst afstand van dat alles willen nemen, maar hij beschouwt het als zijn opdracht om niet te vluchten en ook de door mensen aan medemensen berokkende ellende onder ogen te blijven zien.
            Uit het nawoord blijkt dat de wending die het gedicht inmiddels heeft genomen is voortgekomen uit het feit dat Nooteboom een map met tekeningen (van hoofden) van de Duitse kunstenaar Max Neumann in handen kreeg. Voor het lezen van Nootebooms poëzie is kennis van dat gegeven geen voorwaarde; menig beeld in de tweede afdeling zou je kunnen lezen als beschrijving van of voortkomend uit het kijken naar die tekeningen van Neumann, maar het is voor de lezer allerminst noodzakelijk om die tekeningen zelf te kennen. De poëzie doet haar eigen werk. Wel geeft het vermelden van die coïncidentie in het nawoord aan dat de dichter, zoals het een kunstenaar in een werkproces betaamt, zich mede laat leiden door zaken die zich van buitenaf aandienen, schijnbaar van buitenaf en onverwacht, maar even schijnbaar speciaal ervoor verschenen, als hadden ze op hem gewacht … Vaak wordt verondersteld dat een dichter die geconcentreerd bezig is, geheel verzonken is in zijn werk, zo veel mogelijk afgesloten van wat er om hem heen gebeurt – even vaak is het tegendeel waar en is zo’n dichter dan juist een en al alert zintuig in de wereld, waarbij hij er telkens weer verbaasd over is hoe die wereld even onverwacht als vanzelfsprekend hints en presentjes voor zijn werk in petto heeft.
            Terug naar het gedicht.
            Nadat heel wat figuren uit heel wat omstandigheden en tijden de revue zijn gepasseerd, en hoewel er vanaf het begin van de mensheid wat gedrag en lot van de mens betreft niets nieuws onder de zon is, stelt de man nogmaals vast: ‘voor het einde komt / alles nog een keer voorbij, pas dan mag hij / gaan en wie weet ook lachen als een wees in het donker / die hangt aan de woorden van verzen.’
            Bezworen wordt die schier eindeloze stoet schrikwekkende gestalten met het slotvers van de tweede afdeling van Afscheid:
 
Loop niet weg. Blijf bij dit zachte
gezicht van een zomeravond, vrede,
gesprek aan het water, gefluister,
gemurmel waarin het onheil
 
verdwijnt. Hij hoort het paard
in de weide, er vliegt nog een vogel,
blijf liggen, verjaag de gevaren,
wees niet bang voor de vormen
 
van het gezicht zonder ogen,
voor de vrouw met de haren
van touw, voor de mond zonder
lichaam, laat ze niet toe in de slaap
 
die van jou is.
 
