Eerste laureaat proza:

 Lijken in een bloemenveld

Hans Depelchin

 

Onderweg naar het kantoor van Benny Desutter houd ik mijn ogen dicht. Ik ben in weken niet buiten geweest en de zon schijnt onverdraaglijk op mijn perkamenten gezicht. Elke ochtend strijk ik over mijn rimpels. Ik geef ze namen. Op mijn voorhoofd zijn mijn favorieten: Seghen, Yewande, Ashanti en Paulien.
            Ik hobbel over de kinderkoppen, word meter na meter dooreengeschud. Hondo duwt me haastig voort en zegt streng, met die bromstem van hem, dat ik van de zon moet genieten. ‘Je hebt een tekort aan vitaminen, Helena.’ Ik erger me aan zijn bruuske aanpak.
            Zelfs met gesloten ogen kan ik de afstanden inschatten. De Zandstraat uit, aan het kruispunt een ruk naar rechts. Voorbij Apotheek Curavit opnieuw rechts de Bloemstraat in. Het lawaai van wielertoeristen op het terras van Café ’t Vervolg, de geur van ontbinding ter hoogte van Vleeshal Van Gool. Daarnaast het herenhuis van Desutter, de voortuin overwoekerd met lievevrouwebedstro. Ik ruik onze aankomst: lijken in een bloemenveld.
            Ik laat mijn blik gaan over de mappen die netjes op Benny’s boekenplanken staan. Ik denk aan de mappen van mijn moeder in de kasten van haar atelier in Amsterdam, propvol foto’s: zwart-witgezichten van misvormde tweelingen met flaporen, de slurf van een olifant rond een trotse zigeuner, een reus die met zijn hoofd tegen het plafond neerkijkt op zijn ouders, de misnoegde tronie van een besmeurde kleuter.
            In Benny’s kantoor besef ik opnieuw dat ik spoedig een formuliertje in zo’n classeur zal zijn en dat mensen zullen vergeten dat ik het kind ben op de schilderijen van mijn moeder. Een akte van overlijden en een reeks penseelstreken. Dat is wat van mij overblijft.
            Benny heeft zich kaalgeschoren. Hij heeft paarse wallen onder zijn ogen, die haastig op zijn gezicht lijken te zijn geschilderd. Hoe komt iemand erbij om zijn leven te wijden aan wat de doden achterlaten? Vaker een puinhoop dan een bedrag boven de tienduizend. Hondo wacht op de gang. Ik hoor hem ademen. Dat stelt me gerust. 
            Benny vraagt wat er met het archief van mijn moeder moet gebeuren en met de werken die in mijn kelder opgeslagen liggen. 
            ‘Geef alles gewoon weg. En wat geen waarde heeft, gooi je weg. Wat in bruikleen bij de musea zit, breng je terug naar de eigenaars. Wat het MoMa heeft opgekocht, moet terug naar de veiling. Als ze moeilijk doen, zet je er een advocaat op. Ze hebben daar onlangs het werk van een Zuid-Afrikaans schilderend varken in hun vaste collectie opgenomen. Dat zaakje stinkt. Pigcasso noemen ze hem. Een schande.’ 
            ‘En de opbrengt van je huis?’
             ‘Geef maar weg. Aan goede doelen. Behalve Oxfam. En Artsen Zonder Grenzen. Dat zijn viezeriken.’
            ‘Maar … is er niemand?’
            ‘Jawel. Maar nee. Niet echt. Nee, er is niemand.’
            Op de vraag wat er met mijn lichaam moet gebeuren ‘zodra mijn leven zich definitief heeft voltrokken’, antwoord ik: ‘Humusatie’. Ik spreek het uit als een professor en houd daarbij mijn kin een beetje omhoog.
            ‘Gecontroleerd composteren’, verduidelijk ik. ‘Ze leggen je in een park, bedolven onder stro, droog gras, houtsnippers en oude bladeren. Een jaar later ben je weg. Poef. Het kan al in Nederland. Betaal het maar met de opbrengst van mijn huis. En de MoMa-veiling.’
            ‘Maar Helena, is er echt niemand?’
            ‘Nee, Benny, godverdomme. Er is niemand.’
 
