Derde laureaat proza

Ik wilde een zeevogel worden

Elianne van Elderen

 

 

 

Vanaf station Vlissingen bestaat er maar één trein met dezelfde eindbestemming. Je hoeft niet te weten waar je heen wil, zolang het maar weg is van hier. Wij komen hier vaak in de zomer, omdat mijn moeder graag naar plekken gaat waar mensen weggaan. Wanneer we in de stationshal staan, zet ik Jelles koffer even neer. Nu ik beide handen vrij heb, stop ik mijn boek over ornithologie terug in mijn rugzak. ‘Waar slapen treinen ’s nachts?’, vraagt Jelle en hij houdt de hand van mijn moeder vast. Ze wijst mijn broertje op de cafetaria in de stationshal. Afleiding is de beste tactiek en mijn moeder is er meester in. Jelle kiest een ijsje in een plastic beker die hij kan bewaren, met gele poppetjes erop afgebeeld. Ik heb een keer een schelpenhoorntje zo lang in mijn zak bewaard dat alle scherpe puntjes er afgesleten waren. Wij bewaren graag en hergebruiken alles zo vaak tot de randen stomp zijn en ze ons geen pijn meer kunnen doen. Ik heb geen ijsje nodig om stil te worden gehouden. Ik heb net gelezen dat ooievaarskuikens een schijndood aannemen bij gevaar.

Het tapijt op de vloer van de veerboot is al jaren niet vervangen. De donkerblauwe vezels hebben de ruwheid van een vaak gebruikt schuursponsje. De stoelen staan allemaal naar dezelfde kant gericht. Er hangen twee lelijke schilderijen aan weerszijden van de deuren waar iedereen binnenkomt. Een met koning Willem-Alexander en een met koningin Máxima. Ik heb nooit begrepen waarom. Als we zouden zinken, zouden we hen meenemen naar de zeebodem. Misschien is dit onze manier van geschiedenis schrijven: zinken, vergeten worden en hopen dat iemand ooit, na tientallen jaren, ons op de bodem vindt. Onze resten worden voorgelegd aan onderwaterarcheologen die zullen oordelen over hoe gelukkig we waren vlak voor we zonken. Ik heb laatst een documentaire over de Titanic gezien waarin de wanhoop van de opvarenden werd gereconstrueerd. Op de Westerscheldeferry passen maximaal 186 passagiers en 90 (brom)fietsen. Wij zouden niet groot genoeg zijn om een ramp te worden genoemd. Op zee dobberen vier meeuwen in mijn zicht.

Mijn moeder zoekt iets in haar tas en ik zit op een stoel die ervoor zorgt dat ik recht naar Willem-Alexander kijk. Jelle rent over het megaschuursponsjestapijt omdat hij dat niet op het dek mocht doen. Ik vraag me af of ik een krantenkop zou krijgen als ik Jelle ongezien overboord zou gooien, er dan zelf achteraan zou springen en hem zou redden. Voordat ik een antwoord kan bedenken, bereiken we de haven van Breskens. Zonder te zinken.

                       

*

                                                                      

           

Vanaf de camping is het een halfuur met de bus naar Knokke. Alleen de buschauffeur heeft een klein ventilatortje op zijn dashboard staan. Jelle ligt op mijn moeders schoot te slapen op de tweezit voor me. Kleine kinderen huilen of slapen als het warm wordt, alsof hun lichaam stopt met normaal functioneren, voor zover vijfjarigen daar überhaupt al toe in staat zijn. In mijn eentje zit ik met mijn ogen dicht op de achterste bank, die bij schoolreisjes altijd het eerst bezet werd. In groep 7 zijn we naar het Scheepvaartmuseum in Amsterdam geweest. Dat was twee uur rijden. Bij het schaalmodel van een VOC-schip was ik de enige die de kleine stukjes informatie over slavernij op mijn uitgeprinte speurtocht las. De rest van de klas had het te druk met het zoeken naar letters die verstopt waren in de zalen en samen het woord ‘zeemagazijn’ vormden. Op de terugweg liep ik samen met juf Yvette op kop. ‘Waarom gaan we helemaal naar de andere kant van de wereld om landen te bezetten terwijl er hier ook nog ruimte is?’, vroeg ik. ‘Sommige mensen hebben nooit genoeg’, zei ze en ik deed alsof ik haar begreep. Ik mocht als eerste in de bus omdat ik, na juf Yvette, als eerste bij de deur was. Ik ging in mijn eentje op de achterste bank zitten. Toen het groepje van vijf populaire kinderen de bus in rende met halfopen zakken dropveters, kwamen ze meteen op de achterste bank af. Ze zeiden dat de bank van hen was en dat ik een dropveter zou krijgen als ik weg zou gaan. Ik durfde niets te zeggen en maakte mijn bovenbenen, die door het zweet aan de nepleren busbekleding waren vastgeplakt, los van de bank. Ik denk dat dit mijn eerste ervaring was met kinderen die de zonen van kolonisten hadden kunnen zijn. Mijn broertje zou de tweede ervaring worden. Ik kreeg niet eens een dropveter.

