Derde laureaat poëzie

Gedichten

Sara Eelen

 

 

 

De realiteit van het gemaakte

 

We denken na over de realiteit van het gemaakte en hoe onvolmaakt die is.

Zelfs in een pas gepoetste kamer valt stof. Kluizen hebben tastbare sloten en raadbare codes.
Kopieën krijgen koffiekringen en herdrukken bevatten schrijffouten.
 
Woorden drijven op lucht, draaien in hun betekenis.
En wij mensen vervormen landschappen tot gezichten
en gezichten tot bekenden, waaien ze uit tot het terug vreemden zijn.
Onze hoofden zijn gevuld met replica’s van herinneringen.
 
Wij omvatten de nacht als we ’s nachts de benen om de benen
en de armen om de armen, maar ook dat is verschuifbaar,
simpel te verleggen.
Bijna alle puzzels gaan na verloop van tijd puzzelstukken missen.
 
Grimassen zijn kneedbaar, brieven brandbaar,
elke definitie wordt in tijd omvergeworpen
en de uitzondering bewijst zelden de regel.
 
Al een hele tijd denken we na over de realiteit van het gemaakte
en waar die vorm krijgt in ons.
 
 
 
 
 
 

 

 

Buigen



Ik ben een wezen vergroeid met jouw afgepelde vingertoppen.
Ooit kneedde je me helemaal
tot je handen zwollen als sponzen.

Vervolgens lag ik daar
misschien zoals ik hier nu lig
in je schoot zoekend naar overgangslijnen.

Van mijn ogen tot mijn voeten span ik de boog,
om daarbinnen het beeld te sluiten:
twee verwrongen lichamen, nog geen ontbrekende gedachten,
alles wat gebeurde telde als aanvulling op het geheel.

Maar de schaal van de dingen is afgenomen.
De lichamen leven alleen buiten mijn boog en ze buigen.
Ze buigen zich krom naar dat licht, naar de woorden die niet komen.
Ik merk nu hoe de boog in mijn rug zich spant
als ik buig
verzakt de vloed van vergeten volledig naar mijn bovenlijf.

Ik merk het nu. Ik buig me steeds vaker.
Alsof ik alsnog de overschot wil verzamelen,
me in een lichaam of leven wil plooien dat beter bij jou past.
 
 
 
 
 
 

 

 

Drieëntwintig

 
 
Ik ben drieëntwintig jaar oud.
Even ver van het jaar dat ik zesentwintig word als van het jaar dat ik twintig werd verwijderd.
Ik lijk in tegenstelling tot de algemene veronderstellingen verder weinig verandering te zien.

Ouder worden lijkt het eindproduct van de tijd, geen proces met inspraak.
Elke stap in de jaren leidt tot het afbrokkelen van de gedachten die ik bijna op kleur en voorkeur had gesorteerd.
Mijn reikwijdte verplaatst zich wel, maar neemt weinig af of toe.
 
Tijd ontneemt al het dieptezicht – het is onmogelijk te zeggen wat ver en wat dichtbij blijft.
Meer dan dat krijgt het vorm achter een hoek in mijn hoofd, ik lees op basis van de schaduw af of het ruw of zacht of bang is. Waarschuw mezelf ervoor
dat alles kan eindigen
met een simpele schok in de schouders.
 

 

 

 

 

 

 

 

Derde laureaat poëzie van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2018.