 
Tijdens het middageten denk ik aan het Zuid-Afrika dat me regelmatig in mijn slaap tegemoetkomt. De boerderij van mijn grootouders. De zijden gordijnen. De wolkeloze lucht. In het tegenlicht de gestalte van mijn moeder, met opwaaiend krullend haar en de handen op haar heupen. De hangmat in de tuin, het uitgestrekte, dampende landgoed erachter. De verschroeiing. Verderop in de stad de gescheiden openbare toiletten, de vetes tussen zwart en wit, die ik kende van tv. Ik ben er maar een keer geweest. Ik was zes. Ik wilde er toen al oud worden. 
            Ik weet nog dat ik stampvoette, toen mijn moeder later op de flat in Amsterdam probeerde uit te leggen waarom we nooit meer zouden teruggaan. Op het moment dat ze kunsthistorische documentaires inwisselde voor Keeping up appearances, heb ik voor het eerst een beroep gedaan op haar spaargeld. Ik liet haar achter in een zorgcentrum en stak de grens over naar Vlaanderen. Een stapje zuidelijker. Een stapje dichter bij het zwarte continent. In het zorgcentrum hield mijn moeder het maar twee dagen uit.
 
 
Lola de Vleeschouwer wordt drieëntachtig vandaag. Toen Hondo gisteren vroeg wat ze graag wilde doen op ‘haar speciale dag’, zei ze dat ze in de recreatieruimte met mij en Padje van Gool wilde ‘vingeren met de verf’. Hij grinnikte. ‘Het doet me aan vroeger denken,’ verduidelijkte ze, ‘toen alles gemakkelijk was.’ 
            Na een kwartier is ze het vingerverven beu. Ze pakt de krant en probeert de Zweedse puzzel in te vullen. Ze staat erop dat Padje en ik verder klooien, kunstwerkjes maken ter ere van ‘haar speciale dag’. 
            ‘Overdrukpapier’, schreeuwt ze. ‘Zes letters. De derde is een b.’ 
            ‘Een d?’ reageert Padje aan de overkant van de tafel. Hij zet zijn propere hand als een telescoop tegen zijn oor. 
            ‘Een b. De b van brandende braamstruik’, schreeuwt Lola.
            Niemand antwoordt. Ik ken het antwoord, maar ook ik antwoord niet. Bovendien is de vierde letter een b.
            Ik duw mijn duim in de groene vingerverf en zit een moment naar de klodders te staren die van mijn duim terug in het potje spatten. Er ligt een blad voor me. Het is leeg.
            Padje houdt zijn blad omhoog. Hij heeft een kip geschilderd die met haar vlerken flappert. Haar kop ligt naast haar in het gras. Hij heeft zich gebaseerd op de anekdote over mijn grootouders die een wijnboerderij hadden in Kuilsrivier. Dat mijn moeder daar het plan had opgevat om kunstenares te worden, nadat ze het bloed had gezien dat als een fontein uit Greta’s romp gutste. ’s Avonds aten we Greta op. 
            Ik duw mijn duim op het midden van mijn blad. Hondo komt binnen met de thee. Hij heeft ons wel heel lang alleen gelaten. Ik wenk hem met mijn propere hand. Hij zet de schaal op tafel en komt met zijn diepzwarte hoofd bij mijn mond hangen. Ik vraag hem of er geen glaasje rood is voorzien. ‘Voor Lola’s verjaardag.’ Hij schudt zijn hoofd terwijl hij zijn lippen vermanend tegen elkaar perst, als twee dikke, roze larven. Hij port met zijn wijsvinger in de vlakte tussen mijn borsten. ‘Niet goed voor je hartje, Helena.’ Ik probeer te grommen uit protest, maar ik rochel. Ik wil met hem de Zandstraat uit, de Bloemstraat in, de hoofdweg over, de tunnel door, wijn drinken in de bloemenvelden. Hij veegt met een zakdoek het kwijl van mijn mondhoeken. 
            Ik lonk naar zijn gepolijste achterhoofd als hij de recreatieruimte uit stapt, naar de verticale, blinkende strepen in zijn nek en zijn sterke schouders die het begin zijn van de nagenoeg perfecte driehoek van zijn bovenlichaam, waarvan de punt samenvalt met zijn kruis. Soms droom ik van zijn kruis en in de droom zit Padje in zijn rolstoel naar ons te kijken, tot hij in totale verontwaardiging begint te janken als een hond, met rolstoel en al omkantelt en zijn nek breekt op de plavuizen. Met Hondo bovenop me roep ik in de droom dat hij moet oppassen, dat hij toch niet meer van de jongste is, en dat Hondo er ook niets aan kan doen dat hij zwart is.
 