Als ik mijn ogen opendoe, stopt de bus bij een halte waarna we nog vijftien minuten moet lopen naar vogelpark Het Zwin.

Mijn broertje krijgt een pluchen ooievaar in het souvenirwinkeltje aan het begin van het park. Ik krijg een plattegrond van de vrouw achter de kassa. Jelle zegt dat de ooievaar op mij lijkt. Als ik vraag waarom, weet hij dat niet. ‘Hij mag wel een keertje bij jou logeren als ik bij mama slaap’, zegt hij. Binnen de tien minuten zijn de witte ooievaarsvleugels al twee keer door het zand gesleept. Jelle slaapt vaak bij mijn moeder en ik altijd alleen. Soms ga ik ’s nachts stiekem in zijn bed liggen in een poging om te ervaren hoe het voelt om iemand te zijn die bij iemand anders kan slapen. De vorm van de kuil in het matras neemt steeds meer het figuur van mijn lichaam aan dan dat van Jelle.

Mijn broertje wordt door mijn moeder getild in een karretje in de vorm van een pelikaan. Ze duwt hem voort met de metalen paal die aan de achterkant van het karretje is bevestigd. ‘Wil je nog iets drinken?’, vraagt ze. Jelle schudt zijn hoofd. Bij het woord koekje begint hij wel enthousiast met zijn beentjes te schoppen voor zover de pelikaan dat toelaat. Ik haal de rugzak van mijn rug. Ze haalt er een pak ligakoekjes met melk- en aardbeienvulling uit. ‘Krijg je het pakje zelf open?’, vraagt mijn moeder, terwijl ze zelf al een scheurtje maakt in de plastic verpakking met kartels om het Jelle makkelijker te maken. Ik haal een stroopwafel uit de tas en hang hem terug op mijn rug. Onderweg verliest Jelle zijn knuffel een paar keer.

Door het natuurpark loopt een grindpad. Er staan informatiebordjes die iedereen als waarheid aanneemt. Soms vind ik spelfouten in de Latijnse vogelnamen of beschrijving van het territorium. Ik ben denk ik de enige die het ziet. Ik wil later een eigen Wikipediapagina zodat ik zeker weet dat ik besta. Soms google ik dingen die ik niet wil weten. Toen we drie jaar geleden in de brugklas een werkstuk moesten maken, heb ik mezelf toegevoegd aan Wikipedia als heilig persoon. Ik had niet eens gelogen over mijn geboortedatum. Na een uur kreeg ik een mailtje dat ik niet heilig was en mijn pagina werd verwijderd.

‘Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief kleine zoogdieren. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water’, leest mijn moeder voor van een paaltje waar Jelle naar wijst. ‘Wat zijn zoogdieren?’, vraagt hij. Mijn moeder antwoordt: ‘Mensen zijn bijvoorbeeld zoogdieren.’ Jelle kijkt bezorgd en drukt zijn pluchen vogel dichter tegen zich aan; ‘Eten ooievaars dan ook kleine mensen?’ ‘Soms’, zeg ik voordat mijn moeder hem gerust kan stellen. Als ik naar het volgende bordje loop, kijkt ze me boos na.

 

                                                                      

*

                                                                      

 

De tafel in de caravan is klein, inklapbaar en gammel. Toen ik klein was, heb ik regelmatig met mijn vingers klem gezeten in de gleuven van de metalen poten die ervoor zorgen dat hij in te klappen was. Mijn moeder gaf me toen nog pleisters. Tegenwoordig houdt ze Jelle weg van de gevaarlijke situaties die mij kapotmaakten. Soms denk ik dat ze mij heeft gekregen om uit te testen wat je je kind niet moet laten doen om het succesvol te laten zijn. Toen kreeg ze mijn broertje, met een man met een naam die als onverteerbaar zand onaangenaam in je mond blijft hangen. We praten niet meer echt over Jeffrey. Ik heb een keer mijn pols gebroken, twee keer een wond moeten laten hechten, te vaak mijn nagels afgescheurd tot ze bloedden, en te weinig armen gehad om me in op te vangen. Jelle moet alles worden wat ik niet geworden ben. Hij is een herkansing. De pindakaaspot schuift een stukje over de campingtafel zodra mijn moeder ertegenaan stoot om te gaan zitten. Ze drukt de hagelslag zorgvuldig vast in de boter van het zachte broodje van Jelle. Ik lik de stroop van mijn mes af.