Een schrale troost dat het einde van het einde helemaal van jou is, zoals je slaap dat is, want wie ben ik of is mijn ik nog in mijn slaap, al is die uniek van mij?
In de derde afdeling is meteen de ik-persoon aan het woord. Die meldt dat hij op een cd met muziek van Kurtág – op het boekje in het doosje, neem ik aan – een foto van een steen heeft gezien met twee oren: ‘Ze staan niet opzij maar als reliëf / tegenover elkaar. In het midden een leeg vlak.’ Hij vindt geen uitleg over de oorsprong en betekenis van deze steen, die nu ook op het voorplat van de Afscheid-uitgave te zien is. Het betreft een votiefsteen van Romeinse of Hellenistische oorsprong, weet ik, bedoeld dus om de goden of een god ertoe te bewegen iemands gehoorverlies ongedaan te maken. Het ik probeert als een Orpheus de steen door zingen tot luisteren te bewegen. Maar ondanks dat hij oren heeft gekregen: ‘de steen blijft zo stil als een steen.’
            Dat leidt in volgende verzen tot vragen over de macht, of althans de mogelijkheden en dus de zin van kunst: ‘Wat wilde ik zeggen in die rotsige regels, / in rijmen die stoten op hun gelijken, / het vergeten gemeten, de korte triomf / van muziek? Wie zou daarop / dansen? […] Probeer dat tegenover de sterren die / het ergste betrachten, / de toon van oneindig verdriet / dat uit slachtoffers opstijgt.’
            Het zal die sterren even koud of heet laten, nietwaar? En als de kunst de sterren niet bereikt: wat stelt de aarde waarop die kunst wordt gemaakt helemaal voor in het heelal? ‘Wat voor geluid maakt de aarde / in het huis van de ruimte? Zoemt, neuriet, / stottert, huilt voor zich uit zonder ooit nog een aankomst.’
            En, is een van de volgende vragen, als alle kunst toch verstomt en de aarde op weg is naar haar desintegratie, wat is het dan wat je had willen bewaren: ‘Het geluid van een stem, / de herinnering van een schouder, een / hand, de kleur van haar ogen, de geur / van een lichaam, voor altijd / vervlogen?’
            Het moge duidelijk zijn dat de dichter hier dichtend bezig is zijn eigen onderneming te ondervragen. Is die onderneming uiteindelijk niet volstrekt zinloos? Doet de dichter, die hier aan het woord is, het dan voor zijn levensgezellen, kennissen, vrienden? Maar: ‘Ik zag ze gaan, de mensen / van mijn leven, ze liepen langzaam uit mijn /en hun eigen bestaan.’
            Bij zijn inzicht dat hij, dat de mens in wezen eenzaam is, voegt zich het besef van de oud geworden dichter dat hij inmiddels ook zo goed als alleen is. In het voorlaatste vers van Afscheid ziet hij ook zijn laatste geliefde verdwijnen: ‘Daar richt iemand zich op, een / laatste gestalte die zich verwijdert / ik kijk haar na, de enige / van mijn bestaan.’ Met haar verdwijnen voelt hij ook zijn verlangen naar haar uit zich vertrekken.
            De dichter is een hoogbejaarde Orpheus geworden, verstoken van een beroep op God of goden, zonder geloof in metafysica of hoop op transcendentie. Zelfs zijn Eurydice is voorgoed verloren.
            In het slotvers lost de dichter als het ware op, in een ‘afscheid van mijn zelf / en word dan langzaam // niemand.’ Zo is de man in de wintertuin van de allereerste regel van Afscheid niet meer dan een laatste codaatje geworden, ‘niemand’. Zoiets kun je natuurlijk alleen noteren in levenden lijve. En in leven, zelfs bij het uitzicht op het definitieve afscheid ervan, is de dichter nog steeds een Rückenfigur van zichzelf.
            Andermaal moet ik aan Rilke denken. Dit keer aan de openingsregels van een van diens ‘Sonette an Orpheus’ (1922): ‘Sei allem Abschied voran, als wäre er hinter / dir, wie der Winter, der eben geht.’ Met verderop in hetzelfde sonnet de enigmatische raadgeving: ‘Sei immer tot in Eurydike.’ Daarmee wil ik allerminst beweren dat Nooteboom hier de contour van Rilkes imperatief heeft gebruikt om die in te kleuren, al ben ik ervan overtuigd dat hij het werk van Rilke goed genoeg kent. In elk geval is het gedicht Afscheid zelf nog geen afscheid, want het is dat ‘einde van het einde’ juist vóór.
            Intussen is ‘het virus’ als zodanig, ondanks de ondertitel, buiten beeld gebleven. Gelukkig, want juist de afwezigheid ervan laat zien dat het menselijk afscheid een actualiteit van alle tijden is. Een voortreffelijk gedicht is het geworden, geschreven door een taalvakman, boeiend om te volgen in zijn ontwikkeling, met zijn afwisselingen en variaties van gedachten en beeldassociaties, altijd helder, ook waar de logica er niet aan te pas hoeft te komen, nergens larmoyant of sentimenteel, beheerst en toch zeer bewogen, melancholisch uiteraard, maar dan vitaal.

 

BIBLIOGRAFIE

Cees Nooteboom, Afscheid. Uitgeverij Koppernik, Amsterdam, 2020.