 
De verplegers hebben vlaggetjes opgehangen, in een diagonaal van de deurpost naar de hoek van het raam aan de straatkant. De overgordijnen zijn dicht. Op het krijtbord heeft Hondo ‘Proficiat Lola!’ geschreven, elke letter in een andere kleur. 
            Ik kijk naar het groene ovaal op mijn blad, smeer er wat zwart doorheen en word aangestaard door het oog van mijn moeder, op wie ik lijk als een tweelingzus. 
            Kinderstemmen op de gang. Padje zegt: ‘Hondo zei dat er nog een verrassing zou komen.’ Lola draait met haar ogen. Ik verdeel de ruimte rond het oog op mijn blad in ongelijke percelen en arceer ze met groen, als rijen wijnranken gezien vanuit de lucht. Er wordt ongeduldig aan de deurklink gerammeld. Ik ruik kersentaart.
            De deur van de recreatieruimte valt bijna uit haar hengsels als de eerste lagereschoolkinderen binnenstormen. Verrukt gooit Lola haar armen in de lucht, trekt dan een grimas en legt haar handen traag terug op de krant. ‘Joepie, kinderen’, kreunt ze.
            Achter de troep slenteren Hondo en een blonde schooljuffrouw van eind twintig. Melkwitte, gave huid, een vlek op haar rechterneusvleugel. Een wrat, misschien.
            Ze draagt een schaal met kersentaart. Eén kaarsje.
            ‘Rustig!’ roept de juffrouw naar haar losgeslagen leerlingen. Ze joelen met de decibels van een uitzinnige menigte op een festival. De opwinding over een nieuwe omgeving. Ik herken het uit de tijd dat ik zelf voor de klas stond. Ik geloofde lang dat ik iets voor mijn leerlingen kon betekenen, tot ik het beter vond de jeugd op een archipel weg te zetten, waar ze op eigen tempo, zonder de rest te storen, tot wasdom kon komen.
            De leerlingen hollen door de kamer, gaan op stoelen staan, trekken aan de vlaggetjes, gooien de gordijnen open, spelen tikkertje, gieten onze thee in hun keelgat, verslikken zich, draaien aan de knop van de radio tot die ruist als een waterstraal. Ze wijzen naar onze schilderijen en schateren, pakken de verf van de tafel en zwaaien gevaarlijk met de potjes in het rond. Hun schelle stemmen weerklinken in mijn hoofd, resoneren ter hoogte van mijn kaken, dof, maar tegelijk oorverdovend, alsof ik harde brokken muesli vermaal en de tv plots te zacht blijkt te staan. De stemmen gonzen door mijn lijf, maar als ik naar hen kijk – ze zijn overal, als sprinkhanen – zie ik alleen hun mond open- en dichtgaan. Alles zindert tussen mijn oren, in mijn onderbuik, door de grond onder mijn voeten, maar de woorden hoor ik niet.
            Er komt een meisje naast me staan. Ze trekt mijn vingers uit mijn oren. Ze lijkt veel jonger dan de rest, een kleuter haast. Het lijkt alsof ze haar gezicht met talkpoeder heeft bestoft. Haar trekken, als van een verre nicht. Aan haar frons merk ik dat ze iets vraagt. Ik focus me op haar mond, maar vang niets op.
            De juffrouw zet de schaal op tafel. De kinderen stuiven ernaartoe en reiken likkebaardend over het houten blad naar de taart. Het tafellaken schuift naar een kant. Het hele boeltje dreigt naar beneden te kletsen. Ik pak mijn schilderwerk met beide handen vast en druk het met de verfkant tegen mijn borst.