Morgen zijn we jarig en gaan we naar het strand. De dijk is maar vijf minuten lopen, maar mijn moeder houdt er niet van om zand uit mijn lange haar te moeten kammen. Jelle en ik zijn op dezelfde dag geboren. Soms kijk ik op de verjaardagskalender van Facebook of er een dag bestaat waarop twee of meer mensen tegelijk jarig zijn waar ik evenveel van houd. Ik vind er nooit een. Er zit iets in mensen waardoor je voor elke dag van het jaar maximaal één persoon kent die op die dag jarig is en waar je veel van houdt. Je kan niet evenveel houden van twee personen die tegelijkertijd taart uitdelen op hun feest. Je moet altijd kiezen op welke van de twee, of meer, verjaardagen je als eerste je navigatiesysteem instelt, wie het eerste een cadeautje krijgt, welke verjaardagskaart je als eerste de brievenbus in laat glijden. Je hebt altijd één lievelingsknuffel. Evenveel houden van iets of iemand bestaat niet. Mijn moeder likt aan haar vingers en haalt de laatste restjes opgedroogde slaap uit Jelles ooghoeken. Ik denk dat ze later mijn adres niet eens uit het hoofd zal kennen. Als ik later een kamerplant koop, noem ik hem Jelle en geef ik hem nooit water.

 

 

*

 

 

De zon heeft te lang op het zand gestaan om er nog aangenaam op blote voeten over te lopen. De schouderband van de strandtentverpakking snijdt in mijn nek. ‘Zet jij hem even op?’, vraagt mijn moeder. Mijn antwoord klinkt als tegen elkaar slaande metalen tentstokjes. Ik krijg maar één keer bijna tranen in mijn ogen als ik klem kom te zitten met een velletje tijdens het in elkaar zetten van de stokken.

Mijn moeder haalt een nieuwe fles zonnebrand uit de tas. ‘Heb jij nagels om hem open te krijgen?’, en ze geeft mij de fles zonder te wachten op een antwoord. Met mijn tanden open ik hem. Een stukje breekt af. Ik stop het kapotte lipje van de zonnebrandfles in mijn mond. Met mijn voortanden kauw ik doelbewust scherpe randjes in het oranje staafje plastic. Op het uiteinde bijt ik een scherp puntje dat door mijn bovenste huidlaag zou kunnen dringen als ik er hard genoeg mee op zou drukken. Ik wrijf de crème uit tot mijn lichaam overal even wit is. Mijn broertje schept een hoop zand op elkaar en noemt het een kasteel. Ik doe alsof ik hem niet hoor en mijn moeder geeft hem complimentjes met een stem die ze ook gebruikt als ze tegen gehoorzame huisdieren praat. Na een tijdje gaat ze op haar buik liggen en een Zweedse puzzel maken. Rechtsboven moet een Spaanse rivier met vier letters worden ingevuld. Ik zwijg over de Ebro. Mijn moeder bijt de bovenkant van haar pen kapot.

‘Ik ga wel even met Jelle zwemmen’, zeg ik en ik veeg het zand dat zich door een mengsel van zweet en zonnebrand aan de onderkant van mijn bovenbenen heeft gehecht, eraf. Ze trekt haar wenkbrauwen op. Als ik overeind ga zitten, vormen er zich twee vouwen in mijn buik. ‘Ja, ik heb het toch warm’, mompel ik. Het lipje van de zonnebrandverpakking stop ik met mijn tong tussen mijn wang en mijn kiezen. Met mijn vingers probeer ik ongezien mijn bikinibroekje tussen mijn billen uit te halen. Mijn moeder weet nog steeds niet dat de Ebro bestaat. In de strandtas zit een kartonnen doos met een opblaasdier. Het prijsstickertje zit er nog op en is over de adviesleeftijd heen geplakt. Met mijn nagels pulk ik het felgele stickertje van de verpakking en kneed het tussen mijn vingers tot een rolletje dat ik verstop onder een laagje zand. Zolang niemand ziet dat je iets weggooit, ben je zelf de enige die bang kan zijn iets te verliezen. Zelfs de kleinste snoeppapiertjes bewaarde ik altijd maandenlang in mijn zakken, totdat mijn moeder de jas in de was deed. Dan kwamen ze er verschrompeld uit en gooide ze de propjes weg. Ik ben lang bang geweest om dingen kwijt te raken die ik nooit heb gehad. Tegenwoordig laat ik makkelijker dingen achter. Boven mij vliegen drie zeemeeuwen. Het moet fijn zijn te weten dat je nooit kan verdrinken, dat je iets hebt waar je niet bang voor hoeft te zijn. Een vetlaag over je verendek die ervoor zorgt dat er geen water is dat je kan aantasten. Ik klem een tuitje tussen mijn tanden en blaas lucht in een krokodil. Mijn broertje slaat enthousiast met zijn schepje op het zand. Hij maakt zijn eigen paleizen kapot en lacht erbij.