            ‘Let toch op, verdomme’, roep ik. Padje rolt zichzelf naar de aangrenzende keuken en staat zo toe dat de kinderen zijn onthoofde Greta in stukken scheuren, de snippers verfrommelen en op de grond gooien. Lola klapt in haar handen als een mongool. Hondo en de blonde juffrouw zijn nergens meer te bekennen.
            Het meisje van daarnet wordt door de andere kinderen op de tafel geduwd. Een jongen met stekelig zwart haar en een bril klautert haar achterna, terwijl hij als een dikke gekko zijn prooi in het vizier houdt. Het meisje is een weerloos insect, omsingeld door op en neer springende kikkers. De gekko hijst zich omhoog langs haar benen. Ze verstart. Hij friemelt met zijn glibberige vingers aan de zoom van haar T-shirt en trekt het over haar hoofd. Dan schuift hij in één beweging haar short en haar onderbroekje naar beneden. Hij gooit de kledingstukken naar zijn klasgenoten, die hem rond de tafel luid aanmoedigen. Lola richt haar blik weer op de krant.
            Ik hoor hoe vingerverf op het gestroopte meisje wordt gespat. Bij elke klodder die aankomt, voel ik een steek in mijn borst. De pestkop besmeurt haar met blauw en rood en hurkt neer voor haar kruis. Hij strijkt er met zijn appelblauwzeegroene worstenvingers overheen. Ze huilt. De menigte krijst. Er vallen verfpotten en theekopjes om. Ik duizel.
            De deur zwaait open. Eindelijk. Hondo. De juffrouw. Waar zijn ze geweest? Wat hebben ze gedaan? In godsnaam, Hondo. Heeft hij die wrat dan niet gezien?
            Gekletter van bestek tegen de gootsteen in de keuken. Padje doet de afwas. Lola probeert haar puzzel op te lossen, haar rechterhand bedekt haar neerhangende gezicht alsof ze weent. 
            De pestkop schrikt niet eens van Hondo en de juffrouw. Hij zet een stap naar achteren, duwt zijn bril op zijn plaats en aanschouwt zijn schilderij.
            Ik kijk mee naar het meisje en zie mezelf, jaren geleden, in de deuropening van het salon in Kuilsrivier, nadat ik me in de kelder had ingesmeerd met het vruchtvlees van blauwe druiven, uitzinnig van woede omdat mijn moeder me de toegang tot haar atelier had geweigerd en vervolgens had meegedeeld dat ik niet voor altijd bij mijn grootouders kon blijven wonen.
            ‘Helena!’ schreeuwt Hondo. Ik voel zijn sterke handen op de handvatten van mijn rolstoel, wanneer hij me razendsnel de recreatieruimte uit duwt, de gang door. Een pijnscheut trekt door mijn rechterarm. Naaldje. Adertje. Hartje.
            Buiten brandt de zon op mijn gezicht. Ik word ergens bovenop gehesen en rijd daarna opnieuw, maar tien keer zo snel. Ik sluit mijn ogen, zie Lola’s Zweedse puzzel voor me. Ze heeft bij elke opgave ‘CABRON’ ingevuld.
            Hondo en ik. Samen. Mijn zwarte droom. Ik prevel zijn naam. Hij pakt mijn hand vast, die broos is als kalksteen. Ik lach breed. ‘Het is een vijfling, ik voel het. Seghen, Yewande, Ashanti, Paulien ...’ Ik fluister dat we niet meer over de namen gaan discussiëren. Daarna steek ik mijn zwartgroene duim in mijn mond en zuig erop. Ik vraag me af wie het ooit heeft bedacht om eetbare verf te maken.
            We rijden de Zandstraat uit, de Bloemstraat door, langs Café ’t Vervolg. De hoofdweg over, de tunnel door, de bloemenvelden in, naar het zuiden. Ik geniet. Alsof de wereld om mij heen instort en ik mij, gehurkt in een hoekje, duim in de mond, voor dood houd.

 

Eerste laureaat proza van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2018.