 

 

*

 


Jelle rent naar de zee. Mijn voeten zakken weg in het zand. Ik laat geen voetafdrukken, alleen kuilen achter. Dichter bij de zee is het zand harder. De staart van de opblaaskrokodil sleept over het strand.

De zwembandjes schuren tegen Jelles droge huid. Hij staat tot net boven zijn enkels in het water. De krokodil gooit hij voor zich uit in de zee. Zijn vingers ballen zich tot vuistjes, zijn wenkbrauwen fronsen zich naar elkaar toe, er ontstaan rimpeltjes in zijn samengeperste lippen en hij maakt ontevreden geluidjes. Hij begint aan zijn zwembandjes te trekken. ‘Zitten ze niet fijn?’, vraag ik. Hij schudt ongecontroleerd met zijn hoofd en probeert zijn armen boos over elkaar heen te leggen. Door de zwembandjes lukt het niet helemaal. ‘Zal ik ze uittrekken?’, Jelle kijkt me aan alsof we in het Kruidvat staan en allebei een hard geworden snoepje stiekem in onze mond hebben gestopt. Hij knikt. De krokodil dobbert steeds kleine stukjes weg maar wordt door de golven telkens weer naar ons geduwd. Ik hurk voor Jelle en laat voorzichtig lucht ontsnappen uit de feloranje bandjes tot ze over zijn armen kunnen schuiven. Over zijn schouders kijk ik naar mama. Ze denkt nog steeds na over de Ebro. Ik gooi de bandjes een einde verder op het strand waar de zee ze niet mee kan nemen.

Er liggen minder schelpjes op de bodem naarmate we dieper de zee in lopen. Hoe verder weg het strand is, hoe rustiger de golven worden. Er vormen zich geen schuimkoppen meer hier. Het is alsof we tegen een ontstaansgeschiedenis in lopen. Als ik het afgebroken lipje uit mijn mond haal, smaken mijn vingers zout. Met mijn rechterduimtop knijp ik het spitse oranje plastic staafje tegen de holte van het middelste kootje in mijn wijsvinger zodat ik het niet verlies. Af en toe drijft er zeewier langs met blaasjes die zouden ploffen als ik erop zou springen. Mijn broertje zit niet stil en maakt schelle geluidjes van blijheid. Hij steekt een van zijn worstarmpjes in het water. Met zijn hand sleept hij door het wateroppervlak. Kleine golfjes slaan stuk tegen zijn huid. Het is alsof zijn hand een schaalmodel was van een rij paalhoofden op het strand of een nieuw model golfbreker. Zelfs de golven moet hij kapotmaken. ‘Jelle, je moet wel de zwarte handvaten blijven vasthouden’, zeg ik en ik zet hem weer recht op de opblaaskrokodil. ‘Kijk maar vooruit, daarheen’, en ik wijs met mijn linkerarm naar de horizon. ‘Kijk maar of je Engeland al kan zien.’ Het water komt nu tot onder de beugel van mijn bikinihesje.

In tegenstelling tot Jelle heb ik wel zwemles gehad. Toch denk ik dat mijn oude zwemlerares geen naam zou hebben voor de bewegingen die mijn benen maken wanneer ik vooruit probeer te komen in het water. Ze zou me hoogstens vergelijken met een trappelend ooievaarskuiken waarvan de benen langer waren dan het bewustzijn ervan. Het is meer geluk dan techniek waarmee ik me in het water voortbeweeg. Maar ik kom vooruit, houd mijn hoofd boven water. Het zonnebrandfleslipje heeft een afdruk in het vel van mijn rechterwijsvinger achtergelaten. Ik neem het nu tussen mijn duimtop en wijsvingertop vast, probeer het niet kwijt te raken. Jelle kijkt verlangend naar de horizon. Mijn tenen kunnen niet meer bij de grond als ik mijn kruin boven water wil houden en de onderstromen worden kouder. Het water is hier nog niet opgewarmd door een kinderplas of de zon. Zorgvuldig druk ik het scherpe uiteinde van het plasticje onder de linkerpoot van de krokodil. Voor de zekerheid prik ik ook een gaatje aan de rechterkant, in het middenrif van de krokodil, als krokodillen dat hoe ook hebben. Met de anatomie van reptielen heb ik me nooit zo beziggehouden. Onder water verschijnen bubbeltjes en Jelle pruttelt wat terwijl hij verlangend naar de horizon kijkt. Het zal een tijdje duren voordat hij volledig leeg is gelopen, maar doordat het eb is zal hij niet voor die tijd naar het strand terugdrijven. Ik geef het opblaasdier een zetje richting Engeland. Met mijn hoofd zo lang mogelijk onder water zwem ik alleen terug naar de kust.

 

 

 

Derde laureaat proza van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2018.

 

Comments